Beleidsregel · BWBR0026865

Aanwijzing vliegen onder invloed

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing vliegen onder invloedAanwijzing vliegen onder invloed

Op 1 juli 1999 is een wijziging van de Wet luchtvaart (WLv) in werking getreden met als doel het bedienen van een luchtvaartuig en/of het verlenen van luchtverkeersdiensten onder invloed van alcohol of andere middelen of een combinatie van middelen tegen te gaan. Naar aanleiding hiervan is de Aanwijzing vliegen onder invloed opgesteld.

Deze wijziging van de Wet luchtvaart heeft voorts tot gevolg gehad dat het College van procureurs-generaal nog een aanwijzing heeft opgesteld, namelijk de Aanwijzing invordering bewijzen van bevoegdheid in het kader van de Wet luchtvaartikel

In deze aanwijzing wordt verstaan onder:

De aanwijzing bestaat uit twee gedeelten. Het eerste gedeelte gaat over de opsporing van vliegen onder invloed. Hier wordt ingegaan op de tegenonderzoeken bij ademanalyse en de bloedproef. Het tweede gedeelte behandelt het vervolgingsbeleid met betrekking tot vliegen onder invloed.

Artikel 2.12 WLv (en volgende bepalingen) geeft een regeling voor het overtreden van het verbod op het gebruik van alcohol, drugs en psychotrope stoffen door leden van het boordpersoneel. Artikel 1.1 eerste lid onder f WLv geeft aan dat daarmee niet alleen het cockpitpersoneel wordt bedoeld, maar ook een ieder die aan boord van een luchtvaartuig ten behoeve van de inzittenden of de lading werkzaamheden verricht of heeft te verrichten.1

Onder deze werkzaamheden worden mede verstaan de voorbereidingshandelingen voorafgaande aan de vlucht. In concreto betekent dat, dat een onder invloed zijnde piloot (cockpitpersoneel) strafbaar mag worden geacht vanaf het moment dat hij daadwerkelijk begint aan zijn vluchtvoorbereidinghandelingen (bijv. het inzien en indienen van vluchtplannen, het raadplegen van de meteo, etc.). Voor bijvoorbeeld een steward(ess) (boordpersoneel) ligt dit moment bij de briefing voorafgaande aan de vlucht, dan wel indien die briefing niet plaatsvindt bij het betreden van niet-publieke gedeelte van een luchthaven.

Het luchtverkeer heeft op een heel andere wijze plaats dan het verkeer over de weg of over het water. Dit heeft gevolgen voor de handhaving. Vliegtuigen kunnen immers niet naar een parkeerplaats geleid worden voor nader onderzoek, noch kunnen opsporingsambtenaren tijdens de vlucht aan boord komen.

Veelal zal voor de vlucht (en wel vanaf het moment dat sprake is van vluchtvoorbereidingshandelingen) of pas na afloop daarvan een onderzoek kunnen worden ingesteld naar mogelijke strafbare gedragingen van het betrokken personeel.

Als gevolg daarvan is dan ook in het kader van de alcoholwetgeving in artikel 11.4 Wet Luchtvaart gekozen voor het invoeren van een controlemoment waarin het betrokken lid van het boordpersoneel daadwerkelijk werkzaamheden verricht of daartoe aanstalten maakt. Van een concrete verdenking hoeft dan nog geen sprake te zijn. Mocht een controle leiden tot een negatief (dus onder invloed) resultaat, dan wordt de schade voor derden (door onder meer vertragingen) tot een minimum beperkt. Uiteraard zijn controles direct na afloop van de vlucht ook mogelijk. Het is aan te bevelen de controles indien mogelijk uit het zicht van passagiers te doen plaatshebben.

Ten aanzien van diegenen die luchtverkeersdiensten verlenen, gelden dezelfde regels als ten aanzien van het boordpersoneel (zie artikel 2.11, tweede lid en artikel 2.12, zesde lid WLv). Artikel 11.4, tweede lid, WLv jo. 11.8a WLv bepaalt dat het voorlopig ademonderzoek – zonder dat er sprake is van een concrete verdenking – reeds mag plaatsvinden wanneer een (assistent-) luchtverkeersdientsverlener ‘aanstalten maakt’ te gaan werken. Anders dan bij het boordpersoneel, is bij de (assistent-)luchtverkeersdienstverlener pas sprake van het plegen van een strafbaar feit wanneer hij feitelijk is begonnen met zijn werkzaamheden, dus vanaf het moment dat hij daadwerkelijk luchtverkeersdiensten verleent. Voorbereidingshandelingen worden, in tegenstelling tot hetgeen op grond van artikel 1.1, eerste lid WLv geldt voor het boordpersoneel, niet als werkzaamheden aangemerkt. Niettemin kan hem wel op grond van artikel 11.5 jo. 11.8a WLv reeds op het moment dat hij aanstalten maakt om met zijn werkzaamheden te beginnen – terwijl hij onvoldoende daartoe in staat moet worden geacht – een vliegverbod worden opgelegd. Het vliegverbod moet dan uitgelegd worden als een verbod tot het geven van luchtverkeersdienstverlening dan wel het gebruiken van een grondstation zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid WLv.

Met de invoering van de bepalingen inzake het gebruik van alcohol-, drugs-en/of psychotrope stoffen in de Wet Luchtvaart heeft men nogmaals willen wijzen op de immense verantwoordelijkheid die het boordpersoneel heeft tegenover de mede-bemanningsleden, de passagiers, het vliegtuig, de lading en niet in de laatste plaats tegenover diegenen waar overheen wordt gevlogen. Het onder invloed van alcohol (drugs en/of psychotrope stoffen) werken door boordpersoneel is strafbaar gesteld, omdat deze mensen verantwoordelijk zijn voor het punctueel uitvoeren van noodprocedures.

De zeer algemene bepaling van artikel 8, tweede lid WLv is uitgebreid met een concrete ondergrens ten aanzien van het AAG of het BAG, zijnde 90 µg/l dan wel 0.2‰. Natuurlijk is de eis dat het boordpersoneel tien uur voorafgaande aan de vlucht geen alcohol mag drinken, blijven bestaan (de zogenaamde ‘bottle to throttle’-eis).

Dit afwijkende promillage is ingegeven door twee factoren: de grotere verantwoordelijkheid van personen die in een drukcabine werkzaam zijn en het grotere effect dat alcohol heeft op die personen.

Hoewel laatstgenoemde factor niet van toepassing is op diegenen die zich bezig houden met luchtverkeersdienstverlening of lichte luchtvaartuigen bedienen, is hun verantwoordelijkheid dermate groot dat de wetgever niet heeft gekozen voor een afwijkende ondergrens.

Hieronder wordt nader ingegaan op het door de politie te voeren beleid.

Artikel 10a van het Besluit alcoholonderzoeken regelt dat dadelijk na het vernemen van het resultaat van de ademanalyse, de verdachte kan verzoeken om een tegenonderzoek. Dit onderzoek wordt voor rekening van de verdachte verricht in de vorm van een bloedproef – of bij medische bezwaren – een vervangende urineproef.2

De bloedproef is op dit moment als tegenonderzoek het meest doelmatig en biedt de verdachte de meest objectieve vorm van tegenonderzoek.3

In de nota van toelichting bij bovengenoemd Besluit wordt uitdrukkelijk opgemerkt dat de politie niet verplicht is de verdachte op de mogelijkheid van een tegenonderzoek te wijzen.4 Indien de verdachte om een tegenonderzoek vraagt, dient dit uiteraard in het proces-verbaal te worden vermeld.

In afwachting van het tegenonderzoek wordt de verdachte geacht op vrijwillige basis op de plaats van onderzoek (bijvoorbeeld het politiebureau) te blijven. Verdachte dient zich daartoe op te houden in een door de opsporingsambtenaar aangewezen plaats van onderzoek, die hij ter voorkoming van beïnvloeding van het resultaat van het tegenonderzoek, niet zonder toestemming mag verlaten. Verlaat verdachte toch zonder toestemming deze ruimte, dan wordt hij geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek, dan wel het aan zichzelf te wijten te hebben dat geen tegenonderzoek is verricht. Dit dient uitdrukkelijk in het proces-verbaal te worden vermeld.

Als de verdachte om een tegenonderzoek vraagt, dan zal de politie een arts moeten waarschuwen. Als de verdachte te kennen geeft zelf een arts te willen uitkiezen, dan dient dit verzoek in beginsel te worden gehonoreerd. De verdachte neemt vervolgens contact op met de arts van zijn keuze. Wel wordt de eis gesteld dat dit niet mag leiden tot onredelijke vertraging van het onderzoek. De door de verdachte gekozen arts zal dan ook moeten aangeven of hij naar verwachting binnen een uur aanwezig zal kunnen zijn. Kan hij deze toezegging niet doen en blijft de verdachte bij zijn verzoek om een tegenonderzoek,5 dan zal de politie van haar kant een arts waarschuwen.

In de regel zal de arts naar het politiebureau komen om daar de verdachte door middel van een venapunctie de vereiste hoeveelheid bloed af te nemen, c.q. onder zijn toezicht door verdachte urine af te laten staan. De desbetreffende bepalingen uit het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek zijn van toepassing.

Om procedurefouten te voorkomen wordt er nadrukkelijk op gewezen dat artikel 15 van het Besluit alcoholonderzoeken, houdende de 1-uursregeling onverkort van toepassing is. Uit het proces-verbaal dient te blijken welke situatie, zoals bedoeld in dat artikel van toepassing is. De mededeling, zoals bedoeld in lid 3 van dat artikel, wordt in het proces-verbaal vermeld.

Ook het verzenden van het bloedmonster (of urinemonster) moet overeenkomstig de geldende regels gebeuren. De politie geeft hierbij aan dat het monster is afgenomen in het kader van een tegenonderzoek bij ademanalyse. Dit moet op de thans in gebruik zijnde formulieren aangetekend worden.

Het onderzoek van het bloed of de urine wordt verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag. Ingevolge artikel 20 van het Besluit alcoholonderzoeken wordt het resultaat van het onderzoek zo spoedig mogelijk aan de verdachte medegedeeld. De mededeling van het resultaat aan verdachte geschiedt rechtstreeks door het NFI, nu niet de politie, doch de verdachte opdrachtgever is.

De kosten van het tegenonderzoek bij ademanalyse,6 te weten die van de arts, van het onderzoek door het NFI en van het bloedblok komen voor rekening van de verdachte.7 De verdachte moet – voordat de arts wordt gewaarschuwd –, de kosten van het bloedblok en van de arts op het politiebureau voldoen. De kosten van het onderzoek door het NFI moeten binnen zes weken na de bloedafname aan het NFI worden voldaan. Pas nadat ook deze kosten zijn voldaan, gaat het NFI tot het onderzoek over. Hierbij kan worden aangesloten bij het arrest van de Hoge Raad van 18-10-1983, NJ 1984, 97 waarin werd bepaald dat het resultaat van de eerste bloedproef voor het bewijs mocht worden gebruikt, omdat de verdachte niet tijdig een financiële regeling had getroffen en het daardoor aan zichzelf had te wijten dat het tegenonderzoek (bij bloedproef) niet had plaatsgevonden. De verdachte die dus niet voldoet aan de voorwaarde van betaling van alle kosten binnen de gestelde betalingstermijn, mag worden geacht afstand te hebben gedaan van zijn recht op een tegenonderzoek.

Het NFI zal na de betalingstermijn van zes weken na afname van het bloed bij het uitblijven van een betaling het bloedmonster vernietigen.

Aan de verdachte, die om een tegenonderzoek heeft verzocht, wordt door de politie een brief ter hand gesteld waarin de procedure en de verplichtingen met betrekking tot de betaling van de kosten worden vermeld (zie bijlage 4).

Op basis van artikel 21, eerste en tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken en artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek kan de verdachte, die na het tegenonderzoek bij ademanalyse nog een tegenonderzoek wenst, hiertoe een van de daartoe aangewezen laboratoria aanwijzen (zie bijlage 3).

Voor de kosten en de procedure van dit tegenonderzoek na tegenonderzoek bij ademanalyseonderzoek wordt hier verwezen naar het tegenonderzoek bij bloedproef.

Het Besluit alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek kennen de verdachte het recht toe een tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek te laten verrichten bij een van de drie daartoe aangewezen laboratoria (zie bijlage 3). De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van de verdachte8 en dienen bij vooruitbetaling te worden voldaan (zie bijlage 2). Het NFI bewaart voor dit doel, conform de bepalingen, gedurende één jaar (te rekenen vanaf de datum bloedafname of het verzamelen van de urine) het bloed- of urinemonster. De wens tot het laten verrichten van een tegenonderzoek bij bloeden urineonderzoek dient dus binnen dat jaar kenbaar te worden gemaakt.

De praktische uitvoering van de organisatie rond het tegenonderzoek is niet tot in detail wettelijk geregeld, maar wordt overgelaten aan de afdeling Toxicologie van het NFI. Dit instituut heeft de onderstaande procedure opgesteld:

Een vervolging op basis van artikel 2.12, eerste lid WLv (dan wel artikel 2.11, tweede lid WLv betreffende verlenen van luchtverkeersdiensten) komt in aanmerking in de volgende gevallen:

In deze bepaling is de zogenaamde ‘bottle to throttle’-regel neergelegd. In de praktijk kan het zo zijn dat de overtreding van dit feit samenvalt met de overtreding van andere leden van artikel 2.12.

Echter, daarbij dient de voorkeur te worden gegeven aan strafvervolging op grond van de andere bepalingen. Mocht – om welke reden dan ook – de ademanalyse of de bloedproef geen of onvoldoende bewijs leveren voor overtreding van artikel 2.12, eerste of derde lid, dan kan nog steeds (mits er duidelijk sprake was van drinken binnen de tien uur voor aanvang van de vlucht) de overtreding van het tweede lid ten laste gelegd worden.

Wanneer met inachtneming van de wettelijke voorschriften een adem- of bloedmonster is genomen, zodat het resultaat van het onderzoek voor het bewijs kan worden gebruikt, zal een vervolging op basis van artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder a of b WLv (jo.artikel 2.12, zesde lid WLv betreffende het verlenen van luchtverkeersdiensten) dienen te worden ingesteld.

Als de ademanalyse/bloedproef wordt geweigerd, zijn er twee situaties te onderscheiden:

Hoewel ten aanzien van het onder a omschreven geval het theoretisch mogelijk is artikel 11.6 en artikel 2.12, eerste lid WLv cumulatief ten laste te leggen, dient zowel in dit geval als in de situatie genoemd onder b de verdachte te worden vervolgd ter zake van artikel 11.6 WLv.10

Ten aanzien van artikel 11.6, negende lid WLv valt met betrekking tot ‘de verdachte die niet in staat is zijn wil kenbaar te maken’ een drietal situaties te onderscheiden.

Alle feiten gepleegd na de inwerkingtreding van deze aanwijzing dienen conform deze aanwijzing te worden afgedaan.

ARRONDISSEMENTSPARKET TE

Aan:

Betreft: tegenonderzoek bloedalcoholgehalte

Parketnr.:

In bovenvermelde zaak heeft u mij laten weten dat u een tegenonderzoek wilt laten uitvoeren naar het bloedalcoholgehalte. U kunt hiervoor een keuze maken uit de drie op bijgevoegd informatieblad genoemde laboratoria. Wilt u mij schriftelijk laten weten welk laboratorium u heeft uitgekozen, zodat ik ervoor kan zorgdragen dat het bloedmonster naar dat laboratorium wordt verzonden.

Ik wijs u er nog op dat de kosten van het tegenonderzoek voor uw rekening komen en dat het laboratorium pas tot een tegenonderzoek overgaat nadat u het verschuldigde bedrag aan het laboratorium heeft betaald. Voor de hoogte van het bedrag, de manier waarop u kunt betalen en de gegevens die u bij de betaling moet vermelden, verwijs ik ook naar bijgevoegd informatieblad.

Het laboratorium zal u op de hoogte stellen van het resultaat van het tegenonderzoek.

Als u binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief niet schriftelijk heeft gereageerd, dan ga ik ervan uit dat u geen het tegenonderzoek wilt laten uitvoeren.

De officier van justitie,

Bij de betaling aan het laboratorium van uw keuze moet duidelijk worden vermeld: ‘tegenonderzoek bloedalcoholbepaling’ en de naam en het adres van de verdachte. Bij gebruikmaking van een giro- of bankrekening van een ander dan de verdachte zelf (bijvoorbeeld van echtgeno(o)t(e) of raadsman) mag dit geen aanleiding tot misverstanden kunnen geven.

De kosten van het tegenonderzoek bedragen € 136,13. Pas na betaling van dit bedrag voert het laboratorium het tegenonderzoek uit.

het Laboratorium van de Apotheek van het Onze-Lieve-Vrouwe Gasthuis

1e Oosterparkstraat 179

1091 HA Amsterdam-Oost

Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt

Dr. Molenwaterplein 40

3015 GD Rotterdam

Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen Oostersingel 59

Postbus 30001

9700 RB Groningen

Betreft: tegenonderzoek ademanalyse

Op de datum als vermeld op het formulier ten behoeve van de afname van een bloed/urinemonster met het hieronder aangebrachte identiteitszegel is van u een bloed-c.q. urinemonster afgenomen door een arts in aanwezigheid van een opsporingsambtenaar.

Deze afname vond plaats op uw verzoek, nadat u de bedoelde arts opdracht had verstrekt. Het monster is overeenkomstig het bepaalde in de regeling bloed- en urineonderzoek gewaarmerkt, verpakt en voorzien van een genummerd en op naam gesteld identiteitszegel. Een exemplaar hiervan is op dit formulier aangebracht.

Het monster is verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Bepaling van het alcoholgehalte zal pas plaatsvinden nadat u een bedrag van € 91 heeft gestort op bankrekening 192325701 t.n.v. Nederlands Forensisch Instituut, Laan van Ypenburg 6, 2497 GB Den Haag.

Ruimte voor identiteitszegel

Betaling van het bovenvermelde bedrag dient uiterlijk binnen zes weken na de afname van het monster plaats te vinden onder vermelding van het op dit formulier aangebrachte zegelnummer. Bij het uitblijven van betaling zal na deze periode het monster worden vernietigd. De uitslag van de alcoholbepaling wordt door het Nederlands Forensisch Instituut zo spoedig mogelijk na ontvangst van de betaling, doorgezonden aan het door u op het rapportformulier vermelde adres.