Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenRichtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen voor misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

Deze richtlijn voor strafvordering bevat het transactie- en strafvorderingsbeleid van het OM inzake misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV), waarvoor feitomschrijvingen (feitcodes) zijn vastgesteld. De richtlijn wijkt af van eerdere versies, omdat de Wet OM-afdoening zijn beslag heeft gekregen in het Wetboek van Strafvordering. Daarmee is een geheel nieuwe afdoeningsmodaliteit in het Wetboek van Strafvordering geïntroduceerd: de strafbeschikking.

De strafbeschikking wordt gefaseerd ingevoerd (zie hiervoor Bijlage 1 bij de Aanwijzing OM-afdoening (2007A007)). Dat heeft consequenties voor de opbouw van deze richtlijn:

Deze richtlijn omvat:

Veel feiten vallen onder de WAHV. In de richtlijn zijn deze feiten te herkennen aan een ‘m’ voor de feitcode. Bijvoorbeeld: m R 602 als weggebruiker niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht. Deze feiten vallen buiten het strafrecht en worden vooralsnog alleen administratiefrechtelijk afgedaan.

De in deze bijlage vermelde feiten worden afgedaan door middel van de politietransactie.

De feiten waarvoor de politie transactiebevoegdheid heeft zijn te herkennen aan een ‘p’ voor de feitcode. Bijvoorbeeld: p D 530 zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden.

Zoals gezegd zullen deze feiten op termijn worden ondergebracht in de bijlage van het Besluit OM-afdoening. De in die bijlage vermelde feiten zullen dan worden afgedaan door middel van de politiestrafbeschikking.

In een aantal gevallen kan de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen. Het betreft hier vooralsnog first-offenders, die art. 8 WVW 1994 hebben overtreden en waarbij de vervolging via de feitgecodeerde lijn wordt afgehandeld. Daarbij geldt tevens dat geen proces-verbaal wordt opgemaakt voor een ander feit. Verder betreft het uitsluitend de feitcodes waarbij een geldsom wordt vermeld. De strafbeschikking mag vooralsnog niet worden uitgevaardigd aan minderjarigen.

Een strafbeschikking kan derhalve voor de volgende feitcodes worden uitgevaardigd:

Wanneer geen sprake is van een van de hierboven of in de Aanwijzing OM-afdoening benoemde contra-indicaties, wordt voor deze feitcodes een strafbeschikking uitgevaardigd. Is wel sprake van een dergelijke contra-indicatie, dan wordt getransigeerd of gedagvaard.

Voor de feitgecodeerde zaken waarvoor de politie geen transactiebevoegdheid heeft, de officier van justitie volgens de richtlijnen geen strafbeschikking mag uitvaardigen en die eveneens niet zijn opgenomen in de bijlage van de WAHV, biedt de officier van justitie in de meeste gevallen een transactie aan. Soms wordt, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meteen gedagvaard. De bedragen voor de OM-transactie of de eis ter zitting zijn in de richtlijn opgenomen. Deze feiten zijn te herkennen aan het symbool ‘*’ voor de feitcode. Bijvoorbeeld:

* K 055 als bestuurder van een motorrijtuig rijden zonder rijbewijs voor de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort. In sommige gevallen wordt geen bedrag vermeld. Dan is er een specifieke Richtlijn voor strafvordering van toepassing, dan wel kan er op grond van de specifieke omstandigheden van het geval geen tarief worden aangegeven.

Op termijn zullen alle feiten waarvoor nog door de officier van justitie een transactie kan worden aangeboden, opgaan in de OM-strafbeschikking. Deze omzetting zal gefaseerd plaatsvinden.

Om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen wordt per gebeurtenis tegen de verdachte/betrokkene voor ten hoogste drie overtredingen of gedragingen proces-verbaal opgemaakt, dan wel aan hem een transactie aangeboden, een strafbeschikking uitgevaardigd of een administratieve sanctie opgelegd.

Afdoening langs één traject is daarbij het uitgangspunt. Indien zowel de strafrechtelijke als de administratiefrechtelijke weg wordt bewandeld, moet in het proces-verbaal melding worden gemaakt van de opgelegde administratieve sanctie'(s) en op de aankondiging van beschikking van het/de opgemaakte proces(sen)-verbaal1. Van deze mogelijkheid dient slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik te worden gemaakt.

Indien een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) is het niet toegestaan om daarnaast administratieve sancties op te leggen of transactievoorstellen te doen voor feiten die in relatie staan tot het gevaarlijke c.q. het belemmerende gedrag op de weg. Deze bepaling is opgenomen omdat in het geval dat een proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake overtreding van artikel 5 WVW 1994 en daarnaast aan dat artikel gerelateerde administratieve sancties worden opgelegd of transacties worden aangeboden, de kans bestaat dat de officier van justitie niet meer kan vervolgen. Dit vloeit voort uit het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen (WvSr) ne bis in idem-beginsel, dat bepaalt dat niemand andermaal kan worden vervolgd voor feiten waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter onherroepelijk is beslist.

Het voldoen aan een transactievoorstel wordt op grond van artikel 74, eerste lid WvSr gelijkgesteld met een onherroepelijke veroordeling, zodat hier het ne bis in idem-beginsel geldt.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1998 (NJ 1999, 47), mag, indien voor een gedraging een administratieve sanctie is opgelegd, deze gedraging niet bij een vervolging wegens overtreding van artikel 5 WVW 1994 worden betrokken. Evenzeer is het volgens dit arrest zo, dat indien is vervolgd wegens overtreding van artikel 5 WVW 1994, niet nog eens een administratieve sanctie kan worden opgelegd voor zover deze gedraging in de vervolging was betrokken.

Als voorbeeld kan worden aangegeven het feit dat een bestuurder gevaarlijk rijgedrag vertoont en daarbij tevens een rood verkeerslicht negeert (=Muldergedraging). Indien een beschikking wordt opgelegd voor het negeren van het rode verkeerslicht, dan zal dat feit geen onderdeel mogen uitmaken van de vervolging op grond van artikel 5 WVW 1994.

De feiten (gedragingen) die in de bijlage van de WAHV zijn opgenomen, worden vooralsnog2 via een beschikking administratiefrechtelijk afgedaan. De bij de gedragingen behorende sanctiebedragen staan vast en hiervan kan niet worden afgeweken.

Halvering tarieven minderjarigen

Op grond van artikel 2, lid 4 van de WAHV dienen de bedragen voor minderjarigen van 12 tot 16 jaar te worden gehalveerd. Deze afronding geschiedt op hele euro’s naar boven.

Deze richtlijn geeft bij het misdrijf winkeldiefstal/-verduistering, in de gevallen dat daarvoor feitcodes zijn vastgesteld, opeenvolgend:

De in de koptekst genoemde aanwijzing politietransactie inzake eenvoudige winkeldiefstal en -verduistering beschrijft de uitoefening van de transactiebevoegdheid door de politie en de controle hierop door het OM.

De in de kop van deze richtlijn vermelde beleidsregels, zijn voor zover van toepassing, relevant voor de OM-transactie en de eis ter zitting ter zake het misdrijf winkeldiefstal/- verduistering .

Voor de overige onder de misdrijven vallende feitcodes, uitgezonderd enkele op de overtreding van artikel 8 WVW 1994 betrekking hebbende feitcodes, is geen tarief opgenomen. Dit zijn OM-feiten, waarvoor specifieke strafvorderingsrichtlijnen zijn vastgesteld, dan wel waarvoor de specifieke omstandigheden van het geval maatwerk vereisen.

Deze richtlijn geeft per overtreding en per categorie (bijvoorbeeld: een voetganger of een schipper), opeenvolgend:

De tarieven voor de politietransactie zijn in de bij deze richtlijn behorende bijlage met feiten waarvoor de politie transactiebevoegdheid heeft, vastgesteld. Het staat de politie derhalve niet vrij een ander transactievoorstel te doen.

Het OM kan binnen de wettelijke strafmaxima van de bedragen van de OM-transactie, de OM-strafbeschikking en/of eis ter zitting afwijken. Dat kan zowel naar beneden als naar boven, al naar gelang de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit zal vooral het geval kunnen zijn bij overtredingen van de plaatselijke verordeningen. (Pl.V.) Het op grond van de plaatselijke omstandigheden te voeren beleid bij de toepassing van de richtlijn kan onderwerp van gesprek zijn in het driehoeksoverleg.

De aangegeven tarieven in de bij deze richtlijn behorende bijlage met OM-feiten zijn bedoeld voor overtredingen, die voor een transactie of strafbeschikking in de vorm van een geldboete vatbaar zijn. Een transactievoorstel dient te worden beperkt tot die overtreding die, bij niet betalen, ten laste zou worden gelegd. Indien zich specifieke omstandigheden voordoen kunnen deze voor het OM aanleiding zijn tot verhoging van de geldboete, het transactiebedrag dan wel tot dagvaarding zonder voorafgaande mogelijkheid van transactie of dagvaarding in plaats een strafbeschikking.

Voorts kan onder meer in de volgende gevallen worden afgeweken van de richtlijn:

Berekening van bepaalde transactie- en geldboetebedragen

In deze richtlijn zijn sommige bedragen afhankelijk gesteld van de zwaarte van de overtreding. Zo zijn bijvoorbeeld voor overtreding van de voorschriften ten aanzien van de remvertraging van motorvoertuigen tarieven vastgesteld naar de mate waarin deze voorschriften zijn overschreden. Voorts is in de bijlage met OM-feiten bij enkele overtredingen een minimumbedrag en soms een maximumbedrag vermeld. De ernst van de gepleegde overtreding kan dan tot uitdrukking worden gebracht met inachtneming van de bedoelde bedragen.

Inbeslagneming

In de richtlijn is met de letters 'm.a.' (met afstand) aangegeven in welke gevallen – een enkele uitzondering daargelaten – als voorwaarde voor transactie door het OM moet worden gesteld dat afstand wordt gedaan van een inbeslaggenomen voorwerp overeenkomstig artikel 116 WvSv. Indien geen transactie tot stand komt, moet het OM in deze gevallen, indien tussentijds, zoals voorgeschreven in het Handboek Inbeslagneming c.q. de Handleiding Inbeslagneming, geen beslissing werd genomen omtrent het beslag, ter terechtzitting verbeurdverklaring (in de richtlijn aangegeven met 'v.v.') dan wel onttrekking aan het verkeer ('o.a.v.') van het voorwerp vorderen. Maar ook in andere daarvoor in aanmerking komende gevallen kan afstand als voorwaarde worden gesteld, respectievelijk verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer worden gevorderd.

Op grond van artikel 74c, WvSr kan aan opsporingsambtenaren transactiebevoegdheid worden verleend. In het Transactiebesluit 1994 zijn de opsporingsambtenaren aangewezen aan wie transactiebevoegdheid is verleend. Eveneens zijn in dat besluit de zaken aangewezen die voor aanbieding van een politietransactie in aanmerking komen.

Opsporingsambtenaren met transactiebevoegdheid maken van die bevoegdheid gebruik volgens door het OM te geven richtlijnen (artikel 74c, lid 4 WvSr).

In deze richtlijn wordt bepaald dat een politietransactie niet mag worden aangeboden indien:

De hoofdofficier van justitie kan bepalen dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de transactiebevoegdheid (zie artikel 5 van het Transactiebesluit 1994).

De recidiveregeling t.a.v. de overtredingen van artikelen 30 en 34 WAM (onverzekerd rijden, zie in de bijlage de feitnummers A 914 a t/m d, A 915, A 917 a t/m c en A 918) luidt voor de met motorrijtuigen, uitgezonderd bromfietsen, gepleegde overtredingen als volgt:

Voor de met een bromfiets gepleegde overtreding van de artikelen 30 en 34 WAM (feitcodes A 901 a t/m d, A 902, A 903 a t/m c en A 904) geldt de volgende recidiveregeling:

De recidiveregeling voor het rijden zonder rijbewijs (overtreding van artikel 107 lid 1 WVW 1994) heeft betrekking op motorvoertuigen uit de voertuigcategorieën 1 tot en met 3 van categorie-indeling B.

– Voor de voertuigcategorieën 1 (bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen; aangezien het hier bepalingen uit de WVW 1994 betreft wordt de bestuurder van de brommobiel hiervan uitgezonderd, deze valt onder categorie 3) en 2 (bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen) luidt de recidiveregeling als volgt:

– Voor de voertuigcategorie 3 (bromfietsers en snorfietsers; aangezien het hier bepalingen uit de WVW 1994 betreft valt hieronder ook de brommobiel) geldt onderstaande recidiveregeling:

De recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen wordt toegepast bij snelheidsovertredingen, die niet als een gedraging in de bijlage bij de WAHV zijn opgenomen.

De recidiveregeling luidt als volgt:

Categorie-indeling snelheidsoverschrijdingen (categorie-indeling C)

N.B. Gelet op de aanwijzing inbeslagneming bij verkeersdelicten kan na overleg met de officier van justitie het motorvoertuig, waarmee de snelheidsovertreding is gepleegd, in beslag worden genomen, indien een overschrijding van de maximumsnelheid met meer dan 100% in samenhang met geconcretiseerde gevaarzetting is geconstateerd.

Overzicht weg:

Recidiveregeling snelheidsovertredingen (weg)

Recidiveregeling snelheidsovertredingen bromfietsen

Voorbeeld bepaling tarief/eis ter zitting:

Indien de bestuurder van een categorie 1-voertuig voor de eerste maal de maximum snelheid overschrijdt, bijvoorbeeld met 50 km/h binnen de bebouwde kom, dan wordt hem voor het in het voorbeeld genoemde geval een OM-transactie aangeboden van € 510 (zie de feitcodes * VA 055, * VB 055 of * VC 055). Dat is het vaste tarief dat bij deze overtreding behoort. De daarbij behorende eis ter zitting is volgens kolom 3 van de in de Tekstenbundel opgenomen Tarieventabel snelheidsovertredingen een geldboete van € 610. Begaat deze bestuurder vervolgens een tweede onder de recidiveregeling vallende snelheidsovertreding, bijvoorbeeld door overschrijding van de maximum snelheid binnen de bebouwde kom met 69 km/h (feitcode * VA 070, * VB 070 of * VC 070), dan dient tot dagvaarden te worden overgegaan. De geldboete die moet worden geëist, wordt afgeleid van de geldboete die zou worden geëist indien deze overtreding voor de eerste maal zou zijn begaan, vermeerderd met 20%. De eerste overtreding kent volgens de feitcodes * VA 070, * VB 070 en * VC 070 een OM-transactie van € 790. De daarbij behorende eis ter zitting is een geldboete van € 940 (zie tarieventabel, kolom 3). Nu de snelheidsovertreding in het voorbeeld reeds een tweede snelheidsovertreding betreft, wordt een eis ter zitting van € 940 + 20% voorgeschreven. Voorts moet een OBM van 4 maanden ovw worden geëist.

De recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen water wordt toegepast bij snelheidsovertredingen op het water, begaan door kleine schepen, bij overschrijding van de maximum toegestane snelheid vanaf 25 kilometer per uur. De recidiveregeling luidt als volgt:

– Van recidive is alleen sprake indien de overtreding wordt begaan binnen twee jaar na betaling van een transactie of onherroepelijke veroordeling voor één van de vorige gedocumenteerde snelheidsovertreding(en).

De recidiveregeling voor kleine schepen is weergegeven in het overzicht water.

De tarieven die in de overzichten zijn weergegeven hebben betrekking op de overschrijding van de maximum toegestane snelheid.

Overzicht water:

Recidiveregeling snelheidsovertredingen water7

Op grond van het bepaalde in artikel 3 onder c van het Transactiebesluit 1994 is de transactiebevoegdheid in handen van de Koninklijke Marechaussee (KMAR) op militaire terreinen beperkt tot verdachten die militair zijn. Voorts beperkt de transactiebevoegdheid zich tot uitsluitend die feiten die zijn opgenomen in de bijlage van het Transactiebesluit 1994. Met de inwerkingtreding van de WAHV zijn veel feiten vanuit de diverse Transactiebesluiten, waaronder het Besluit transactie Koninklijke Marechaussee ondergebracht in de bijlage van de WAHV en deze bijlage is met uitzondering van de feitcodes K 035, K 040 a t/m e, K 075 t/m K 106, K 120, K 140, K 155 niet van toepassing op militaire terreinen.

Deze feitcodes vormen deze uitzondering, doordat het begrip ‘weg’ niet van toepassing is op deze codes.

Het is echter gewenst dat de afdoening van deze zaken zoveel mogelijk verloopt via de geautomatiseerde systemen bij de KMAR en het CJIB, waarna de zaakgegevens (bij niet betalen) elektronisch worden overgedragen aan het parketsysteem.

Om de verwerking via de geautomatiseerde systemen mogelijk te maken wordt bij het opmaken van een mini proces-verbaal gebruik gemaakt van dezelfde feitcodes als in de bijlage bij de WAHV, onder toevoeging van de hoofdletter K. Bijv. De feitcode R549a (niet stoppen bij een stopbord) wordt KR549a .

De verbaliserende ambtenaar van de KMAR maakt na het constateren van een overtreding een mini proces-verbaal op en reikt bij staandehouding een afschrift uit aan de verdachte. Vanwege het feit dat het een OM-transactie betreft wordt geen bedrag ingevuld op het mini proces-verbaal.

Indien de verdachte niet betaalt, binnen de daarvoor gestelde termijn, wordt een proces-verbaal opgemaakt dat, met tussenkomst van het CJIB, via de gebruikelijke wijze aan het Openbaar Ministerie te Arnhem, unit militaire zaken, wordt aangeboden.

Artikel 3, onder c, van het Transactiebesluit 1994 blijft van kracht omdat het voorziet in de mogelijke verwerking van enige strafbare feiten ( bijvoorbeeld fout parkeren van een fiets R412 ) die niet als gedraging in de bijlage WAHV zijn opgenomen.

Deze richtlijn voor strafvordering is van toepassing op feiten gepleegd na de datum van inwerkingtreding.

De OM feiten en tarieven politietransigabele feiten met bijbehorende tarieven zijn niet bij deze richtlijn voor strafvordering opgenomen, maar geïntegreerd opgenomen in de Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen. De feiten die afkomstig zijn uit de bijlage met OM feiten en tarieven worden voorafgegaan door een * (asterisk) en de politietransigabele feiten worden voorafgegaan door de letter p.