U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2015.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2009, nr. IVV/I/2009/13367, houdende regels omtrent tenuitvoerlegging van bestuurlijke boeten en terugvordering van onverschuldigde betalingen op grond van een aantal socialezekerheidswetten (Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen)Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingenDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Handelende in overeenstemming met de Minister voor Jeugd en Gezin en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 17c en 24b van de Algemene Kinderbijslagwet, 41 en 55 van de Algemene nabestaandenwet,17e en 24b van de Algemene Ouderdomswet, 14c en 20b van de Toeslagenwet, 27c en 36b van de Werkloosheidswet, 42 en 57 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 50 en 65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 29c en 57b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 79 en 93 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 33b en 45c van de Ziektewet;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag23 juni 2009De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.P.H.Donner

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling berust mede op de artikelen 22, 24, vijfde lid, 35, vierde lid, en 37 van de IOW.

Het UWV is, naast de in artikel 1, onderdelen a tot en met l, genoemde wetten opgenomen bevoegdheden tot verrekening van vorderingen op werknemers, tevens bevoegd tot verrekening van een vordering op de werkgever met een aan de werkgever te betalen bedrag.

Indien de vordering op de schuldenaar niet meer bedraagt dan € 300,– stelt het UWV of de SVB, in afwijking van de artikelen 3 en 4, de wijze waarop deze vordering moet worden voldaan vast zonder de schuldenaar in de gelegenheid te stellen een voorstel te doen met betrekking tot de wijze van voldoening van de vordering, met dien verstande dat per periode van een maand de aflossing op niet meer dan € 52,– kan worden vastgesteld.

Het UWV en de SVB kunnen, in afwijking van de artikelen 3 en 4, uitstel van betaling verlenen conform een voorstel van de schuldenaar indien:

Indien de schuldenaar de vordering na tien jaren, waarin hij zich heeft gehouden aan de vastgestelde periodieke betalingen of verrekeningen, nog niet volledig heeft voldaan wordt de periodieke betaling of verrekening gesteld op de volledige aflossingscapaciteit verminderd met 5% van de bijstandsnorm.

Tenzij de schuldenaar een andere vordering aanwijst wordt een betaling, die zou kunnen worden toegerekend aan meerdere vorderingen, eerst toegerekend aan een verschuldigde bestuurlijke boete.

De artikelen 3, 4 en 8 zijn niet van toepassing op de werkgever.

Voor de toepassing van artikel 8 geldt ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan voor 1 januari 2013 een tijdsduur van 5 jaar.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen.