Ministeriële regeling · BWBR0023740
Regeling nadere beroepsvereisten rechterlijke ambtenaren bij het openbaar ministerie
Gelet op artikel 38c, vijfde lid, van Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant geplaatst worden.
De Minister van Justitie, E.M.H.Hirsch BallinIn geval van toepasselijkheid van artikel 2a, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren dient voor een benoeming als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 7°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, kennis van en inzicht in het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht, te zijn verkregen door het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voor de volgende door een universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, aangeboden:
- a.
onderwijseenheden op het gebied van het strafrecht met een studielast van in totaal tenminste 10 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en
- b.
onderwijseenheden op het gebied van het strafprocesrecht met een studielast van in totaal tenminste 10 studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Deze regeling berust op artikel 2a, vijfde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 april 2008.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere beroepsvereisten rechterlijke ambtenaren bij het openbaar ministerie.