U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 09-10-2010.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 september 2008, nr. VSV/51122, houdende uitvoeringsvoorschriften inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de schooljaren 2007–2008 tot en met 2010–2011 en inzake de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten)Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlatenDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, en 5 van de Wet overige OCenW-subsidies, de artikelen 28, tweede lid, en 118i, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 8.1.8, tweede lid, en 8.3.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 47a, tweede lid, en 162c, derde lid, van de Wet op de expertisecentra, en de artikelen 1 en 4, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.J. vanBijsterveldt-Vliegenthart

In deze regeling wordt verstaan onder:

In de paragrafen 2 en 3 wordt onder nieuwe voortijdig schoolverlater verstaan de jongere die op 1 oktober:

Bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de toepassing van de paragrafen 2 en 3 van deze regeling maakt de Minister gebruik van de gegevens, bedoeld in artikel 4b.2.3, eerste lid, onderdelen e en f, van het Uitvoeringsbesluit WEB, artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit gebruik persoonsgebonden nummers WVO en artikel 7.52 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Het doel van deze regeling is:

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van de paragrafen 2 en 3 verstrekte subsidiebedragen en de op grond van paragraaf 4 verstrekte bedragen van de specifieke uitkeringen verlaagd tot het bedrag van de subsidie respectievelijk de specifieke uitkering dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal begunstigden van de subsidie respectievelijk de specifieke uitkering en van de hoogte van de verstrekte subsidiebedragen dan wel bedragen van de specifieke uitkeringen.

Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf zijn de volgende bedragen beschikbaar:

Indien als gevolg van oprichting, splitsing, samenvoeging of verplaatsing van een onderwijsinstelling de toepassing van de gegevens van het schooljaar 2005–2006 als uitgangspunt voor de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters voor de desbetreffende onderwijsinstelling, bedoeld in deze paragraaf, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan de Minister afwijken van deze gegevens.

De Minister verstrekt voor de kalenderjaren 2008 tot en met 2011 op grond van deze paragraaf op aanvraag subsidie aan het bevoegd gezag van een contactschool ten behoeve van het uitvoeren van het onderwijsprogramma door de onderwijsinstellingen waarvoor door het bevoegd gezag van die onderwijsinstellingen het convenant voor de RMC-regio is ondertekend.

De aanvraag van de subsidie geschiedt door inzending van het volledig ingevulde formulier dat als bijlage D bij deze regeling is vastgesteld en de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 17.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel 29 terugwerkt tot en met 30 april 2008.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling bestrijding voortijdig schoolverlaten en regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per schooljaar in het middelbaar beroepsonderwijs op basis van artikel 7, eerste lid, wordt door de Minister berekend op basis van de volgende formule:

X = A – B – (C1+C2+C3+C4) – (D1+D2+D3)

Waarbij:

X = Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per schooljaar (t) in het middelbaar beroepsonderwijs dat woonachtig is in (een) RMC-regio(’s).

A = Het aantal jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 21 jaar dat op de 1 oktober van het schooljaar (t) door de onderwijsinstelling:

B = Het aantal jongeren onder A dat tijdens het schooljaar (t) is overleden, geëmigreerd of administratief afgevoerd is. Deze gegevens worden ontleend aan de Gemeentelijke Basis Administratie.

C = Het aantal jongeren onder A dat op 1 oktober van het daarop volgende schooljaar (t + 1) nog een bekostigde opleiding volgt. Dit kan dezelfde of een andere (beroeps)opleiding zijn aan dezelfde of een andere instelling, dan wel vervolgonderwijs betreffen. C is de som van:

D = Het aantal jongeren onder A dat op 1 oktober bij aanvang van het volgende schooljaar (t+1) geen bekostigde opleiding volgt, maar wel een startkwalificatie heeft behaald. D is de som van:

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per schooljaar (t) in het voortgezet onderwijs wordt door de Minister berekend op basis van de volgende formule:

X = A – B – (C1+C2+C3+C4) – (D1+D2)

Waarbij:

X = Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per onderwijsinstelling per schooljaar (t) in het voortgezet onderwijs (exclusief praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs) en dat woonachtig is in (een) RMC-regio(’s).

A = Het aantal jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 21 jaar dat op 1 oktober bij aanvang van het schooljaar (t) door de onderwijsinstelling:

B = Het aantal jongeren onder A dat tijdens het schooljaar (t) is overleden, geëmigreerd of administratief afgevoerd. Deze gegevens worden ontleend aan de Gemeentelijke Basis Administratie;

C = Het aantal jongeren onder A dat op 1 oktober bij aanvang van het daarop volgende schooljaar (t + 1) nog een bekostigde opleiding volgt. Dit kan dezelfde of een andere (beroeps)opleiding zijn aan dezelfde of een andere instelling, dan wel vervolgonderwijs betreffen. C is de som van:

D = Het aantal jongeren onder A dat gedurende schooljaar (t) is uitgeschreven met een startkwalificatie. D is de som van:

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters per schooljaar wordt in het kader van dit convenant door de Minister berekend op basis van bestaande, wettelijke registraties. Aan de hand hiervan wordt het aantal jongeren bepaald dat aan het begin van een schooljaar bij een onderwijsinstelling is ingeschreven (peildatum 1 oktober). Vervolgens wordt van deze jongeren nagegaan of bij aanvang van het daarop volgend schooljaar (peildatum 1 oktober) zij:

Deze laatste groep wordt beschouwd als het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters van de betreffende school gedurende het schooljaar.

Het gebruik van bestaande registraties heeft het grote voordeel dat dit niet leidt tot nieuwe administratieve lasten. Daarnaast blijkt deze berekeningsmethode een vollediger beeld te geven van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters dan registratie via de RMC-functie. Daarom wordt deze berekeningsmethode vanaf 2007 ook gebruikt om de Tweede Kamer te informeren over de aanpak van voortijdig schoolverlaten. Tot slot sluit deze berekeningsmethode aan op de landelijke benchmark van het mbo.

Bij de berekeningswijze zijn de volgende aandachtspunten van belang:

Het basisregister omvat momenteel alle jongeren die een door het Rijk bekostigde opleiding volgen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Deelnemers aan de educatie, behalve vavo op het einde van het betreffende schooljaar, blijven hier buiten beschouwing.

In het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is het onderwijsnummer (voor het overgrote deel) nog niet ingevoerd. Daarom worden deze onderwijstypen in de berekeningsmethode buiten beschouwing gelaten. In de praktijk betekent dit dat wanneer een leerling die is ingeschreven in het voortgezet onderwijs over gaat naar het speciaal onderwijs, deze leerling als nieuwe voortijdig schoolverlater wordt geteld. Indien een vo-school jaarlijks een gelijk aantal leerlingen ‘doorverwijst’ naar het speciaal onderwijs, zal dit geen effect hebben op het resultaat. Immers: door zowel in het referentiejaar 2005–2006 als op het eind van de convenantsperiode deze groep op eenzelfde manier te meten, vallen de aantallen tegen elkaar weg. Het voorgaande geldt ook voor jongeren die overstappen van bekostigd naar niet bekostigd onderwijs.

De berekeningsmethode meet in feite de schoolloopbaan van de jongere. Indien de jongere binnen het schooljaar gedurende korte tijd is uitgevallen, maar ook weer snel in een andere opleiding en/of op een andere onderwijsinstelling is ingestroomd, wordt deze niet als nieuwe voortijdig schoolverlater gerekend van de school waar de jongere bij aanvang van het schooljaar was ingeschreven. Immers: aan het begin van het nieuwe schooljaar volgt deze jongere weer onderwijs. Dit betekent dat een onderwijsinstelling, naast preventie van uitval, ook belang heeft om er voor te zorgen dat wanneer een jongere toch uitvalt, deze jongere te helpen een andere opleiding of onderwijsinstelling te vinden.

De definitie van voortijdig schoolverlater op basis van het onderwijsnummer is in een aantal opzichten veranderd in vergelijking met de RMC-definitie. Zo geldt niet meer de periode van een maand van afwezigheid voordat men VSV-er kan worden, maar wordt bepaald wie tussen 1 oktober van jaar t en 1 oktober van jaar t+1 niet meer naar schoolgaat zonder over een startkwalificatie te beschikken. Een andere wijziging is de leeftijdsafbakening. Volgens de RMC-definitie was een VSV-er geen VSV-er meer vanaf het moment dat men 23 jaar werd. Bij de aanpassing van de definitie naar de mogelijkheden van het onderwijsnummer wordt uitgegaan van de leeftijd op 1/10 van jaar t, en wordt deze leeftijd beperkt tot maximaal 21 jaar. Deze leerlingen zijn op 1/10 een jaar later allemaal 22 jaar oud, en worden in het jaar daaropvolgend 23 jaar. Als gekozen was voor 22 jaar als maximale leeftijd bij de afbakening op 1/10 van jaar t dan zouden alle 22 jarigen (op 1/10 jaar t) die een jaar later geen onderwijs meer volgen zonder startkwalificatie inmiddels 23 jaar zijn geworden en dus te oud zijn om als voortijdig schoolverlater meegerekend te worden.

Het convenant richt zich op het behalen van een startkwalificatie. Dit is minimaal een mbo–2, havo of vwo diploma. Dit betekent bijvoorbeeld dat vmbo-leerlingen die een diploma hebben behaald, maar zich voor het volgende schooljaar niet inschrijven bij het mbo of havo toch gerekend worden als nieuwe voortijdig schoolverlater van de vo-school. Uit dit oogpunt heeft de vo-school er belang bij om jongeren met een vmbo-diploma te stimuleren zich in te schrijven voor een vervolgopleiding .

Er vindt bij de berekening van het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (X) van de onderwijsinstelling ten behoeve van de vaststelling van de subsidie een correctie plaats indien er voor die instelling in een schooljaar sprake is van onevenredige groei of krimp van het aantal leerlingen ten opzichte van het schooljaar 2005–2006.

Om te bezien of sprake is van een onevenredige groei of krimp voor een onderwijsinstelling wordt de volgende berekening uitgevoerd.

De stijging of daling van het aantal leerlingen per schooljaar wordt uitgedrukt als percentage ten opzichte van het schooljaar 2005–2006 en als volgt berekend. Eerst wordt het verschil bepaald van het aantal leerlingen in schooljaar 2005–2006 en het aantal leerlingen in schooljaar (t). Dit verschil wordt gedeeld door het aantal leerlingen in schooljaar 2005–2006 en vervolgens vermenigvuldigd met 100. De uitkomst is het berekende percentage (P).

Er is sprake van onevenredige groei of krimp in het schooljaar (t) indien het berekende percentage (P) groter is dan of gelijk is aan de volgende norm:

Indien de stijging van het aantal leerlingen van de onderwijsinstelling voor een schooljaar hoger is dan de aangegeven norm, wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (X) voor dat schooljaar ten behoeve van het berekenen van de subsidie verlaagd overeenkomend met het berekende percentage (P).

Indien de daling van het aantal leerlingen van de onderwijsinstelling voor een schooljaar hoger is dan de aangegeven norm, wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (X) voor dat schooljaar ten behoeve van het berekenen van de subsidie verhoogd overeenkomend met het berekende percentage (P).

Nummer van de RMC-regio

Naam van de RMC-regio

Contactgemeente van de RMC-regio

Naam accountmanager voortijdig schoolverlaten van het Ministerie van OCW:

Naam

BRIN-nummer

Adres

Postcode en plaats

Contactpersoon

Telefoonnummer

e-mailadres

Totaal gevraagd subsidiebedrag voor 2008.

Totaal gevraagd subsidiebedrag voor 2009.

Het bevoegd gezag van de onder 2 genoemde contactschool verklaart dat de contactgemeente van de RMC-regio genoemd onder 1 instemt met deze aanvraag.

Naam bevoegd gezag van contactschool

Plaats

Datum

Handtekening

Nummer van de RMC-regio

Naam van de RMC-regio

Contactgemeente van de RMC-regio

Naam accountmanager voortijdig schoolverlaten van het Ministerie van OCW:

Naam

BRIN-nummer

Adres

Postcode en plaats

Contactpersoon

Telefoonnummer

e-mailadres

Totaal gevraagd subsidiebedrag voor 2010

Totaal gevraagd subsidiebedrag voor 2011

Het bevoegd gezag van de onder 2 genoemde contactschool verklaart dat de contactgemeente van de RMC-regio genoemd onder 1 instemt met deze aanvraag.

Naam bevoegd gezag van contactschool

Plaats

Datum

Handtekening

Toelichting

Het formulier dient te worden gezonden aan:

het Ministerie van OCW

Postbus 606

2700 ML Zoetermeer

Den Haag, april 2010

Sinds de jaren negentig moeten contactgemeenten aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap rapporteren over de door de RMC-functie behaalde resultaten en de stand van zaken in de regio met betrekking tot de uit te voeren functies.

Sinds de introductie van het onderwijsnummer in het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs is het basisregister onderwijsnummer (BRON) een betrouwbare dataset geworden voor het genereren van landelijk cijfers over het aantal vsv-ers. Sinds 2007 wordt BRON gebruikt om de regionale en landelijke voortgang in het bestrijden van de schooluitval vast te stellen.

Deze ontwikkelingen hebben gevolgen voor de functie en de opzet van de regionale RMC-effectrapportages. Waar de rapportage eerst een instrument was om beleidsinformatie te verzamelen, wordt de rapportage nu een instrument voor de gemeenten om de doeltreffendheid en doelmatigheid van hun aanpak van voortijdig schoolverlaten (en op termijn de uitvoering van de leerplichtwet) te toetsen en onderling te vergelijken.

Het model voor de rapportage van voortijdig schoolverlaten van jongeren van 12–23 jaar is wat aangepast naar aanleiding van opmerkingen uit de regio’s. In het model zijn zowel de vragen als een enkele toelichting op de vragen van het model opgenomen. Deze handleiding is uitgebreider in de uitleg van elke vraag. Aan het eind van dit stuk, treft u een kort overzicht aan met relevante regelingen, definities en afkortingen.

De gevraagde gegevens vult u in in het formulier waar u naar bent verwezen in de brief. U vult dit formulier in na afloop van het school en in elk geval vóór 1 december van het lopende kalenderjaar. Gevraagd wordt naar de gegevens over het aflopende of zojuist afgelopen schooljaar, hier verder aangeduid met ‘verslagperiode’.

De gevraagde informatie betreft:

Een aantal van de RMC-regio’s is in subregio’s onderverdeeld die meer of minder met elkaar samenwerken. Deze rapportage is in principe op de gehele regio gericht.

Op verzoek van diverse regio’s is bij sommige vragen onderscheid gemaakt tussen de gehele regio en de subregio’s.

Als in de regio subregio’s functioneren moet elke subregio een rapportage opmaken. De RMC-coördinator van de gehele regio verzamelt de deelrapportages, neemt in overleg met de subregio’s de antwoorden samen van de vragen waar de antwoorden geaggregeerd moeten worden en stuurt de gehele set in. Hiermee is zo goed mogelijk tegemoet gekomen aan de wens van enkele subregio’s aparte rapportages in te leveren en de opdracht per regio te rapporteren.

Hier vult u de naam van de regio of subregio in en de datum.

Deze vraag is door elke subregio en door elke regio, en waar van toepassing geaggregeerd, in te vullen.

Deze vraag is door de regio dan wel door elke subregio in te vullen. Aggregatie is niet nodig.

Bij Tabel 1A vermeldt u de gemeenten die niet deelnemen aan het (sub)-regionale netwerk met de reden van niet-deelname.

Deze vraag is in te vullen door elke subregio én daarna voor de gehele regio te aggregeren.

Een van de wettelijke taken voor de regionale contactgemeente is een netwerk te vormen van regionale instellingen die er samen voor kunnen zorgen dat aan de aangemelde voortijdig schoolverlaters ondersteuning, begeleiding en een maatwerk- (of leer)traject wordt aangeboden. Het gaat daarbij onder andere om de scholen voor voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, maar ook om instellingen op het terrein van arbeid, de jeugdzorg, de gemeentelijke onderwijsdiensten en politie/justitie. Over dat netwerk gaan de volgende vragen, die inzicht bieden in de stand van zaken qua uitvoering van deze wettelijke taak.

Bij vraag A geeft u aan of alle vo-scholen en bve-instellingen (voortaan samen met scholen aangeduid) in de regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke scholen niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn.

Bij vraag B geeft u aan of er scholen zijn die uitschrijvingen of absoluut verzuim niet melden. Dit melden kan ook via de IB-groep en de woongemeenten gaan. Indien dit het geval is geeft u aan welke scholen het betreft en de reden waarom zij niet melden.

Bij vraag C geeft u aan met welke partijen uit het netwerk de samenwerking leidt tot goede resultaten.

Bij vraag D geeft u aan met welke partijen u wel samenwerkt, maar waarbij dat samenwerking niet goed verloopt. Indien mogelijk geeft u aan wat de reden is dat de samenwerking niet goed verloopt.

Bij vraag E kunt u aangeven of er regionale partijen zijn waar u nog niet mee samenwerkt, maar waarmee u dat wel zou willen om uw taken goed te kunnen uitvoeren.

Deze vragen zijn in te vullen door elke subregio én daarna zijn de vragen 3B, 3C en 3D voor de gehele regio te aggregeren.

In tabel 3A geeft u inzicht in de toedeling of besteding in uw (sub)regio van de RMC-rijksbijdrage over verschillende onderdelen, in zowel euro’s van de totale som. Het percentage volgt dan automatisch.

Hieronder vindt u een toelichting op de gehanteerde begrippen en categorieën.

Tabel 3B Good practices projecten

Uw ervaringen met het opzetten en uitvoeren van projecten voor specifieke doelgroepen kunnen nuttig zijn voor andere RMC’s. U geeft in tabel 3B beschrijvingen van minimaal één en maximaal drie succesvolle projecten. Deze zullen worden gepubliceerd, zodat andere RMC’s kennis kunnen nemen van uw ervaringen.

Tabel 3C Good practices preventie

In tabel 3C geeft u een beschrijving van maximaal drie preventieprojecten. Deze informatie is vooral voor andere RMC’s erg interessant als vergelijkingsmateriaal. De tabel vult u alleen in als u preventieve activiteiten organiseert. Onder preventie verstaan we activiteiten gericht op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen. U geeft een korte beschrijving van de doelgroep, het aantal jongeren soort activiteiten, het ingezette bedrag per activiteit en met welke partner u deze activiteiten eventueel heeft uitgevoerd.

Het afgelopen jaar heeft u middelen ontvangen gericht op het versterken van de structuur ter bevordering van de leerplicht en het doen naleven van de kwalificatieplicht.

In tabel 3D geeft u aan wat u met deze middelen hebt gedaan.

Deze vraag is door de regio dan wel door elke subregio in te vullen. Aggregatie is niet nodig.

In tabel 4A geeft u aan hoeveel vsv-ers afgelopen verslagperiode actief zijn begeleid op weg naar werk, school of zorg, door u of andere betrokken partijen in uw netwerk. Begeleiding kan allerlei vormen hebben: een eenvoudig telefoontje of mailtje tot meerdere gesprekken.

Als het om een samenwerking gaat, geef dan de partner aan die het meest bij de begeleiding betrokken was. De categorie ‘In behandeling bij UWV’ heeft zowel betrekking op de schoolverlaters die zelf de weg naar het UWV vonden als schoolverlaters die door het RMC naar het UWV zijn doorverwezen.

In deze tabel 4B vermeldt u het aantal voortijdig schoolverlaters dat in de verslagperiode (na melding, al of niet door tussenkomst van de RMC-functie) is herplaatst op werk, opleiding of een combinatie ervan. Het kan daarbij gaan om herplaatste vsv-ers die na herplaatsing geen vsv-er meer zijn, maar ook om (op werk bijv.) herplaatste vsv-ers die nog geen startkwalificatie hebben, nog als vsv-er geregistreerd staan en ook gevolgd worden in hun werk door de RMC-begeleiding.

Het gaat zowel om het aantal nieuwe vsv-ers, die in de verslagperiode uitvielen en herplaatst zijn, als om het percentage herplaatste nieuwe vsv-ers van het totaal aantal nieuwe vsv-ers.

De tweede regel gaat het om het aantal oude vsv-ers, die voor het begin van het schooljaar, voor 1 augustus, zijn uitgevallen, op die datum nog niet ouder waren dan 22 jaar en die in het verslagjaar zijn herplaatst en het percentage herplaatsten van het totaal aantal oude vsv-ers.

Bij het totaal aantal herplaatste vsv-ers gaat het zowel in aantal als in percentage om het totaal van oude en nieuwe vsv-ers. Het aantal herplaatsten kunt u vervolgens bij elkaar optellen- dit geeft namelijk een totaal beeld van het werk van de RMC-regio. De percentages telt u niet op, die zijn van verschillende grootheden genomen.

De vsv-ers die binnen een verslagjaar uitvallen en herplaatst worden, komen niet naar voren in de BRON-cijfers van de IB-groep. Ze vragen echter wel een inspanning van de RMC, daarom geeft u hier dit onderscheid aan.

Jongeren die binnen een instelling een andere opleiding gaan volgen of onderwijs bij een andere instelling gaan volgen en waarbij uitschrijving en inschrijving op elkaar aansluiten zijn geen voortijdige schoolverlaters en geen herplaatsten, maar overstappers.

Eén persoon kan verscheidene keren herplaatst zijn maar wordt hier één keer genoemd. Het gaat om het aantal herplaatste vsv-ers/leerlingen.

De vier laatste regels over de herplaatsten dienen om de inspanningen/interventies hierbij van de RMC-regio in beeld te krijgen en om het aantal vsv-ers in beeld te krijgen die herplaatst zijn (naar werk) maar die nog steeds als vsv-er te boek staan omdat ze nog geen startkwalificatie hebben.

‘Zonder tussenkomst’ betekent hier; RMC heeft geen enkele bemoeienis gehad; het feit van de herplaatsing (i.e. werk) is het RMC via derden (werkgever, UWV, e.d.) gemeld.

Intabel 4C Bestemming in verslagperiode begeleide vsv-ers geeft u de bestemming aan van de herplaatste voortijdige schoolverlaters. De herplaatste kan op verschillende bestemmingen terecht zijn gekomen: een onderwijstraject, werk met een opleidingscomponent (die leidt mogelijk tot het behalen van een startkwalificatie of anderszins arbeidsmarktkwalificerend diploma), werk (zonder startkwalificatie) en/of een uitkering, een opvangvoorziening in het kader van de jeugdzorg, hulpverlening, therapie, enz

Hoewel de doelen van de RMC functie vooral zijn gelegen in het alsnog doen behalen van een startkwalificatie kan instromen naar werk of een opvangvoorziening voor sommige vsv-ers een nuttige stap zijn en geven inspanningen weer van de RMC-functie. Daarom zijn deze categorieën ook in deze tabel opgenomen. Bemiddeling naar werk, waarbij voorlopig nog geen opleiding er naast gedaan wordt, heeft helaas de vervelende bijkomstigheid dat de betrokkene nog als vsv-er geregistreerd staat want deze heeft nog geen startkwalificatie behaald. De registratie van deze groep bleek niet anders te regelen, want ligt verankerd in de definitie van vsv-ers. De melding van deze groep hier doet in elk geval recht aan de inspanningen van de rmc-regio.

U vult alleen de aantallen in, de percentages komen dan automatisch.

Deze vraag is in te vullen door elke subregio én daarna voor de gehele regio te aggregeren.

In tabel 5A wordt u gevraagd de uitoefening van de coördinatiefunctie te beoordelen met een cijfer en een toelichting te geven

De coördinatie van de onderwijsprogramma’s is een specifieke taak waar de RMC-regio hoofdzakelijk met de scholen te maken heeft; ook deze wordt u gevraagd te beoordelen en de beoordeling toe te lichten.

Ook hier wordt u gevraagd de onderscheiden samenwerkingsrelaties te beoordelen en een toelichting te geven.

De beoordelingen resulteren in een totaal score.

U geeft hier de vooruitzichten in de vorm van mogelijkheden (kansen) en problemen (belemmeringen) van de regio omtrent het behalen van de reductiedoelstelling.

Hier geeft u aan welke programma’s u in het convenant vastgelegd hebt en welke daarvan daadwerkelijk in uitvoering genomen zijn. De genoemde voorbeelden kunt u nog aanvullen met eigen programma’s.

Deze vraag is in te vullen door elke subregio én daarna voor de gehele regio te aggregeren.

In tabel 6A beschrijft u (in vergelijking met het vorige rapportagejaar) de knelpunten, belemmerende factoren en de ontbrekende (rand)voorwaarden in de verslagperiode bij de onderscheiden taken bij de RMC-functie.

De gunstige (rand)voorwaarden en gebleken succesfactoren in uw regio in de verslagperiode (vergeleken met de vorige verslagperiode) beschrijft u in tabel 6B.

Deze vraag is in te vullen door elke subregio én daarna voor de gehele regio te aggregeren.

Vanaf sept 2010 wijzigt doel en opzet van de RMC effectrapportage. De rapportage wordt samengevoegd met die van de Leerplichtwet. Het doel wordt meer inzicht te verkrijgen en vergelijkbaarheid te krijgen in de kwalitatieve aspecten van de RMC functie.

De bij vraag 7 in te vullen barometer moet het mogelijk maken de regio’s te ‘benchmarken’. De RMC coördinator kan deze vragen gebruiken als zelfevaluatie instrument. Hiermee kan men op een aantal kwalitatieve aspecten een score bepalen en zo zien waar men staat ten opzichte van andere regio’s. Hierbij is duidelijk dat er geen één-op-één relatie is tussen inzet van deelnemende partijen en afname van schooluitval.

Deze vraag is in te vullen door elke subregio én daarna voor de gehele regio te aggregeren.

Het verdient echter de voorkeur dat meerdere personen uit de regio en uiteraard subregio’s en vertegenwoordigers van instellingen uit de regio of subregio’s, deze barometer invullen. Wanneer vanuit de RMC-coördinatie de antwoorden-scores verzameld worden, moeten de ingevulde scores per vraag worden opgeteld en gedeeld door het aantal invullers in de barometer.

Het ligt uiteraard voor de hand om de scores van deze barometer op een rmc-bijeenkomst te bespreken.

Bij vraag 15 gaat het niet alleen om uitvallers die dit jaar twee of meer keer zijn uitgevallen; herhaaldelijk kan hier op meerdere cursusjaren betrekking hebben.

Tot de scholen op de onderscheiden sectoren kunnen worden gerekend:

Het begrip ’voortijdig schoolverlater’ is in het kader van de RMC-functie gedefinieerd als degene:

Voor de afbakening van het begrip voortijdig schoolverlater zijn daarmee de volgende vier elementen van belang:

De leeftijd van de persoon op 1 augustus van de verslagperiode. Het gaat dus niet om de leeftijd op het moment van uitschrijven of registreren. Deze datum is van belang voor het vaststellen van de leerplichtigheid.

Een schooljaar, ook wel genoemd studiejaar, is de periode van 1 augustus van een jaar t/m 31 juli van het volgende jaar.

Onder de opvatting van werk bij herplaatsing verstaan we de situatie dat een jongere 12 uur of meer per week betaald werk heeft (conform CBS definitie voor werkzame beroepsbevolking).

Onder preventie verstaan we activiteiten bedoeld om schooluitval te voorkomen en die gericht zijn op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen.

Onder de Financiële gegevens van de RMC functie vallen in deze rapportage alleen de RMC middelen van het ministerie, inclusief de gelden voor versterking van de leerplicht- en kwalificatieplicht. Geld uit de WWB voor trajecten, voor reboundvoorzieningen vanuit jeugdbeleid of geld van roc’s ter voorkoming van schooluitval tellen voor deze rapportage niet mee. Deze middelen worden elders verantwoord.

1.

Naam contactpersoon bij VO-school of BVE-instelling.

2.

Persoonsgebonden nummer van de leerling of deelnemer zonder startkwalificatie (onderwijsnummer, indien van kracht).

3.

Naam leerling of deelnemer zonder startkwalificatie.

4.

Adres van deze leerling of deelnemer.

5.

Geboortedatum van deze leerling of deelnemer.

6.

Het feit of de melding een nieuwe inschrijving of uitschrijving betreft.

7.

De laatst gevolgde (bij uitschrijving) respectievelijk de te volgen (bij inschrijving) opleiding (specificatie niveau, klas, studierichting en profiel). Deze opleidingen dienen, indien van toepassing, te worden aangeduid met hun element-, CREBO- of KSE-code.

8.

De inschrijfdatum voor deze opleiding.

9.

Uitschrijfdatum (indien het een uitschrijving betreft).

10.

Hoogste vooropleiding (uitgesplitst volgens 7).

11.

Eventueel hoogste behaalde diploma (inclusief studierichting).

Sinds de jaren negentig moeten contactgemeenten aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap rapporteren over de door de RMC-functie behaalde resultaten en de stand van zaken in de regio met betrekking tot de uit te voeren functies.

Sinds de introductie van het onderwijsnummer in het voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs is het basisregister onderwijs (BRON) een betrouwbare dataset geworden voor het genereren van landelijk cijfers over het aantal VSV-ers. Sinds 2007 wordt BRON gebruikt om de regionale en landelijke voortgang in het bestrijden van de schooluitval vast te stellen.

Deze ontwikkelingen hebben gevolgen voor de functie en de opzet van de regionale RMC effectrapportages. Waar de rapportage eerst een instrument was om beleidsinformatie te verzamelen, wordt de rapportage nu een instrument voor de gemeenten om de doeltreffendheid en doelmatigheid van hun aanpak van voortijdig schoolverlaten (en op termijn de uitvoering van de leerplichtwet) te toetsen en onderling te vergelijken.

Voor het rapportagejaar 2007/2008 zijn de eerste stappen gezet naar een nieuw model voor de rapportage van voortijdig schoolverlaten van jongeren van 12–23 jaar. Dit model is in overleg met het veld tot stand gekomen. In het nieuwe model zijn zowel de vragen als een toelichting op de vragen van het model opgenomen. Aan het eind van dit stuk, treft u een kort overzicht aan met relevante regelingen, definities en afkortingen.

De gevraagde gegevens vult u in in de bijgevoegde tabellenbijlage (Excel document), die u voor 1 december van het jaar t dient op te sturen aan OCW. Het gebruik van de tabellenbijlage ‘Model RMC-functie schooljaar 2007/2008’ is verplicht. Enkele tabellen die dit jaar nieuw zijn ingevoerd, zijn facultatief voor dit jaar en pas verplicht vanaf volgend jaar. Gevraagd wordt naar de gegevens over de periode 1 augustus van het jaar t-1 tot 1 augustus van het jaar t, hier verder aangeduid met verslagperiode.

De gevraagde informatie betreft:

Bij Tabel 1A vermeldt u de gemeenten die niet deelnemen aan het (sub)-regionale netwerk met de reden van niet-deelname.

Een van de wettelijke taken voor de regionale contactgemeente is een netwerk te vormen van regionale instellingen die er samen voor kunnen zorgen dat aan de aangemelde voortijdig schoolverlaters ondersteuning, begeleiding en een maatwerk- (of leer)traject wordt aangeboden. Het gaat daarbij onder andere om de scholen voor voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, maar ook om instellingen op het terrein van arbeid, de jeugdzorg, de gemeentelijke onderwijsdiensten en politie/justitie. Over dat netwerk gaan de volgende vragen, die inzicht bieden in de stand van zaken qua uitvoering van deze wettelijke taak.

Bij vraag A geeft u aan of alle VO-scholen en BVE-instellingen (voortaan samen met scholen aangeduid) in de regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke scholen niet deelnemen en waarom.

Bij vraag B geeft u aan of er scholen zijn die uitschrijvingen of absoluut verzuim niet melden. Dit melden kan ook via het Ministerie van OCW en de woongemeenten gaan. Indien dit het geval is geeft u aan welke scholen het betreft en de reden waarom zij niet melden.

Bij vraag C geeft u aan met welke partijen uit het netwerk de samenwerking leidt tot goede resultaten. Bij vraag D geeft u aan met welke partijen u wel samenwerkt, maar waarbij dat samenwerking niet goed verloopt. Indien mogelijk geeft u aan wat de reden is dat de samenwerking niet naar wens verloopt.

Bij vraag E kunt u aangeven of er regionale partijen zijn waar u nog niet mee samenwerkt, maar waarmee u dat wel zou willen om uw taken goed te kunnen uitvoeren.

Ten behoeve van beleidsmonitoring wil het Ministerie graag een inschatting kunnen maken van de inzet van de verstrekte rijksbijdrage RMC in de verschillende regio’s en de keuzes die daarin gemaakt worden. De ontvangen rijksbijdrage vermeldt u in tabel 3A. In tabel 3B geeft u inzicht in de verdeling in uw regio van de RMC-rijksbijdrage over verschillende onderdelen, in zowel euro’s als in een percentage van de totale som. Hieronder vindt u een toelichting op de gehanteerde begrippen en categorieën.

Uw ervaringen met het opzetten en uitvoeren van projecten voor specifieke doelgroepen kunnen nuttig zijn voor andere RMC’s. U geeft in tabel 3C beschrijvingen van minimaal één en maximaal drie succesvolle projecten. Deze zullen worden gepubliceerd, zodat andere RMC’s kennis kunnen nemen van uw ervaringen.

In tabel 3D geeft u een beschrijving van maximaal drie preventieprojecten. Deze informatie is vooral voor andere RMC’s erg interessant als vergelijkingsmateriaal. De tabel vult u alleen in als u preventieve activiteiten organiseert. Onder preventie verstaan we activiteiten gericht op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen. U geeft een korte beschrijving van de doelgroep, het aantal jongeren soort activiteiten, het ingezette bedrag per activiteit en met welke partner u deze activiteiten eventueel heeft uitgevoerd.

Het afgelopen jaar heeft u middelen ontvangen gericht op het versterken van de structuur ter bevordering van de leerplicht en het doen naleven van de kwalificatieplicht. In tabel 3E geeft u aan wat u met deze middelen hebt gedaan.

Kunt u een inschatting maken van de verdeling van vsv’ers naar belangrijkste oorzaak van uitval?

Volgend jaar gaat het Ministerie van OCW gebruik maken van een landelijke tabel uitschrijfredenen van de MBO-raad. Daarom gebruiken we hier dezelfde zeven redenen.

Tot nu toe zijn er geen kwantitatieve gegevens bijgehouden over de redenen voor jongeren om te stoppen met hun opleiding. Wel zijn er een aantal redenen bekend uit de praktijk en de literatuur. In de nieuwe opzet zal deze informatie gevraagd gaan worden om landelijk en regionaal oorzaken van voortijdig schoolverlaten in beeld te kunnen brengen. De gegevens in tabel 4A worden hier voor het eerst gevraagd. Deze tabel is dan ook niet verplicht om in te vullen voor die RMC’s die deze oorzaken van uitval nog niet (systematisch) verzamelen. U kunt in tabel 4A de belangrijkste redenen aangeven voor uitval van jongeren in percentages, zoals u dit geregistreerd heeft of op basis van uw ervaringen kunt inschatten. U kunt in de laatste kolom aangeven of u deze gegevens registreert of dat u dit inschat op basis van uw kennis en ervaring.

Uitstroom conform planning: mensen die geen diploma hebben gehaald maar waarbij dit volgens de leerovereenkomst ook niet de bedoeling was. Bijv. mensen die door hun werkgever naar school worden gestuurd om bepaalde competenties te behalen. Dit zal in geval van VSV waarschijnlijk niet vaak voorkomen. Niet beïnvloedbare oorzaak is bijvoorbeeld ziekte, overlijden, zwangerschap. Niet beïnvloedbare oorzaak maar wel beïnvloedbare opvang kan zijn sociaal-emotionele problemen, psychische stoornissen, relatieproblemen, problemen in thuissituatie, schuldenproblematiek.

Arbeidsmarkt; het van school gaan om te werken (groenpluk) voor diploma is bereikt. Instellingsgeboden reden zijn problemen met de inhoud of vormgeving van onderwijs, relatie docenten etc. Keuzebegeleiding omvat alles wat te maken heeft met verkeerde keuze voor studie, opleiding of beroepskeuze. Onder andere redenen kan ook vallen onbekende reden.

In tabel 4B geeft u aan hoeveel vsv’ers afgelopen verslagperiode actief zijn begeleid op weg naar werk, school of zorg, door u of andere betrokken partijen in uw netwerk. Als het om een samenwerking gaat, geef dan de partner aan die het meest bij de begeleiding betrokken was.

In deze tabel 4C vermeldt u het aantal voortijdig schoolverlaters dat in de verslagperiode (na melding, al of niet door tussenkomst van de RMC-functie) is herplaatst. Daarbij gaat het zowel om nieuwe vsv’ers, die in de verslagperiode uitvielen en herplaatst zijn, als om oude vsv-ers, die voor 1 augustus t-1 zijn uitgevallen, op die datum nog niet ouder waren dan 22 jaar en die in het verslagjaar zijn herplaatst.

De vsv’ers die binnen een verslagjaar uitvallen en herplaatst worden, komen niet naar voren in de BRON cijfers. Ze vragen echter wel een inspanning van de RMC, daarom geeft u hier dit onderscheid aan.

Jongeren die binnen een instelling een andere opleiding gaan volgen of onderwijs bij een andere instelling gaan volgen en waarbij uitschrijving en inschrijving op elkaar aansluiten zijn geen voortijdige schoolverlaters en geen herplaatsten, maar overstappers. Een persoon kan verscheidene keren herplaatst zijn en kan dus meermalen opgegeven worden. (Een persoon die bijvoorbeeld eerst uitvalt in het HAVO, herplaatst wordt in het VMBO, weer uitvalt en herplaatst wordt in het MBO, komt twee keer voor.)

In tabel 4d Bestemming in verslagperiode herplaatste VSV’ers geeft u de bestemming aan van de herplaatste voortijdige schoolverlaters. De categorieën voor herplaatsing zijn dit jaar vereenvoudigd en dienen om een globaal beeld te krijgen van de bestemmingen. Een herplaatsing is mogelijk naar een onderwijstraject, naar werk met een opleidingscomponent (die leidt tot het behalen van een startkwalificatie of anderszins arbeidsmarktkwalificerend diploma), naar werk en/of een uitkering, naar een opvangvoorziening in het kader van de jeugdzorg.

Hoewel de doelen van de RMC functie vooral zijn gelegen in het alsnog doen behalen van een startkwalificatie kan instromen naar werk of een opvangvoorziening voor sommige vsv’ers een nuttige stap zijn. Daarom zijn deze categorieën ook in deze tabel opgenomen. Dit is in lijn met het begrip herplaatsing zoals dat de afgelopen jaren in de RMC rapportage is gehanteerd, waardoor het mogelijk is trends in herplaatsingen over de jaren heen te herkennen.

In tabel 4E dient te worden opgegeven hoeveel vsv’ers zijn uitgeschreven uit de RMC administratie van de contactgemeente vanwege het behalen van een startkwalificatie, het bereiken van de leeftijd van 23 jaar of om een andere, te benoemen, reden.

De RMC effectrapportages van afgelopen jaren bevatten streefdoelen en de realisatie. De convenanten en de BRON cijfers nemen deze functie steeds meer over. In dit hoofdstuk zijn deze tabellen dit jaar nog wel opgenomen, zodat het mogelijk is om de eigen kerncijfers makkelijk te vergelijken met andere RMC regio’s. Nieuw is tabel 5C, waarmee u uitvoering kunt geven aan artikel 7 (monitoring en evaluatie) van de dit jaar afgesloten convenanten.

In tabel 5A zet u de streefcijfers, zoals u deze heeft geformuleerd voor de verslagperiode in de effectrapportage over 2006/2007 af tegen de gerealiseerde cijfers in de verslagperiode. U kunt als u wilt hier ook een toelichting geven op eventuele afwijkingen.

De streefdoelen voor uw regio legt u vast in tabel 5B. Hiermee geeft u uw inspanningsverplichting weer om te komen tot een duidelijk waarneembare afname van het aantal vsv-ers. U doet dit in absolute aantallen (geen percentages).

In tabel 5C geeft u uitvoering aan artikel 7 (monitoring en evaluatie) van de dit jaar afgesloten convenanten. Per maatregel (zie bijlage 4 van het convenant) geeft u een overzicht van de voortgang.

In tabel 6A beschrijft u (in vergelijking met het vorige rapportagejaar) de knelpunten, belemmerende factoren en de ontbrekende (rand)voorwaarden in de verslagperiode bij de onderscheiden taken bij de RMC-functie.

De gunstige (rand)voorwaarden en gebleken succesfactoren in uw regio in de verslagperiode (vergeleken met de vorige verslagperiode) beschrijft u in tabel 6B.

Vanaf volgend jaar wijzigt doel en opzet van de RMC effectrapportage. Het doel is meer inzicht en vergelijkbaarheid te krijgen in de kwalitatieve aspecten van de RMC functie. Dit jaar testen we vast een aantal nieuwe mogelijkheden, zoals onderstaande barometer. Het doel van de barometer is het mogelijk maken van de onderlinge kwalitatieve vergelijkingen tussen en binnen de RMC regio’s. De RMC coördinator kan deze vragen gebruiken als zelfevaluatie instrument. Hiermee kan men op een aantal kwalitatieve aspecten een score bepalen en zo zien waar men staat ten opzichte van andere regio’s. Hierbij is duidelijk dat er geen één-op-één relatie is tussen inzet van deelnemende partijen en afname van schooluitval.

Aanvullend kunt u vragen uit deze barometer eventueel bij de deelnemende instellingen of subregio’s uitzetten om zo een beeld te krijgen van hoe zij het functioneren van de RMC functie beoordelen. De score op elke vraag moet dan voor alle deelnemende partijen worden opgeteld, gedeeld door het aantal deelnemers en ingevuld in de barometer.

Deze barometer is een instrument in ontwikkeling. We willen u dan ook nadrukkelijk uitnodigen verbeteringen aan te geven.

Tot de scholen in de onderscheiden sectoren kunnen worden gerekend:

Het begrip ’voortijdig schoolverlater’ is in het kader van de RMC-functie gedefinieerd als degene:

Voor de afbakening van het begrip voortijdig schoolverlater zijn daarmee de volgende vier elementen van belang:

Er is geen sprake van voortijdig schoolverlaten in geval van overstap:

Er hoeft dus dan ook geen registratie in het kader van de RMC-functie plaats te vinden.

Vsv’ers die afkomstig zijn uit het voortgezet speciaal onderwijs (zmok) en het praktijkonderwijs dienen in het kader van de RMC-functie te worden geregistreerd. Ongeacht het feit of geconstateerd is dat een minimum startkwalificatie of assistent-opleiding niet binnen bereik van de betreffende jongere ligt.

De leeftijd van de persoon op 1 augustus van de verslagperiode. Het gaat dus niet om de leeftijd op het moment van uitschrijven of registreren. Deze datum is van belang voor het vaststellen van de leerplichtigheid.

Een schooljaar, ook wel genoemd studiejaar, is de periode van 1 augustus van een jaar t/m 31 juli van het volgende jaar.

Onder de opvatting van werk bij herplaatsing verstaan we de situatie dat een jongere 12 uur of meer per week betaald werk heeft (conform CBS definitie voor werkzame beroepsbevolking).

Onder preventie verstaan we activiteiten gericht op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen.

Onder de Financiële gegevens van de RMC functie vallen in deze rapportage alleen de RMC middelen van het Ministerie. Geld uit de WWB voor trajecten, reboundvoorzieningen vanuit jeugdbeleid of geld van ROC’s ter voorkoming van schooluitval tellen voor deze rapportage niet mee. Deze middelen worden elders verantwoord.

Bellingwedde, Menterwolde, Pekela, Reiderland, Scheemda, Stadskanaal, Veendam, Vlagtwedde, Winschoten.

Appingedam, Bedum, De Marne, Delfzijl, Eemsmond, Loppersum, Winsum.

Groningen, Grootegast, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Marum, Slochteren, Ten Boer, Zuidhorn.

Ameland, Boarnsterhim, Dantumadeel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Kollumerland c.a., Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland.

Bolsward, Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel, Nijefurd, Sneek, Wûnseradiel, Wymbritseradiel.

Achtkarspelen, Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Skarsterlân, Smallingerland, Tytjerksteradiel, Weststellingwerf.

Aa en Hunze, Assen, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo.

Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen.

Hoogeveen, Meppel, Westerveld, De Wolden.

Dalfsen, Hardenberg, Hattem, Heerde, Kampen, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle.

Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Olst-Wijhe, Voorst, Zutphen.

Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo(O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden.

Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doesburg, Doetinchem, Groenlo, Montferland, Oude IJsselstreek, Winterswijk.

Arnhem, Beuningen, Druten, Duiven, Groesbeek, Heumen, Lingewaard, Millingen a.d. Rijn, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Ubbergen, Westervoort, Wijchen, Zevenaar.

Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, Neder-Betuwe, Tiel, West Maas en Waal, Zaltbommel.

Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Leusden, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen, Woudenberg.

Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Zeewolde.

Almere, Dronten, Lelystad, Noord-Oostpolder, Urk.

Abcoude, Breukelen, Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Loenen, Lopik, Maarssen, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist.

Blaricum, Bussum, Eemnes, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren.

Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam/Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad, Zeevang.

Andijk, Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Koggenland, Opmeer, Stede Broec, Wervershoof.

Anna Paulowna, Den Helder, Harenkarspel, Niedorp, Schagen, Texel, Wieringen, Wieringermeer, Zijpe.

Alkmaar, Bergen (NH), Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk, Schermer.

Bennebroek, Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede c.a., Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Velsen, Zandvoort.

Alkemade, Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Zoeterwoude.

Alphen aan den Rijn, Bergambacht, Bodegraven, Boskoop, Gouda, Jacobswoude, Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel, Nederlek, Nieuwkoop, Ouderkerk, Reeuwijk, Rijnwoude, Schoonhoven, Vlist, Waddinxveen, Zevenhuizen/Moerkapelle.

Delft, ’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland, Zoetermeer.

Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Dirksland, Goedereede, Hellevloetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Middelharnis, Oostflakkee, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Westvoorne.

Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik Ido Ambacht, Korendijk, Leerdam, Liesveld, Nieuw Lekkerland, Oud Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen, Zederik, Zwijndrecht.

Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen.

Middelburg, Veere, Vlissingen.

Hulst, Sluis, Terneuzen.

Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Drimmelen, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Steenbergen, Rucphen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert.

Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk.

Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en St.Hubert, Oss, Schijndel, St. Anthonis, St. Michielsgestel, St. Oedenrode, Uden, Veghel, Vught.

Asten, Bergeyk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre.

Arcen/Velden, Beesel, Bergen, Gennep, Helden, Horst aan de Maas, Kessel, Leudal, Maasbree, Maasgouw, Meijel, Meerlo-Wanssum, Nederweert, Roerdalen, Roermond, Sevenum, Venlo, Venray, Weert.

Beek, Brunssum, Eijsden, Echt-Susteren, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Margraten, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal.

Alkmaar, Almelo, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Sittard-Geleen, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer en Zwolle.