U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 19-06-2009.

Ministeriële regeling · BWBR0024881

Subsidieregeling sterktes in innovatie

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187136, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van sterktes in innovatie (Subsidieregeling sterktes in innovatie)Subsidieregeling sterktes in innovatieDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 4, 5, derde en vierde lid, 6, derde lid, 9, eerste lid, 12, vierde lid, 13, 14, 15, 17, eerste en derde lid, 18, eerste en vijfde lid, 19, eerste lid, 21, 25, 44, 50, tweede lid, en 53, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 11.1, 11.2 en 11.3, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Den Haag3 december 2008De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van der Hoeven

In deze regeling wordt verstaan onder:

De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214).

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een internationaal innovatiesamenwerkingsverband dat een EUREKA-innovatieproject, een geïndustrialiseerde landen innovatieproject of een opkomende markten innovatieproject uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer.

In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, komen kosten slechts voor subsidie in aanmerking voor zover ze na aanvang van een EUREKA-innovatieproject, een geïndustrialiseerde landen innovatieproject of een opkomende markten innovatieproject zijn gemaakt of, indien indiening van de aanvraag tot verlening van subsidie plaatsvindt na aanvang van een innovatieproject, voor zover ze na de indiening van die aanvraag zijn gemaakt.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengen de subsidie-ontvangers gezamenlijk steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het innovatieproject met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De penvoerder is een publiek gefinancierde onderzoeksorganisatie.

Een aanvraag wordt niet ingediend dan nadat daarover namens de commissie, genoemd in artikel 3.9, aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding.

Als IOP’s zijn de volgende onderzoeksprogramma’s aangewezen:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt een subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het IOP-project met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan, de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten, van de aangevraagde en overgedragen IE-rechten en over de toepassing van de resultaten van het IOP-project.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een ETB-samenwerkingsverband dat een LSH-project uitvoert.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een internationaal MKB-samenwerkingsverband dat een LSH-project uitvoert.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een FND-haalbaarheidsproject uitvoert.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Een subsidie-ontvanger is verplicht bekendheid aan het project en de resultaten ervan te geven.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt aan het FND-samenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien van het FND-innovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

Een subsidie-ontvanger is verplicht bekendheid aan het project en de resultaten ervan te geven.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt aan het FND-MKB-samenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien het FND-MKB-innovatieproject niet voldoende bijdraagt aan:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De penvoerder is een deelnemer in het HTAS-doorbraaksamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een HTAS-internationaal innovatiesamenwerkingsverband dat een HTAS-internationaal innovatieproject uitvoert.

De penvoerder is een deelnemer in het HTAS-internationaal innovatiesamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De adviescommissie, genoemd in artikel 6.6 heeft eveneens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 6.14 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.15.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt een subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het HTAS-internationaal innovatieproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een innoWATOR-samenwerkingsverband dat een innoWATOR-project uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een internationaal innoWATOR-samenwerkingsverband dat een internationaal innoWATOR-project uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde binnenkomst van de aanvragen.

De adviescommissie, genoemd in artikel 7.6 heeft eveneens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 7.16.

Vervallen

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt de subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het internationaal innoWATOR-project met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een maritiem MKB-samenwerkingsverband, dat een maritiem MKB-project uitvoert dat past binnen bijlage 8.1, of aan een MKB-ondernemer, die een maritiem MKB-project uitvoert dat past binnen bijlage 8.1.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een maritiem innovatiesamenwerkingsverband, dat een maritiem innovatieproject uitvoert dat past binnen de kaders van bijlage 8.1, of aan een MKB-ondernemer, die een maritiem innovatieproject uitvoert dat past binnen de kaders van bijlage 8.1.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een MKB-ondernemer in een Point One MKB-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Point One MKB-project dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 9.1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een Point One R&D-samenwerkingsverband die een Point One R&D-project uitvoert dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 9.1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een Internationaal Point One R&D-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Internationaal Point One R&D-project dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 9.1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De in artikel 9.11 genoemde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 9.22 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 9.23.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een polymeren haalbaarheidsstudie uitvoert.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een HighTech Topproject-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een HighTech Topproject dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen 6.1, 9.1, 10.1A of een combinatie daarvan.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Er is een adviescommissie HighTech Topprojecten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 10a.8 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 10a.9.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband dat een onderzoeks- en detacheringsproject uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt in het onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies eindigt op 31 december 2010.

De beschikking tot het verlenen van een subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat het onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband uiterlijk twee maanden na de beschikking is gestart met de uitvoering van het onderzoeks- en detacheringsproject.

In afwijking van artikel 46, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt het voorschot voor deelnemers in een onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband aan wie voor de uitvoering van een onderzoeks- en detacheringsproject subsidie wordt verstrekt, 100 procent van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal als subsidie in aanmerking komt.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sterktes in innovatie.

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

China

Canada

Denemarken

India

Ierland

Japan

Verenigde Staten

Verenigd Koninkrijk

Zwitserland

Zweden

Bedrijven en kennisinstellingen hebben samen met het ministerie van EZ het innovatieprogramma Life Sciences & Health (LSH) ontwikkeld. Het programma stimuleert jonge hightech bedrijven nieuwe medische producten (vaccins, geneesmiddelen), behandelingen (weefsel- en orgaanherstel, medische implantaten) en diagnostica te ontwikkelen. Nederland heeft een sterke kennispositie op dit gebied. Bedrijven als Organon, Philips Medical en DSM en diverse jonge, beursgenoteerde life sciences bedrijven als Crucell, Pharming, Octoplus en Galapagos zijn op hun gebied internationaal toonaangevend. De ambitie van het innovatieprogramma LSH is om Nederland een internationale hotspot te laten worden op het gebied van medisch en klinisch onderzoek, waar gezondheidsgerelateerde life sciences bedrijven goed kunnen werken en groeien.

Het ambitieniveau van dit innovatieprogramma is daarbij:

De kansen op het gebied van life sciences & health liggen vooral op de gebieden personalized medicine, preventieve diagnostiek en regeneratieve geneeskunde. Hier heeft Nederland met het genomics research en het lopende biomedisch onderzoek een goede kennispositie opgebouwd en zijn recent ook enkele belangrijke publiek-private samenwerkingen gestart. Dit betreft TIPharma, het Center for Translational Molecular Medicine (CTMM) en het BioMedical Materials program (BMM), die zich richten op het pre-competitieve deel van de kennisontwikkeling.

De drie belangrijke knelpunten binnen de LSH-sector zijn de doorgroei van jonge hightech MKB-ers, netwerkvorming en knelpunten binnen het LSH klimaat (o.a. human capital en wet- en regelgeving). Deze knelpunten belemmeren de valorisatie van lopend en nieuw publiek en privaat onderzoek. Deze punten worden met onderstaande agenda aangepakt.

Europese life sciences bedrijven hebben te maken met de zogenoemde ‘equity gap’. In de groeifase, waarbij nieuwe productconcepten de klinische onderzoeksfase ingaan, is het voor een life sciences bedrijf moeilijk financiering te vinden. In deze actielijn wordt dan ook gepleit voor een risicodragend krediet. Dit krediet moet de hefboom zijn om bedrijven in deze fase mede door een venture capitalist gefinancierd te laten worden.

De valorisatiestap van concepten die voortkomen uit de publiek-private samenwerkingen is een belangrijke om uiteindelijk tot een medisch innovatief product te komen. De sector pleit dan ook voor ondersteuning bij samenwerking. Het gaat hierbij om ondersteuning bij (internationele) samenwerkingsprojecten en bij facility sharing van bijzondere apparatuur of productiefaciliteiten. Ook vallen netwerkevenementen die R&D-samenwerking stimuleren onder deze actielijn.

Deze actielijn is erop gericht om alle randvoorwaarden om innovaties tot stand te laten komen zo optimaal mogelijk te maken. Het klimaat in Nederland moet buitenlandse LSG-bedrijven aantrekken. Een voorbeeld hiervan is om ervoor te zorgen dat er voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is (van MBO tot WO) en het verhogen van internationale bekendheid op dit terrein.

Dit hoofdstuk Life Sciences & Health van deze regeling is onderdeel van actielijn 2 van het innovatieprogramma LSH.

Diverse workshops en consultaties met de grootbedrijven, MKB bedrijven, brancheorganisaties en onderzoeksorganisaties vonden plaats om het Innovatieprogramma FND inhoudelijk vorm en focus te geven. Dit is eerst voor fase 1 en daarna voor fase 2 gedaan. Ten behoeve van het opzetten van de onderzoeksprogramma’s van fase 1, het TTI WCFS+, is een zorgvuldig proces doorlopen van het identificeren van consumentenbehoeften, via functionele en wetenschappelijke doelen tot het ontwikkelen van innovatiethema’s en -projecten. De consumentenbehoeften die zijn geïdentificeerd als belangrijke marktgebieden voor de toekomst zijn:

Binnen fase 2 van het Innovatieprogramma FND worden de volgende innovatiethema’s onderscheiden:

Er ontstaat steeds meer bewustzijn omtrent de rol van voeding en gezondheid van mensen. Dit leidt allereerst tot behoefte aan nieuwe kennis omtrent de relatie tussen voedingsmiddelen en gezondheid en de identificatie van gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen en voedingscomponenten. Daarnaast leidt dit tot de vraag naar methoden en technologie om niet-invasief gezondheid, het ontstaan van ziekten in relatie tot voeding en het effect van gezondheidsbevorderende stoffen te monitoren. Verder zijn van belang methoden en technieken om de intrinsieke gezondheidswaarde van voedingsmiddelen te monitoren en behouden in de keten en deze gezondheidswaarde van producten actief te verhogen zonder dat dit ten koste gaat van andere gewenste eigenschappen.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Naast gezondheid zijn structuur en sensoriek van voedingsmiddelen belangrijke kwaliteitsaspecten die de keuze van de consument bepalen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de invloed van structuur van voedingsmiddelen op het mondgevoel en vrijkomen van geur- en smaakstoffen tijdens consumptie. Een goede controle over beide aspecten is een belangrijke vereiste om de beoogde producten met hoge toegevoegde waarde te kunnen realiseren.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Zowel de selectie, de winning en exploitatie van functionele bio-ingrediënten, als de selectie en exploitatie van enzymen en micro-organismen die betrokken zijn bij het verkrijgen van bioactieve moleculen, als het borgen van de gewenste bio-activiteit op het moment van gebruik zijn belangrijke uitdagingen in de ontwikkeling van gezonde en functionele voedingsmiddelen.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Gegarandeerde beschikbaarheid van veilig voedsel is een van de eerste vereisten waaraan de sector moet kunnen voldoen. Om gezonde voedingsmiddelen te produceren met een optimale kwaliteit (smaak, geur en structuur) en veiligheid zijn verbeterde (minimal processing) conserveringstechnieken nodig. Veranderende consumentenbehoeften en de in het kader van deze behoeften ontwikkelde nieuwe producten en productieprocessen vereisen technologie om de veiligheid, kwaliteit en functionaliteit van voedingsmiddelen gedurende processing en in de keten te kunnen borgen.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

De ontwikkeling van onderscheidende nieuwe processen en producten vergt dermate veel geld en de terugverdientijd is zodanig lang dat het van groot belang is om de behoefte en het gedrag van de consument van morgen goed te kunnen voorspellen.

Onderzoeksprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Vooral voor MKB bedrijven zijn niet food gerelateerde technologische innovaties van groot belang om op het gebied van Food & Nutrition te komen tot nieuwe producten, processen en diensten.

Voorbeelden zijn technologie op het gebied van ICT, scheidingen, in line analyse voor processen, miniaturisering van productietechnologie, producttracering en intelligente verpakkingen.

Het Nederlandse cluster van automotive bedrijven heeft de ambitie om binnen vijf jaar één van de leidende innovatieprogramma’s in Europa te worden op het gebied van automotive technologie.

De strategische doelstellingen zijn:

De automotive sector wil deze ambitie en doelstellingen bereiken door in te zetten op twee focusgebieden waarin Nederland internationaal kan excelleren. Deze focusgebieden betreffen Driving guidance en Vehicle efficiency.

Driving guidance betreft begeleiding- en informatiesystemen voor de verbetering van de mobiliteit. Het beïnvloedt het rijgedrag van de bestuurder voor een betere doorstroming van het verkeer, de verhoging van de actieve- en passieve veiligheid en het ontzien van het milieu. Binnen het focusgebied Driving guidance zijn er drie nadere thema’s vastgesteld:

Bij Vehicle efficiency wordt door verbetering van het totale aandrijvingsysteem het brandstofverbruik verminderd. Binnen het focusgebied Vehicle efficiency zijn twee nadere thema’s vastgesteld:

De prioriteiten voor 2009 zijn:

Efficient powertrain, Connected car en Vehicle dynamics control.

Deze onderwerpen zijn uitwerkt in de bijlage 6.1.

Wereldwijd is sprake van een toenemende behoefte aan nieuwe watertechnologie. Onder watertechnologie wordt hier verstaan: alle technologieën en technieken ten behoeve van het bereiden, transporteren, leveren, verzamelen, behandelen en (her)gebruiken van drinkwater, proceswater en afvalwater voor en van burgers, huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, recreatie en toerisme. Deze toenemende behoefte wordt onder meer veroorzaakt door de groei van de bevolking en de welvaart, de verandering van het klimaat met periode van extreme droogte en neerslag en door de toenemende en nieuwe verontreinigingen van het milieu en daarmee het oppervlakte- en grondwater. Deze ontwikkelingen vereisen een duurzame oplossing.

Door deze maatschappelijke opgave ontstaat de komende jaren een omvangrijke en snelgroeiende vraag op de wereldmarkt. In 2001 bedroeg de omzet op de wereldmarkt 292 miljard euro en was het groeipercentage 11%.

Als dichtbevolkt land aan de monding van grote rivieren beschikt Nederland noodzakelijkerwijs over veel wetenschap en ervaring op het gebied van watertechnologie. Op de wereldranglijst met octrooiaanvragen staat Nederland bijvoorbeeld op de zevende plaats. Verhoudingswijs wordt deze kennis en kunde echter onvoldoende verzilverd op de buitenlandse markten.

Dit wordt onder meer veroorzaakt door de bijzondere kenmerken van de thuismarkt: de vraagzijde lijkt vrijwel verzadigd en wordt gedomineerd door risicomijdende monopolisten (bestuurd worden door overheden) zonder commerciële exportambities; de aanbodzijde is zeer heterogeen en bestaat uit vele middelgrote en kleine productiebedrijven en enkele middelgrote adviesbureaus.

De omzet van de Nederlandse waterzuiveringsector bedroeg in 2003 ongeveer EUR 9,1 miljard per jaar, waarvan 2,1 miljard op buitenlandse markten.

De komende jaren staat de Nederlandse waterzuiveringsector voor grote opgaven, bijvoorbeeld het zuiveren van de toenemende vervuiling, voldoen aan strengere wet- en regelgeving zoals de Europese Kaderrichtlijn Water en het benutten van de grote exportpotentie, inclusief de Millennium Development Goals.

De Nederlandse watersector wil bovengenoemde maatschappelijke opgaven en economische kansen benutten door gebruik te maken van haar sterke uitgangspunten en door het verminderen en wegnemen van de belemmeringen. Het verwezenlijken van deze ambities vereist innovatie.

In september 2005 presenteerde de watersector haar visie op de toekomst in de brochure: ‘een wereld om water, naar een nieuwe aanpak voor de watersector’. Teneinde een prominente positie te veroveren binnen deze toekomstvisie wil de watersector op een nieuwe manier gaan samenwerken en zich daarbij richten op kansrijke thema’s (focus en massa). De strategie om deze ambitie en positie op het gebied van watertechnologie te bereiken is vervolgens weergegeven in de brochure ‘een wereld om water, innovatieprogramma watertechnologie (april 2006)’.

De uitdagingen en kansen voor die de Nederlandse watertechnologiesector met behulp van innovatie wil benutten zijn onder meer:

Het hoofddoel van het Innovatieprogramma Watertechnologie luidt:

Nederland beschikt over een excellente watertechnologiesector die economische en maatschappelijke doelen dient, zowel in Nederland als in het buitenland.

Dit hoofddoel is vertaald in vier subdoelen:

Het verwezenlijken van deze (sub) doelen vereist de ontwikkeling en toepassing van nieuwe kennis, technologieën, processen, producten en diensten. De noodzakelijke innovatie wordt echter verhinderd door diverse belemmeringen.

De Nederlandse watertechnologiesector wil haar inspanningen met betrekking tot innovatie concentreren op vier kansrijke clusters en de daarbijbehorende technologievelden, namelijk:

De belemmeringen voor innovatie op het gebied van watertechnologie vinden hun oorsprong en oorzaak onder meer in:

Om bovengenoemde belemmeringen en knelpunten zoveel mogelijk weg te nemen heeft de Stuurgroep Watertechnologie in haar Innovatieprogramma de volgende instrumenten voorgesteld:

Nederland heeft een sterke maritieme sector. Deze sector omvat een aantal belangrijke wereldspelers in de offshore en de maritieme maakindustrie, een groot aantal kleine bedrijven en enkele internationaal bekende kennisinstituten. De sector vormt als cluster binnen Nederland een goed georganiseerd geheel waarin zowel wetenschappelijke kennis, toepassingskennis als commerciële kennis van de wereldmarkt wordt verenigd. De maritieme cluster is een onderdeel van het zogenaamd sleutelgebied ‘Water’, zoals gedefinieerd door het Nederlandse Innovatieplatform.

Het Maritiem Innovatie Programma heeft tot doel te bereiken dat de bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties in de offshore en maritieme maakindustrie een toonaangevende positie van Nederland op het gebied van productleiderschap en regievoering behouden en versterken. Dit op basis van onderscheidende technologie en een concurrerend positie in prijs/kwaliteit verhouding gebaseerd op een sterke kennisbasis en een hechte samenwerking in de maritieme cluster, rekening houdend met de maatschappelijke randvoorwaarden.

In het Visiedocument 2020 van juni 2006, schetst de maritieme cluster de innovatiekansen en knelpunten. Op basis van dit document is er in twee werkgroepen een strategische agenda opgesteld voor de Nederlandse offshore- en de maritieme maakindustrie. Het zal grote inspanningen vergen om enerzijds de kansen te benutten, en anderzijds de knelpunten die deze kansen in de weg staan, op te oplossen. Voor de maritieme maak- en de offshore industrie zijn deze uitdagingen in het Maritiem Innovatie Programma vastgelegd. De sleutelwoorden in dit programma zijn: innovatie en concurrentiekracht alsmede energie, milieu, veiligheid en transport.

De vier speerpunten waarop de maritieme cluster zijn positie wil versterken zijn:

Toelichting: het aandeel van LNG (liquefied natural gas, vloeibaar aardgas) in de energievoorziening van de middenlange termijn zal sterk toenemen. De Nederlandse offshore bedrijven hebben de ambitie om daarbij een significante rol te spelen bij zowel de vaste als drijvende LNG-terminals in de leveringsketen;

Toelichting: de groei van de wereldeconomie heeft de vraag naar olie en gas sterk doen toenemen, terwijl de makkelijk toegankelijke wingebieden uitgeput raken. Mondiaal worden daarom de exploratie en exploitatie activiteiten verlegd naar (zeer) diep water in belangrijke winningsgebieden zoals de Golf van Mexico;

Toelichting: Nederland excelleert in het bouwen van zogenaamde complexe specials, dat wil zeggen schepen met een gespecialiseerde en complexe functionaliteit, waaraan door de eindgebruiker hoge en specifieke kwaliteitseisen worden gesteld. Complexe specials zijn baggerschepen, shortsea schepen, megajachten, schepen voor rechtshandhaving op zee en Offshore Service Vessels;

Toelichting: de Nederlandse maritieme maakindustrie moet het hebben van het slimmer en sneller maken van complexe producten. In een steeds ingewikkelder proces van integraal ontwerpen, international sourcing en intensieve samenwerking in de keten blijkt het bedrijfsleven in staat zijn positie te versterken d.m.v. innovatie van het voortbrengingsproces resulterend in o.a. kostenbeheersing.

Deze subsidieregeling richt zich alleen op de eerste 3 speerpunten. Voor het vierde speerpunt, Procesinnovatie, worden separate initiatieven ontwikkeld.

Het Maritiem Innovatie Programma is opgebouwd uit vier deelprogramma’s die voortkomen uit de door de maritieme cluster geconstateerde specifieke knelpunten, waarbij met name de eerste twee deelprogramma’s nauw met elkaar samenhangen.

Die vier deelprogramma’s zijn:

Toelichting: doorbraken en innovaties zijn noodzakelijk om in de maritieme maakindustrie en in de offshore dienstverlening de kennis en technologie tijdig beschikbaar te hebben. De steeds hogere eisen die gesteld worden ten aanzien van milieu, veiligheid en duurzaamheid moeten snel door nieuwe kennis en technologie kunnen worden ingevuld.

Toelichting: dit deelprogramma richt zich op het intensiveren van de samenwerking en de kennisuitwisseling tussen het MKB, grotere bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en het stimuleren van innovatie binnen het MKB;

Toelichting: dit deelprogramma richt zich op het versterken van de opleidingen, het onderwijs en de kennisbasis. Er is in de gehele maritieme cluster nu al een groot gebrek aan voldoende gekwalificeerd personeel;

Toelichting: dit deelprogramma is gericht op het slechten van belemmeringen voor innovatie in wet- en regelgeving en het bevorderen van innovatieve pilotprojecten waarmee een nieuwe werkwijze kan worden getoetst.

In het eerste deelprogramma gaat het voornamelijk om de ontwikkeling van platformtechnologie, die sector breed kan worden ingezet. Hierin spelen publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en met name de grote bedrijven een belangrijke rol. Daarnaast is het de uitdrukkelijke bedoeling dat het MKB meer betrokken wordt bij deze ontwikkelingsactiviteiten. Hiervoor zullen samenwerkingsprojecten tussen grote bedrijven en toeleveranciers worden uitgevoerd. In het tweede deelprogramma zal de samenwerking tussen (MKB-) bedrijven onderling en tussen bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties worden gestimuleerd. Hiervoor wordt in eerste instantie gedacht aan thematische netwerken, maar ook exportondersteuning voor het MKB en kennisoverdrachtsactiviteiten vallen hieronder. Voor 2007 waren voor deze twee deelprogramma’s een tender voor onderzoek- en ontwikkelingsprojecten voorzien, maritieme innovatieprojecten geheten, en een subsidieregeling voor haalbaarheidsprojecten.

Gelet op de eerste twee speerpunten van de cluster zullen de research- en samenwerkingsactiviteiten onder de deelprogramma’s A en B voor de offshore dienstverlening bijdragen aan:

Gelet op het derde speerpunt van de cluster zullen de research- en samenwerkingsactiviteiten onder de deelprogramma’s A en B voor de maritieme maakindustrie bijdragen aan:

De werking van het programma wordt gemonitored door de maritieme cluster en door Economische Zaken. De monitoring door de maritieme cluster is vooral gericht op het bereiken van de resultaten van het innovatieprogramma en de monitoring door Economische Zaken op de verantwoording van de financiële betrokkenheid van het departement.

Hoofdstuk 9 van de regeling sterktes in innovatie vormt een onderdeel van een breder programma ter versterking van de innovatie en de economische positie op het gebied van nano-elektronica, mechatronica en embedded systems, bekend onder de naam Point One. Het is een vervolg op de Point One Boegbeeld regelingen in de jaren 2006 t/m 2008

Nano-electronica, embedded systemen en mechatronica leveren gezamenlijk essentiele bouwstenen voor de high-tech samenleving van de toekomst. Het innovatieprogramma Point One is gestart op 28 april 2006 als programma voor embedded systemen en nano-electronica. Dit programma kreeg op 14 juli 2008 een krachtige nieuwe impuls doordat het werd versterkt met mechatronica en verdere intensivering van de interactie tussen industrie en kennisinstellingen.

Het doel van Point One is het creëren van een toonaangevend ecosysteem, leidend op wereldniveau, met betrekking tot nano-electronica, mechatronica en embedded systemen in Nederland, vergelijkbaar met dat van Sillicon Valley en complementair aan de grote clusters in Crolles, Dresden en Parijs.

Point One is een innovatieprogramma waarin toonaangevende industrie, kennisinstellingen, kleine en middelgrote ondernemingen en de overheid intensief samenwerken aan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen voor nanoelectronica, embedded systemen en mechatronica. Centraal in het innovatieprogramma staan valorisatie en het behouden en versterken van de cutting edge kennisbasis. Daarvoor richt het programma zich actief op het samenbrengen van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en de industrie. Uitgangspunt is de strategie die in het het progammadocument Point One Phase 2, ‘From good to great in Dutch Technologies’ is beschreven en nader is uitgewerkt in de Point One Phase 2 Multiannual Roadmap [hierna meerjarenroadmap] die jaarlijks wordt vertaald naar Point One Phase 2 Annual Plan [hierna: Annual Plan]. Deze strategie is gericht op een dynamisch ondernemersklimaat waarin open innovatie tussen grote en kleine partijen vanzelfsprekend is. Het Annual Plan wordt jaarlijks in nauwe samenspraak met het Ministerie van Economische Zaken vastgesteld en is te vinden op www.point-one.nl en www.senternovem.nl/pointone.

Kern van het Point One initiatief is het opbouwen van een hecht en dynamisch netwerk van grote en kleine bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties (hierna: Point One ecosysteem).

Een beter gebruik van elkaars kwaliteiten en expertise levert op termijn veel meer rendement en slagkracht op dan de grote investeringen die de publieke en private partijen nu doen. Hetzelfde geldt voor het opereren vanuit een internationaal onderscheidende focus en een heldere strategie. Een zwaartepunt binnen de regeling is het beter benutten van het innovatief potentieel van het MKB en het beter betrekken van het MKB in nationale en internationale netwerken.

Doel van het Annual Plan van Point One is het verstrekken van een integrale richtlijn voor onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten die gezamenlijk worden ondernomen door grote bedrijven, MKB’s, overheid, universiteiten en andere publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties.

Voor verdere versterking van het Point One ecosysteem zijn in het Annual Plan ook actielijnen gedefinieerd voor MKB, Human Capital en Universiteit-Industrie interactie.

Het Annual Plan is opgesteld op basis van de bijdragen van de Nederlandse partijen (industrie, kennisinstellingen, MKB) die werkzaam zijn op het terrein van embedded systemen, mechatronica en nano-elektronica en de reeds beschikbare internationale roadmaps van Catrene, ITEA2 en de Joint Technology Initiatives ENIAC en Artemis.

De uitvoering van het Annual Plan maakt het mede mogelijk om de ambities en programmadoelen van Point One te realiseren. Nadere informatie over het programmadocument Point One Phase 2, de meerjarenroadmap en het Annual Plan van Point One kunnen gevonden worden op www.point-one.nl of www.senternovem.nl/pointone.

In het Annual Plan is ervoor gekozen om onderzoek en ontwikkelings projecten te definieren op een beperkt aantal businesscases of toepassingsgebieden. Onderzoeksprojecten zullen dus niet alleen moeten voldoen aan de technologische kwalificatie, embedded systems, mechatronica of nanoelektronica ook zullen ze moeten referenen aan een van de genoemde toepssingsdomeinen. De toepassingsdomeinen uitgewerkt in het Annual Plan van Point One zijn (genummerd volgens het Annual Plan 2009:

Deze regeling heeft met name betrekking op de lijn voor onderzoek en ontwikkeling en vindt zijn uitwerking in het Point One programma. De lijn voor onderzoek en onwikkeling drie onderdelen:

Het doel is het verhogen van het aantal R&D-projecten in het MKB als wel het versterken van het innovatief MKB op het gebied van R&D. Middels een haalbaarheidsproject kan een MKB-ondernemer inzicht krijgen in de technologische en economische haalbaarheid van een idee of concept. Bij voldoende positieve uitkomsten kan het MKB-project daarmee mogelijk een vervolg krijgen in een R&D-project en de daarvoor benodigde optimale samenstelling van het samenwerkingsverband. Het project moet een eerste aanzet zijn tot een R&D-project zoals bedoeld in deze regeling met een duidelijke bijdrage aan de doelstellingen van Point One. Het resultaat van het haalbaarheidproject moet de definitieve start van het toekomstige R&D-project bepalen. Haalbaarheidsprojecten betreffen bureau-onderzoek en verkennend onderzoek. De doelgroep is het MKB in een samenwerkingsverband met het MKB, grote bedrijven of publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties. De subsidie aanvrager moet een MKB-ondernemer zijn en alleen MKB-ondernemers komen in aanmerking voor subsidie.

Het doel is verbreding en versterking van de technologische basis van het Point One ecosysteem op het gebied van nano-elektronica mechatronica en embedded systemen zoals beschreven in de meerjarenroadmap en Annual Plan 2009 van Point One. Een belangrijk aspect hierbij is het stimuleren en vergroten van de betrokkenheid van het innovatief MKB in het Point One Ecosysteem. De subsidie moet een impuls geven aan een meer structurele en strategische samenwerking. De opzet van brede consortia waarin op gemeenschappelijke basis R&D wordt uitgevoerd is hier de basis voor. De R&D-projecten moeten leiden tot concepten die uiteindelijk industrieel toepasbaar zijn. De projecten moeten breed van opzet zijn, waarin de industriële waardeketen, van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties, MKB-clusters tot aan Original Equipment Manufacturers (verder OEMers), zo goed mogelijk is vertegenwoordigd. De samenwerkingsverbanden hebben een duidelijke inbreng van het MKB. Streefwaarde is dat 35% van het project en call budget wordt uitgevoerd door zij die een MKB onderneming in stand houden als bedoeld in aanbeveling 2003/361 EG en/of ondernemingen, niet zijnde MKB die een jaarlijkse omzet hebben van minder dan vijfhonderd miljoen Euro.

Het innovatieprogramma Point One kent een zeer internationale orientatie. Omdat nano-electronica en embedded systems wereldwijde markten zijn, is ook de kennis veelal over onze landsgrenzen te vinden. Om internationaal onze koppositie te behouden, op industrieel- en kennisgebied, is het daarom van groot belang om vanuit een sterk Nederlands ecosysteem R&D-projecten uit te voeren met buitenlandse partners. Binnen Point One vindt de internationale R&D-samenwerking met name plaats met Europese partners.

In 2007 en 2008 is onder de Point One boegbeeldregeling een start gemaakt met het subsidiëren van internationale R&D-projecten binnen het ITEA2, MEDEA+ en Catrene kader. In deze projecten wordt niet alleen technologische excellentie nagestreefd, maar ook wordt aangestuurd op de versterking van het Point One ecosysteem en de introductie van innovatieve MKBs in internationale netwerken. Deze lijn wordt voortgezet. Streefwaarde is dat minimaal 35% van het project en call budget wordt uitgevoerd door zij die een MKB onderneming in stand houden als bedoeld in aanbeveling 2003/361 EG of ondernemingen, niet zijnde MKB die een jaarlijkse omzet hebben van minder dan vijfhonderd miljoen Euro.

Het hoofdstuk Point One in de Sterktes in innovatie regeling heeft tot doel op basis van een door de betrokken partijen in samenspraak met het ministerie van Economische Zaken opgestelde Annual Plan subsidie te verstrekken via twee tenders en één ‘eerst komt, eerst maalt’ subsidieregeling. In het Annual Plan van Point One wordt nader ingegaan op de toepassingsgebieden en doelstellingen van Point One. Een tweede belangrijke doelstelling is een bijdrage te leveren aan standaardisering en bredere toepassing van de ontwikkelde technologie in Point One verband. Als inhoudelijke uitgangspunten voor de R&D-projecten geldt dat het moet gaan om projecten van hoge kwaliteit en met een aansprekend karakter. Van belang is bovendien een brede opzet van het samenwerkingsverband met spelers aan zowel de publieke als private kant.

In 2007 en 2008 is onder de Point One Boegbeeld regeling een start gemaakt met het subsidiëren van internationale R&D projecten. Technisch excellente projecten worden eerst op Europees niveau voorzien van een ITEA2, MEDEA+ en Catrene label en vervolgens bij SenterNovem ingediend tijdens een door SenterNovem te organiseren call. De gelabelde projectvoorstellen worden hierbij aanvullend getoetst aan de nationale subsidieregeling.

Dit trapsgewijze fundingssysteem leidt er toe dat excellente internationale R&D-projecten die goed passen binnen het Point One programma, niet kunnen starten zolang en doordat de overheid op nationaal niveau nog geen Point One tender heeft uitgeschreven.

De vertraging die door deze fundingssystematiek wordt veroorzaakt doet afbreuk aan het draagvlak voor het programmatisch innovatiebeleid. De financiële intensivering van de internationale samenwerking komt hierdoor onbedoeld onder druk te staan.

Op grond van artikel 15 Kaderbesluit, wordt voor Internationale Projecten daarom afgeweken van de regel dat uitsluitend projectkosten die na een aanvraag op grond van de MR Sterktes in Innovatie ontstaan voor een subsidie in aanmerking kunnen komen. Ook kosten die zijn gemaakt vanaf 1 januari 2009 tot aan de honorering van de aanvraag kunnen worden gesubsidieerd.

De Subsidieregeling Polymeren-module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten maakt onderdeel uit van het Polymeren Innovatie Programma.

Het Polymeren Innovatie Programma is een van de onderdelen van het Businessplan Chemie, dat in 2006 verschenen is. De ambitie van het Polymeren Innovatie Programma is ‘een quantum leap te bereiken in de bijdrage van de Nederlandse Polymeren gemeenschap aan de kwaliteit van leven, duurzaamheid en economische groei’. Het Polymeren Innovatie Programma draagt hiermee bij aan de overall doelstellingen van het Businessplan Chemie:

Het Polymeren Innovatie Programma zal voor 20% bijdragen aan de verdubbeling van het BBP, dat wil zeggen een bijdrage aan het BBP van € 2,4 miljard en voor bijna 30% aan een reductie van het energieverbruik: 90 PJ.

Het Polymeren Innovatie Programma bestaat voor een groot deel uit precompetitieve research, uitgevoerd binnen het DPI. Daarnaast is een DPI-Value Center (DPI-VC) opgericht dat zich richt op het ondersteunen van voornamelijk MKB en starters door de samenwerking te bevorderen, bedrijven met elkaar en met onderzoeksorganisaties in contact te brengen, versterken business development op diverse onderdelen. Hierdoor ontstaat nieuwe business met een hoge toegevoegde waarde of wordt de bedrijvigheid uitgebreid. De time to market en time to profit van veelbelovende innovatieprojecten wordt bekort. De slaagkans van innovatieprojecten wordt verhoogd. Tevens kan het DPI-VC best practices voor succesvolle aanpak van innovatieprojecten met een hoog risico opstellen.

Om de doelstellingen van het Polymeren Innovatie Programma te ondersteunen is de Subsidieregeling Polymeren-module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten ingesteld. Deze subsidieregeling is gericht op innovatieve projecten in de polymerensector, het polymer value system. Het polymer value system bestaat uit een verscheidenheid aan spelers die op verschillende gebieden actief zijn. Binnen het systeem kunnen drie waardeketens onderscheiden worden:

Het werkgebied van het polymeren innovatie programma omvat alle bedrijven en kennisinstituten in zowel de polymeer als de producten en toepassingen waardeketen. Voor de apparaat/systeem waardeketen ligt de focus van het polymeren innovatie programma op de bedrijven met een strategische interesse in polymeer applicaties.

Als resultaat van een interactief proces geleid door de Federatie Nederlandse Rubber en Kunststofindustrie in samenwerking met het midden en kleinbedrijf en grote bedrijven is een lijst ontwikkeld met thema’s voor gezamenlijke ontwikkelingsdoelstellingen. Het Polymeren Innovatie Programma heeft deze thema’s overgenomen.

Deze thema’s zijn:

Een doelstelling van het hoofdstuk HighTech Topprojecten is om, naast de in het HTAS programma en bijlage 6.1 omschreven ontwikkeling van Hybrid Vehicles, ook de mogelijkheid te openen om een vergelijkbare ontwikkeling te kunnen ondersteunen voor een 100% elektrische auto of delen daarvan. De bredere HTAS doelstellingen omzetgroei, ecosysteemontwikkeling en human capital zijn ook op dit onderwerp van toepassing.

De onderzoeks- en detacheringsprojecten moeten passen binnen thema’s van maatschappelijk belang (maatschappelijke thema’s) die de Nederlandse kennispositie versterken. Er dient een bijdrage te worden geleverd aan de voor Nederland relevante maatschappelijke innovatiethema’s zoals die worden uitgevoerd in de 9 innovatieprogramma’s voor de sleutelgebieden, de 6 maatschappelijke innovatie agenda’s als onderdeel van Nederland Ondernemend Innovatieland, de 12 thema’s in de vraagprogrammering TNO-GTI’s of de 13 thema’s uit de NWO strategie.

Bedrijven, kennisinstellingen en overheid hebben op kansrijke gebieden innovatieprogramma’s ontwikkeld. Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op dergelijke programma’s, moeten ze passen binnen die programma’s zoals omschreven in de hieronder aangegeven bijlagen van de Subsidieregeling sterktes in innovatie (Staatscourant 2008, 18 dec 2008, nr. 2129):

Life Sciences & Health (bijlage 4.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Food & Nutrition Delta (bijlage 5.2 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Hightech Automotive Systems (bijlage 6.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Watertechnologie (bijlage 7.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Maritiem (bijlage 8.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Point One (bijlage 9.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Er zijn verder 3 innovatieprogramma’s met thema’s die niet gepubliceerd zijn als bijlage in bovengenoemde regeling. Het gaat om Chemie, Materialen en Logistiek en supply chains. Deze worden hierna beschreven.

Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op MIA’s, moeten ze passen binnen die MIA’s zoals omschreven in Kamerstukken TK 2007/08, 27046, nr. 120, bijlage (gezondheid, water en veiligheid) en Kamerstukken TK 2007/08, 31530, nr. 1, bijlage (energie), dan wel in onderstaande thema’s Duurzame agro- en visserijketens en Onderwijs (zie ook www.nederlandondernemendinnovatieland.nl).

Deze agenda richt zich op onderzoek en ontwikkeling van kennis en innovaties binnen de volgende zeven thema’s:

Deze agenda richt zich op het versterken van de innovatiekracht van het onderwijsveld en het creëren van de juiste randvoorwaarden. Thema’s die centraal staan, zijn o.a. het ondervangen van het leraren tekort d.m.v. innovatieve oplossingen en het bieden van ruimte voor experimenten.

Op aanbeveling van de Ad hoc commissie Wijffels heeft de overheid in 2004 gekozen voor het invoeren van vraagprogrammering en vraagfinanciering van het toepassingsgerichte onderzoek door TNO en de GTI’s (ECN, NLR, MARIN, Deltares en WUR/DLO). Kern van de vraagprogrammering is dat de maatschappelijke kennisvraag van overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven centraal staat bij de onderzoeksprogrammering van de instituten. In 2005 heeft het kabinet (Voortgangsrapportage 2005 Implementatie Kabinetstandpunt Brugfunctie TNO en GTI’s, 11 november 2005, TK 29338, nr. 41) het proces van vraagprogrammering en de thema’s aangegeven. In de Voortgangsrapportage 2006 (11 december 2006, 29338, nr. 56, tabel 2) zijn de thema’s verder uitgewerkt. Het gaat om de volgende twaalf thema’s:

Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op NWO-strategiethema’s, moeten ze passen binnen de thema’s zoals omschreven in de door NWO vastgestelde strategie 2007–2010 (Wetenschap gewaardeerd, NWO-strategie 2007–2010, mei 2006). Het gaat om de volgende dertien thema’s:

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.