U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-10-2011.

Ministeriële regeling · BWBR0026313

Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 augustus 2009, nr. R&P/RA/2009/17756, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2007–2013Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien)De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Overwegende dat het noodzakelijk is dat met betrekking tot de besteding van de gelden die voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 uit het Europees Sociaal Fonds aan Nederland worden toegewezen ter verwezenlijking van de doelstelling Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van de Europese Unie van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PbEU 2006, L 210), nadere regels worden gesteld in het verlengde van en met inachtneming van die verordening, alsmede verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1784/1999 (PbEU 2006, L 210), en Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale ontwikkeling (pbEU 2006, L 371);

Gelet op de artikelen 3, eerste en vierde lid, 5 en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Den Haag24 augustus 2009De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.Klijnsma

In deze regeling wordt verstaan onder:

De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 56, vierde lid, van de Verordening subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

De minister kan ter beoordeling van aanvragen tot subsidieverlening met betrekking tot de Acties A, C, E en Jeugd 2 voor iedere Actie afzonderlijk een Comité van experts instellen.

De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in deze regeling wordt aangevraagd door een als zodanig geregistreerde aanvrager, zoals aangewezen in Bijlage 1 bij deze regeling.

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister afgewezen, indien:

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

De Subsidieregeling ESF 2007–2013 wordt ingetrokken.

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2007–2013 (herzien). Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen 1 t/m 4 in de Staatscourant worden geplaatst.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

Een project in het kader van Actie A heeft tot doel de mogelijkheden tot duurzame arbeidsinpassing van personen uit de, in artikel A5 aangewezen doelgroepen, te vergroten.

Een project in het kader van Actie A richt zich op personen die behoren tot de volgende doelgroepen:

Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel A4 ondersteunen:

Met betrekking tot projecten in het kader van Actie A komen bij de projecten betrokken colleges van burgemeester en wethouders en Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen per aanvraagtijdvak in aanmerking voor subsidie tot een maximum van € 5.000.000,–. Voor het UWV geldt een maximum van € 25.000.000,–.

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie B, als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, wordt aangevraagd door de minister van Justitie, en indien nodig, mede namens de minister voor Jeugd en Gezin.

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie B, worden in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2013 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober, 09.00 uur, tot en met 31 oktober, 17.00 uur.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

Een project met betrekking tot Actie B beoogt de arbeidsmarktpositie van gedetineerden van 15 jaar of ouder, en/of civielrechtelijk in Jeugdinrichtingen verblijvende jongeren van 15 jaar of ouder, zodanig te verbeteren, dat zij uiteindelijk naar werk bemiddelbaar zijn of na detentie direct inpasbaar zijn in een arbeidsmarkt gerelateerd programma of regulier opleidingstraject.

Een project als bedoeld in Actie B komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel B4 ondersteunen:

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie C, als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, wordt aangevraagd door een school voor praktijkonderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs.

Een project als bedoeld in Actie C, heeft tot doel leerlingen, behorend tot de in artikel C5 omschreven doelgroep, voor te bereiden op, of toe te geleiden naar, een functie op de reguliere arbeidsmarkt, dan wel beschermde arbeidsmarkt, of toe te geleiden naar een vervolgopleiding op MBO-1 niveau of naar het Beroepsbegeleidend onderwijs.

Een project in het kader van Actie C is gericht op personen van 15 jaar of ouder:

Een project als bedoeld in Actie C komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

Voor subsidie komen slechts de volgende activiteiten in aanmerking, voor zover zij de doelstelling uit artikel C4 ondersteunen:

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie D wordt aangevraagd door een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister op grond van de erkenningsregeling in bijlage 2 bij deze regeling als subsidieaanvrager is erkend.

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie D, als bedoeld in artikel 4, onderdeel d, worden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2011 door de minister telkens ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 februari, 09.00 uur, tot en met 28 februari, 17.00 uur.

1

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

Een project in het kader van Actie D heeft tot doel de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt van laaggekwalificeerde werkenden te vergroten.

Een project in het kader van Actie D richt zich op laaggekwalificeerde werkenden en kan mede betrekking hebben op laaggekwalificeerde personen die op grond van een uitzendovereenkomst, als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam zijn in de bedrijfstak of de onderneming waar het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds opereert.

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van Actie E wordt aangevraagd door een natuurlijke- of rechtspersoon, die een arbeidsorganisatie in stand houdt. Als arbeidsorganisatie wordt beschouwd iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, waarin door werknemers arbeid wordt verricht.

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van Actie E, als bedoeld in artikel 4, onderdeel e, worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2011, 09.00 uur, tot en met 31 december 2012, 17.00 uur.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak bedoeld in artikel E2, € 24.000.000,–.

In het kader van Actie E kan uitsluitend subsidie worden aangevraagd voor projecten op het terrein van sociale innovatie, gericht op ten minste een van de onderstaande thema’s:

Een project in het kader van Actie E komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

In aanvulling op hetgeen is bepaald in artikel 11 wordt in het kader van Actie E geen subsidie verleend:

In afwijking van artikel 13 komen enkel voor subsidie in aanmerking de kosten van de door de adviseur werkelijk gerealiseerde uren voor ten minste een van onderstaande activiteiten, gericht op een of meer thema’s uit artikel E4:

Er worden geen voorschotten verstrekt. Artikel 15 en artikel 20 zijn, voor zover zij zien op bevoorschotting, niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van Actie E.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

Een project in het kader van Actie J heeft tot doel het voorkomen van jeugdwerkloosheid, respectievelijk het vergroten van de mogelijkheden tot scholing, opleiding en arbeidsinpassing van jongeren.

Een project in het kader van Actie Jeugd komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

Het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds dat door de minister als subsidieaanvrager is erkend doet onverwijld mededeling aan de minister van omstandigheden, die van invloed kunnen zijn op de erkenning als subsidieaanvrager.

De minister trekt de beschikking tot erkenning als subsidieaanvrager schriftelijk in, indien gebleken is dat het Opleidings- en Ontwikkelingsfonds niet langer aan een van de onderdelen van artikel 1, eerste lid, onder a tot en met f, voldoet.

Een erkenning als subsidieaanvrager die is verleend op grond van de Subsidieregeling ESF 2007–2013 wordt aangemerkt als een erkenning op grond van artikel 1 van deze Bijlage.

In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie dient de begunstigde de kosten te onderbouwen met originele bewijsstukken. De Europese Verordening maakt het mogelijk gewaarmerkte kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een waarmerkingsprocedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006). In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.

De Europese Commissie accepteert op basis van bovengenoemd artikel tenminste de volgende documenten als bewijsstukken:

Hieronder vindt u de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de ESF-administratie.

Procedure voor het waarmerken van geconverteerde documenten (onderdelen a, b en c)

De Belastingdienst spreekt van conversie van gegevens op het moment dat gegevens vanaf de originele gegevensdrager worden overgezet naar een andere gegevensdrager. In de opsomming van de Europese Commissie (artikel 19 van Verordening (EG) 1828/2006) gaat het dan om de onderdelen a, b en c: fotokopieën van originelen, microfiches van originelen en elektronische versies van originelen.

U kunt deze geconverteerde gegevens onder voorwaarden gebruiken als bewijsstukken ter onderbouwing van de ESF-administratie. Als dit op de juiste wijze gebeurt, is het, in het kader van de ESF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.

Voorwaarde hierbij is dat het document dat naar een nieuwe gegevensdrager is geconverteerd wordt gewaarmerkt door de subsidieaanvrager of door de eigenaar van het document. Dit om de authenticiteit van het geconverteerde document te waarborgen.

De waarmerkprocedure zorgt ervoor dat de geconverteerde documenten kunnen worden gebruikt in het kader van de ESF-verantwoording, als zijnde de originele bewijsstukken. Dit wordt als volgt bewerkstelligd.

Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)

Indien een begunstigde gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat dienen de geautomatiseerde systemen voorzien te zijn van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens waarborgen. Het is aan de begunstigde om dit aan te tonen. Hierbij kan worden aangesloten op de voorschriften die de Belastingdienst stelt aan digitale administraties. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt:

Voor welk soort bewijsstukken kunnen de in deze bijlage beschreven procedures worden toegepast?

De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor bewijsstukken – zoals benoemd in artikel 16, lid 1 – die inzichtelijk moeten zijn in het kader van de ESF verantwoording.

Stukken die in origineel dan wel gewaarmerkt onderdeel moeten zijn van de ESF-projectadministratie, zijn bijvoorbeeld: facturen, betaalbewijzen, urenstaten en presentielijsten.

Voor stukken die niet in het bezit zijn van de uiteindelijk begunstigde partij of de aanvrager kunnen ook kopieën of digitale versies worden bewaard waarop geen waarmerking heeft plaatsgevonden.

Het gaat hier bijvoorbeeld om stukken die in het bezit zijn van de deelnemers aan projecten, zoals ID-bewijzen, loonstroken en behaalde diploma’s.