Beleidsregel · BWBR0025780

Aanwijzing Wet wegvervoer goederen

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing Wet wegvervoer goederenAanwijzing Wet wegvervoer goederen

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet wegvervoer goederen (WWG) en de Regeling Voertuigen (RV) vervangt deze aanwijzing de Aanwijzing belading van voertuigen en de Handleiding beoordeling processen-verbaal ter zake van belading van voertuigen. De Wet en het Besluit goederenvervoer over de weg en het Voertuigreglement zijn per 1 mei 2009 komen te vervallen. Hoewel deze aanwijzing zich richt op de hele WWG, wordt in het bijzonder ingegaan op het handhavingsbeleid van de beladingsvoorschriften voor het beroepsvervoer en eigen vervoer.

Ter handhaving van de beladingsvoorschriften, voert zowel de politie als de Inspectie Verkeer en Waterstaat controles uit op beladen voertuigen en samenstellen van voertuigen door het verrichten van metingen (door middel van wiellastmeters) en/of wegingen (door middel van weegbruggen). De door deze artikelen beschermde belangen zijn niet alleen het tegengaan van oneerlijke concurrentie, maar ook de beperking van schade aan de weg (rijsporen) en de handhaving van de verkeersveiligheid (remvertraging).

Sinds 1 mei 2009 is niet alleen de vervoerder strafrechtelijk aansprakelijk voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, maar ook degene die beroepsvervoer doet verrichten in strijd met de beladingsvoorschriften. In artikel 2.6 lid 2 WWG lijkt het ‘doen verrichten van overbelading’ dezelfde betekenis te hebben als het doen plegen van overbelading ex artikel 47 Sr, waarbij de feitelijke uitvoerder straffeloos is. Uit jurisprudentie en literatuur blijkt echter dat als de delictsomschrijving de terminologie ‘doen ......’ bevat, niet wordt gedoeld op de deelnemingsvorm ‘doen plegen’.1 Dit betekent dat zowel de vervoerder als degene die beroepsvervoer doet verrichten naast elkaar strafrechtelijk kan worden aangesproken.

Vervolging ter zake van doen plegen, uitlokken of medeplegen van overbelading blijft mogelijk, maar bewijstechnisch is het eenvoudiger om te transigeren/vervolgen op basis van artikel 2.6 lid 2 WWG omdat dat artikel geen opzet vereist. De deelnemingsvorm ‘doen plegen’ ex artikel 47 Sr vereist wel een opzet op het doen plegen, dat gericht is op het handelen van de feitelijke uitvoerder. Er moet dus sprake zijn van zogenaamd kleurloos opzet. Daarnaast is de feitelijke uitvoerder niet strafbaar. Het ‘doen verrichten van beroepsvervoer in strijd met de beladingsvoorschriften’ is dus eenvoudiger te bewijzen dan de deelnemingsvorm ‘doen plegen’, omdat niet bewezen hoeft te worden dat het opzet is gericht op de gedraging van de feitelijke uitvoerder.

In deze aanwijzing staat het opsporings- en vervolgingsbeleid beschreven ten aanzien van overtredingen van de WWG. De aanwijzing gaat in het bijzonder in op artikel 2.6 WWG, de beladingsvoorschriften en de APK-plicht. Er wordt aangegeven onder welke omstandigheden er proces-verbaal moet worden opgemaakt in het geval van overbelading c.q. onjuiste belading. Ook wordt de weeg- en meetprocedure beschreven die moet worden gevolgd om tot betrouwbare weeg- en meetresultaten te komen. In voorkomend geval kan een maatregel van overladen of een vervanging van het trekkende voertuig worden bevolen (afkoppeling). Incidenteel dient een samenstel van voertuigen te worden afgekoppeld. De maatregelen komen in deze aanwijzing aan de orde.

In de Regeling Voertuigen wordt consequent onderscheid gemaakt tussen massa en last. Voor het vaststellen van de massa (zwaartekracht; uitgedrukt in kg.) wordt gebruik gemaakt van een weegbrug. Om elke beïnvloeding van de weging uit te sluiten, is het niet toegestaan dat een voertuig anders dan in zijn geheel en in één keer wordt gewogen. Dit impliceert dat een weegbrug niet mag worden gebruikt om aslasten vast te stellen (in specifieke situaties – zie bijlage 1 – zijn deelwegingen toegestaan).

Het vaststellen van de last onder een as vindt plaats door het meten van de druk onder de aan een as bevestigde wielen met wiellastmeters. Dit betreft een krachtmeting en mag om deze reden metrologisch niet worden gelijkgesteld met het bepalen van een massa. Het optellen van de gemeten aslasten van een voertuig of een samenstel van voertuigen kan daarom nooit leiden tot het bepalen van de maximum toegestane massa. Wel kan door het optellen van de gemeten aslasten de som van de aslasten van een voertuig of samenstel van voertuigen worden vastgesteld. De som van de aslasten mag krachtens het bepaalde in de artikelen 5.18.17 a t/m g van de Regeling Voertuigen de maximale toegestane massa van een voertuig of samenstel niet overschrijden.

Samenvattend: het onderscheid tussen massa en last brengt met zich mee dat aslasten niet op een weegbrug mogen worden vastgesteld en dat met een wiellastmeter geen massa mag worden vastgesteld. De twee grootheden, druk en massa, mogen bij een meting c.q. weging niet door elkaar heen worden gebruikt.

Bij de vaststelling van wiellasten, aslasten, som van de aslasten of massa’s van de onderscheiden voertuigen of samenstel van voertuigen wordt gebruik gemaakt van (particuliere/mobiele) weegbruggen dan wel losse of gekoppelde wiellastmeters. Zowel de politie als de Inspectie Verkeer en Waterstaat verricht bij controles langs de weg nagenoeg alle wegingen/metingen met behulp van wiellastmeters. Bij sommige systemen worden de verkregen resultaten op een weegbon geprint; dit is een brutoresultaat. Het nettoresultaat, te weten het brutoresultaat verminderd met de voor de wiellastmeter geldende maximale meetfout, wordt in het proces-verbaal opgenomen.

In de artikelen 5.18.17a tot en met 5.18.17g van de Regeling Voertuigen wordt onder andere gesproken over de begrippen toegestane maximum last en massa. Deze waarden zijn opgenomen in het voor een bedrijfsauto en aanhangwagen afgegeven kentekenbewijs. Daarnaast zijn deze waarden vanuit het kentekenregister op te vragen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). De RDW is de autoriteit belast met de toelating van voertuigen tot de weg (typegoedkeuring) en de vaststelling van de toegestane lasten en massa’s.

De WWG verbiedt het om de beladingsvoorschriften te overtreden met een vrachtauto. Een vrachtauto wordt gedefinieerd als een motorrijtuig, motorrijtuig met aanhangwagen of samenstel van motorrijtuig en oplegger, ingericht voor het vervoer van goederen. Voor de volgende voertuigen geldt:

Met het toezicht op de naleving van de marktverordening van het wegvervoer en de WWG zijn de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren en ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat belast.2 De Inspectie Verkeer en Waterstaat kan op basis van artikel 5.2 WWG namens de minister van Verkeer en Waterstaat bestuursdwang toepassen.

Met de opsporing van strafbare feiten zijn de bij of krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, douaneambtenaren en bijzondere opsporingsambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat belast. Voor het uitoefenen van de opsporingsbevoegdheden uit de WED is niet vereist dat er een concrete verdenking bestaat (in de zin van artikel 27 Sv) dat er WWG-voorschriften zijn overtreden.3 Voor wat betreft de handhaving van de beladingsvoorschriften geldt dat de wetenschap dat de beladingsvoorschriften regelmatig worden overtreden,voldoende is voor het toepassen van de opsporingsbevoegdheden uit Titel III van de WED.4

Na constatering van overtreding van artikel 2.3 lid 1 en 3 en artikel 2.5 WWG, kunnen de handhavende instanties het transport ophouden op grond van artikel 5.4 WWG. Daartoe kan een mechanisch hulpmiddel aan de vrachtauto waarmee de overtreding is gepleegd worden aangebracht om te verhinderen dat de vrachtauto wordt weggereden. Nadat de overtreding is opgehouden, of nadat achtenveertig uren zijn verstreken nadat het hulpmiddel is aangebracht en de overtreder de kosten van het aanbrengen voldaan heeft, wordt het mechanisch hulpmiddel verwijderd. De opsporingsambtenaar maakt proces-verbaal op van het aanbrengen van het mechanisch hulpmiddel en zendt dit binnen 24 uur na het aanbrengen aan de officier van justitie bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het aanbrengen van het mechanisch hulpmiddel is gebeurd. Een afschrift van het proces-verbaal wordt gelijktijdig uitgereikt of toegezonden aan de bestuurder.

Een deel van de opsporing van overbelading of onjuiste belading vindt plaats in het kader van WIM.NL (Weigh in motion). Dat is een project van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en het OM en richt zich op de overbelading die in de Wet op de economische delicten is strafbaar gesteld.

Rijkswaterstaat heeft op diverse locaties in het hoofwegennet weeglussen (sensoren) in het wegdek aangebracht om te zwaar beladen vrachtauto’s rijdend te signaleren. Daarbij registreert een camera de kentekens van de vrachtwagens. De meetresultaten en kentekens van de gesignaleerde vrachtwagens worden opgenomen in een database. Op basis van de gegevens in die database voert de IVW bedrijfsinspecties uit bij transportondernemingen. Anderzijds kan de registratie met een weeglus aanleiding zijn voor het KLPD om vrachtwagens staande te houden en deze te wegen op de weegbrug of de aslasten te meten met wiellastmeters. De weeglussen fungeren alleen als voorselectiemiddel omdat daarmee de precieze overbelading niet mag worden vastgesteld. In het kader van WIM.NL is de opsporing dus ingesteld naar aanleiding van gegevens die met het voorselectiemiddel worden verkregen.

Het wegen of meten van de aslasten van een voertuig of samenstel van voertuigen wordt uitgevoerd conform de weeg- en meetprocedure (zie bijlage 1).

In beginsel wordt bij het wegen van samenstellen van voertuigen het gehele samenstel gewogen.

Het is slechts in de volgende gevallen toegestaan om in het kader van de controle van de beladingsvoorschriften de voertuigen af te koppelen:

Tot slot is afkoppelen toegestaan als in het kader van een maatregel het trekkend voertuig wordt vervangen door een ander trekkend voertuig.

Er wordt niet geverbaliseerd voor een te hoge koppelingsdruk. Wel wordt voor overtreding van artikel 5.18.31 van de Regeling Voertuigen een aankondiging van beschikking (feitcodes P 310 e/f) uitgereikt als een negatieve koppelingdruk wordt geconstateerd (de aanhangwagen helt achterover). Daarnaast wordt het samenstel stilgezet totdat de lading zodanig is verplaatst dat er weer een positieve koppelingsdruk ontstaat. Via artikel 5.18.31 Regeling Voertuigen kan op de negatieve koppelingsdruk worden gehandhaafd.

Uit artikel 2.6 lid 1 van de WWG volgt dat het verboden is om beroepsvervoer te verrichten in strijd met de beladingsvoorschriften. Indien er overbelading wordt geconstateerd is de vervoerder daarom altijd verantwoordelijk voor een dergelijke overtreding.

Op grond van de WWG kunnen ook anderen dan de vervoerder verantwoordelijkheid dragen voor de naleving van de beladingsvoorschriften. In artikel 2.6 lid 2 van de WWG staat dat het doen verrichten van beroepsvervoer in strijd met de beladingsvoorschriften is verboden. Onder doen verrichten van beroepsvervoer wordt verstaan het direct of indirect betrokken zijn bij de totstandkoming van de vervoersovereenkomst. Dit is veelal de afzender, verlader en/of de expediteur.5

Als er aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat een derde medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, moet het opsporingsonderzoek niet alleen op de vervoerder, maar ook op die derde worden gericht. Deze aanknopingspunten kunnen tijdens het verhoor van de chauffeur/vervoerder aan het licht komen. In ieder geval kan een derde medeverantwoordelijk worden gehouden voor het overtreden van de beladingsvoorschriften, als de derde laakbaar heeft gehandeld doordat hij o.a:

De bovenstaande opsomming is niet limitatief.

Voor buitenlandse verdachten geldt het volgende: de opsporingsambtenaar neemt contact op met de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen de pleegplaats is gelegen. De officier van justitie bepaalt het transactiebedrag en namens de officier van justitie doet de opsporingambtenaar een transactievoorstel dat meteen door de verdachte voldaan kan worden. Als de verdachte niet ingaat op het de transactievoorstel, maakt de opsporingsambtenaar proces-verbaal op dat wordt ingezonden naar het arrondissementsparket waarbinnen de pleegplaats is gelegen. De chauffeur kan zijn weg vervolgen, tenzij een maatregel van overladen wordt opgelegd of een mechanisch hulpmiddel is aangebracht aan het voertuig, wegens overtreding van artikel 2.3 lid 1 of 3, of artikel 2.5 van de WWG.

In de onderstaande tabel staat aangeduid in welke gevallen van overschrijding van de massa en/of last een proces-verbaal moet worden opgemaakt en in welke gevallen er een maatregel van overladen moet worden opgelegd. De percentages worden altijd naar beneden afgerond (bijvoorbeeld 9,9 procent wordt 9 procent). Het niet voldoen aan de maatregel van overladen levert een overtreding op, namelijk: artikel 160 lid 6 WVW 1994 (feitcode p K 160 b).

Voor de plaats van inzending van het proces-verbaal is bepalend:

Als de verdachte een buitenlandse bestuurder/vervoerder is, zendt de opsporingsambtenaar het proces-verbaal in aan het parket van het arrondissement waarbinnen de pleegplaats is gelegen.

Bij het begaan van meerdere overtredingen van de beladingsvoorschriften (overschrijding van as(stel)last, totale som van de aslasten, de maximummassa van een voertuig), moet uitsluitend voor de zwaarste overtreding getransigeerd/vervolgd worden. Daarbij wordt die overtreding gekozen met het hoogst aantal sanctiepunten van de overtreding. Bij een gelijk aantal sanctiepunten wordt geverbaliseerd voor het hoogste percentage overbelading. Als naast overtreding van de beladingsvoorschriften andere overtredingen van de WWG worden geconstateerd, wordt ook voor die overtredingen proces-verbaal opgemaakt.

Bij overtreding van artikel 2.7 en bij herhaalde overtreding van artikel 2.5 en 2.6 WWG kan de officier van justitie de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) wijzen op de wenselijkheid om een BIBOB-advies aan te vragen.6 Deze bevoegdheid berust op artikel 26 Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet BIBOB). De BIBOB-tip voor overtreding van 2.6 WWG is geïndiceerd als de verdachte wordt gedagvaard in verband met recidive.

Deze beleidsregel heeft onmiddellijke gelding op de datum van inwerkingtreding van de Regeling Voertuigen.

Bij het opmaken van een proces-verbaal ter zake van overbelading en/of aslast c.q. asstellastoverschrijding, moet deze weeg- en meetinstructie nauwkeurig worden gevolgd. Ook de opgegeven aanwijzingen van de fabrikant van de weeg- en meetapparatuur moeten te allen tijde worden opgevolgd. Het niet volgen van deze instructie of de door de fabrikant opgegeven aanwijzingen kan leiden tot weeg- en meetfouten en onjuiste weeg- en meetresultaten.7

In de artikelen 5.18.17a t/m g van de Regeling Voertuigen (RV) worden normen gesteld aan onder meer de toegestane maximumaslasten en de toegestane maximummassa’s. Nieuw in de RV is dat deze waarden moeten worden afgeleid uit het Nederlandse kentekenbewijs of kentekenregister. Als dat niet mogelijk is, of als het voertuig of samenstel niet in Nederland is geregistreerd, noemt de RV maximumwaarden waaraan moet worden voldaan. Zo kan er dus worden opgetreden tegen buitenlandse vervoerders die naar Nederlandse maatstaven de beladingsvoorschriften overtreden, terwijl de waarden van hun (buitenlandse) kentekenbewijs wel in acht worden genomen.

De som van de aslasten mag niet meer bedragen dan de maximum toegestane massa. Dit laatste geldt voor motorrijtuigen, autonome aanhangwagens en samenstellen van voertuigen. In artikel 5.18.17a en b RV wordt aangeven dat de totale massa van samenstellen van voertuigen (het zogenaamde treingewicht) en de som van de aslasten niet meer mag bedragen dan de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa. Staat in het kentekenregister geen maximummassa vermeld, dan is de toegestane maximummassa 50.000 kg.

Voor de toepassing van deze weeg- en meetinstructie wordt verstaan onder:

Voor aanvang van de meting of een serie metingen moet de geldigheidsduur van de ijkdatum worden gecontroleerd.

Voor aanvang van de weging moet de geldigheidsduur van de ijkdatum worden gecontroleerd.

Het proces-verbaal moet ten minste aan de volgende eisen voldoen: