Ministeriële regeling · BWBR0025844
Regeling lerarenbeurs voor scholing en zij-instroom 2009–2012
Gelet op artikel 2, eerste lid, jo artikel 4, eerste lid, van de Wet overige OCW-subsidies;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.H.A.PlasterkIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- b.
bekwaamheidsonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 176f van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118o van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 162i van de Wet op de expertisecentra;
- c.
Bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1.1.1., onderdeel w, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 1 van de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 1.1.1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of instellingsbestuur bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- d.
DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs;
- e.
geschiktheidsverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4.2.4. van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 162e van de Wet op de expertisecentra;
- f.
geschiktheidsonderzoek: onderzoek als bedoeld in 176c van de Wet op het primair onderwijs, artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 162f van de Wet op de expertisecentra;
- g.
studiepunten: studiepunten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- h.
leraar: persoon, die voldoet aan de bevoegdheidseisen gesteld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra, artikel XI van de Wet op de beroepen in het onderwijs en artikel 3 van de Wet primair onderwijs BES, danwel kan worden benoemd of tewerk worden gesteld zonder benoeming als bedoeld in artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4.2.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 80 van de Wet voortgezet onderwijs BES en artikel 4.2.1. van Wet educatie en beroepsonderwijs BES, of die lesgeeft in het hoger beroepsonderwijs;
- i.
masteropleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of een opleiding, buiten Nederland binnen de Europese Unie en het Koninkrijk der Nederlanden, die vergelijkbaar is met een opleiding, als hiervoor genoemd, wat betreft niveau, kwaliteit en afsluitend examen;
- j.
bacheloropleiding: opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid, onderdeel a, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of een opleiding, buiten Nederland binnen de Europese Unie en het Koninkrijk der Nederlanden, die vergelijkbaar is met een opleiding, als hiervoor genoemd, wat betreft niveau, kwaliteit en afsluitend examen;
- k.
studiekosten: les- en collegegeld, studiemiddelen en reiskosten;
- l.
zij-instromer: persoon die wordt benoemd of wordt tewerkgesteld zonder benoeming als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 80, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, van de Wet op de expertisecentra;
- m.
graad: graad als bedoeld in artikel 7.19a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- n.
(voortgezet) speciaal onderwijs: speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra;
- o.
Het project Eerst de Klas: bedoeld in de Nota werken in het onderwijs 2012 (Kamerstukken 2011/12, 27 923, nr. 117).
- p.
ambulant begeleider: leraar die op 1 mei 2012 tewerkgesteld was in het (voortgezet) speciaal onderwijs of bij een regionaal expertisecentrum en daarbij ondersteuning bood op een basisschool, speciale school voor basisonderwijs, school voor voortgezet onderwijs, of een opleiding genoemd in artikel 7.2.2., eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, bij het begeleiden van leerlingen met fysieke, sociaal-emotionele, cognitieve en/of motorische beperkingen in de vorm van ambulante begeleiding, ofwel op basis van een indicatie in de vorm van leerlinggebonden financiering, ofwel in het kader van preventie of terugplaatsing;
- q.
studiejaar: het tijdvak, genoemd in artikel 1.1, onderdeel k, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- r.
deficiëntieopleiding: een opleiding van tussen de 30 en 60 studiepunten die is vormgegeven als bacheloropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs maar die niet leidt tot de graad Bachelor binnen het wetenschappelijk onderwijs, en die is gericht op het wegwerken van deficiënties met als doel toelating tot een masteropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs.
Vervallen
De minister kan subsidie verstrekken aan:
- a.
de leraar voor studiekosten in verband met het volgen van een opleiding; en
- b.
het bevoegd gezag voor kosten in verband met het verlenen van studieverlof aan deze leraar.
De subsidie kan worden verstrekt voor bachelor-, master-, en deficiëntieopleidingen.
Subsidie wordt verstrekt voor één studiejaar.
Voor een opleiding met een studielast van 30 tot 60 studiepunten wordt ten hoogste een maal subsidie verleend.
Voor een opleiding met een studielast van 60 studiepunten wordt ten hoogste twee maal subsidie verleend. Om voor de tweede subsidie in aanmerking te komen, dient deze binnen drie studiejaren na de eerste subsidieverlening te worden aangevraagd.
Voor een opleiding met een studielast van meer dan 60 studiepunten wordt ten hoogste drie maal subsidie verleend. Om voor de tweede of derde subsidie in aanmerking te komen, dient deze binnen vijf studiejaren na de eerste subsidieverlening te worden aangevraagd.
Indien reeds subsidie voor het volgen van een deficiëntieopleiding is verleend, wordt voor een opleiding van meer dan 60 studiepunten ten hoogste twee maal subsidie verleend.
De subsidie voor studiekosten wordt uitsluitend verstrekt aan de leraar, die:
- a.
op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de graad Bachelor mag voeren;
- b.
op het moment van de subsidieaanvraag of in de twaalf kalendermaanden daaraan voorafgaand in dienst is of was bij een bevoegd gezag dan wel bij een andere werkgever, en werkt of heeft gewerkt bij een of meer onderwijsinstellingen die bekostigd wordt of worden door de minister of door de Minister van Economische Zaken; en
- c.
voor minimaal 20% van zijn werktijd is belast met lesgebonden taken en pedagogisch-didactisch verantwoordelijk is voor het onderwijs, voor zover de leraar niet ambulant begeleider is.
De subsidie voor studiekosten wordt niet verstrekt aan de leraar, die:
- a.
zij-instromer is; of
- b.
gedurende de subsidieperiode een tegemoetkoming ontvangt op grond van afdeling 5.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of studiefinanciering BES dan wel een opstarttoelage op grond van de Wet studiefinanciering BES.
De subsidie voor studieverlof aan het bevoegd gezag wordt slechts verstrekt voor zover de leraar in dienst is bij een bevoegd gezag.
Het subsidieplafond voor het jaar 2013 voor subsidie, bedoeld in artikel 3, bedraagt € 61.000.000,–.
De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt de som van een vergoeding voor:
- a.
de werkelijk gemaakte kosten voor collegegeld tot een maximum van € 3.500,–, respectievelijk € 7.000,– ingeval de leraar overeenkomstig artikel 7.46, eerste lid van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek instellingscollegegeld verschuldigd is;
- b.
de kosten van studiemiddelen ten hoogste 10% van het verschuldigde collegegeld tot een maximum van € 350,–;
- c.
reiskosten ten hoogste 10% van het verschuldigde collegegeld tot een maximum van € 350.
De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt bepaald op een bedrag per studieverlofuur.
Het maximale aantal studieverlofuren die voor subsidiering in aanmerking komen, is 160 uren per jaar voor een voltijdsaanstelling. In geval van een deeltijdbetrekking wordt het aantal studieverlofuren vastgesteld naar evenredigheid van de aanstellingsomvang.
De subsidiebedragen voor een studieverlofuur zijn voor:
- a.
het basisonderwijs: € 34,75
- b.
het (voortgezet) speciaal onderwijs: € 36,88
- c.
het voortgezet onderwijs: € 39,41
- d.
het beroepsonderwijs en de educatie: € 40,52
- e.
het hoger beroepsonderwijs: € 44,13
De bedragen, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks geïndexeerd op basis van de kabinetsbijdrage voor het betreffende jaar, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting door de begrotingswetgever. Het besluit hiertoe wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van deze regeling verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de Rijksbegroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.
De aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 3, geschiedt overeenkomstig het aanvraagformulier, dat via de website van DUO beschikbaar wordt gesteld.
Door middel van een verklaring op het aanvraagformulier vraagt het bevoegd gezag subsidie voor studieverlof aan.
De aanvraag voor de subsidie voor studiekosten omvat informatie waaruit blijkt:
- a.
het dienstverband van de leraar en de duur ervan; en
- b.
dat de leraar voor minimaal 20% van de werktijd is belast met lesgebonden taken en pedagogisch-didactisch verantwoordelijk is voor het onderwijs aan leerlingen, voor zover de leraar niet ambulant begeleider is.
Aanvragen voor subsidie kunnen jaarlijks worden ingediend van 1 april tot en met 15 mei.
Onverminderd het eerste lid kan de minister een extra aanvraagtermijn openstellen indien het subsidieplafond, bedoeld in artikel 5, in enig jaar niet volledig is uitgeput. Het besluit hiertoe wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Onverminderd het tweede lid verdeelt de minister het beschikbare bedrag in volgorde van ontvangst van de aanvragen voor subsidie, bedoeld in artikel 3, met dien verstande dat aan aanvragers aan wie op basis van deze regeling reeds voor een eerste of tweede maal subsidie is verleend, voorrang wordt verleend bij subsidieverstrekking.
Wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een week de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de in het eerste lid genoemde verdeling, als datum van ontvangst.
De verdeling van het beschikbare bedrag over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:
- a.
€ 21.500.000,– is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het primair onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs;
- b.
€ 16.900.000,– is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het voortgezet onderwijs;
- c.
€ 5.600.000,– is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en
- d.
€ 17.000.000,– is beschikbaar voor opleidingen van leraren werkzaam in het hoger beroepsonderwijs.
Indien een van de budgetten, bedoeld in het tweede lid, niet volledig wordt benut, wordt het restbedrag naar evenredigheid verdeeld over de overige doelgroepen.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert de minister subsidieverlening aan een leraar, indien deze:
- a.
reeds subsidie heeft ontvangen op basis van deze regeling voor het volgen van een andere opleiding dan die waarvoor subsidie wordt aangevraagd, tenzij de reeds ontvangen subsidie is verstrekt voor het volgen van een deficiëntieopleiding met als doel toelating tot de opleiding waarvoor de leraar subsidie aanvraagt;
- b.
uit andere hoofde van de minister een tegemoetkoming in de studiekosten heeft ontvangen voor het volgen van de opleiding;
- c.
reeds subsidie heeft ontvangen op basis van deze regeling zoals deze gold vóór 1 april 2013.
De minister beslist binnen 8 weken na het sluiten van de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 9.
De leraar behaalt in de subsidieperiode ten minste 15 studiepunten.
Het bevoegd gezag houdt in haar administratie bij op welke wijze het verlof tot stand komt.
De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
Op verzoek van de minister verleent de leraar die de subsidie bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, ontvangt, medewerking aan een steekproef om aan te tonen dat de activiteiten waarvoor die subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden.
Het subsidiebedrag wordt niet eerder dan drie maanden voordat de opleiding aanvangt aan de subsidieontvanger uitbetaald.
Een ambtshalve beschikking tot subsidievaststelling van de subsidie voor studiekosten wordt gegeven binnen 22 weken na afloop van het studiejaar waarvoor de subsidie is verleend.
De minister kan de subsidie studiekosten terugvorderen indien de leraar niet aan zijn subsidieverplichtingen heeft voldaan.
De minister kan op aanvraag van de leraar een betalingsregeling treffen voor het terugbetalen van de subsidie studiekosten die voorziet in betaling van het totale bedrag binnen 24 maanden. Het minimumbedrag dat maandelijks wordt afgelost, bedraagt € 100,–.
De verantwoording door het bevoegd gezag van de subsidie studieverlof geschiedt overeenkomstig artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling OCW-subsidies, in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 2, behorende bij de richtlijn RJ 660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.
De verantwoording door het bevoegd gezag van de subsidie studieverlof geschiedt in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening bevat, in het geval bedoeld in artikel 18a, tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.
De minister vordert de subsidie voor de kosten in verband met het studieverlof van de leraar geheel of gedeeltelijk van het bevoegd gezag terug, indien uit de administratie, bedoeld in artikel 14, blijkt dat het verlof geheel of gedeeltelijk niet aan de leraar is toegekend, dan wel toekenning van het verlof niet of onvoldoende uit de administratie kan worden opgemaakt.
De minister kan subsidie verstrekken aan het bevoegd gezag, bedoel in artikel 1, voor activiteiten in het kader van het begeleiden van een zij-instromer, waaronder in elk geval:
- a.
het laten uitvoeren van het geschiktheidsonderzoek betreffende een zij-instromer;
- b.
het afgeven van een geschiktheidsverklaring aan een zij-instromer;
- c.
het laten volgen van scholing door een zij-instromer;
- d.
het geven van verlof aan een zij-instromer; of
- e.
het laten uitvoeren van het bekwaamheidsonderzoekbetreffende een zij-instromer.
Het subsidieplafond voor het jaar 2013 bedraagt € 8.000.000,–.
De subsidie, bedoeld in artikel 20, bedraagt maximaal € 20.000,– per zij-instromer.
De aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 20, wordt gedaan door het bevoegd gezag en geschiedt overeenkomstig het aanvraagformulier, dat via de website van DUO beschikbaar wordt gesteld.
Geen aanvraag kan worden gedaan voor subsidie voor de begeleiding van zij-instromers die ingeschreven staan of in de twee jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag ingeschreven hebben gestaan als student aan een lerarenopleiding en collegegeldplichtig zijn of waren op grond van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek.
De aanvraag voor de subsidie, bedoeld in artikel 20, wordt uiterlijk ingediend op 31 december van het betreffende jaar, met dien verstande dat aanvragen voor de begeleiding van zij-instromers in het kader van het project Eerst de Klas, worden uiterlijk ingediend op 31 juli 2013.
De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen voor subsidie, bedoeld in artikel 20, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht een week de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.
De verdeling van het beschikbare bedrag over de verschillende doelgroepen geschiedt als volgt:
- a.
€ 1.600.000,– van het budget is beschikbaar voor de activiteiten in het kader van het begeleiden van zij-instromers in het kader van het project Eerst de Klas.
- b.
€ 6.400.000,– van het budget is beschikbaar voor de activiteiten in het kader van het begeleiden van andere dan in het eerste lid bedoelde zij-instromers.
Indien een van de budgetten, bedoeld in het tweede lid, niet volledig wordt benut, wordt het restbedrag toegevoegd aan het budget van de andere doelgroep.
De minister beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
De subsidieontvanger spant zich in om de zij-instromer in staat te stellen zijn onderwijsbevoegdheid te behalen.
De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.
De subsidieontvanger doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 20. Daarbij worden de relevante stukken overlegd.
De minister verleent het subsidiebedrag, bedoeld in artikel 22, als voorschot binnen vier weken nadat de subsidie, bedoeld in artikel 20, is verleend.
Vervallen
Indien uit de verantwoording, bedoeld in artikel 31, blijkt dat middelen zijn aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt of niet zijn besteed, kunnen deze worden teruggevorderd.
De verantwoording van de subsidie geschiedt overeenkomstig artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Regeling OCW-subsidies in de jaarverslaggeving, bedoeld in de Regeling jaarverslaggeving onderwijs, met model G, onderdeel 2, behorende bij de richtlijn RJ 660, alinea 212, zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving. De verwerking van niet-bestede middelen geschiedt in de jaarrekening van het laatste jaar van besteding. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie.
Wijzigt de Tijdelijke regeling lerarenbeurs voor scholing.
De minister kan voor bepaalde gevallen de regeling buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken voor zover deze toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.
Vervallen
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en vervalt met ingang van 1 juli 2017.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling lerarenbeurs voor scholing en zij-instroom 2009–2017.