U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 18-07-2012.

Ministeriële regeling · BWBR0024881

Subsidieregeling sterktes in innovatie

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187136, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van sterktes in innovatie (Subsidieregeling sterktes in innovatie)Subsidieregeling sterktes in innovatieDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 4, 5, derde en vierde lid, 6, derde lid, 9, eerste lid, 12, vierde lid, 13, 14, 15, 17, eerste en derde lid, 18, eerste en vijfde lid, 19, eerste lid, 21, 25, 44, 50, tweede lid, en 53, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 1.1, 11.1, 11.2 en 11.3, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.

Den Haag3 december 2008De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van der Hoeven

In deze regeling wordt verstaan onder:

De vaste opslag voor indirecte kosten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50 procent van de loonkosten.

Deze regeling valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214).

Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een internationaal innovatiesamenwerkingsverband dat een CATRENE-innovatieproject, een EUREKA-innovatieproject, een geïndustrialiseerde landen innovatieproject, een ITEA2-innovatieproject of een opkomende markten innovatieproject uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer.

Geen subsidie wordt verstrekt indien de aanvrager vóór indiening van de aanvraag om subsidie, bedoeld in artikel 2.2, reeds gestart is met zijn deel van het CATRENE-innovatieproject, het EUREKA-innovatieproject, het geïndustrialiseerde landen innovatieproject, het ITEA2-innovatieproject of het opkomende landen innovatieproject.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

Met uitzondering van CATRENE- en ITEA2-innovatieprojecten, brengen de subsidie-ontvangers, in afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies gezamenlijk steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het innovatieproject met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De penvoerder is een publiek gefinancierde onderzoeksorganisatie.

Een aanvraag wordt niet ingediend dan nadat daarover namens de commissie, genoemd in artikel 3.9, aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding.

Als IOP’s zijn de volgende onderzoeksprogramma’s aangewezen:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt een subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het IOP-project met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan, de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten, van de aangevraagde en overgedragen IE-rechten en over de toepassing van de resultaten van het IOP-project.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een ETB-samenwerkingsverband dat een LSH-project uitvoert.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een internationaal MKB-samenwerkingsverband dat een LSH-project uitvoert.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een EuroNanoMed-samenwerkingsverband dat een LSH-project uitvoert.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De in artikel 4.6 bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 4.26, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 4.27.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een FND-haalbaarheidsproject uitvoert.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Een subsidie-ontvanger is verplicht bekendheid aan het project en de resultaten ervan te geven.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt aan het FND-samenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien van het FND-innovatieproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

Een subsidie-ontvanger is verplicht bekendheid aan het project en de resultaten ervan te geven.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt aan het FND-MKB-samenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien het FND-MKB-innovatieproject niet voldoende bijdraagt aan:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De penvoerder is een deelnemer in het HTAS-doorbraaksamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een HTAS-internationaal innovatiesamenwerkingsverband dat een HTAS-internationaal innovatieproject uitvoert.

De penvoerder is een deelnemer in het HTAS-internationaal innovatiesamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De adviescommissie, genoemd in artikel 6.6 heeft eveneens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 6.14 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.15.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt een subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het HTAS-internationaal innovatieproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een HTAS-EVT-samenwerkingsverband dat een HTAS-EVT-project uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer in het HTAS-EVT-samenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De adviescommissie, genoemd in artikel 6.6 heeft eveneens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met i, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 6.24 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 6.25.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies eindigt op 31 december 2011.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een innoWATOR-samenwerkingsverband dat een innoWATOR-project uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een internationaal innoWATOR-samenwerkingsverband dat een internationaal innoWATOR-project uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde binnenkomst van de aanvragen.

De adviescommissie, genoemd in artikel 7.6 heeft eveneens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 7.16.

Vervallen

In afwijking van artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies brengt de subsidie-ontvanger steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het internationaal innoWATOR-project met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de beschikking tot subsidieverlening vermelde raming van de subsidiabele kosten.

Voor subsidie komen de kosten in aanmerking, bedoeld in artikel 10 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, tot ten hoogste het bedrag van de investeringskosten voor het innovatieve aspect van het product, het proces of de dienst.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De in artikel 7.6 bedoelde adviescommissie heeft eveneens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 7.25.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De beschikking tot verlenen van een subsidie wordt verleend onder de voorwaarde dat:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een maritiem MKB-samenwerkingsverband, dat een maritiem MKB-project uitvoert, of aan een MKB-ondernemer, die een maritiem MKB-project uitvoert.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een MKB-ondernemer voor het uitvoeren van een Point-One haalbaarheidsproject dat past binnen de technologische gebieden als genoemd in bijlage 9.1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een MKB-ondernemer in een Point-One MKB-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Point-One MKB-innovatieproject dat past binnen de technologische gebieden, genoemd in bijlage 9.1.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een Point-One R&D-samenwerkingsverband die een Point-One R&D-project uitvoert dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 9.1.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een Internationaal Point-One R&D-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een Internationaal Point-One R&D-project dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 9.1.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De in artikel 9.11 genoemde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 9.22 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 9.23.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een Point-One University-Industry Interaction samenwerkingsverband dat een Point-One University-Industry Interaction project uitvoert dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 9.1.

De penvoerder is een ondernemer of een onderzoeksorganisatie.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De in artikel 9.11 genoemde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 9.31 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 9.32.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer die een polymeren haalbaarheidsstudie uitvoert.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De penvoerder is een MKB-ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een HighTech Topproject-samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een HighTech Topproject dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlagen 6.1, 9.1, 10.1A of een combinatie daarvan.

De penvoerder is een ondernemer.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Er is een adviescommissie HighTech Topprojecten die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23, onderdelen e tot en met h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en in artikel 10a.8 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 10a.9.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een deelnemer in een onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband dat een onderzoeks- en detacheringsproject uitvoert.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt in het onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies eindigt op 31 december 2010.

De beschikking tot het verlenen van een subsidie wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat het onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband uiterlijk twee maanden na de beschikking is gestart met de uitvoering van het onderzoeks- en detacheringsproject.

In afwijking van artikel 46, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt het voorschot voor deelnemers in een onderzoeks- en detacheringssamenwerkingsverband aan wie voor de uitvoering van een onderzoeks- en detacheringsproject subsidie wordt verstrekt, 100 procent van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal als subsidie in aanmerking komt.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De afwijzingsgrond, genoemd in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de minister, niet:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een TTI dat een strategisch onderzoeksprogramma uitvoert op het gebied van Food & Nutrition, dat past binnen bijlage 5.1.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie voor zover:

De beschikking tot subsidieverlening bevat de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger uiterlijk dertien weken na de subsidieverlening, behoudens voorafgaande schriftelijke verlenging door de minister, heeft aangetoond te beschikken over rechtspersoonlijkheid.

De rapportage, genoemd in artikel 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bevat in ieder geval:

In afwijking van artikel 46, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies bedraagt het voorschot 100% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor innovatie aan een scheepswerf die deelneemt in een scheepsbouwinnovatieproject.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

In aanvulling op artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies maakt de subsidie-ontvanger een vergelijking van de uitvoering van het project met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

In afwijking van artikel 46, vierde lid, van hetKaderbesluit EZ-subsidies bedraagt het voorschot 80% van de maximale hoogte van de subsidie.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een onderzoeksorganisatie een strategisch vliegtuigontwikkelingproject uitvoert op een van de volgende terreinen:

Het maximum subsidiebedrag bedraagt € 300.000,– per subsidie-ontvanger.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist op volgorde van het aantal punten dat aan het project is toegekend.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

SII innovatieproject:

een samenhangend geheel van activiteiten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, uitgevoerd door een SII innovatiesamenwerkingsverband, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, dat leidt tot een nieuwe dienst, of een nieuw product of proces dat een nieuwe dienst mogelijk maakt en dat past binnen bijlage 10h.1;

SII innovatiesamenwerkingsverband:

een samenwerkingsverband dat is opgericht voor de uitvoering van een SII innovatieproject dat bestaat uit ten minste twee niet in een groep verbonden partijen, waarbij ten minste één van de partijen een in Nederland gevestigde ondernemer is en een andere partij ofwel een ondernemer ofwel een onderzoeksorganisatie is.

De penvoerder is een ondernemer die deelneemt aan een SII innovatiesamenwerkingsverband.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling sterktes in innovatie.

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).

1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

India

Bedrijven en kennisinstellingen hebben samen met het ministerie van EZ het innovatieprogramma Life Sciences & Health (LSH) ontwikkeld. Het programma stimuleert jonge hightech bedrijven nieuwe medische producten (vaccins, geneesmiddelen), behandelingen (weefsel- en orgaanherstel, medische implantaten) en diagnostica te ontwikkelen. Nederland heeft een sterke kennispositie op dit gebied. Bedrijven als Organon, Philips Medical en DSM en diverse jonge, beursgenoteerde life sciences bedrijven als Crucell, Pharming, Octoplus en Galapagos zijn op hun gebied internationaal toonaangevend. De ambitie van het innovatieprogramma LSH is om Nederland een internationale hotspot te laten worden op het gebied van medisch en klinisch onderzoek, waar gezondheidsgerelateerde life sciences bedrijven goed kunnen werken en groeien.

Het ambitieniveau van dit innovatieprogramma is daarbij:

De kansen op het gebied van life sciences & health liggen vooral op de gebieden personalized medicine, preventieve diagnostiek en regeneratieve geneeskunde. Hier heeft Nederland met het genomics research en het lopende biomedisch onderzoek een goede kennispositie opgebouwd en zijn recent ook enkele belangrijke publiek-private samenwerkingen gestart. Dit betreft TIPharma, het Center for Translational Molecular Medicine (CTMM) en het BioMedical Materials program (BMM), die zich richten op het pre-competitieve deel van de kennisontwikkeling.

De drie belangrijke knelpunten binnen de LSH-sector zijn de doorgroei van jonge hightech MKB-ers, netwerkvorming en knelpunten binnen het LSH klimaat (o.a. human capital en wet- en regelgeving). Deze knelpunten belemmeren de valorisatie van lopend en nieuw publiek en privaat onderzoek. Deze punten worden met onderstaande agenda aangepakt.

Europese life sciences bedrijven hebben te maken met de zogenoemde ‘equity gap’. In de groeifase, waarbij nieuwe productconcepten de klinische onderzoeksfase ingaan, is het voor een life sciences bedrijf moeilijk financiering te vinden. In deze actielijn wordt dan ook gepleit voor een risicodragend krediet. Dit krediet moet de hefboom zijn om bedrijven in deze fase mede door een venture capitalist gefinancierd te laten worden.

De valorisatiestap van concepten die voortkomen uit de publiek-private samenwerkingen is een belangrijke om uiteindelijk tot een medisch innovatief product te komen. De sector pleit dan ook voor ondersteuning bij samenwerking. Het gaat hierbij om ondersteuning bij (internationele) samenwerkingsprojecten en bij facility sharing van bijzondere apparatuur of productiefaciliteiten. Ook vallen netwerkevenementen die R&D-samenwerking stimuleren onder deze actielijn.

Deze actielijn is erop gericht om alle randvoorwaarden om innovaties tot stand te laten komen zo optimaal mogelijk te maken. Het klimaat in Nederland moet buitenlandse LSG-bedrijven aantrekken. Een voorbeeld hiervan is om ervoor te zorgen dat er voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is (van MBO tot WO) en het verhogen van internationale bekendheid op dit terrein.

Dit hoofdstuk Life Sciences & Health van deze regeling is onderdeel van actielijn 2 van het innovatieprogramma LSH.

Diverse workshops en consultaties met de grootbedrijven, MKB bedrijven, brancheorganisaties en onderzoeksorganisaties vonden plaats om het Innovatieprogramma FND inhoudelijk vorm en focus te geven. Dit is eerst voor fase 1 en daarna voor fase 2 gedaan. Ten behoeve van het opzetten van de onderzoeksprogramma’s van fase 1, het TTI WCFS+, is een zorgvuldig proces doorlopen van het identificeren van consumentenbehoeften, via functionele en wetenschappelijke doelen tot het ontwikkelen van innovatiethema’s en -projecten. De consumentenbehoeften die zijn geïdentificeerd als belangrijke marktgebieden voor de toekomst zijn:

Binnen fase 2 van het Innovatieprogramma FND worden de volgende innovatiethema’s onderscheiden:

Er ontstaat steeds meer bewustzijn omtrent de rol van voeding en gezondheid van mensen. Dit leidt allereerst tot behoefte aan nieuwe kennis omtrent de relatie tussen voedingsmiddelen en gezondheid en de identificatie van gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen en voedingscomponenten. Daarnaast leidt dit tot de vraag naar methoden en technologie om niet-invasief gezondheid, het ontstaan van ziekten in relatie tot voeding en het effect van gezondheidsbevorderende stoffen te monitoren. Verder zijn van belang methoden en technieken om de intrinsieke gezondheidswaarde van voedingsmiddelen te monitoren en behouden in de keten en deze gezondheidswaarde van producten actief te verhogen zonder dat dit ten koste gaat van andere gewenste eigenschappen.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Naast gezondheid zijn structuur en sensoriek van voedingsmiddelen belangrijke kwaliteitsaspecten die de keuze van de consument bepalen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de invloed van structuur van voedingsmiddelen op het mondgevoel en vrijkomen van geur- en smaakstoffen tijdens consumptie. Een goede controle over beide aspecten is een belangrijke vereiste om de beoogde producten met hoge toegevoegde waarde te kunnen realiseren.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Zowel de selectie, de winning en exploitatie van functionele bio-ingrediënten, als de selectie en exploitatie van enzymen en micro-organismen die betrokken zijn bij het verkrijgen van bioactieve moleculen, als het borgen van de gewenste bio-activiteit op het moment van gebruik zijn belangrijke uitdagingen in de ontwikkeling van gezonde en functionele voedingsmiddelen.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Gegarandeerde beschikbaarheid van veilig voedsel is een van de eerste vereisten waaraan de sector moet kunnen voldoen. Om gezonde voedingsmiddelen te produceren met een optimale kwaliteit (smaak, geur en structuur) en veiligheid zijn verbeterde (minimal processing) conserveringstechnieken nodig. Veranderende consumentenbehoeften en de in het kader van deze behoeften ontwikkelde nieuwe producten en productieprocessen vereisen technologie om de veiligheid, kwaliteit en functionaliteit van voedingsmiddelen gedurende processing en in de keten te kunnen borgen.

Innovatieprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

De ontwikkeling van onderscheidende nieuwe processen en producten vergt dermate veel geld en de terugverdientijd is zodanig lang dat het van groot belang is om de behoefte en het gedrag van de consument van morgen goed te kunnen voorspellen.

Onderzoeksprioriteiten die in dit kader relevant zijn, zijn onder andere:

Vooral voor MKB bedrijven zijn niet food gerelateerde technologische innovaties van groot belang om op het gebied van Food & Nutrition te komen tot nieuwe producten, processen en diensten.

Voorbeelden zijn technologie op het gebied van ICT, scheidingen, in line analyse voor processen, miniaturisering van productietechnologie, producttracering en intelligente verpakkingen.

Het Nederlandse cluster van automotive bedrijven heeft de ambitie om binnen vijf jaar één van de leidende innovatieprogramma’s in Europa te worden op het gebied van automotive technologie.

De strategische doelstellingen zijn:

De automotive sector wil deze ambitie en doelstellingen bereiken door in te zetten op twee focusgebieden waarin Nederland internationaal kan excelleren. Deze focusgebieden betreffen Driving guidance en Vehicle efficiency.

Driving guidance betreft begeleiding- en informatiesystemen voor de verbetering van de mobiliteit. Het beïnvloedt het rijgedrag van de bestuurder voor een betere doorstroming van het verkeer, de verhoging van de actieve- en passieve veiligheid en het ontzien van het milieu. Binnen het focusgebied Driving guidance zijn er drie nadere thema’s vastgesteld:

Bij Vehicle efficiency wordt door verbetering van het totale aandrijvingsysteem het brandstofverbruik verminderd. Binnen het focusgebied Vehicle efficiency zijn twee nadere thema’s vastgesteld:

De prioriteiten voor 2010 zijn:

Efficient powertrain, Light constructions, Connected car en Vehicle dynamics control.

Deze onderwerpen zijn uitwerkt in de bijlage 6.1.

In het kabinetsstandpunt ‘aanpak Elektrisch rijden’ (Kamerstukken II 2008/09, 31305, nr. 145) wordt elektrisch rijden als een zeer kansrijke optie aangemerkt om toekomstige automobiliteit duurzaam te maken, de energiepositie te versterken en de economie een structurele impuls te geven. Centrale ambitie in deze aanpak is om Nederland in de periode 2009–2011 tot gidsland en internationale proeftuin voor elektrisch rijden te maken. Om daarna, op basis van de gecreëerde randvoorwaarden en de opgedane leerervaringen, op te schalen en door te groeien naar grootschalige marktintroductie. Het kabinet heeft met dit oogmerk meerdere maatregelen voor de periode 2009–2011 vastgesteld, waarvan er één zich richt op het financieel stimuleren (en daaraan gekoppelde innovatiebevordering) van onderzoek, ontwikkeling en productie van elektrische voertuigen en/of onderdelen daarvoor. Deze actielijn wil bestaande en nieuwe spelers ondersteunen bij het verzilveren van de nieuwe mogelijkheden, uit het oogpunt van het versterken van onze economie, het verbeteren van ons vestigingsklimaat, het vergroten van onze internationale concurrentiepositie en werkgelegenheid. Concreet wordt geconstateerd dat ondernemers en kennisinstellingen voor de productie van elektrische voertuigen en onderdelen nog tegen een aantal belemmeringen aanlopen. De door het kabinet onderkende technische belemmeringen en onzekerheden voor grootschalige marktintroductie zijn:

Dit type onderwerpen hebben niet alleen de aandacht van de overheid, maar ook van de Nederlandse automotive-industrie. Die deelt de opvatting dat elektrisch rijden perspectief biedt. Internationale ontwikkelingen op het gebied van elektrisch en hybride rijden bieden volgens haar marktkansen in Nederland. Specifiek met betrekking tot elektrische voertuigtechnologie wil de Nederlandse automotive-industrie aan het lopende innovatieprogramma HTAS (High Tech Automotive Systems) een thema toevoegen dat goed aansluit bij de door het kabinet onderkende technische belemmeringen: Electric Vehicle Technology (EVT). Doel daarvan is om de Nederlandse automotive-sector een voorsprong te verschaffen binnen de ontwikkeling van elektrische voertuigen, hun componenten en onderdelen. Het thema EVT richt zich op aspecten waarin de Nederlandse automotive-sector een goede uitgangspositie heeft om in de ontwikkeling van elektrische voertuigen, componenten en onderdelen een competitieve positie te kunnen innemen. De uitdagingen binnen het thema EVT zijn:

Belangrijke specifieke veiligheidsaspecten voor de elektrische auto’s zowel voor de passagiers als het andere verkeer zijn onder meer het gewicht en plaats van de batterij in het geval van botsingen, de elektriciteit en het daarmee geassocieerde brandgevaar en het effect van het hoogvoltage batterij bij botsingen en bij contact met water. Zie voor het volledige document www.htas.nl., dat de genoemde uitdagingen toespitst op de volgende aandachtsgebieden: chassis en body, powertrain, control, auxiliary equipment en integratie. Naast de technologische uitdagingen gaat het thema EVT ook in op de ondersteunende activiteiten die nodig zijn om dit voor Nederland te realiseren, zoals goede samenwerking met de overheid en met de energiesector. Er wordt voorts gestreefd naar extra omzetgroei en een toename van het aantal hightech werknemers op het gebied van elektrische voertuigen met 7.500 in 2020.

De technische belemmeringen die in het kabinetsstandpunt voor elektrisch rijden worden genoemd en de uitdagingen die de Nederlandse automotive-industrie binnen het voorgenomen thema EVT heeft vastgesteld, passen goed bij elkaar. Op basis hiervan zijn de doelstellingen en aandachtsgebieden geformuleerd.

De strategische hoofddoelen zijn de hoofddoelen die met het HTAS-innovatieprogramma worden nagestreefd (zie bijlage 6.1). Op het gebied van elektrische voertuigtechnologie in het kader van het thema EVT zal het daarbij in het bijzonder gaan om banengroei, omzetgroei, reductie van brandstofverbruik en verhoging van de verkeersveiligheid.

Doel is het ondersteunen en versnellen van projecten die bijdragen aan:

Doel is ten slotte dat de projecten leiden tot concepten die binnen enkele jaren in productie kunnen worden genomen. Daarom dient de nadruk van de projecten te liggen op experimentele ontwikkeling en op activiteiten dicht op de productiefase. Projecten die exclusief gericht zijn op industrieel onderzoek zijn uitgesloten.

De projecten moeten passen binnen onderstaande aandachtsgebieden:

Ontwikkelingen op het gebied van chassis en body specifiek gericht op de eisen van elektrische voertuigen, rekening houdend met o.a. botsveiligheid, een lichter gewicht, en verbeterde stabiliteit in combinatie met minimale luchtweerstand. Belangrijke aandachtspunten zijn hierbij diverse veiligheidsaspecten ten aanzien van batterij pakketten. Uitgangspunt is een flexibel platform waarop meerdere carrosserievarianten gebouwd kunnen worden.

Innovatie op het gebied van key-componenten en samengestelde systemen in de gehele elektrische aandrijflijn, zoals batterijtechnologie, on-board snellaadsystemen, systemen voor terugwinning van remenergie, vermogenselektronica. transmissie technologie en tractie-motoren. Batterijontwikkeling richt zich vooral op nieuwe materialen (tbv hogere energiedichtheid,) en packaging en recycling. Daarnaast is er specifieke aandacht voor de ontwikkeling van range extenders.

Focus op beheersen en regelen van de integrale aandrijflijn ten behoeve van rijcomfort, veiligheid en optimale energie efficiency. Systeem architectuur en batterij monitoring zullen tevens de nodige ontwikkeling vergen. Daarnaast zal er aandacht zijn voor diverse standaardisatie en communicatieprotocollen met de infrastructuur cq. de buitenwereld.

Elektrisch aangedreven auto’s vragen om nieuwe energiezuinige auxiliary (ondersteunende) apparatuur, die opnieuw ontwikkeld dienen te worden. Hier is onder meer te denken aan nieuwe concepten voor voertuig temperatuurmanagement (verwarming & airco), luchtcirculatie, draadloos energie opladen, brandstofcel en solarcel toepassingen.

Elektrische aandrijving geeft nieuwe mogelijkheden voor auto-design, ontwikkeling en engineering. Dus ook een nieuwe geïntegreerde benadering van het gehele voertuig wordt belangrijk. De interfaces met zowel de gebruiker (HMI) maar ook met de infrastructuur (energielaadstations, smart billing, etc) zullen het nodige onderzoek vergen. Tenslotte aandacht voor diverse drivetrain en niet drivetrain accessoires/systemen ter verbetering van de energiehuishouding, comfort en veiligheid van de auto.

Wereldwijd is sprake van een toenemende behoefte aan nieuwe watertechnologie. Onder watertechnologie wordt hier verstaan: alle technologieën en technieken ten behoeve van het bereiden, transporteren, leveren, verzamelen, behandelen en (her)gebruiken van drinkwater, proceswater en afvalwater voor en van burgers, huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, recreatie en toerisme. Deze toenemende behoefte wordt onder meer veroorzaakt door de groei van de bevolking en de welvaart, de verandering van het klimaat met periode van extreme droogte en neerslag en door de toenemende en nieuwe verontreinigingen van het milieu en daarmee het oppervlakte- en grondwater. Deze ontwikkelingen vereisen een duurzame oplossing.

Door deze maatschappelijke opgave ontstaat de komende jaren een omvangrijke en snelgroeiende vraag op de wereldmarkt. In 2001 bedroeg de omzet op de wereldmarkt 292 miljard euro en was het groeipercentage 11%.

Als dichtbevolkt land aan de monding van grote rivieren beschikt Nederland noodzakelijkerwijs over veel wetenschap en ervaring op het gebied van watertechnologie. Op de wereldranglijst met octrooiaanvragen staat Nederland bijvoorbeeld op de zevende plaats. Verhoudingswijs wordt deze kennis en kunde echter onvoldoende verzilverd op de buitenlandse markten.

Dit wordt onder meer veroorzaakt door de bijzondere kenmerken van de thuismarkt: de vraagzijde lijkt vrijwel verzadigd en wordt gedomineerd door risicomijdende monopolisten (bestuurd worden door overheden) zonder commerciële exportambities; de aanbodzijde is zeer heterogeen en bestaat uit vele middelgrote en kleine productiebedrijven en enkele middelgrote adviesbureaus.

De omzet van de Nederlandse waterzuiveringsector bedroeg in 2003 ongeveer EUR 9,1 miljard per jaar, waarvan 2,1 miljard op buitenlandse markten.

De komende jaren staat de Nederlandse waterzuiveringsector voor grote opgaven, bijvoorbeeld het zuiveren van de toenemende vervuiling, voldoen aan strengere wet- en regelgeving zoals de Europese Kaderrichtlijn Water en het benutten van de grote exportpotentie, inclusief de Millennium Development Goals.

De Nederlandse watersector wil bovengenoemde maatschappelijke opgaven en economische kansen benutten door gebruik te maken van haar sterke uitgangspunten en door het verminderen en wegnemen van de belemmeringen. Het verwezenlijken van deze ambities vereist innovatie.

In september 2005 presenteerde de watersector haar visie op de toekomst in de brochure: ‘een wereld om water, naar een nieuwe aanpak voor de watersector’. Teneinde een prominente positie te veroveren binnen deze toekomstvisie wil de watersector op een nieuwe manier gaan samenwerken en zich daarbij richten op kansrijke thema’s (focus en massa). De strategie om deze ambitie en positie op het gebied van watertechnologie te bereiken is vervolgens weergegeven in de brochure ‘een wereld om water, innovatieprogramma watertechnologie (april 2006)’.

De uitdagingen en kansen voor die de Nederlandse watertechnologiesector met behulp van innovatie wil benutten zijn onder meer:

Het hoofddoel van het Innovatieprogramma Watertechnologie luidt:

Nederland beschikt over een excellente watertechnologiesector die economische en maatschappelijke doelen dient, zowel in Nederland als in het buitenland.

Dit hoofddoel is vertaald in vier subdoelen:

Het verwezenlijken van deze (sub) doelen vereist de ontwikkeling en toepassing van nieuwe kennis, technologieën, processen, producten en diensten. De noodzakelijke innovatie wordt echter verhinderd door diverse belemmeringen.

De Nederlandse watertechnologiesector wil haar inspanningen met betrekking tot innovatie concentreren op vier kansrijke clusters en de daarbijbehorende technologievelden, namelijk:

De belemmeringen voor innovatie op het gebied van watertechnologie vinden hun oorsprong en oorzaak onder meer in:

Om bovengenoemde belemmeringen en knelpunten zoveel mogelijk weg te nemen heeft de Stuurgroep Watertechnologie in haar Innovatieprogramma de volgende instrumenten voorgesteld:

Nederland heeft een sterke maritieme sector. Deze sector omvat een aantal belangrijke wereldspelers in de offshore en de maritieme maakindustrie, een groot aantal kleine bedrijven en enkele internationaal bekende kennisinstituten. De sector vormt als cluster binnen Nederland een goed georganiseerd geheel waarin zowel wetenschappelijke kennis, toepassingskennis als commerciële kennis van de wereldmarkt wordt verenigd. De maritieme cluster is een onderdeel van het zogenaamd sleutelgebied ‘Water’, zoals gedefinieerd door het Nederlandse Innovatieplatform.

Het Maritiem Innovatie Programma heeft tot doel te bereiken dat de bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties in de offshore en maritieme maakindustrie een toonaangevende positie van Nederland op het gebied van productleiderschap en regievoering behouden en versterken. Dit op basis van onderscheidende technologie en een concurrerende positie in prijs/kwaliteit verhouding gebaseerd op een sterke kennisbasis en een hechte samenwerking in de maritieme cluster, rekening houdend met de maatschappelijke randvoorwaarden.

In het kerndocument van december 2006, schetst de maritieme cluster de innovatiekansen en knelpunten. Dit document is opgesteld naar aanleiding van de strategische agenda van de Nederlandse offshore industrie en de strategische agenda van de Nederlandse maritieme maakindustrie. Voor de maritieme maak- en de offshore industrie zijn deze uitdagingen in het Maritiem Innovatie Programma vastgelegd.

Voor de Maritieme innovatieprojecten dienen de projecten te liggen op het terrein van de volgende onderwerpen:

Offshore dienstverlening

Offshore

Gelet op de focus van de offshore dienstverlening zullen de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten voor de offshore dienstverlening vooral bijdragen aan:

MMI

Gelet op de focus van de maritieme maakindustrie zullen de onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten voor de maritieme maakindustrie vooral bijdragen aan:

In het innovatieprogramma Point-One werken toonaangevende industrie, kennisinstellingen, (MKB)- ondernemingen en de overheid intensief samen aan de ontwikkeling van nieuwe toepassingen op basis van nano-elektronica, embedded systemen en mechatronica technologieën.

Point-One is ontstaan uit een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse hightech industrie, kennisinstellingen en het ministerie van Economische Zaken. Het programma is gestart op 28 april 2006 als programma voor embedded systemen en nano-elektronica. In 2009 is de tweede fase gestart met een looptijd tot en met 2012. Nano-elektronica, embedded systemen en mechatronica leveren gezamenlijk essentiële bouwstenen voor de high-tech samenleving van de toekomst.

'From Good to Great in Dutch Technologies' - een Nederlandse 'Silicon Valley': dit is de ambitie van het strategisch innovatieprogramma Point-One. Het doel van Point-One is het creëren van een toonaangevend ecosysteem, leidend op wereldniveau, met betrekking tot nano-elektronica, mechatronica en embedded systemen in Nederland, vergelijkbaar met dat van Sillicon Valley en complementair aan de grote clusters in Crolles, Dresden en Parijs. Daarvoor richt het programma zich actief op het samenbrengen van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en het high-tech bedrijfsleven (groot bedrijf en MKB). Point-One richt zich in de kern op het opbouwen van een hecht en dynamisch netwerk van grote en kleine bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties (hierna: Point-One ecosysteem). Een beter gebruik van elkaars kwaliteiten en expertise levert op termijn veel meer rendement en slagkracht op. Hetzelfde geldt voor het opereren vanuit een internationaal onderscheidende focus en een heldere strategie.

Uitgangspunt van het programma is de strategie die in het programmadocument Point-One Phase 2, ‘From good to great in Dutch Technologies’ is beschreven en nader is uitgewerkt in de Point-One Phase 2 meerjarenroadmap. Deze roadmap is opgesteld door de Point-One vereniging, op basis van bijdragen partijen uit het veld.

In de meerjarenroadmap en het jaarplan (of Annual Plan) van Point-One staat een integrale richtlijn voor onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten die gezamenlijk worden ondernomen door grote bedrijven, MKB’s, overheid, universiteiten en andere publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties. De meerjarenroadmap en het jaarplan zijn te vinden op www.point-one.nl en www.agentschapnl.nl/pointone.

Het hoofdstuk Point-One in de Subsidieregeling sterktes in innovatie heeft tot doel om op basis van de meerjarenroadmap en het jaarplan gevormde excellente projecten waarmee Nederlandse spelers zich internationaal kunnen onderscheiden, met subsidie te ondersteunen.

Een tweede belangrijke doelstelling is dat de projecten een bijdrage leveren aan standaardisatie en bredere toepassing van de ontwikkelde technologie. Als inhoudelijke uitgangspunten voor de R&D-projecten en innovatieprojecten geldt dat het moet gaan om projecten van hoge kwaliteit en met een aansprekend karakter. Een zwaartepunt binnen de regeling is het beter benutten van het innovatief potentieel van het MKB en het beter betrekken van het MKB in nationale en internationale netwerken.

In de meerjarenroadmap en het jaarplan is gekozen om onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten te definiëren op een beperkt aantal technologische gebieden en businesscases.

Onderzoeksprojecten zullen dus niet alleen moeten voldoen aan de technologische kwalificatie, embedded systems, mechatronica of nanoelektronica, ook zullen ze moeten refereren aan een van de onderstaande Point-One businesscases.

De meerjaren roadmap en het jaarplan waarin het bovenstaande is uitgewerkt zijn te vinden op www.point-one.nl en www.agentschapnl.nl/pointone.

Deze subsidieregeling die bedoeld is voor onderzoek en ontwikkeling in het kader van het Point-One programma bestaat uit vijf onderdelen:

Het doel is om bureauonderzoek en kleine praktische onderzoeken van MKB ondernemingen naar de economische en technische haalbaarheid van een R&D project te ondersteunen. Haalbaarheidsprojecten voor MKB ondernemingen zijn bedoeld als opstap naar de start van een R&D project. In haalbaarheidsprojecten kunnen potentiële samenwerkingspartners (groot bedrijf, kennisinstellingen of andere MKB ondernemers) worden gezocht en kleine praktische onderzoeken worden uitgevoerd. De projectresultaten worden neergelegd in een schriftelijk rapport dat de basis kan vormen voor het opstarten van een R&D project.

Het doel is om aansprekende en kortdurende innovatieve projecten van MKB-ondernemers te ondersteunen met een hoog risico en een grote economische meerwaarde. Point-One MKB-innovatieprojecten kunnen bestaan uit industrieel onderzoek, uit experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het doel is om Point-One MKB bedrijven de kans te geven zelf hun onderzoeksprojecten te formuleren en uit te voeren, zonder daarbij afhankelijk te zijn van een grotere partij.

Het doel is verbreding en versterking van de technologische basis van het Point-One ecosysteem op het gebied van nano-elektronica mechatronica en embedded systemen zoals beschreven in de meerjarenroadmap en Annual Plan 2009 van Point-One. Een belangrijk aspect hierbij is het stimuleren en vergroten van de betrokkenheid van het innovatieve MKB in het Point-One Ecosysteem. De subsidie moet een impuls geven aan een meer structurele en strategische samenwerking. De opzet van brede consortia waarin op gemeenschappelijke basis R&D wordt uitgevoerd is hier de basis voor. De R&D-projecten moeten leiden tot concepten die uiteindelijk industrieel toepasbaar zijn. De projecten moeten breed van opzet zijn, waarin de industriële waardeketen, van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties, MKB-clusters tot aan Original Equipment Manufacturers (verder OEMers), zo goed mogelijk is vertegenwoordigd. De samenwerkingsverbanden hebben een duidelijke inbreng van het MKB. Aanvragen worden afgewezen als onaannemelijk is dat ten minste 20 procent van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door MKB-ondernemers in het Point-One R&D samenwerkingsverband. In het Annual Plan zijn streefwaarden opgenomen voor toe te kennen subsidie aan ondernemingen die een jaarlijkse omzet hebben van minder dan € 500.000.000, waaronder MKB ondernemingen.

Het innovatieprogramma Point-One kent een zeer internationale oriëntatie. Omdat nano-elektronica en embedded systems wereldwijde markten zijn, is ook de kennis veelal over onze landsgrenzen te vinden. Om internationaal onze koppositie te behouden, op industrieel- en kennisgebied, is het daarom van groot belang om vanuit een sterk Nederlands ecosysteem R&D-projecten uit te voeren met buitenlandse partners. Binnen Point-One vindt de internationale R&D-samenwerking voornamelijk plaats met Europese partners.

In de internationale R&D projecten wordt niet alleen technologische excellentie nagestreefd, maar ook wordt aangestuurd op de versterking van het Point-One ecosysteem en de introductie van innovatieve MKBs in internationale netwerken. In het Annual Plan zijn voor internationale R&D-projecten streefwaarden opgenomen voor toe te kennen subsidie aan ondernemingen die een jaarlijkse omzet hebben van minder dan € 500.000.000, waaronder MKB ondernemingen.

Het doel is versterking van de kennisopbouw voor de middellange en lange termijn op het gebied van nano-elektronica, mechatronica en embedded systemen, als ook het bouwen aan een gestructureerd strategisch partnerschap tussen publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en ondernemers in het Point-One domein. Projecten zullen bijdragen aan de implementatie van de Point-One meerjarenroadmap, en in het bijzonder de ‘Emerging Technology Agenda’. Projecten bestaan uit fundamenteel en/of industrieel onderzoek waarvoor een promovendus of postdoc wordt aangesteld. Deze projecten resulteren in proefschriften, wetenschappelijke publicaties, conferentiepresentaties en kennisopbouw voor de middellange tot lange termijn. De nadruk ligt dus op kennisopbouw waarbij de projecten een hoog risicogehalte hebben; echter wel vanuit een industriële vraagstelling. De ondernemer of de ondernemers in het samenwerkingsverband draagt of dragen daarvoor met tenminste 75% bij aan de projectkosten.

De Subsidieregeling Polymeren-module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten maakt onderdeel uit van het Polymeren Innovatie Programma.

Het Polymeren Innovatie Programma is een van de onderdelen van het Businessplan Chemie, dat in 2006 verschenen is. De ambitie van het Polymeren Innovatie Programma is ‘een quantum leap te bereiken in de bijdrage van de Nederlandse Polymeren gemeenschap aan de kwaliteit van leven, duurzaamheid en economische groei’. Het Polymeren Innovatie Programma draagt hiermee bij aan de overall doelstellingen van het Businessplan Chemie:

Het Polymeren Innovatie Programma zal voor 20% bijdragen aan de verdubbeling van het BBP, dat wil zeggen een bijdrage aan het BBP van € 2,4 miljard en voor bijna 30% aan een reductie van het energieverbruik: 90 PJ.

Het Polymeren Innovatie Programma bestaat voor een groot deel uit precompetitieve research, uitgevoerd binnen het DPI. Daarnaast is een DPI-Value Center (DPI-VC) opgericht dat zich richt op het ondersteunen van voornamelijk MKB en starters door de samenwerking te bevorderen, bedrijven met elkaar en met onderzoeksorganisaties in contact te brengen, versterken business development op diverse onderdelen. Hierdoor ontstaat nieuwe business met een hoge toegevoegde waarde of wordt de bedrijvigheid uitgebreid. De time to market en time to profit van veelbelovende innovatieprojecten wordt bekort. De slaagkans van innovatieprojecten wordt verhoogd. Tevens kan het DPI-VC best practices voor succesvolle aanpak van innovatieprojecten met een hoog risico opstellen.

Om de doelstellingen van het Polymeren Innovatie Programma te ondersteunen is de Subsidieregeling Polymeren-module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten ingesteld. Deze subsidieregeling is gericht op innovatieve projecten in de polymerensector, het polymer value system. Het polymer value system bestaat uit een verscheidenheid aan spelers die op verschillende gebieden actief zijn. Binnen het systeem kunnen drie waardeketens onderscheiden worden:

Het werkgebied van het polymeren innovatie programma omvat alle bedrijven en kennisinstituten in zowel de polymeer als de producten en toepassingen waardeketen. Voor de apparaat/systeem waardeketen ligt de focus van het polymeren innovatie programma op de bedrijven met een strategische interesse in polymeer applicaties.

Als resultaat van een interactief proces geleid door de Federatie Nederlandse Rubber en Kunststofindustrie in samenwerking met het midden en kleinbedrijf en grote bedrijven is een lijst ontwikkeld met thema’s voor gezamenlijke ontwikkelingsdoelstellingen. Het Polymeren Innovatie Programma heeft deze thema’s overgenomen.

Deze thema’s zijn:

Een doelstelling van het hoofdstuk HighTech Topprojecten is om, naast de in het HTAS programma en bijlage 6.1 omschreven ontwikkeling van Hybrid Vehicles, ook de mogelijkheid te openen om een vergelijkbare ontwikkeling te kunnen ondersteunen voor een 100% elektrische auto of delen daarvan. De bredere HTAS doelstellingen omzetgroei, ecosysteemontwikkeling en human capital zijn ook op dit onderwerp van toepassing.

De onderzoeks- en detacheringsprojecten moeten passen binnen thema’s van maatschappelijk belang (maatschappelijke thema’s) die de Nederlandse kennispositie versterken. Er dient een bijdrage te worden geleverd aan de voor Nederland relevante maatschappelijke innovatiethema’s zoals die worden uitgevoerd in de 9 innovatieprogramma’s voor de sleutelgebieden, de 6 maatschappelijke innovatie agenda’s als onderdeel van Nederland Ondernemend Innovatieland, de 12 thema’s in de vraagprogrammering TNO-GTI’s of de 13 thema’s uit de NWO strategie.

Bedrijven, kennisinstellingen en overheid hebben op kansrijke gebieden innovatieprogramma’s ontwikkeld. Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op dergelijke programma’s, moeten ze passen binnen die programma’s zoals omschreven in de hieronder aangegeven bijlagen van de Subsidieregeling sterktes in innovatie (Staatscourant 2008, 18 dec 2008, nr. 2129):

Life Sciences & Health (bijlage 4.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Food & Nutrition Delta (bijlage 5.2 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Hightech Automotive Systems (bijlage 6.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Watertechnologie (bijlage 7.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Maritiem (bijlage 8.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Point One (bijlage 9.1 Subsidieregeling sterktes in innovatie)

Er zijn verder 3 innovatieprogramma’s met thema’s die niet gepubliceerd zijn als bijlage in bovengenoemde regeling. Het gaat om Chemie, Materialen en Logistiek en supply chains. Deze worden hierna beschreven.

Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op MIA’s, moeten ze passen binnen die MIA’s zoals omschreven in Kamerstukken TK 2007/08, 27046, nr. 120, bijlage (gezondheid, water en veiligheid) en Kamerstukken TK 2007/08, 31530, nr. 1, bijlage (energie), dan wel in onderstaande thema’s Duurzame agro- en visserijketens en Onderwijs (zie ook www.nederlandondernemendinnovatieland.nl).

Deze agenda richt zich op onderzoek en ontwikkeling van kennis en innovaties binnen de volgende zeven thema’s:

Deze agenda richt zich op het versterken van de innovatiekracht van het onderwijsveld en het creëren van de juiste randvoorwaarden. Thema’s die centraal staan, zijn o.a. het ondervangen van het leraren tekort d.m.v. innovatieve oplossingen en het bieden van ruimte voor experimenten.

Op aanbeveling van de Ad hoc commissie Wijffels heeft de overheid in 2004 gekozen voor het invoeren van vraagprogrammering en vraagfinanciering van het toepassingsgerichte onderzoek door TNO en de GTI’s (ECN, NLR, MARIN, Deltares en WUR/DLO). Kern van de vraagprogrammering is dat de maatschappelijke kennisvraag van overheid, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven centraal staat bij de onderzoeksprogrammering van de instituten. In 2005 heeft het kabinet (Voortgangsrapportage 2005 Implementatie Kabinetstandpunt Brugfunctie TNO en GTI’s, 11 november 2005, TK 29338, nr. 41) het proces van vraagprogrammering en de thema’s aangegeven. In de Voortgangsrapportage 2006 (11 december 2006, 29338, nr. 56, tabel 2) zijn de thema’s verder uitgewerkt. Het gaat om de volgende twaalf thema’s:

Indien onderzoeks- en detacheringsprojecten zich richten op NWO-strategiethema’s, moeten ze passen binnen de thema’s zoals omschreven in de door NWO vastgestelde strategie 2007–2010 (Wetenschap gewaardeerd, NWO-strategie 2007–2010, mei 2006). Het gaat om de volgende dertien thema’s:

Nederland heeft met een uitstekende infrastructuur voor informatie- en communicatietechnologie (hierna: ICT) en een sterke internationale oriëntatie een goede uitgangspositie voor de innovatieve ontwikkelingen op het gebied van diensteninnovatie en ICT.

Vanuit deze uitgangspositie worden de volgende doelstellingen nagestreefd:

Projectaanvraag heeft betrekking op hoofdstuk 7: InnoWATOR

Ondergetekende verklaart dat alle voor de aanvraag benodigde stukken zijn bijgevoegd en dat hij/zij bekend is met de voorwaarden en procedures van de Subsidieregeling sterktes in innovatie.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Hierbij verleent ondergetekende een machtiging aan [naam penvoerder] om het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Aldus naar waarheid ingevuld:

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.

Aanvragen dienen plaats te vinden per individueel project.

Door een duidelijke beantwoording van de vragen kan worden vermeden dat de behandeling van een aanvraag dient te worden opgeschort voor het vragen van nadere informatie.

U dient er rekening mee te houden dat de beslissingsprocedure doorgaans tussen acht en dertien weken zal vergen, te rekenen vanaf het moment dat de ontvangst van de volledig ingevulde en gedocumenteerde aanvraag wordt bevestigd. Een aanvraag wordt eerst geacht volledig te zijn ingediend na ontvangst door de minister van een volledig ingevuld aanvraagformulier inclusief de daarin genoemde bijlagen.

Als u vragen heeft, kunt u zich wenden tot:

EVD, agentschap van het ministerie van Economische Zaken, unit internationale financiering (070) 778 8085

Een scheepswerf is een bedrijf dat in Nederland zeeschepen ontwikkelt, ontwerpt, (ver)bouwt en uitrust.

U dient over een vaste bouwlocatie te beschikken om als scheepswerf in de zin van deze Regeling te kunnen worden aangemerkt.

Het aantal werknemers dat gedurende het afgelopen boekjaar voltijds arbeid heeft verricht binnen uw onderneming (verrichte arbeid in deeltijd en seizoensarbeid meetellen naar evenredigheid).

De SBI-code wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onder andere gebruikt om bedrijfseenheden te rubriceren naar hunhoofdactiviteit, de zogenaamde standaard bedrijfsindeling.

Een groep is een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

Subsidie wordt uitsluitend verleend voor de bouw van de volgende zichzelf voorstuwende schepen in de handelsvaart:

Voor verbouw wordt uitsluitend subsidie verleend indien het een zeeschip in de handelsvaart van 1000bt of meer betreft, en voor zover de uitgevoerde werken een ingrijpende wijziging van het laadplan, de romp, het voorstuwingsmechanisme of de passagiersverblijven met zich brengen.

Bij sleepboten dient het vermogen in kW te worden vermeld.

Ook (ver)bouwcontracten tussen verschillende rechtspersonen binnen een Groep kunnen voor subsidie in het kader van deze Regeling in aanmerking komen.

De afkorting cgt staat voor compensated gross tonnage en is een maat voor de complexiteit van een schip. Voor de meeste schepen volgt de cgt-waarde uit de volgende internationaal vastgestelde formule1 , met vaste factoren per scheepstype (zie onderstaande tabel).

cgt = A * gtB

hierbij staat:

Aanvullend op deze OESE-factoren zijn voor onderstaande scheepstypen specifieke cgt-factoren bepaald.

Jachten: A= 75 B= 0,65

Sleephopperzuigers A= 25 B= 0,73

Snijkopzuigers: A= 26 B= 0,75

Non Cargo Carrying Vessels A= 71 B= 0,61

Voorbeeld: een 'chemical tanker' (dus factor A=84 en factor B=0.55) van 3.950 gt geeft als uitkomst een cgt waarde van 7.987.

Geen subsidie wordt verstrekt indien ten tijde van de aanvraag al een contract is afgesloten. Dit geldt ook indien dit contract opschortende of ontbindende voorwaarden bevat.

Subsidie is uitsluitend beschikbaar voor het in Nederland (ver)bouwen van een schip. Dit betekent dat de scheepsnieuwbouwactiviteiten in principe in Nederland dienen plaats te vinden. Daarbij is echter wel oog voor het feit dat in sommige gevallen Nederlandse werven de (ver)bouw van delen van het schip, zoals het casco, in het buitenland uitbesteden.

Indien alle bouwfases in Nederland plaatsvinden is per definitie sprake van bouwen in Nederland.

Geef per bouwfase een omschrijving daarvan, de locatie waar deze fase wordt uitgevoerd (plaats, evt. land) en het percentage van de bouwkosten dat daarop betrekking heeft. In geval van uitbesteding van werk dient tevens de onderaannemer te worden vermeld.

Indien alle bouwfases buiten Nederland plaatsvinden is in ieder geval geen sprake van bouwen in Nederland. De aanvraag komt dan niet in aanmerking voor subsidie.

Indien niet alle bouwfases in Nederland plaatsvinden, dient u op een andere wijze aan te tonen dat het schip in Nederland zal worden gebouwd/verbouwd. De wijze waarop u dat doet staat u vrij. Een tweetal in ieder geval aanvaardbare onderbouwingsvarianten zijn onder 4.4 en 4.5 geïndiceerd.

Hierbij dient een kostenopbouw van de contractprijs bijgevoegd te worden op basis van de gekozen variant.

Bij deze onderbouwingsvariant dient de toerekening van kosten aan de categorieën Eigen produktie (I), Nederlandse toeleveringen (II) en Buitenlandse toeleveringen (III) plaats te vinden op basis van de vestigingsplaats van de toeleverancier die factureert en waaraan betaling verschuldigd is.

Bij deze onderbouwingsvariant dient de toerekening van kosten aan de categorieën Eigen produktie (I), Nederlandse toeleveringen (II) en Buitenlandse toeleveringen (III) plaats te vinden op basis van de mate waarin het toegeleverde product van Nederlandse origine is.

U dient de kerngegevens van het innovatieproject in het aanvraagformulier te vermelden. In een bijlage dient u deze zodanig uit te werken dat kan worden beoordeeld of sprake is van een technologische innovatie die in Europees perspectief als vernieuwend kan worden aangemerkt. Tevens dient te kunnen worden vastgesteld dat het innovatieproject het risico van technologische of industriële mislukking in zich draagt.

Het gaat hier om de namen van betrokken partijen, hun aandeel in het project en een omschrijving van de activiteit.

U dient hier te beschrijven wat de thans gangbare toepassingspraktijk is bij het te vernieuwen product of proces.

Waarom is de door u beoogde innovatieve stap in Europees perspectief als vernieuwend aan te merken?

Subsidiabel zijn drie verschillende type innovatieprojecten (A, B of C).

Per type innovatieproject zijn diverse in het model kostenverantwoording aangegeven activiteiten, subsidiabel.

Per subsidiabele activiteit dient u de gemaakte en betaalde kosten naar de onderscheiden categorieën uit te splitsen. Het kan daarbij zowel gaan om de kosten van de werf (manuren) als om de kosten voor de levering van goederen en diensten door derden (voor zover deze rechtstreeks en uitsluitend verband houden met het innovatieproject).

U dient de begrote kosten voor de levering van goederen en diensten door derden onder de posten materiaal; uitbesteed werk; externe dienstverlening; gebruiksklare toeleveringen en overig, naar afzonderlijke kostenposten uit te splitsen in een bijlage. Posten kleiner dan EUR 25.000 hoeven niet nader gespecificeerd te worden en kunnen per kostensoort in een verzamelpost worden opgenomen.

Kosten zijn slechts subsidiabel voor zover deze plaatsvinden na de datum waarop de subsidie is aangevraagd (eventueel uitgezonderd de kosten voor haalbaarheidsonderzoeken die binnen twaalf maanden voor de aanvraag zijn uitgevoerd).

De subsidie bedraagt maximaal 20 procent van de voor subsidie in aanmerking komende kosten.

Het gaat hierbij onder meer om de in artikel 10e.7 van de Subsidieregeling sterktes in innovatie genoemde aspecten, en een eventuele aanvraag voor faillissement c.q. surséance van betaling voor de aanvrager en eventuele andere vormen van aan het project verstrekte staatssteun.

U dient er rekening mee te houden dat de beslistermijn op uw verzoek tot vaststelling van de subsidie 13 weken kan vergen, te rekenen vanaf ontvangst door de minister van een volledig ingevuld vaststellingsformulier inclusief de daarin genoemde bijlagen.

Door een duidelijke beantwoording van de vragen kan worden vermeden dat de behandeling van een aanvraag dient te worden opgeschort voor het vragen van nadere informatie.

Als u vragen heeft, kunt u zich wenden tot:

EVD, agentschap van het ministerie van Economische Zaken, unit internationale financiering (070) 778 8085

Bij sleepboten dient het vermogen in kW te worden vermeld.

De afkorting cgt staat voor compensated gross tonnage en is een maat voor de complexiteit van een schip. Voor de meeste schepen volgt de cgt-waarde uit de volgende internationaal vastgestelde formule2 , met vaste factoren per scheepstype (zie tabel).

cgt = A * gtB

hierbij staat:

Aanvullend op deze OESE-factoren zijn voor onderstaande scheepstypen specifieke cgt-factoren bepaald:

Jachten: A= 75 B= 0,65

Sleephopperzuigers A= 25 B= 0,73

Snijkopzuigers: A= 26 B= 0,75

Non Cargo Carrying Vessels A= 71 B= 0,61

Voorbeeld: een 'chemical tanker' (dus factor A=84 en factor B=0.55) van 3.950 gt geeft als uitkomst een cgt waarde van 7.987.

Subsidie wordt alleen verleend als sprake is van een in Nederland gebouwd of verbouwd schip. Ook indien de bouw van delen van het schip, zoals het casco, in het buitenland heeft plaatsgevonden, kan in de zin van de regeling sprake zijn van (ver)bouwen in Nederland.

Geef per bouwfase een omschrijving daarvan, de locatie waar deze fase is uitgevoerd (plaats, eventueel land) en het percentage van de bouwkosten dat daarop betrekking heeft. In geval van uitbesteding van werk dient tevens de onderaannemer te worden vermeld.

Indien alle bouwfases buiten Nederland plaatsvinden is in ieder geval geen sprake van bouwen in Nederland. De aanvraag komt dan niet in aanmerking voor subsidie.

Indien niet alle bouwfases in Nederland plaatsvinden, dient u op een andere wijze aan te tonen dat het schip in Nederland is gebouwd/verbouwd. De wijze waarop u dat doet staat u vrij. Een tweetal in ieder geval aanvaardbare onderbouwingsvarianten zijn onder 5.4 en 5.5 geïndiceerd.

Hierbij dient een kostenopbouw van de contractprijs bijgevoegd te worden op basis van de gekozen variant.

Bij deze onderbouwingsvariant dient de toerekening van kosten aan de categorieën Eigen productie (I), Nederlandse toeleveringen (II) en Buitenlandse toeleveringen (III) plaats te vinden op basis van de vestigingsplaats van de toeleverancier die factureert en waaraan betaling verschuldigd is.

Bij deze onderbouwingsvariant dient de toerekening van kosten aan de categorieën Eigen productie (I), Nederlandse toeleveringen (II) en Buitenlandse toeleveringen (III) plaats te vinden op basis van de mate waarin het toegeleverde product van Nederlandse origine is.

U dient in het kort verslag uit te brengen over het al dan niet bereikt hebben van de doelstelling(en) van het innovatieproject.

U dient de resultaten van het innovatieproject zowel vanuit innovatief (6.2) als budgettair (6.3) perspectief te relateren aan de geplande uitkomsten van het project.

De subsidie is beperkt tot de kosten voor investeringen, ontwerp, technische en testactiviteiten (inclusief de kosten voor de levering van goederen en diensten door derden), die rechtstreeks en uitsluitend voortvloeien uit het innovatieproject en die hebben plaatsgevonden na de datum waarop de subsidie is aangevraagd (eventueel uitgezonderd de kosten voor haalbaarheidsonderzoeken die binnen twaalf maanden voor de aanvraag zijn uitgevoerd.

U dient de verantwoorde kosten onder materiaal; uitbesteed werk; externe dienstverlening; gebruiksklare toeleveringen; alsmede onder de post overige uit te splitsen in een bijlage.

De subsidie bedraagt maximaal 20 procent van de in aanmerking komende kosten.

Voor zover voor dit innovatieproject ook andere staatsteun is toegekend, wordt deze in mindering gebracht op de steun die onder deze regeling ten hoogste kan worden verstrekt. U dient opgave te doen van eventuele bedragen waarvoor staatsteun is verkregen dan wel aangevraagd door uw onderneming en uw toeleveranciers.

Het gaat hierbij onder meer om de in artikel 10e.7 van de Subsidieregeling sterktes in innovatie genoemde aspecten. Ook dient u melding te maken van zowel het in faillissement c.q. surseance van betaling geraken van uw onderneming, als van wijzigingen in het projectplan, vertragingen in de bouw en wijziging of beëindiging van het contract tussen uw onderneming en opdrachtgever.

Het verzoek tot vaststelling van deze subsidie dient door een daartoe bevoegde bestuurder van de onderneming te worden ondertekend. De gevraagde verklaring houdt o.m. in dat eventuele afwijkingen van het projectplan aan de minister van Economische Zaken zijn gemeld, conform artikel 37, eerste lid van het kaderbesluit EZ-subsidies.

Als bijlage bij dit formulier is een controleprotocol te vinden op www.evd.nl/siz waarin aan de accountant, die is belast met de controle op deze aanvraag tot subsidievaststelling, aanwijzingen worden gegeven met betrekking tot de reikwijdte en de intensiteit van de te verrichten controle. In het protocol wordt ook het object van de controle nader aangegeven. Hierdoor wordt overigens niet beoogd een aanpak van de controle voor te schrijven: de onderzoeksaanpak is de verantwoordelijkheid van de accountant.

De controle kan worden uitgevoerd door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De gevraagde verklaring kan ook worden verstrekt door een niet als openbaar accountant optredend intern accountant, mits deze volstaat aan de bepalingen welke gesteld zijn in deel B2 van de Verordening Gedragscode van het Koninklijk NIVRA.