U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 18-02-2014.

Ministeriële regeling · BWBR0025973

Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

Wijzigingen Officiële bron
Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

In dit reglement wordt verstaan onder:

Typen vaartuigen

Samenstellen van vaartuigen

Bijzondere ruimten van vaartuigen

Scheepsbouwkundige begrippen

Stuurinrichtingen

Eigenschappen van constructiedelen en materialen

Radarapparaten

Overige begrippen

Navigatieapparatuur

De in artikel 1.02, eerste en tweede lid, bedoelde vaartuigen moeten zijn voorzien van een certificaat van onderzoek dat is afgegeven door een Commissie van Deskundigen, die door één der Oeverstaten of België is ingesteld, of van een door de Centrale Commissie van de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend certificaat.

Voor kanaalspitsen die slechts de Rijn tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke) en de sluizen te Iffezheim (met inbegrip van de meest benedenstrooms gelegen voorhaven) bevaren, volstaat in plaats van het certificaat van onderzoek een door een Commissie van Deskundigen van één der Oeverstaten of België afgegeven certificaat, waaruit de geschiktheid voor de vaart op dit riviergedeelte blijkt. In dit geval moeten zij voldoen aan hoofdstuk 19.

Voor zeeschepen wordt het certificaat van onderzoek volgens bijlage B, indien zij niet van dit certificaat zijn voorzien, vervangen door een certificaat volgens bijlage G, waaruit de geschiktheid voor de vaart op de Rijn blijkt. In dit geval moeten zij voldoen aan hoofdstuk 20.

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen, wanneer het voor een aanpassing aan de technische ontwikkeling van de binnenscheepvaart noodzakelijk wordt geacht om in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten dan wel proefnemingen mogelijk te maken, waardoor de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden benadeeld. Deze voorschriften van tijdelijke aard worden door de bevoegde autoriteit gepubliceerd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren. Zij worden in alle Oeverstaten en in België op hetzelfde tijdstip in werking gesteld en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.

De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment om een vrijwillig onderzoek verzoeken.

Aan dit verzoek om een onderzoek dient gevolg te worden gegeven.

De Commissie van Deskundigen kan personen, die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben, kennis laten nemen van de inhoud van het certificaat van onderzoek van een vaartuig, en op hun kosten als zodanig aangeduide uittreksels of gewaarmerkte afschriften van het certificaat verstrekken.

Schepen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd.

Rekening houdende met de vermindering overeenkomstig artikel 4.02 mag het kleinste vrijboord niet minder dan 0 mm bedragen.

Wanneer het vlak van de grootste inzinking is vastgesteld onder de voorwaarde dat de laadruimen spatwater- en regendicht moeten kunnen worden gesloten en de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en de bovenrand van de denneboom minder dan 500 mm bedraagt, moet de ten hoogste toegelaten inzinking voor de vaart met open laadruimen worden vastgesteld.

In het certificaat van onderzoek moet dan worden ingevuld:

‘Wanneer de luiken van de laadruimen geheel of gedeeltelijk zijn geopend, mag het schip ten hoogste tot ... mm onder de inzinkingsmerken zijn beladen.’

Schepen en samenstellen moeten over voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen beschikken:

Schepen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging die bestemd zijn om gesleept te worden, moeten voldoen aan de bijzondere eisen van de Commissie van Deskundigen;

Schepen met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en samenstellen moeten voldoen aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10.

Schepen en samenstellen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen moeten voor de proefvaarten zo mogelijk gelijklastig en ten minste voor 70% zijn beladen. Wanneer de proefvaart met minder lading wordt uitgevoerd, moet de toelating voor wat betreft de afvaart tot deze belading worden beperkt.

Wanneer de in artikel 5.07 genoemde noodzakelijke stopmanoeuvre in stilstaand water wordt uitgevoerd, dient tevens een achteruitvaarproef te worden uitgevoerd.

Schepen en samenstellen moeten tijdig kunnen uitwijken. De uitwijkeigenschappen dienen te worden aangetoond door uitwijkmanoeuvres op één der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken.

Schepen en samenstellen met een lengte van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder moeten tijdig kunnen keren.

Deze keereigenschappen kunnen door de in artikel 5.07 bedoelde stop-eigenschappen worden vervangen.

De keereigenschappen dienen door opdraaimanoeuvres te worden aangetoond.

Aan boord van schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn.

Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht:

Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan.

Stuurhuizen moeten zijn voorzien van een doeltreffende en regelbare verwarming en ventilatie.

Op schepen en samenstellen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar waarvan de lengte L meer dan 86 m of de breedte B meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.

In de hoogte verstelbare stuurhuizen moeten zijn voorzien van een noodinrichting waarmee deze kunnen worden neergelaten.

Telkens wanneer het stuurhuis in een lagere stand wordt gezet, moet automatisch een akoestisch waarschuwingssignaal duidelijk waarneembaar zijn. Dit geldt niet wanneer door adequate bouwkundige maatregelen geen gevaar bestaat voor verwondingen ten gevolge van de verstelling van de hoogte.

In alle hoogtestanden moet het mogelijk zijn het stuurhuis zonder gevaar te verlaten.

Wanneer een schip voldoet aan de in de artikelen 7.01, 7.04 tot en met 7.08 en 7.11 bedoelde voorschriften voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, moet in het certificaat van onderzoek worden aangetekend:

‘Goedgekeurd voor het voeren van het schip met behulp van radar door één persoon’.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De minimum beschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van de installaties moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling, zoals aangegeven in de onderstaande tabel:

Opmerkingen:

1) Voor apparaten met een hoge warmte-ontwikkeling: IP 12.

2) Indien het apparaat zelf niet aan de minimumbeschermingsgraad voldoet, moet de plaats van opstelling de minimumbeschermingsgraad volgens de tabel hebben.

3) Erkend veilige elektrische inrichting, bijvoorbeeld

a) volgens de Europese Norm EN 50014 : 1997; 50015 : 1998; 50016 : 2002; 50017 : 1998; 50018 : 2000; 50019 : 2000 en 50020 : 2002 of

b) de overeenkomstige internationale norm IEC 60079 in de versie geldig op 1 oktober 2003.

In ruimten waarin zich explosieve gassen of gasmengsels kunnen ophopen, zoals accumulatorenruimten en ruimten voor opslag van licht ontvlambare stoffen, zijn slechts erkend veilige elektrische inrichtingen (voldoende veilig voor gebruik in een gegeven explosiegevaarlijke omgeving) toegestaan. In deze ruimten mogen geen schakelaars voor verlichting en voor andere elektrische apparaten zijn geïnstalleerd. De beschermingsgraad tegen explosies moet zijn afgestemd op de eigenschappen met betrekking tot explosiegevaar van de voorkomende explosieve gassen en gasmengsels (explosiegroep, temperatuurklasse).

Voor oliebranderinstallaties, brandstofpompen, brandstofseparatoren en machinekamerventilatoren moeten buiten de opstellingsruimten noodstopschakelaars op een centrale plaats aanwezig zijn.

[Vervallen per 01-01-2006]

Alarm- en beveiligingssystemen voor controle en beveiliging van werktuigbouwkundige inrichtingen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

Elektrische en elektronische installaties mogen niet door elektromagnetische verstoringen in hun functioneren worden gehinderd. Algemene maatregelen dienen betrekking te hebben op:

Voor de bescherming van objecten zijn vast geïnstalleerde brandblusinstallaties slechts toegestaan op grond van aanbevelingen van de Centrale Commissie van de Rijnvaart.

Werkplekken moeten zo groot zijn dat iedere persoon die er werkt voldoende bewegingsvrijheid heeft.

Ten behoeve van de opslag van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van minder dan 55 °C moet zich aan dek een geventileerde kast van onbrandbaar materiaal bevinden. De buitenkant daarvan moet zijn voorzien van een teken ‘Vuur, open licht en roken verboden’ met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm, overeenkomstig schets 2 van bijlage I.

Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders moeten met name aan de volgende eisen voldoen:

Luchtverhitters waarbij de verwarmingslucht onder druk rondom een verbrandingskamer naar een verdeelsysteem of een ruimte wordt geleid moeten aan de volgende eisen voldoen:

[Door vernummering vervallen.]

Reserveflessen en lege flessen die zich niet in de flessenkast bevinden moeten buiten de verblijven en het stuurhuis in een overeenkomstig artikel 14.04 uitgevoerde kast zijn opgeslagen.

Op een geschikte plaats aan boord moet een gebruiksaanwijzing zijn aangebracht; hierop moeten ten minste de volgende opschriften voorkomen:

Vloeibaargasinstallaties moeten

door een erkende deskundige worden gekeurd. De erkende deskundige moet controleren of de installatie aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet.

Met betrekking tot de keuring moet een door de erkende deskundige ondertekende verklaring worden opgesteld waaruit de datum van de keuring blijkt. Hiervan moet een kopie aan de Commissie van Deskundigen worden overgelegd.

Het beproeven van de installatie moet onder de volgende voorwaarden geschieden:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Op vaartuigen die bestemd zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen moeten bolders of gelijkwaardige inrichtingen aanwezig zijn die het door hun aantal en opstelling mogelijk maken een afdoende verbinding tot stand te brengen tussen de gekoppelde vaartuigen.

Vaartuigen die bestemd zijn om te worden voortbewogen in een samenstel moeten zijn voorzien van hiervoor geschikte koppelingsinrichtingen, bolders of gelijkwaardige inrichtingen die door hun aantal en opstelling een afdoende verbinding met het andere vaartuig of de andere vaartuigen van het samenstel waarborgen.

Voor drijvende werktuigen zijn voor wat betreft bouw en uitrusting de hoofdstukken 3, 7 tot en met 14 en 16 van toepassing. Drijvende werktuigen met mechanische middelen tot voortbeweging moeten ook voldoen aan de hoofdstukken 5 en 6. Aandrijvingen die slechts een geringe verplaatsing mogelijk maken worden niet beschouwd als mechanische middelen tot voortbeweging.

Inzinkingsmerken als bedoeld in artikel 4.04 en diepgangsschalen als bedoeld in artikel 4.06 moeten zijn aangebracht.

Schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden, die als zodanig in het certificaat van onderzoek overeenkomstig bijlage B zijn aangeduid, mogen buiten werkterreinen slechts onbeladen varen. Deze voorwaarde dient in het certificaat van onderzoek te worden vermeld.

Hiertoe moeten deze schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden beschikken over een verklaring van de bevoegde autoriteit over de duur van de werkzaamheden en de begrenzing van het werkterrein waarop het schip mag worden gebruikt.

Voor zover in dit hoofdstuk niets anders is bepaald, zijn met betrekking tot de bouw en de uitrusting van schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden de hoofdstukken 3 tot en met 14 van toepassing.

Schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden hoeven niet met een bijboot te zijn uitgerust, indien

Deze vrijstelling dient in het certificaat van onderzoek te worden vermeld.

Op kanaalspitsen, die de Rijn slechts tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke) en de sluizen te Iffezheim met inbegrip van de meest benedenstrooms gelegen voorhaven bevaren, is voor wat betreft bouw en uitrusting artikel 19.02 van toepassing.

Op kanaalspitsen zijn van toepassing:

Vervallen

Vervallen

[Vervallen per 01-01-1999]

Op pleziervaartuigen is voor wat betreft bouw, uitrusting en bemanning slechts artikel 21.02 van toepassing.

Vervallen

De methode voor de stabiliteitsbeoordeling kan aan de in artikel 22.01, tweede lid, bedoelde bescheiden worden ontleend.

Onverminderd artikel 2.03, derde lid, moet de Commissie van Deskundigen die uiteindelijk het certificaat van onderzoek moet afgeven, door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger vóór het begin van de bouw (nieuwbouw of verlenging van een reeds in bedrijf zijnd vaartuig) van vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m met uitzondering van zeeschepen, hiervan op de hoogte worden gesteld.

Deze Commissie van Deskundigen voert tijdens de bouwperiode onderzoeken uit. Zij kan hiervan afzien wanneer vóór het begin van de bouw een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd waarin het verklaart dat het op de bouw toeziet.

Op vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m zijn, behalve Deel II, de artikelen 22a.03 tot en met 22a.05 van toepassing.

De voldoende sterkte van de scheepsromp als bedoeld in artikel 3.02, eerste lid, onder a, (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) moet worden aangetoond door een verklaring van een erkend classificatiebureau.

Op vaartuigen die worden omgebouwd tot schepen met een lengte van meer dan 110 m mag de Commissie van Deskundigen hoofdstuk 24 slechts toepassen op grond van bijzondere aanbevelingen van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

Voor het ten hoogste aan boord toegelaten aantal passagiers moeten zitplaatsen beschikbaar zijn. Zitplaatsen moeten van veiligheidsgordels voorzien zijn.

Veiligheidsgordels kunnen achterwege blijven indien een geschikte bescherming tegen stoten aanwezig is, dan wel wanneer zij volgens de HSC Code 2000, hoofdstuk 4, onderdeel 6, niet vereist zijn.

In afwijking van de artikelen 4.02 en 4.03 moet het vrijboord ten minste 500 mm bedragen.

In het geval van snelle schepen moet de aanwezigheid van

Snelle schepen moeten zijn uitgerust met:

Vluchtwegen en evacuatieroutes moeten voldoen aan de volgende eisen:

Snelle schepen als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel 20a, die op 31 maart 2003 beschikken over een geldig certificaat van onderzoek, moeten voldoen aan de volgende voorschriften van dit hoofdstuk:

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

(zonder inhoud)

De certificaten van goedkeuring die krachtens het met besluit 2001-II-27 aangenomen Reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR) zijn afgegeven en waarvan de afloopdatum niet is verstreken, gelden als in artikel 1.02, tweede lid, onderdeel b, bedoelde certificaten van goedkeuring overeenkomstig het ADN.

Voor het hieronder beschreven vaartuig wordt bij de Commissie van Deskundigen te ..... een eerste onderzoek/bijzonder onderzoek/ aanvullend onderzoek/vrijwillig onderzoek ..... aangevraagd.

1 Doorhalen wat niet van toepassing is

Aanwijzingen bij nr.:

Opmerkingen:

Het vaartuig mag op grond van dit certificaat slechts zolang voor de vaart worden gebruikt, als het zich in de toestand bevindt zoals in het certificaat is aangegeven.

Na iedere wezenlijke verandering of schade mag het vaartuig eerst dan weer in de vaart worden gebracht, wanneer het op grond van een bijzonder onderzoek daarvoor opnieuw is toegelaten.

Iedere naamsverandering, iedere wisseling van eigenaar, iedere nieuwe ijking van het vaartuig zowel als iedere verandering van de teboekstelling of van de thuishaven moet de eigenaar of zijn vertegenwoordiger ter kennis brengen van de Commissie van Deskundigen. Daarbij moet hij het certificaat van onderzoek voorleggen om daarin de veranderingen aan te laten tekenen.

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

(Model)

(Niet meer van toepassing)

(Niet meer van toepassing)

Voor het vaststellen van de bemanning moeten zeeschepen:

In dit geval moeten de betreffende bescheiden, waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijken, aan boord aanwezig zijn. Bovendien moet zich een persoon aan boord bevinden die houder is van het Grote Patent bedoeld in het RSP, dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uren per tijdvak van 24 uren moet deze houder van dit patent vervangen worden door een andere houder van dit patent.

In het logboek moeten de volgende aantekeningen worden gemaakt:

Dit certificaat is alleen geldig indien het schip is voorzien van geldige certificaten voor de zee- of kustvaart en ten hoogste tot ..........

Bij de installatie van tachografen aan boord moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

Schets 1

Verboden voor onbevoegden Kleur: rood/wit/zwart

Schets 2

Vuur, open licht en roken verboden Kleur: rood/wit/zwart

Schets 4

Waarschuwing voor algemeen gevaar Kleur: zwart/geel

Schets 5

Brandslang Kleur: rood/wit

Schets 6

Brandblusinstallatie Kleur: rood/wit

Schets 7

Gehoorbescherming verplicht Kleur: blauw/wit

Schets 10

Zwemvest gebruiken Kleuren: Blauw / Wit

De gebruikte pictogrammen mogen enigszins variëren of meer gedetailleerd zijn dan de illustraties in deze bijlage, mits de betekenis ervan niet wordt veranderd en verschillen en aanpassingen de betekenis niet onbegrijpelijk maken.

– Aanvullende voorschriften en modellen van certificaten –

Deel I

Aanvullende voorschriften

Deel II

Inlichtingenformulier (model)

Bijlage 1 – Essentiële eigenschappen van de/het (basis-)motor/motortype (model)

Bijlage 2 – Essentiële eigenschappen van de motorfamilie/van de motorgroep (model)

Bijlage 3 – Essentiële eigenschappen van de motoren in de motorfamilie/de motorgroep (model)

Deel III

Certificaat van goedkeuring (model)

Bijlage 1 – Testresultaten (model)

Deel IV

Schema voor de nummering van de typegoedkeuringen

(artikel 8a.04, lid 2)

Deel V

Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor motortypen, motorfamilies en motorgroepen

(artikel 8a.04, lid 4, onder a)

Deel VI

Lijst van gebouwde motoren (model)

(artikel 8a.04, lid 4, onder b)

Deel VII

Gegevensformulier van type goedgekeurde motoren (model)

Deel VIII

Proces-verbaal van de motor kenmerken (model)

(artikel 8a.11)

Aanvullende voorschriften

1. Merktekens van de motoren

2. Algemene eisen aan de bouw en het onderhoud van de motoren

3. Keuringen

4. Beoordeling van de conformiteit van de produktie

5. Motorfamilies en motorgroepen

INLICHTINGENFORMULIER N°3 .....

betreffende de typegoedkeuring inzake maatregelen ter vermindering van de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes van dieselmotoren die bestemd zijn voor inbouw in vaartuigen behorend tot de Rijnvaart

Basismotor/motortype4: .....

Datum, handtekening van de fabrikant

1 Doorhalen wat niet van toepassing is.

2 De tolerantie aangeven.

1 Doorhalen wat niet van toepassing is.

2 De tolerantie aangeven.

1 De tolerantie aangeven.

1 Doorhalen wat niet van toepassing is.

ONDERDEEL I

1 Doorhalen wat niet van toepassing is.

2 B.v.: schroefdiagram, van de aandrijving van het schip, aandrijving van het schip, constant toerental.

ONDERDEEL II

1 ‘N.v.t.’ invullen wanneer de tests worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteit zelf.

2 Eventueel met inbegrip van een correlatiestudie met betrekking tot de gebruikte bemonsteringssystemen die afwijken van de referentiesystemen zoals aangegeven in het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, bijlage J, onderdeel 3.1.1.

3 Doorhalen wat niet van toepassing is.

1 Doorhalen wat niet van toepassing is.

2 Bij meer dan een testcyclus voor ieder afzonderlijk aangegeven.

3 De gebruikte testcyclus aanduiden overeenkomstig dienstinstructie nr. 16 bij het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, Deel II, onderdeel 3.6.

1. Systematiek

Het nummer bestaat uit vijf door een ‘ * ’gescheiden onderdelen.

Onderdeel 1: De hoofdletter ‘R’, gevolgd door het kenmerkend nummer van de Lidstaat die de goedkeuring heeft verleend:

1 voor Duitsland

2 voor Frankrijk

4 voor Nederland

6 voor België

14 voor Zwitserland

Onderdeel 2: Aanduiding van het niveau waaraan wordt voldaan. Men kan ervan uitgaan dat de eisen wat de uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes betreft, in de toekomst strenger zullen zijn. De verschillende niveaus van de eisen worden door romeinse cijfers aangegeven. De basisnorm wordt aangeduid door het cijfer I.

Onderdeel 3: Aanduiding van de testcycli. Aangezien de motoren de typegoedkeuring voor verschillend gebruik op grond van de daarvoor bedoelde testcycli kunnen krijgen, is het gewenst deze cycli aan te geven.

Onderdeel 4: Een uit vier cijfers bestaand volgnummer (met aan het begin eventueel nullen) om het nummer van de basisgoedkeuring aan te geven. De serie begint met 0001.

Onderdeel 5: Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (met eventueel een nul aan het begin) om de uitbreiding aan te geven. De serie begint met 01 voor elk nummer van de basisgoedkeuring.

2. Voorbeelden

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijst nummer:

Voor de periode van: ..... tot .....

1 Overeenkomstig het certificaat van typegoedkeuring.

2 Aanvullen.

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijst nummer: .....

Voor de periode van: ..... tot .....

Wat betreft motortypen, motorfamilies, motorgroepen en typegoedkeuringsnummers van in de bovengenoemde periode overeenkomstig het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn vervaardigde motoren worden de hierna volgende gegevens verstrekt:

Fabrieksmerk (firmanaam van de fabrikant): ..... Aanduiding door de fabrikant van het (de) motortype(n)17, de basismotor en eventueel motoren van de motorfamilie/motorgroep:

Nummer van de typegoedkeuring: .....

Datum van afgifte: .....

Eerste datum van afgifte (ingeval van addenda): .....

Aanduiding van de motorfamilie/motorgroep18: .....

Stempel van de bevoegde autoriteit

1 Vloeistof of lucht.

2 Gebruikte afkortingen: DI = directe inspuiting, PC = voor-/wervelkamer, NA = natuurlijke aanzuiging, TC = drukvulling, TCA = drukvulling met tussenkoeling (Voorbeelden: DI NA, DI TC, DI TCA, PC NA, PC TC, PC TCA). .

3 Gebruikte afkortingen: DI = directe inspuiting, PC = voor-/wervelkamer, NA = natuurlijke aanzuiging, TC = drukvulling, TCA = drukvulling met tussenkoeling (Voorbeelden: DI NA, DI TC, DI TCA, PC NA, PC TC, PC TCA).

Reglement onderzoek schepen op de Rijn

1 Zie het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn, Bijlage J, Deel I, onderdeel 2.4, artikel 8a.11, derde lid.

2 In te vullen door de tester.

1 Aankruisen wat van toepassing is.

De motor en de onderdelen daarvan betrekking hebbend op de uitlaatgassen zijn aan de hand van het type plaatje geïdentificeerd.

De keuring is geschied aan de hand van het ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’.

A. Test van de onderdelen

Overige onderdelen betrekking hebbend op de uitlaatgassen, die in het ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’ zijn opgesomd, moeten worden ingevuld.

1 Aankruisen wat van toepassing is.

B. Test van de instelbare eigenschappen en motorkenmerken

1 Aankruisen wat van toepassing is.

C. Test van het inlaatsysteem en van de uitlaatgasinstallatie

D. Opmerkingen: .....

(De volgende afwijkende instellingen, modificaties of wijzigingen aan de ingebouwde dieselmotor zijn geconstateerd.)

.....

.....

.....

Naam van de tester: .....

Plaats en datum: .....

Handtekening: .....

(Niet meer van toepassing)

In dit model staat ‘AAA’ voor de code van drie cijfers die de bevoegde autoriteit toekent bij de toewijzing van het Europees scheepsidentificatienummer, waarbij de volgende nummers moeten worden gerespecteerd voor de landen in kwestie:

Cijferreeks voor de bevoegde autoriteiten

001–019 Frankrijk

020–039 Nederland

040–059 Duitsland

060–069 België

070–079 Zwitserland

080–099 gereserveerd voor de schepen van landen die geen verdragspartijen van de Akte van Mannheim zijn, en waarvoor vóór 1 april 2007 een Rijnvaartcertificaat is afgegeven.

100–119 Noorwegen

120–139 Denemarken

140–159 Verenigd Koninkrijk

160–169 IJsland

170–179 Ierland

180–189 Portugal

190–199 gereserveerd

200–219 Luxemburg

220–239 Finland

240–259 Polen

260–269 Estland

270–279 Littouwen

280–289 Letland

290–299 gereserveerd

300–309 Oostenrijk

310–319 Liechtenstein

320–329 Tschechische Republiek

330–339 Slowakije

340–349 gereserveerd

350–359 Croatie

360–369 Serbië

370–379 Bosnië-Herzegovina

380–399 Hongarije

400–419 Russische Federatie

420–439 Ukraïne

440–449 Wit-Rusland

450–459 Republiek Moldavië

460–469 Roemenië

470–479 Bulgarije

480–489 Georgië

490–499 gereserveerd

500–519 Turkije

520–539 Griekenland

540–549 Cyprus

550–559 Albanië

560–569 Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

570–579 Slovenië

580–589 Montenegro

590–599 gereserveerd

600–619 Italië

620–639 Spanje

640–649 Andorra

650–659 Malta

660–669 Monaco

670–679 San Marino

680–699 gereserveerd

700–719 Zweden

720–739 Canada

740–759 Verenigde Staten van Amerika

760–769 Israël

770–799 gereserveerd

800–809 Azerbaidjan

810–819 Kazachstan

820–829 Kirghizistan

830–839 Tadzjikistan

840–849 Turkmenistan

850–859 Oezbekistan

860–869 Iran

870–999 gereserveerd

‘xxxxx’ staat voor het door de bevoegde autoriteit toegekende serienummer van vijf cijfers.

Deel I

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties in de Rijnvaart

Deel II

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 Algemene minimumeisen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 3 Operationele minimumeisen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 4 Technische minimumeisen voor bochtaanwijzers

Hoofdstuk 5 Keuringsvoorwaarden en -methodes voor bochtaanwijzers

Aanhangsel : Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Deel III

Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties enbochtaanwijzers in de Rijnvaart

Deel IV

Verklaring over de inbouw en het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart

Deel V

Lijsten van de bevoegde autoriteiten, toegelaten apparatuur en erkende deskundige bedrijven

In deze voorschriften zijn de minimumeisen voor radarinstallaties voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaronder aan de minimumeisen moet worden voldaan. Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties als bedoeld in deze voorschriften.

Radarinstallaties moeten een voor het voeren van een schip bruikbaar beeld geven van de positie van het schip ten opzichte van de bebakening, de contouren van de oever en de voor de scheepvaart van belang zijnde werken en moet tijdig en op betrouwbare wijze de aanwezigheid aangeven van andere schepen en van boven het wateroppervlak van het vaarwater uitstekende obstakels.

Inbouw van een radarinstallatie aan boord van een schip is slechts toegestaan, wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat de installatie aan de minimumeisen van artikel 3, tweede lid, voldoet. Tests voor het aantonen dat aan de minimumeisen bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt voldaan, zijn geen onderdeel van de typekeuring.

Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimumeisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.

In deze voorschriften zijn de minimumeisen voor aanwijzers van de snelheid van draaiing (bochtaanwijzers) voor de Rijnvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.

Het doel van bochtaanwijzers is het vergemakkelijken van het varen met behulp van radar en het meten en aanwijzen van de snelheid van draaiing van het schip naar bakboord en stuurboord.

Inbouw van bochtaanwijzers aan boord van een schip is slechts toegestaan wanneer aan de hand van een typekeuring werd aangetoond dat het apparaat aan de in deze voorschriften gestelde minimumeisen voldoet.

Voor elke installatie moet de fabrikant een verklaring afgeven waarin hij garandeert dat de installatie aan de bestaande minimumeisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is.

Bij elke installatie moet een uitvoerige bedieningshandleiding worden meegeleverd. Deze moet in het Duits, Engels, Frans en Nederlands verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende informatie bevatten:

Bochtaanwijzers mogen over één, maar ook over verscheidene meetbereiken beschikken. De volgende meetbereiken worden geadviseerd:

30 °/min

60 °/min

90 °/min

180 °/min

300 °/min.

De aangegeven waarde mag niet méér dan 2% van de eindwaarde van het bereik, respectievelijk niet meer dan 10% van de werkelijke waarde afwijken. Daarbij is de hogere waarde van afwijking toegestaan (zie aanhangsel).

Het reactiepunt moet lager liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend met 1% van de aangegeven waarde.

De bochtaanwijzer moet ongevoelig zijn voor magnetische velden die normaal aan boord kunnen voorkomen.

Dochterindicatoren moeten aan dezelfde eisen voldoen die aan bochtaanwijzers worden gesteld.

Voor het testen van de voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de installaties aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu en de geluidhinder, gelden de eisen overeenkomstig de Europese norm EN 60945 : 2002 Maritieme navigatie- en radiocommunicatie-apparatuur en -systemen – Algemene eisen – Beproevingsmethoden en vereiste beproevingsresultaten (IEC 60945 : 2002).

De metingen van de uitgezonden storingen worden overeenkomstig de Europese norm EN 60945 : 2002 Maritieme navigatie- en radiocommunicatie-apparatuur en -systemen – Algemene eisen – Beproevingsmethoden en vereiste beproevingsresultaten (IEC 60945 : 2002) in het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz uitgevoerd. Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, tweede lid, moet zijn voldaan.

Fig. 1 Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Doel van deze voorschriften is te bevorderen dat in het belang van een veilige en vlotte binnenvaart de inbouw van radarinstallaties en bochtaanwijzers technisch en ergonomisch optimaal verloopt, en dat aansluitend daarop een controle van het functioneren daarvan wordt uitgevoerd. Inland ECDIS apparaten, die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties als bedoeld in deze voorschriften.

Ten behoeve van het varen met behulp van radar in de Rijnvaart mogen uitsluitend installaties worden ingebouwd die overeenkomstig de geldende voorschriften van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn toegelaten en waarop een goedkeuringsnummer is aangebracht of op grond van als gelijkwaardig erkende typegoedkeuringen toegelaten installaties.

Iedere stroomtoevoer voor de radarinstallatie en de bochtaanwijzer moet een eigen zekering hebben en zoveel mogelijk tegen uitval zijn beveiligd.

De positiesensor (bijv. DGPS antenne) moet zodanig worden ingebouwd dat een zo groot mogelijke precisie wordt verzekerd en dat hij zo weinig mogelijk nadelig wordt beïnvloed door opbouwen en zendapparatuur aan boord.

Vóór de eerste inbedrijfstelling na de inbouw, bij verlenging of vernieuwing van het certificaat van onderzoek (met uitzondering van artikel 2.09, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn), alsmede na elke verbouwing van het schip die de operationele toestand van deze installaties zou kunnen beïnvloeden, moet door de bevoegde autoriteit of door een in artikel 3 bedoeld erkend bedrijf een controle op de inbouw en het functioneren worden uitgevoerd.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

Bovendien, voor Inland Ecdis apparaten:

Na een succesvolle keuring overeenkomstig artikel 9 geeft de bevoegde autoriteit of het erkende bedrijf een verklaring volgens bijgaand model (bijlage M, deel IV) af. Deze verklaring moet steeds aan boord worden bewaard. Bij het niet voldoen aan de keuringseisen wordt een lijst van geconstateerde gebreken opgemaakt. Een eventueel nog aanwezige verklaring wordt ingetrokken dan wel door het erkende bedrijf aan de bevoegde autoriteit toegezonden.

(Model)

Soort/naam v.h. schip;

.....

Uniek Europees scheepsidentificatienummer of officieel scheepsnummer:

.....

Eigenaar van het schip

Naam: .....

Adres

.....

.....

Tel. .....

Hierbij wordt verklaard dat de radarinstallatie en de bochtaanwijzer van dit schip aan de voorschriften van bijlage M, deel III, van het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn, omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers voor de Rijnvaart voldoen.

Erkend bedrijf

Naam: .....

Adres

.....

.....

Tel. .....

Instantie die erkenning verleent

Naam: .....

Adres

.....

.....

Tel. .....

(Model)

Is geen autoriteit vermeld, dan betekent dat de betrokken staat geen bevoegde autoriteit heeft benoemd.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

A. Vereisten voor Inland AIS-apparatuur

De AIS-apparatuur moet voldoen aan de in besluit 2007-I-15 vermelde eisen van de teststandaard, editie 2.0. De conformiteit wordt aangetoond met een typegoedkeuringsonderzoek van een bevoegde autoriteit.

B. Controle van de inbouw en van het functioneren van Inland AIS-apparatuur aan boord

Bij de inbouw van Inland AIS-apparatuur aan boord moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

C. Informatie van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart

De Rijnoeverstaten en België brengen onverwijld de volgende gegevens in kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart:

Soort/naam v.h. schip;

Uniek Europees scheepsidentificatienummer of officieel scheepsnummer;

Eigenaar van het schip

Naam:

Adres

Tel.

Inland AIS-apparaat

Hiermee wordt veklaard dat het Inland AIS-apparaat van dit schip aan de voorschriften van de bijlage N, Deel I, van het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn – Voorwaarden voor Inland AISapparatuur en voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van Inland AIS-apparatuur – voldoet en dat een gebruiksaanwijzing om aan boord te worden bewaard is afgegeven.

Erkend deskundig bedrijf

Naam:

Adres

Tel.

Bevoegde autoriteit voor de erkenning van het gespecialiseerde bedrijf

Naam:

Adres

Tel.

Is geen autoriteit vermeld, dan betekent dat de betrokken staat geen bevoegde autoriteit heeft benoemd.

Lijst van de vanaf 1 april 2008 tot en met 18 oktober 2012 op grond van typegoedkeuringen overeenkomstig de teststandaard, editie 1.0 en 1.01, toegelaten Inland AIS-apparatuur.

Een Inland AIS-apparaat, waarvan de typegoedkeuring op editie 1.0 en 1.01 van de teststandaard is gebaseerd, mag uiterlijk tot en met 30.11.2015 worden ingebouwd en na deze datum nog worden gebruikt.

Lijst van de vanaf 19 oktober 2012 op grond van typegoedkeuringen overeenkomstig de teststandaard, editie 2.0, toegelaten Inland AIS-apparatuur.

Lijst van de vanaf 1 april 2008 tot en met 18 oktober 2012 op grond van type-goedkeuringen overeenkomstig de teststandaard, editie 1.0 en 1.01, toegelaten Inland AIS-apparatuur.

Een Inland AIS-apparaat, waarvan de typegoedkeuring op editie 1.0 en 1.01 van de teststandaard is gebaseerd, mag uiterlijk tot en met 30.11.2015 worden ingebouwd en na deze datum nog worden gebruikt.

Lijst van de vanaf 19 oktober 2012 op grond van typegoedkeuringen overeenkomstig de teststandaard editie 2.0, toegelaten Inland AIS-apparatuur

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

(Zonder inhoud)

– Aanvullende voorschriften en modellen van certificaten –

Deel I

Aanvullende voorschriften

Deel II

Inlichtingenformulier (model)

Aanhangsel 1 – Essentiële eigenschappen van een boordzuiveringsinstallatietype (model)

Deel III

Certificaat van goedkeuring (model)

Aanhangsel 1 – Testresultaten voor de typegoedkeuring (model)

Deel IV

Schema voor de nummering van de typegoedkeuringen

Deel V

Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties

Deel VI

Lijst van gefabriceerde boordzuiveringsinstallaties (model)

Deel VII

Gegevensformulier van boordzuiveringsinstallaties met typegoedkeuring (model)

Deel VIII

Proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties voor de inbouw, tussentijdse en bijzondere keuring (model)

Aanhangsel 1 – Bijlage bij het proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties

De procedure voor de keuring van de voor de keuring ter beschikking gestelde boordzuiveringsinstallatie is in bijlage S vastgelegd.

Boordzuiveringsinstallatietype:

.....

Datum, handtekening van de fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Typegoedkeuringsnummer: ..... Uitbreidingsnummer: .....

Mededeling betreffende

Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):

.....

De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1:

Plaats:

.....

Datum:

....

Handtekening:

.....

Bijlagen: Informatiedossier

Testresultaten (zie aanhangsel 1)

Plaats, datum: ..... Handtekening: .....

Het nummer bestaat uit vier, door het teken ‘*’ gescheiden onderdelen.

Onderdeel 1: De hoofdletter ‘R’, gevolgd door het kenmerkend nummer van de staat die de goedkeuring heeft verleend:

Onderdeel 2: aanduiding van het niveau waaraan wordt voldaan. Men kan ervan uitgaan dat de eisen wat het reinigingsvermogen betreft, in de toekomst strenger zullen zijn. De verschillende niveaus van de eisen worden door Romeinse cijfers aangegeven. De basisnorm wordt aangeduid door het cijfer I.

Onderdeel 3: een uit vier cijfers bestaand volgnummer (met aan het begin eventueel nullen) om het nummer van de basisgoedkeuring aan te geven. De reeks begint met 0001.

Onderdeel 4: Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (met eventueel een nul aan het begin) om de uitbreiding aan te geven. De reeks begint met 01 voor elk nummer van de basisgoedkeuring.

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijstnummer: .....

Voor de periode van: ..... tot .....

1 Overeenkomstig het certificaat van typegoedkeuring.

2 Invullen wat van toepassing is.

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijstnummer:

.....

Voor de periode van: ..... tot: .....

Wat betreft boordzuiveringsinstallatietypes en typegoedkeuringsnummers van de in de bovengenoemde periode overeenkomstig het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn vervaardigde boordzuiveringsinstallaties, worden de volgende gegevens verstrekt:

Fabrieksmerk (firmanaam van de fabrikant):

....

Aanduiding door de fabrikant van het boordzuiveringsinstallatietype:

.....

Nummer van de typegoedkeuring:

.....

Datum van afgifte .....

Eerste datum van afgifte (in geval van addenda.:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Dit document bevestigt dat de kenmerken van de geteste boordzuiveringsinstallatie niet ontoelaatbaar van de voorgeschreven kenmerken afwijken en de controlewaarden voor het gebruik niet hoger zijn dan de in artikel 14a.02, tweede lid, tabel 2, voorgeschreven waarden.

Naam en adres van de keuringsinstantie:

.....

Naam van de tester:

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Test erkend door

bevoegde autoriteit:

....

Plaats en datum

.....

Handtekening:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Naam en adres van de keuringsinstantie:

.....

Naam van de tester:

....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Test erkend door

bevoegde autoriteit

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Naam en adres van de keuringsinstantie:

.....

Naam van de tester:

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Test erkend door

bevoegde autoriteit:

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

De boordzuiveringsinstallatie en de onderdelen daarvan betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging zijn aan de hand van het typeplaatje geïdentificeerd.

De keuring heeft plaatsgevonden aan de hand van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie.

Overige onderdelen betrekking hebbend op de reiniging van afvalwater, die in het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie, respectievelijk in Deel II, aanhangsel 4 zijn opgesomd, moeten worden ingevuld.

1 Aankruisen wat van toepassing is.

1 Aankruisen wat van toepassing is.

2 TOC wordt vanaf de grenswaarde van fase 2 van tabel 2 in artikel 14a.02, tweede lid, getest.

(De volgende afwijkende instellingen, modificaties of wijzigingen aan de ingebouwde boordzuiveringsinstallatie zijn geconstateerd.)

.....

.....

.....

Naam van de tester: .....

Plaats en datum: .....

Handtekening: .....

Voorbeeld 1

Tag = dag

Voorbeeld 2

De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.

Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.

De daartoe benodigde monsternemingapparatuur zijn op de markt beschikbaar.