U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 16-07-2011.

Regeling · BWBR0025036

Mediabesluit 2008

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 29 december 2008 houdende vaststelling van een nieuw Mediabesluit (Mediabesluit 2008)Mediabesluit 2008Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 18 november 2008, nr. WJZ/75071 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.23, tweede lid, 2.35, tweede lid, 2.70, onderdeel b, 2.71, vierde lid, 2.89, tweede lid, 2.93, 2.95, eerste lid, onderdeel a, 2.123, 2.136, eerste lid, 3.25, 5.1, eerste lid, 5.2, 6.24, tweede en derde lid, 6.27 en 8.20 van de Mediawet 2008;

De Raad van State gehoord (advies van 10 december 2008, nr. 08.003330);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 17 december 2008, nr. WJZ/88447 (8238), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage29 december 2008BeatrixDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R. H. A.Plasterkde dertigste december 2008De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballin

In dit besluit wordt verstaan onder:

De NOS verzorgt in ieder geval het volgende media-aanbod:

De NPS verzorgt in ieder geval het volgende media-aanbod:

In deze paragraaf worden onder evaluatie en evaluatiecommissie verstaan de evaluatie onderscheidenlijk de evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, van de wet.

Het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, in het programma-aanbod van de publieke mediadiensten bedraagt per programmakanaal niet meer dan tien procent van de totale duur van het programma-aanbod op het programmakanaal per jaar.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de financiën die betrekking hebben op de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadiensten.

In deze paragraaf wordt onder «vermijdbare uitingen» verstaan vermijdbare uitingen anders dan reclame- of telewinkelboodschappen die onmiskenbaar tot gevolg hebben dat de afname van producten of diensten wordt bevorderd.

Uitingen anders dan reclame- of telewinkelboodschappen zijn onvermijdbaar, als het uitingen betreft die behoren tot het normale straatbeeld en die zonder opzet en zonder nadruk gedurende enkele seconden in het media-aanbod voorkomen.

In media-aanbod zijn vermijdbare uitingen in de vorm van het tonen of vermelden van de naam van een bedrijf of instelling toegestaan, mits:

Bij regeling van het Commissariaat kan worden bepaald dat in andere gevallen dan die bedoeld in de artikelen 9 tot en met 14 vermijdbare uitingen in het media-aanbod zijn toegestaan, voor zover het betreft uitingen in het kader van:

De in de eerste volzin bedoelde regeling wordt door Onze Minister goedgekeurd.

Het percentage, bedoeld in artikel 2.116, eerste lid, van de wet is 16,5.

Inkomsten uit programmabladen van een omroepvereniging kunnen jaarlijks tot ten hoogste het bedrag dat nodig is om een eventueel verlies van de desbetreffende omroepvereniging te dekken, worden besteed aan verenigingsactiviteiten. Bij de bepaling van het resultaat blijven veranderingen in de waarde van materiële vaste activa als gevolg van herwaarderingen buiten beschouwing. De gebruikelijke jaarlijkse afschrijvingen van de materiële vaste activa worden niet als herwaarderingen aangemerkt.

Omroepverenigingen die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.24 van de wet hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten tot een bedrag van € 750.000 reserveren voor verenigingsactiviteiten.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Het Commissariaat kan zonodig de omroepzender of omroepzenders aanwijzen die voor de omroepdienst bedoeld in artikel 23, wordt gebruikt.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

De eerste benoeming van de leden van de raad van toezicht van de NOS op grond van artikel 2.34c van de wet, zoals dat artikel luidt met ingang van het tijdstip waarop artikel Ia van de wet van 2 juli 2009 tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de erkenning en de financiering van de publieke omroep in werking is getreden, geschiedt niet op voordracht van de raad van toezicht van de NOS.

Het Mediabesluit wordt ingetrokken.

Dit besluit wordt aangehaald als: Mediabesluit 2008.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en de verschillende artikelen of onderdelen daarvan kunnen terugwerken tot en met een bij het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.