Ministeriële regeling · BWBR0025040
Mediaregeling 2008
Gelet op de artikelen 2.20, derde lid, 2.30, vierde lid, 2.44, tweede lid, 2.69, 2.157, eerste lid, 2.165, 2.187, tweede lid, 3.1, derde lid, 3.30, tweede lid, 6.5, tweede lid, 8.8, eerste lid, en artikel 9.6 van de Mediawet 2008 en de artikelen 6 en 29 van het Mediabesluit 2008;
Besluit:
Deze regeling zal met de bijlage en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H.A.PlasterkIn deze regeling wordt verstaan onder:
groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Stimuleringsfonds: Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1 van de wet;
wet:Mediawet 2008.
De Stichting dient het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 2.20 van de wet, telkens in voor 1 maart van het kalenderjaar waarin de concessieperioden, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, van de wet, eindigen.
Omroepverenigingen dienen de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.30 van de wet, in de maand juni van het kalenderjaar voorafgaand aan een nieuwe erkenningperiode in bij het Commissariaat. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag voor erkenning van een educatieve media-instelling als bedoeld in artikel 2.28 van de wet.
De minister beslist uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bevat voor zover beschikbaar de opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepvereniging.
Een aanvraag gaat vergezeld van vier kopieën.
Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag dienen de aanvraag voor een aanwijzing, bedoeld in artikel 2.43 van de wet, in de maand september van het kalenderjaar voorafgaand aan een concessieperiode, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, van de wet in.
Het Commissariaat beslist uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
De aanvraag voor een aanwijzing, bedoeld in artikel 2.65 van de wet, gaat vergezeld van:
- a.
een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten;
- b.
een overzicht van de belangrijkste in de gemeente respectievelijk provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde orgaan;
- c.
een overzicht van de leden van het orgaan, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en
- d.
een aanduiding van het gebied waarbinnen het media-aanbod zal worden verspreid.
Het Commissariaat legt een aanvraag voor een aanwijzing van een regionale publieke media-instelling respectievelijk een lokale publieke media-instelling binnen vier weken na ontvangst daarvan ter advisering voor aan de desbetreffende provinciale staten respectievelijk gemeenteraad.
Provinciale staten brengen respectievelijk de gemeenteraad brengt binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag advies uit aan het Commissariaat.
Provinciale staten verklaren in het advies of zij bereid zijn om voor de bekostiging van de regionale publieke media-instelling in te staan.
Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies, bedoeld in het tweede lid, op de aanvraag en bepaalt daarbij de ingangsdatum van de aanwijzing.
Als een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling voor een aansluitende periode van vijf jaar aangewezen wil worden, dient zij uiterlijk zes maanden voor het einde van de lopende aanwijzingsperiode de aanvraag voor een nieuwe aanwijzing in.
Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen afwijken van artikel 6.
Een besluit tot intrekking van de aanwijzing op grond van artikel 2.67, eerste lid, en 2.68. eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, gaat onmiddellijk in.
Lokale en regionale publieke media-instellingen die reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, voeren een behoorlijke boekhouding.
De boekhouding bevat ten minste gegevens over de kosten en opbrengsten, verdeeld naar:
- a.
de kosten en opbrengsten van de exploitatie van reclame- en telewinkelboodschappen;
- b.
de kosten en opbrengsten van ander media-aanbod; en
- c.
de kosten en opbrengsten van alle andere activiteiten.
Lokale en regionale media-instellingen die reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, zenden jaarlijks vóór 1 juni de jaarrekening aan het Commissariaat.
De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant-administratieconsulent of een registeraccountant omtrent de getrouwheid ervan.
Het Commissariaat kan voor bepaalde categorieën lokale en regionale media-instellingen vrijstelling verlenen van het tweede lid.
De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten in twaalf maandelijkse termijnen. De raad van bestuur kan hiervan afwijken.
De raad van bestuur bepaalt de hoogte van de voorschotten mede op basis van de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, en zonodig een liquiditeitsprognose van de desbetreffende instelling.
Indien de raad van bestuur hierom verzoekt, zenden de landelijke publieke media-instellingen voor 1 november van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar een liquiditeitsprognose ter kennisneming aan de raad van bestuur.
Het totaal aan voorschotten in enig jaar is niet hoger dan het voor dat jaar vastgestelde totale budget.
De regels over het verstrekken van voorschotten in artikel 12 zijn van overeenkomstige toepassing op de Wereldomroep, met dien verstande dat de bevoegdheden aan het Commissariaat toekomen en de hoogte van de voorschotten mede wordt bepaald op basis van de begroting, bedoeld in artikel 2.160 van de wet.
De stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties, genoemd in artikel 2.125 van de wet, dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in.
De evaluatiecommissies brengen telkens voor 1 mei van het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de concessieperioden, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wet, eindigen, rapport als bedoeld in artikel 2.187, tweede lid, van de wet, uit.
De aanvraag voor toestemming, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet, gaat vergezeld van:
- a.
een exemplaar van de statuten van de aanvrager;
- b.
een opgave van de feitelijke vestigingsplaats als deze afwijkt van de statutaire zetel;
- c.
een aanduiding of de aanvraag voor toestemming betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep; en
- d.
een overzicht van de organisatorische en juridische structuur van de aanvrager en een overzicht van zijn bestuurders en aandeelhouders.
Een commerciële media-instelling die een toestemming, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet, heeft verkregen, dient de aanvraag voor een toestemming voor een aansluitende periode uiterlijk vijf maanden voor het einde van de lopende toestemmingsperiode in.
Een commerciële media-instelling is voor elke verkregen toestemming, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet, en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag, bedoeld in artikel 3.29a van de wet, jaarlijks aan het Commissariaat toezichtskosten verschuldigd berekend volgens de bij deze regeling gevoegde bijlage.
De aanvraag voor aanwijzing van uren ten behoeve van overheidsvoorlichting, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van de wet, wordt ingediend in de maand september.
Het Commissariaat beslist uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
Het Commissariaat dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in.
Het percentage, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onderdeel a, van de wet, bedraagt nul. In afwijking van de eerste volzin wordt in het jaar 2009 ten hoogste vier procent van de inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in 2008 uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers.
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.11, 8.12, 8.14 respectievelijk 8.13 van de wet, wordt ingediend door de uitgever van een persorgaan respectievelijk de uitgevers van de betrokken persorganen gezamenlijk en bevat in ieder geval:
- a.
gegevens over de financiële positie van het persorgaan respectievelijk de persorganen;
- b.
een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen;
- c.
als een betrokken uitgever deel uit maakt van een groep, een omschrijving van de structuur van de groep en een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen tussen de uitgever en de andere vennootschappen van de groep;
- d.
gegevens over oplage en verspreiding; en
- e.
een activiteitenplan als bedoeld in artikel 8.11, tweede lid, 8.12, tweede lid, dan wel 8.13, tweede lid, van de wet en voor wat betreft een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.14 van de wet, een voorstel voor opzet en uitvoering van het beoogde organisatieonderzoek.
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.15 van de wet wordt ingediend door de voor het onderzoek verantwoordelijke natuurlijke persoon of personen, of de voor het onderzoek verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen en bevat in ieder geval:
- a.
als bij de aanvraag een of meerdere persorganen zijn betrokken, de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d; en
- b.
een voorstel voor opzet en uitvoering van het beoogde onderzoek en een voorstel voor de wijze van bekendmaking van de resultaten.
Het Stimuleringsfonds bevestigt de ontvangst van een aanvraag.
Als bij de aanvraag gegevens als bedoeld in artikel 20 niet kunnen worden ingediend, blijkt uit de aanvraag waarom.
Het Stimuleringsfonds beslist binnen dertien weken na ontvangst op een aanvraag.
Aanvragen worden op volgorde van ontvangst behandeld, tenzij het Stimuleringsfonds een andere wijze van vaststellen heeft vastgesteld. Als het voor een jaar beschikbare bedrag voor subsidies volledig is verleend, worden volgende aanvragen afgewezen.
Een besluit tot vaststelling van een andere wijze van behandeling wordt door het Stimuleringsfonds in de Staatscourant en op zijn website bekend gemaakt.
Het Stimuleringsfonds kan aan de subsidie verplichtingen verbinden met betrekking tot:
- a.
de besteding van de subsidie overeenkomstig de daaraan ten grondslag liggende doelstellingen;
- b.
de wijze waarop en de termijn waarbinnen de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd;
- c.
verslaglegging over de activiteiten en de financiële verantwoording daarvan; en
- d.
wijzigingen in de financiële structuur van de aanvrager.
Het Stimuleringsfonds kan voorschotten verstrekken tot ten hoogste vijftig procent van het verleende subsidiebedrag.
Het Stimuleringsfonds kan een subsidieverlening intrekken en verstrekte voorschotten terugvorderen als binnen een jaar na de subsidieverlening een surseance van betaling of een faillissement van de aanvrager is uitgesproken.
Het Stimuleringsfonds dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, dienen de omroepverenigingen en de educatieve media-instelling, bedoeld in artikel 2.28 van de wet, de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.30 van de wet, voor de erkenningperiode die begint op 1 september 2010, in het tijdvak 27 juli tot en met 31 juli 2009 in bij het Commissariaat.
De Regeling toezichtskosten commerciële omroep wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
Deze regeling wordt aangehaald als: Mediaregeling 2008.
Een commerciële media-instelling is per toestemming voor het verzorgen van een televisieomroepdienst jaarlijks aan het Commissariaat een bijdrage in de toezichtskosten verschuldigd volgens de onderstaande tabellen in euro’s:
Tariefgroep | A | B | C | D | E | F | |
Aantal huishoudens* | <25.000 | 25.000–50.000 | 50.000–100.000 | 100.000–500.000 | >500.000 | ||
Marktaandeel** | <0,3% | <0,3% | <0,3% | <0,3% | <0,3% | >=0,3% | |
Uitzenduren*** | <12 uur | 400 | 800 | 1600 | 3200 | 6400 | 12.800 |
>=12 uur | 800 | 1600 | 3200 | 6400 | 12.800 | 25.600 |
* Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘aantal huishoudens’ verstaan: het aantal huishoudens dat een televisieomroepdienst technisch in Nederland kan ontvangen.
** Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘marktaandeel’ verstaan: het percentage kijkers naar de televisieomroepdienst, gepercenteerd op het totale kijkerspubliek binnen de doelgroep.
*** Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘uitzenduren’ verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.
Tariefgroep | A | B | |
Marktaandeel* | <0,3% | >=0,3% | |
Uitzenduren** | < 12 uur | 4200 | 8400 |
>= 12 uur | 8400 | 8400 |
* Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘marktaandeel’ verstaan: het percentage kijkers naar de televisieomroepdienst, gepercenteerd op het totale kijkerspubliek binnen de doelgroep. Als een televisieomroepdienst zich op meerdere landen richt, is het hoogste marktaandeel in één land van toepassing.
** Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘uitzenduren’ verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.
Een commerciële media-instelling is per toestemming voor het verzorgen van een radio-omroepdienst jaarlijks aan het Commissariaat een bijdrage in de toezichtskosten verschuldigd volgens de onderstaande tabellen in euro’s:
Tariefgroep | A | B | C | D | E | F | |
Aantal huishoudens* | <25.000 | 25.000–50.000 | 50.000–100.000 | 100.000–500.000 | 500.000–3.000.000 | >3.000.000 | |
Uitzenduren** | <12 uur | 200 | 400 | 800 | 1600 | 3200 | 6400 |
>=12 uur | 400 | 800 | 1600 | 3200 | 6400 | 12.800 |
* Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘aantal huishoudens’ verstaan: het aantal huishoudens dat een radio-omroepdienst technisch in Nederland kan ontvangen.
** Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘uitzenduren’ verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.
Tabel 4. Toezichtskosten radio-omroepdiensten die zich uitsluitend of in overwegende mate op het buitenland richten
Uitzenduren* | < 12 uur | 2100 |
>= 12 uur | 4200 |
* Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘uitzenduren’ verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.
Een commerciële media-instelling is per toestemming voor het verzorgen van een televisieomroepdienst die bestaat uit het veelvuldig en aaneensluitend herhalen van programma-aanbod dat uitsluitend of vrijwel uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden jaarlijks aan het Commissariaat een bijdrage in de toezichtskosten verschuldigd volgens de onderstaande tabellen in euro’s:
Tariefgroep | A | B | C | D | E | F | |
Aantal huishoudens* | <25.000 | 25.000–50.000 | 50.000–100.000 | 100.000–500.000 | 500.000–3.000.000 | >3.000.000 | |
Uitzenduren** | <12 uur | 200 | 200 | 400 | 800 | 1600 | 3200 |
>=12 uur | 200 | 400 | 800 | 1600 | 3200 | 6400 |
* Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘aantal huishoudens’ verstaan: het aantal huishoudens dat een radio-omroepdienst technisch in Nederland kan ontvangen.
** Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘uitzenduren’ verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.
Uitzenduren* | < 12 uur | 2100 |
>= 12 uur | 4200 |
* Voor de toepassing van de tabel wordt onder ‘uitzenduren’ verstaan: de gemiddelde duur van het verzorgde programma-aanbod per dag in het desbetreffende kalenderjaar.
Een commerciële media-instelling die toestemmingen heeft voor het verzorgen van meerdere televisieomroepdiensten of meerdere radio-omroepdiensten waarbij:
- a.
deze televisieomroepdiensten respectievelijk deze radio-omroepdiensten wat betreft inhoud nagenoeg identiek zijn; en
- b.
deze televisieomroepdiensten respectievelijk deze radio-omroepdiensten onder dezelfde naam worden verspreid,
is voor deze televisieomroepdiensten respectievelijk deze radio-omroepdiensten tezamen niet meer verschuldigd dan éénmaal het desbetreffende hoogste bedrag uit de toepasselijke tabel.
Als een toestemming voor het verzorgen van een commeriële omroepdienst in de loop van een kalenderjaar is verleend, vervallen of ingetrokken, worden de bedragen in de tabellen van de artikelen 1 tot en 3 naar evenredigheid van de overgebleven maanden in het kalenderjaar vastgesteld, met een minimum van 200 euro voor radio-omroepdiensten en voor televisieomroepdiensten als bedoeld in tabel 5 van artikel 3 en een minimum van 400 euro voor overige televisie-omroepdiensten.
- 1.
In afwijking van de artikelen 1 tot en met 5 is een commerciële media-instelling per toestemming voor het verzorgen van een omroepdienst die uitsluitend via het open internet wordt verspreid jaarlijks aan het Commissariaat een bedrag van 200 euro verschuldigd.
- 2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder verspreiding via het open internet verstaan: technische verspreiding via het internetprotocol op zodanige wijze dat het publiek zonder extra betalingen ten behoeve van de verzorger van de omroepdienst of de aanschaf of gebruik van specifieke apparatuur de omroepdienst kan ontvangen.
Een commerciële media-instelling is per mediadienst op aanvraag jaarlijks aan het Commissariaat een bedrag van 200 euro voor toezichtskosten verschuldigd.
De in deze bijlage genoemde bedragen worden jaarlijks bijgesteld met de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.