ZBO-regeling · BWBR0024362

Beleidsregels Protocol Scholing 2008

Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregels Protocol Scholing 2008Beleidsregels Protocol Scholing 2008 Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

Besluit:

Dit besluit wordt met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant geplaatst

Amsterdam1 juli 2008VoorzitterRaad van bestuur UWV, J.M.Linthorst

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij het beoordelen van cliënten voor het volgen van een scholing het protocol als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

Het Besluit Protocol Scholing 2005 – gepubliceerd in de Staatscourant van 1 februari 2005 nummer 125 met datum inwerkingtreding 6 juli 2005, wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2008. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 juli 2008, treedt het besluit in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 augustus 2008.

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Protocol Scholing 2008.

Voor het Protocol wordt de volgende definitie van scholing gehanteerd: Opleiding of scholing is het systematisch verwerven van arbeidsmarktrelevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening, het behoud of het verkrijgen van een taak, functie of (zelfstandig) beroep onder begeleiding van daartoe aangestelde docenten. Het dient zowel voor het uitoefenen als het verkrijgen van één of meerdere(deel)kwalificatie(s) voor een taak, functie of beroep.

In dit Protocol worden onder het begrip scholing alle kwalificerende instrumenten begrepen, die een cliënt dient te volgen om zijn (toekomstige) functie uit te kunnen oefenen.

Het Protocol Scholing is van toepassing op alle WW-, Wajong-, WIA- en WAO-cliënten. Voordat het Protocol Scholing wordt toegepast, heeft de re-integratiecoach Werk of de arbeidsdeskundige vastgesteld dat re-integratie mogelijk is én dat de cliënt gemotiveerd is. Toepassing van het Protocol Scholing gebeurt altijd in relatie met de vraag van een concrete werkgever dan wel met het oog op beschikbare vacatures op de lokale/regionale arbeidsmarkt.

Het Protocol Scholing bestaat uit drie onderdelen:

In onderdeel A wordt bepaald of scholing noodzakelijk is. De stappen, die hierbij doorlopen worden, zijn opgenomen in paragraaf 4. Uitgangspunt is de vraaggerichte benadering op de regionale arbeidsmarkt. Daarvan is in eerste instantie sprake, indien er een concrete vacature bij een werkgever in zicht is ten aanzien van de functie, waarvoor geschoold wordt. Is dit laatste niet het geval, dan dient er in ieder geval sprake te zijn van aanwezigheid van vacatures op de regionale arbeidsmarkt met betrekking tot de functie. De relatie tussen de inzet van scholing én het beschikbaar zijn van concrete vacatures op de arbeidsmarkt wordt hierdoor verstevigd

Na toepassing van onderdeel A van het Protocol , zijn de volgende uitkomsten mogelijk:

Wanneer wordt vastgesteld dat scholing noodzakelijk is en welke scholing dat dan is, wordt onderdeel B van het Protocol gevolgd. De te volgen stappen, zijn beschreven in paragraaf 5. Hierin wordt getoetst of de benodigde scholing voldoet aan het wettelijk kader. 1 Wanneer deze vraag negatief wordt beantwoord, is een andere functie de meest voor de hand liggende keuze. Onderdeel A vanaf stap 3 of 4 moet weer worden doorlopen. Wanneer de vraag met ja wordt beantwoord, is onderdeel C van het Protocol aan de orde.

In onderdeel C van het Protocol wordt bepaald of de benodigde scholing haalbaar is voor de cliënt. De stappen, die daarbij aan de orde zijn, zijn uitgewerkt in paragraaf 6. Dit onderdeel van het Protocol resulteert in een vaststelling van de mate van schoolbaarheid van de cliënt en welke gevolgen dat heeft voor de mogelijke inzet van scholing:

In uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van het Protocol. Dit moet wel gemotiveerd worden. Voor deze gevallen dient een second opinion-procedure te worden opgesteld. Pas indien ook na een second opinion tot hetzelfde oordeel wordt gekomen, kan worden afgeweken van het Protocol.

Aan de hand van de stappen 1 tot en met 5 kan worden vastgesteld of een cliënt scholing nodig heeft om via de kortste weg terug te kunnen keren op de arbeidsmarkt. Hieronder worden de stappen toegelicht.

Uitgangspunt is de kortste weg naar werk. Daarbij is het principe van Lerend Werken van evident belang.

Als de cliënt echter in de oude functie kan worden herplaatst zonder scholing, is dat de aangewezen weg. In het geval van een WIA- ,WAO-, of Wajong-cliënt zal aan de orde komen of hij herplaatst kan worden bij de oude werkgever in een andere functie, indien hij niet meer geschikt is voor de oude functie.

Mogelijk heeft de cliënt met het oog op herplaatsing in de oude functie behoefte aan ondersteuning in de vorm van een kwalificerende interventie. Het kan immers zijn, dat hij op grond van zijn oorspronkelijke opleiding wel over een principiële geschiktheid beschikt, maar bv. al enige tijd afwezig is uit het arbeidsproces en/of niet beschikt over nadien vereiste kwalificaties voor het uitoefenen van die functie. Uiteraard moet er dan wel sprake zijn van een vacature.

Voor cliënten met structurele functionele beperkingen zijn eventueel aanpassingen aan de eigen werkplek nodig.

Indien alleen andere functies passend zijn, kan een meer intensieve kwalificerende interventie nodig zijn in de vorm van scholing . Deze wordt alleen ingezet, indien er een concrete vacature in zicht is bij een werkgever, maar de cliënt met het oog op de aangewezen functie geschoold moet worden.

Indien er geen concrete vacature bij een werkgever in zicht is, kan scholing aan de orde komen bij aanwezigheid van vacatures op de regionale arbeidsmarkt in de beoogde functie. Indien er twijfel bestaat over passende functies op de regionale arbeidsmarkt en heroriëntatie noodzakelijk is, kan het voorkomen dat UWV daarbij extern advies nodig heeft.

Alleen indien er scholing conform de voorgaande stappen noodzakelijk is, volgt onderdeel B van het Protocol: de toets van de scholing.

In dit onderdeel van het Protocol wordt vastgesteld of de noodzakelijke scholing voldoet aan de regelgeving (stap 6).

De scholing die UWV inzet ten behoeve van haar cliënten moet aan de onderstaande voorwaarden voldoen 2:

Indien is vastgesteld dat de noodzakelijke scholing voldoet aan het wettelijk kader, moet vervolgens worden beoordeeld of deze scholing ook haalbaar is voor de cliënt.

De beoordeling van de schoolbaarheid leidt tot de volgende mogelijke uitkomsten:

Bij het vaststellen van de schoolbaarheid worden drie indicatoren onderscheiden: de motivatie voor de scholing, de cognitieve vaardigheden van de cliënt, en persoonlijke belemmeringen. Hieronder worden deze indicatoren nader besproken.

Motivatie is erg belangrijk voor het welslagen van een scholing. Indien de cliënt niet gemotiveerd is voor het volgen van scholing, heeft scholing geen zin. Er zal dan eerst aandacht moeten zijn voor de motivatie. Overigens speelt dit aspect natuurlijk ook al aan het begin van de re-integratiefase.

Vastgesteld moet worden of de opleiding aansluit bij de cognitieve vaardigheden van de cliënt. Hierbij moet ook gecheckt worden of voldaan wordt aan de formele instroomeisen van de opleiding. Op basis van de capaciteiten van de cliënt kan gekozen worden voor theoretisch of meer praktijkgericht onderwijs. Indien er onzekerheid bestaat over de cognitieve vaardigheden, kan hiervoor extern advies worden ingezet.

Bij het vaststellen van de cognitieve vaardigheden wordt ook gekeken worden naar de opleidingen, die de cliënt in het recente verleden heeft gevolgd. Het niet afronden van opleidingen is mogelijk een signaal voor belemmeringen in de persoonlijke situatie, die het risico op uitval vergroten. Deze belemmeringen zijn nader uitgewerkt onder indicator 3.

De persoonlijke belemmeringen, die hieronder worden onderscheiden, zijn ontleend aan het Protocol ZMP. De belemmeringen, die gelden voor ZMP, waardoor de cliënten moeilijk plaatsbaar zijn op de arbeidsmarkt, vormen vaak ook belemmeringen om succesvol een scholing te volgen. Het benoemen van de belemmeringen in het kader van schoolbaarheid heeft echter een andere functie: wanneer een belemmering wordt geconstateerd, moet bekeken worden of door middel van aanpassingen in de inrichting van de opleiding, scholing toch tot de mogelijkheden behoort. Het gaat hierbij onder meer om de volgende mogelijke aanpassingen:

In complexe gevallen heeft UWV de optie om extern advies in te zetten, om de schoolbaarheid vast te stellen.

Binnen de uitkeringssituatie heeft de cliënt zijn eigen zinvolle bezigheden/ daginvulling opgebouwd:

Om succesvol deel te kunnen nemen aan scholing zal de cliënt bereid moeten zijn om tijd vrij te maken, zodat de scholing gevolgd kan worden en huiswerk gemaakt kan worden. Eventueel kan extra begeleiding worden ingezet.

Het gaat hier om cliënten, die te maken hebben met een dusdanige schuldenproblematiek, dat zij moeilijkheden ondervinden om zich te concentreren op en/of te motiveren voor het volgen van een scholing. De cliënt zal eerst of gelijktijdig een schuldsaneringstraject moeten volgen, wil scholing succesvol kunnen zijn.

De belemmeringen kunnen mogelijk verholpen worden door extra begeleiding tijdens de scholing.

Door het inzetten van kwalificerende interventies kunnen deze belemmeringen mogelijk worden opgeheven.