U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2010.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 29 oktober 2009 houdende voorwaarden voor de erkenning van laboratoria alsmede voorschriften met betrekking tot de werkwijze (Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen laboratoria (PPE) 2009)Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen laboratoria (PPE) 2009Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Gelet op artikel 4, zesde, zevende, achtste en tiende lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007 alsmede artikel 4, zesde lid, van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2007 alsmede artikel 4, vijfde, zesde en tiende lid van de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2009;

Besluit:

Zoetermeer29 oktober 2009J.J.RamekersvoorzitterB.M.Dellaertsecretaris

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007, artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveeverwerkende industrie (PPE) 2007 en artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften kalkoenhouderij (PPE) 2009 over en verstaat daarnaast onder branchemethode: de door het bestuur vastgestelde methode voor de detectie of serotypering van monsters en verstaat onder pluimvee mede kalkoenen.

Een laboratorium dat door de voorzitter op grond van artikel 2 erkend is, blijft voldoen aan de erkenningsvoorwaarden als bedoeld in de bijlagen I, II of III.

Het laboratorium voert de detectie van Salmonella, de serotypering van Salmonella-isolaten of de detectie van Campylobacter uit op verzoek van de ondernemer.

Het laboratorium verleent medewerking aan controles, welke kunnen worden uitgevoerd in opdracht van de voorzitter.

Voor de detectie en serotypering van Salmonella en de detectie van Campylobacter in de pluimveesector staan de volgende door het bestuur vastgestelde branchemethoden ter beschikking. De methoden zijn opgenomen in de volgende hoofdstukken van Bijlage IV.

Voor vermelding op het accreditatie-certificaat dient het laboratorium de volgende notatiewijze voor te dragen.

Deze paragraaf beschrijft een methode voor de detectie van Salmonella in dons, mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

De versie van de hier beschreven PVE Branchemethode MSRV is gebaseerd op Annex D van ISO 6579.

Salmonella: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze.

Na voorincubatie van de te onderzoeken matrix in een voorophopingsmedium, wordt geënt op een half-vast medium, waarna wordt afgestreken op een selectief isolatiemedium, met aansluitend biochemische bevestiging en serotypering.

De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in paragraaf 1 (hieronder). Er mag echter ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn. Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2007

Gebruikelijke apparatuur en glaswerk voor een microbiologisch laboratorium en in het bijzonder de onderstaande:

Opmerking:

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

6.1 Algemeen

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-8°C) te worden aangeleverd. Zie voor de ontvangst van monsters en registratie van afwijkingen bijlage V. De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, dient het monster uiterlijk 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername ingezet te worden.

Stel monsters zo min mogelijk bloot aan temperatuurschommelingen.

Opmerking:

Komen mestmonsters mee met vleesmonsters in een koelbox, sla dan alle monsters gekoeld op. Worden mestmonsters per post ongekoeld verstuurd, sla dan op bij kamertemperatuur, tenzij deze monsters pas de volgende dag worden ingezet.

6.2 Voorbehandeling van het monster

Voeg zoveel BPw (kamertemperatuur) toe aan het monster zodat het monster (minimaal) 1:10 verdund wordt (bijvoorbeeld 25 g monster in 225 ml BPw).

Een ruimere verdunning dan 1:10 is toegestaan, een kleinere verdunning niet.

Opmerking:

Conform Verordening (EG) nr. 0646/2007 is het toegestaan om 2 paar overschoentjes te poolen tot 1 monster en hieraan 225 ml BPw toe te voegen.

In Tabel 1 is ter illustratie de relatie tussen de verschillende monsterhoeveelheden en het volume BPw weergegeven:

Ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 is in de update van Verordening (EG) nr. 1003/2005 (gepubliceerd op 19-03-2009) aangegeven dat de monsters van vermeerderingskoppels van Gallus gallus als volgt behandeld dienen te worden:

Inlegvellen van uitkomstladen:

Overschoentjes:

Andere feces (mest) monsters:

6.3 Niet-selectieve ophoping

Incubeer de BPw 18 uur ± 2 uur bij 37 °C ± 1 °C.

In uitzonderlijke gevallen kan de BPw na incubatie maximaal 2 dagen bewaard worden bij 5 °C ± 3 °C.

6.4 Selectieve ophoping

Breng 0,1 mI BPw-cultuur op een MSRV plaat (9 cm) door 3 druppels, met een gezamenlijk volume van 0,1 ml, in een driehoek op de MSRV aan te brengen. Incubeer de platen 24 uur ± 3 uur bij 41,5 °C ± 1 °C. De platen moeten met het deksel van de Petrischaal naar boven geïncubeerd worden, aangezien het een half-vast medium is. Niet verdachte of negatieve platen dienen nogmaals 24 uur ± 3 uur bij 41,5 °C ± 1 °C bebroed te worden. Een verdachte MSRV-plaat vertoont groei in de agar (zwerming vanuit de entingsplaats) en heeft een wit/grijze kleur.

6.5 Uitplaten op selectief isolatiemedium

Verdachte MSRV platen worden afgeënt door aan de rand van de zwermzone met een (1 μl) öse materiaal uit de agar te nemen en daarmee een gedroogde XLD plaat te beënten. Incubeer de XLD platen gedurende 24 uur ± 3 uur bij 37 °C ± 1 °C.

De meeste Salmonella stammen zijn lactose-negatief en H2S-positief en zijn op XLD te herkennen als roze kolonies met een zwart centrum (vaak helemaal zwart). Lactose-negatieve en H2S-negatieve stammen vormen alleen roze kolonies (zonder zwarting). Beschouw daarom alle roze kolonies, met en zonder zwart centrum, als verdacht voor Salmonella. Er zijn ook lactosepositieve en H2S-positieve Salmonella stammen die op XLD gele kolonies met een zwart centrum vormen en lactose-positieve en H2S-negatieve stammen die helemaal geel zijn. Deze laatste twee groepen (met gele kolonies) komen bij pluimvee zelden voor.

6.6 Bevestiging

Voer de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 specifieke kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 specifieke kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur totdat een positief resultaat wordt verkregen. De kolonies worden vanaf de XLD plaat geënt in UA middels het afstrijken op het oppervlak van de agar en in TSI middels ladderen over het schuin gestolde oppervlak en een steekenting tot op de bodem van de buis. Beënt tevens een buis LDC door een hoeveelheid koloniemateriaal tegen de wand van de buis net onder het vloeistofoppervlak af te strijken. De buizen worden 24 uur ± 3 uur bij 37 °C ± 1 °C geïncubeerd.

Opmerking:

Wanneer geen goed losliggende kolonies op de XLD plaat zijn verkregen, of bij de aanwezigheid van veel spreidende of overgroeiende stoorflora, is het nodig ter zuivering een nieuwe reinstrijk op een gedroogde XLD- of nutriëntenagarplaat te maken. Bij verontreiniging van de Salmonella-kolonie met andere bacteriën wordt een afwijkend biochemisch patroon verkregen. Het is toegestaan om eerst de bevestigingstest met de TSI uit te voeren, en bij een verdachte uitslag door te gaan met ureum en LDC.

Na incubatie geven voor Salmonella verdachte kolonies de volgende biochemische resultaten:

Het gebruik van biochemische kits (zoals bijvoorbeeld API of BBL Crystal) is ook toegestaan.

Alle biochemisch verdachte kolonies dienen geserotypeerd te worden volgens het Kauffmann-White schema. Een toelichting op de serotypering van 6 veel voorkomende Salmonella serotypes is beschreven in PVE-SALMONELLA-SERO-291009.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:

De kwaliteitscontrole per batch MSRV is beschreven in paragraaf 3.

Geef het resultaat op als Salmonella aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage V) dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

Geprobeerd is de PVE branchemethode MSRV zoveel mogelijk gelijk te maken aan Annex D van ISO 6579. Echter op een tweetal aspecten verschilt de PVE branchemethode nog met Annex D:

Samenstelling:

Bereiding:

Oplossing A (basis):

Bereiding

Oplossing B (novobiocine):

Bereiding MSRV medium:

Samenstelling

Bereiding:

Oplossing A (basismedium):

Bereiding:

Oplossing B (ureumoplossing):

Bereiding:

Samenstelling compleet medium:

Bereiding:

Samenstelling:

Bereiding:

Samenstelling:

Bereiding:

Deze paragraaf beschrijft een methode voor de kwaliteitscontrole van batches MSRV.

Volg onderstaand schema voor de kwaliteitscontrole per batch MSRV.

Als negatieve controle kan een Escherichia coli stam gebruikt worden.

Kweek de stam op zoals beschreven voor de positieve controle. Maak verdunningen in BPw tot 105 – 106 cfu/ml.

Volg de procedure zoals beschreven voor de positieve controle.

E. coli dient geen zwerming te vertonen op MSRV.

Opmerking:

Controlestammen zijn onder andere verkrijgbaar bij de VWA in Groningen (www.vwa.nl/chek).

Voor de serotypering van Salmonella spp. volgens het White-Kauffmann-Le Minor schema (Grimont en Weil, 2007) worden door diverse fabrikanten verschillende voorschriften geleverd. Voor de juiste wijze van typeren dient dan ook altijd het voorschrift van de fabrikant gevolgd te worden.

Details over de taxonomie van Salmonella alsmede over de antigene formules van de Salmonella serotypen staan beschreven in Grimont en Weil (2007), welke gepubliceerd is op de volgende website:

www.pasteur.fr

Onderstaande informatie is een korte toelichting hierop.

De serotypering van Salmonella spp. bestaat uit de volgende stappen:

In het onderstaande stuk wordt de procedure beschreven voor het serotyperen van 6 Salmonella serotypen welke regelmatig bij pluimvee worden aangetroffen (zie ook paragraaf 2). Deze 6 Salmonella serotypen betreffen:

Salmonella Typhimurium (1, 4, [5], 12 : i : 1, 2)

Salmonella Paratyphi B var. Java (1, 4, [5], 12 : b : 1, 2)

Salmonella Enteritidis (1, 9, 12 : g, m : -)

Salmonella Infantis (6, 7, 14 : r : 1, 5)

Salmonella Virchow (6, 7, 14 : r : 1, 2)

Salmonella Hadar (6, 8 : z10 : e, n, x)

Kweek een reincultuur van een kolonie welke middels biochemische typering als verdacht voor Salmonella kan worden beschouwd. Gebruik de kweekmethode en het medium zoals voorgeschreven door de fabrikant.

Voer het onderzoek naar auto-agglutinatie uit volgens het voorschrift van de fabrikant. De wijze van onderzoek naar auto-agglutinatie alsmede het aflezen geschiedt op gelijke wijze als de agglutinatie met O-antisera (zie ook 4. Agglutinatie met O-antisera).

Een voorbeeld voor onderzoek naar auto-agglutinatie is hieronder beschreven.

Breng op een objectglas een druppel zoutoplossing (0,85% NaCl);

Breng met een steriele entnaald bacteriemateriaal in de druppel zodat een lichte melkachtige suspensie wordt verkregen;

Beweeg het objectglas heen-en-weer (druppel laten zwenken). De tijd van zwenken varieert per fabrikant van 5 sec tot 60 sec;

Beoordeel de suspensie. De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op autoagglutinatie van de onderzochte stam. De stammen die auto-agglutinatie vertonen kunnen niet verder onderzocht worden voor serotypering.

Controleer voor gebruik of de antisera (O en H) helder zijn. Indien troebeling zichtbaar is volg dan de aanwijzingen van de fabrikant.

Opmerking: Bewaar goed getypeerde Salmonella stammen van ringonderzoeken om antisera te testen.

Voor het aantonen van de 6 bovengenoemde Salmonella serotypen worden de volgende O-antisera gebruikt (in volgorde van de hierboven genoemde serotypen):

Begin de agglutinatie met O:4 antiserum. Levert dit een negatief resultaat op, test dan met O:9 antiserum. Levert dit ook een negatief resultaat op test dan met O:7 antiserum. Levert dit ook een negatief resultaat op test dan met O:8 antiserum.

Volg voor de uitvoering en het aflezen van de agglutinatiereactie strikt het voorschrift van de fabrikant.

Een aantal fabrikanten gebruikt een objectglas methode voor het agglutineren. Daarbij wordt een druppel antiserum gemengd met bacteriemateriaal (direct vanaf plaat of vanuit een bacteriesuspensie) op het objectglas, zodanig dat een lichte melkachtige suspensie wordt verkregen. Het objectglas wordt vervolgens heen-en-weer bewogen (druppel laten zwenken).

Vervolgens wordt de reactie afgelezen. De aanwezigheid van klontjes in het preparaat duidt op een positieve reactie. Per fabrikant kunnen o.a. de volgende zaken verschillen:

Na het agglutineren met O-antisera, vindt de agglutinatie met H-antisera plaats. Salmonella bezit vaak twee typen H-antigeen (fase 1 en fase 2). Indien bij difasische stammen één H-fase negatief wordt gevonden, dient de tweede fase aangetoond te worden middels een fase-inversie methode. Bij fase-inversie wordt het dominante H-antigeen onderdrukt zodat het 2e H-antigeen tot expressie kan komen en kan worden aangetoond. Het medium dat hiervoor gebruikt wordt dient zodanig te zijn dat Salmonella hier goed in kan bewegen. Een voorbeeld van een dergelijk ‘zwerm medium’ is Sven Gard agar. Een voorbeeld van een fase inversie methode wordt onder 6. beschreven.

Volg voor zowel het opkweken van de stam als voor het uitvoeren en het aflezen van de agglutinatiereactie met H-antiserum de voorschriften van de fabrikant.

Gebruik de volgende H-antisera voor het aantonen van de 6 hierboven genoemde Salmonella serotypes.

O:4 positief

Agglutineer met H:i én H:2 antisera. Indien beiden een positief resultaat opleveren dan is de uitslag: Salmonella Typhimurium.

Voor Salmonella Paratyphi B var. Java dient de agglutinatie met H:b én H:2 antisera positief te zijn.

O:9 positief

Test met H:G(complex) antiserum. Indien dit een positief resultaat oplevert, test dan vervolgens met H:m antiserum. Indien dit ook een positief resultaat oplevert voer dan een negatieve controle uit op H:q, H:s en H:t antisera. Indien het resultaat als volgt is:

H:G : +, H:m : + , H:q : -, H:s : - en H:t : -, test dan met O:46 of met O:12 (O:2,12 of O:4,12). Indien vervolgens de agglutinatie met O:46 negatief is, of de agglutinatie met O:12 positief is, dan is de uitslag: Salmonella Enteritidis.

N.b.: Let op bij de aanschaf van H:G(complex) antiserum dat onderscheid gemaakt kan worden tussen H:g,m en H:m,t. Bijvoorbeeld: met H:g,p antiserum kan onderscheid gemaakt worden tussen H:g,m en H:m,t. Echter met een H:g,m antiserum kan dit onderscheid niet gemaakt worden. Bovendien kan met een H:g,m antiserum geen H:g aangetoond worden bij H:g,m stammen. Dit kan wel met H:g,p antiserum.

O:7 positief

Agglutineer met H:r én H:2 én H:5 antisera.

Indien H:r én H:5 positief zijn dan is de uitslag: Salmonella Infantis.

Indien H:r én H:2 positief zijn dan is de uitslag: Salmonella Virchow.

O:8 positief

Agglutineer met H:z10 én H:x antisera. Indien beiden positief zijn agglutineer dan vervolgens met O:6,7 of met O:61 antiserum. Indien ook O:6,7 of O:61 een positief resultaat oplevert dan is de uitslag: Salmonella Hadar.

N.b.: Let op bij de aanschaf van O:6,7 antiserum dat dit antiserum ook goed reageert met O:6,8 stammen (informeer bij de fabrikant).

Het hieronder beschreven voorbeeld voor een fase inversie methode betreft de serotypering van Salmonella Typhimurium. In zijn algemeenheid is de methode ook toepasbaar voor andere Salmonella serotypes.

Indien O:4 en H:i positief zijn en H:2 negatief, handel dan als volgt:

Bereid een agarplaat met anti-H:i (bijvoorbeeld Sven Gard serum-mix welke H:i bevat). Ent de stam op het centrum van deze plaat (volg voorschrift van de fabrikant). Agglutineer na incubatie met H:2. Indien dit opnieuw een negatief resultaat oplevert, agglutineer dan opnieuw met H:i. Indien H:i een negatieve of zwakke agglutinatie vertoont dan is het resultaat geen Salmonella Typhimurium. Indien H:i wel een positieve (sterke) agglutinatie vertoont voer dan een tweede fase inversie uit. Bereid hiertoe opnieuw een agarplaat met anti-H:i. Neem bacteriemateriaal van de buitenrand van de eerste fase inversie plaat voor het beënten van de tweede fase inversie plaat. Herhaal de procedure zoals hierboven beschreven.

Dit protocol beschrijft een 48-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de VIDAS SLM test (bioMérieux) in dons afkomstig van pluimvee.

Salmonella: alle typen Salmonella waarvan zowel O als H antigenen met behulp van de Enzyme Linked Fluorescent Assay (ELFA) techniek worden aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.

VIDAS SLM is een enzym immunoassay voor detectie van Salmonella antigenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ELFA methode en geautomatiseerd uitgevoerd op het VIDAS analyse apparaat.

De voorophoping en de selectieve ophopingen vinden achtereenvolgens plaats gedurende 18 uur in een voorophopingsmedium, 6-8 uur in 2 verschillende selectieve ophopingsmedia en als laatste gedurende 18 uur in een 3e ophopingsmedium. Van dit laatste ophopingsmedium wordt een hoeveelheid verhit en in een reagens strip gebracht. De reagens strip wordt in het VIDAS analyse apparaat gebracht, waarna het aantonen van aanwezigheid van Salmonella antigenen met behulp van een cocktail van specifieke monoclonale antilichamen en een fluorescentie reactie volledig geautomatiseerd verloopt. Het test resultaat van deze aantoningsstap is na ca. 45 minuten beschikbaar.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in bijlage IV, hoofdstuk 3, paragraaf 2. Er mag echter ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.

De VIDAS SLM test bestaat uit kant-en-klare reagentia, zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM 30 702 test, instructie van de fabrikant.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2007

De gebruikelijke apparatuur voor een microbiologisch laboratorium en de voor de VIDAS SLM test benodigde apparatuur, zoals onderstaand vermeld:

Opmerking:

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

6.1 Algemeen

Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage V.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, dient het monster uiterlijk 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername ingezet te worden.

6.2 Voorophoping

Verdun het monster 1:10 in BPw (25 gram dons in 225 ml BPw).

Stomacher, en incubeer de BPw 18 uur ± 2 uur bij 37°C ± 1°C.

6.3 Selectieve ophoping

Breng na incubatie van de BPw 1 ml van deze suspensie over in 10 ml MKTTn bouillon. Incubeer 6-8 uur bij 37°C ± 1°C.

Breng tegelijkertijd ook 0,1 ml van deze BPw suspensie over in 10 ml RVS bouillon. Incubeer 6-8 uur bij 41,5°C ± 1°C.

6.4 Na-ophoping

Breng na incubatie van de MKTTn bouillon 0,1 ml hiervan over in 10 ml M bouillon. Breng na incubatie van de RVS bouillon 1 ml hiervan over in een 2e buis met 10 ml M bouillon. Herincubeer de MKTTn bouillon en de RVS bouillon voor nog eens 16-20 uur, om bevestiging achteraf mogelijk te maken.

Incubeer de M bouillon buizen gedurende 16-20 uur bij 41,5°C ± 1°C.

Meng de M bouillon buizen na incubatie en breng uit elke buis 1 ml over in 1 gezamenlijk eppendorfbuisje. Sluit het buisje en verhit gedurende 15 ± 1 minuten in een waterbad van 95- 100°C. Voer vervolgens de VIDAS SLM test uit volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Bewaar de overgebleven bouillons bij 2-8°C voor eventuele bevestiging.

6.5 Beoordeling

Resultaten worden beoordeeld zoals omschreven in het voorschrift van de fabrikant (gebruiksaanwijzing VIDAS SLM 30 702 test). Deze zijn gebaseerd op metingen van de fluorescentie en worden gestandaardiseerd naar de zgn. Test Value. Resultaten met een Test Value onder de 0,23 betreffen monsters waarin Salmonella antigenen niet aantoonbaar waren. Resultaten met een test Value >/= 0,23 worden als Salmonella-positief gerapporteerd. Positieve resultaten moeten worden bevestigd met behulp van de bewaarde ophopings- en naophopingsmedia.

6.6 Bevestiging van positieve resultaten

Ent met een öse vanuit de ophopingsbouillons (MKTTn en RVS) en vanuit de koel bewaarde M bouillons af op gedroogde XLD platen. Incubeer deze platen gedurende 24 uur ± 3 uur bij 37°C ± 1°C.

6.7 Beoordeling XLD platen

De meeste Salmonella stammen zijn lactose-negatief en H2S-positief en zijn op XLD te herkennen als roze kolonies met een zwart centrum (vaak helemaal zwart). Lactose-negatieve en H2S-negatieve stammen vormen alleen roze kolonies (zonder zwarting). Beschouw daarom alle roze kolonies, met en zonder zwart centrum, als verdacht voor Salmonella.

Er zijn ook lactose-positieve en H2S-positieve Salmonella stammen die op XLD gele kolonies met een zwart centrum vormen en lactose-positieve en H2S-negatieve stammen die helemaal geel zijn. Deze laatste twee groepen (met gele kolonies) komen bij pluimvee zelden voor.

Bevestiging van verdachte kolonies, zowel biochemisch als serologisch, vindt vervolgens plaats zoals omschreven in PVE-SALMONELLA-MSRV-291009 en PVE-SALMONELLA-SERO- 291009.

De VIDAS SLM test kit bevat een positieve en een negatieve VIDAS reagens controle en een bijbehorende standaard. Deze worden meegenomen in de bepalingen zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS SLM test, instructie van de fabrikant.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als Salmonella aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage V) dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

Dit protocol beschrijft een 24-uurs methode voor het aantonen van Salmonella met behulp van de iQ-CheckTM Salmonella II kit (Bio-Rad Laboratories b.v.) in dons, mest en vlees afkomstig van pluimvee.

Salmonella: alle typen Salmonella waarvan het DNA aan de hand van de Polymerase Chain Reactie (PCR) wordt aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.

Uit een voorophopingsmedium wordt, na voorincubatie, het DNA van Salmonella geïsoleerd. Met behulp van de real-time polymerase chain reaction (PCR) worden Salmonella-specifieke DNA sequenties gelijktijdig vermenigvuldigd en gedetecteerd middels fluorescente probes. Inclusief voorophoping wordt een positieve of negatieve uitslag verkregen binnen 24 uur.

De samenstelling en bereiding van media en reagentia is opgenomen in paragraaf 2. Er mag echter ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn. De iQ-CheckTM Salmonella II kit bestaat uit kant-en-klare reagentia.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2007.

De gebruikelijke apparatuur voor een moleculair/microbiologisch laboratorium en de voor de iQ-CheckTM Salmonella II test benodigde apparatuur en verbruiksmaterialen, zoals onderstaand vermeld:

Opmerking: Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Apparatuur

Opmerking: Het gebruik van een universal power source (UPS) in combinatie met de iCycler iQTM wordt aanbevolen. Inmiddels (anno 2009) is de iCycler iQ niet meer leverbaar en de iQ5 alleen nog beperkt als refurbished (2e hands) te verkrijgen. De gebruiker heeft een keuze uit 5 systemen (iCycler iQ, iQ5, Chromo4, Mini-Opticon en CFX-96).

Verbruiksmaterialen

Opmerking:

Artikelen genoemd onder 5.16-5.18 betreffen artikelen voor Chromo4, Mini-Opticon en CFX

De test dient te worden uitgevoerd door getraind personeel.

De test dient te worden uitgevoerd door getraind personeel. Monsters en kweken dienen te worden behandeld en afgevoerd als potentieel infectieus materiaal.

De kwaliteit van de resultaten is afhankelijk van een strikte uitvoering conform Good Laboratory Practice, in het bijzonder aangaande PCR:

7.1 Algemeen

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-8°C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage V.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, dient het monster uiterlijk 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername ingezet te worden.

Stel monsters zo min mogelijk bloot aan temperatuurschommelingen.

Opmerking:

Komen mestmonsters mee met vleesmonsters in een koelbox, sla dan alle monsters gekoeld op.

Worden mestmonsters per post ongekoeld verstuurd, sla dan op bij kamertemperatuur, tenzij deze monsters pas de volgende dag worden ingezet.

7.2 Voorbehandeling van het monster en ophoping

Ophopingsmedium dient op incubatie temperatuur (37°C) te zijn voorafgaand aan gebruik.

Homogenizeer 25 g monster in 225 ml gebufferd pepton water, in een stomacher zak met filter.

Incubeer zonder schudden gedurende 18 uur ± 2 uur bij 37°C.

Opmerking: Bij verwerking van borstvel ten behoeve van de verdunning dient zo min mogelijk onderhuids vet meegesneden te worden; een overmaat vet kan de isolatie van DNA bemoeilijken en inhibitie van de PCR-reactie veroorzaken. Mest en dons vergen geen bijzondere voorbehandeling.

7.3 DNA extractie

Pipetteer 1 ml ophoping met een disposable pipet in een 1,5 ml Eppendorf (schroefdopje) buis (voorkom pipetteren van grote fragmenten van monsterresten). Schudt de ophoping niet voorafgaand aan het pipetteren van het monster.

De overige stappen voor de DNA extractie worden uitgevoerd zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de iQ-CheckTM Salmonella II testkit (Bio-Rad, 2007).

Opmerking: In geval van ophopingen met een vettig supernatant, neem het monster juist onder deze vetlaag.

7.4 Apparaat en software gebruik, uitvoering PCR, data analyse

Apparatuur en software gebruik, uitvoering PCR en data analyse worden allen uitgevoerd zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de iQ-CheckTM Salmonella IItestkit (Bio-Rad, 2007).

7.5 Interpretatie van resultaten

Resultaten worden geïnterpreteerd middels analyse van de Ct-waarden (threshold cycle) van elk monster. Volg hiervoor het voorschrift van de fabrikant.

Een positief Salmonella monster dient een Ct-waarde >/= 10 voor de FAM fluorophore te hebben.

Indien de Ct-waarde lager dan 10 is, dient het verloop van de amplificatiecurve gecontroleerd te worden zoals beschreven in gebruiksaanwijzing; de curve dient een vlakke basislijn te vertonen, gevolgd door een geleidelijke toename van fluorescentie. Indien de curve correct is, kan het monster positief voor Salmonella worden bevonden.

Indien geen Ct-waarde (Ct=N/A, not applicable ) voor FAM is toegekend aan een monster, of de curve een niet-kenmerkend verloop vertoont, moet de interne controle van dat monster worden geanalyseerd. Wanneer geen Ct-waarde (Ct=N/A) wordt verkregen voor FAM, dan is de uiteindelijke interpretatie van het resultaat afhankelijk van de interne controle:

Interpretatie van monsterresultaten:

Opmerking:

Bio-Rad heeft inmiddels software ter beschikking gesteld waarin de FAM en HEX waarden via “Copy-Paste” ingevuld kunnen worden. Er volgen automatisch antwoorden per monster als: positief, negatief en inhibitie. Tevens worden automatisch de waarden van de kitcontroles gevalideerd. Dit rapport kan in een PDF file geconverteerd worden. De software heet : iQCheck Analysis TM. Bovendien hebben de Chromo4 en Mini-Opticon systemen deze software al aan boord, zodat direct een rapport kan worden aangemaakt.

Voor een positief resultaat geldt: Salmonella aangetoond.

Voor een negatief resultaat geldt: Salmonella niet aangetoond.

Verdere bevestiging van positieve uitslagen verkregen met de iQ-CheckTM Salmonella II test is ter beoordeling van de gebruiker maar is niet vereist.

Omdat echter in alle gevallen van Salmonella-positieve monsters betreffende het PVE actieplan 2000+ een nadere serotypering van de Salmonella bevinding is vereist, dient met dezelfde BPW-voorophoping als waaruit de PCR is uitgevoerd alsnog een isolatie met MSRV en XLD uitgevoerd te worden volgens PVE-SALMONELLA-MSRV-291009, gevolgd door serotypering van het isolaat (PVE-SALMONELLA-SERO-291009).

De iQ-CheckTM Salmonella II test kit bevat een positieve en een negatieve controle. Een additionele interne controle in elk monster bepaald de efficiëntie van de PCR-reactie en is een indicator voor vals-negatieve reacties. Genoemde controles worden in elke test meegenomen.

Ten behoeve van de validatie van het gehele experiment dienen de controles te voldoen aan de volgende eisen, weergegeven in onderstaande tabel. Is dit niet het geval, dan moet de PCR reactie worden herhaald.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode als geheel dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Salmonella aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Salmonella al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage V), dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

Samenstelling:

Bereiding:

Samenstelling:

De iQ-CheckTM Salmonella II kit, Bio-Rad code 357-8123, bevat reagentia ten behoeve van 96 testen.

Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter (in dit protocol verder als Campylobacter aangeduid) in monsters mest en vlees, afkomstig van pluimvee.

Campylobacter: micro-organismen die de voor deze bacteriën karakteristieke groei vertonen en specifieke morfologische, biochemische en serologische reacties vertonen wanneer wordt gekweekt respectievelijk getest volgens de beschreven werkwijze.

Mestmonsters en blindedarm mestmonsters worden rechtstreeks geënt op een selectieve vaste voedingsbodem (mCCDA).

Vlees (bijvoorbeeld vel van de borstkap of filet) wordt in porties van 25 gram gedurende 1 minuut gestomacherd met 100 ml selectief ophopingsmedium (Preston). Hierna wordt het monstermateriaal verwijderd en alleen het ophopingsmedium gedurende 24 uur bebroed bij 41,5°C. Vervolgens wordt afgeënt op een selectieve vaste voedingsbodem (mCCDA).

Selectieve vaste voedingsbodems worden microaëroob gedurende 48 uur bij 41,5°C bebroed, waarna beoordeeld wordt op aanwezigheid van specifieke kolonies.

Specifieke kolonies worden bevestigd met behulp van oxidase reactie en microscopie. Als extra controle kan een deel van de isolaten met behulp van een latex agglutinatie test worden bevestigd.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Er mag ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn.

Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2007

Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).

Indien nodig, stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,5 ± 0,2 bij 25 ºC bedraagt.

Steriliseer gedurende 15 minuten bij 121 ºC ± 1 ºC.

Opmerking

Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als Preston supplement. Let op, ook het “vroeger” gebruikte Preston supplement, met cycloheximide in plaats van amphotericine-B, is nog steeds verkrijgbaar. De voorkeur wordt echter gegeven aan gebruik van supplement met amphotericine-B.

Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 μm filter)

Koel het basismedium af tot onder de 47ºC.

Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.

Opmerking

In de originele beschrijving van Preston ophopingsmedium wordt paardenbloed gebruikt. In dit voorschrift wordt echter geen paardenbloed toegepast, omdat uit onderzoek is gebleken dat dat voor onderhavige monstermatrix niet noodzakelijk is (Jacobs-Reitsma et al., 2003).

Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).

Indien nodig, stel de pH, zodat deze na sterilisatie 7,4 ºC ± 0,2 bij 25 ºC bedraagt.

Steriliseer gedurende 15 minuten bij 121 ºC ± 1 ºC.

Opmerking

Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als mCCDA supplement.

Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 μm filter)

Koel het basismedium af tot 47-50 ºC.

Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.

Giet de agar uit in petrischalen met nok en laat stollen.

Los het N,N,N’ ,N’-tetramethyl-1,4-fenyleendiammoniumdichloride op in het water. Bereid het reagens vlak voor uitvoering van de oxidasetest.

Dit reagens is ook kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar. Handel dan volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Latexagglutinatietesten voor bevestiging van thermotolerante Campylobacter zijn commerciëel verkrijgbaar.

Gebruikelijke toestellen en steriel glaswerk voor microbiologische laboratoria en in het bijzonder de onderstaande:

Opmerking

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Bederfelijke pluimveeproducten dienen gekoeld (1-8°C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage V. De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.Stel monsters zo min mogelijk bloot aan temperatuurschommelingen.

Opmerking

Komen mestmonsters mee met vleesmonsters in een koelbox, sla dan alle monsters gekoeld op.

Worden mestmonsters per post ongekoeld verstuurd, sla dan op bij kamertemperatuur, tenzij deze monsters pas de volgende dag worden ingezet.

Campylobacter is zeer gevoelig voor invriezen.Daarom is het invriezen van monsters niet toegestaan.

In alle gevallen geldt dat de agarplaten na beënten zonder uitstel onder micro-aërobe condities geïncubeerd dienen te worden, omdat Campylobacter obligaat micro-aërofiel is en onder andere omgevingscondities snel afsterft.

Monsters waarin hoge aantallen Campylobacter worden verwacht, zoals mest en blindedarm, worden rechtstreeks op het isolatiemedium afgestreken.

Maak 1 mengmonster van de 30 afzonderlijke blindedarmen door deze elk op steriele wijze open te knippen en uit elke darm een evenredige hoeveelheid materiaal over te brengen in een lege steriele petrischaal. Meng goed (bijvoorbeeld met een steriele swab of entoog).

Beënt vanuit het mengmonster met behulp van de swab of entoog een halve mCCDA-plaat.

Beënt de rest van de plaat door middel van verdunningsstrepen met behulp van een steriele öse, zodanig dat na incubatie losliggende kolonies kunnen ontstaan.

Incubeer mCCDA platen micro-aëroob gedurende 48 uur ± 4 uur bij 41,5 °C ± 1°C.

Breng 25 gram ± 1 gram van het monster, bijvoorbeeld een stuk huid van de borstkap of filet, in een stomacherzak en voeg 100 ml Preston bouillon toe. Stomacher gedurende 1 minuut en scheidt het monstermateriaal van de ophopingsbouillon (bijvoorbeeld door het verwijderen van de binnenzak van de stomacherzak met daarin het monstermateriaal of door overschenken van de ophopingsvloeistof in een schoon steriel flesje).

Incubeer de ophopingsbouillon 24 uur ± 2 uur bij 41,5 °C ± 1°C in micro-aëroob milieu.

Indien geïncubeerd wordt in flesjes of (stomacher)-zakken met weinig kopruimte (d.w.z. </= 2 cm), kan zonder eisen aan het milieu geïncubeerd worden.

Beoordeel bebroede mCCDA-platen op de aanwezigheid van kolonies met de volgende morfologische eigenschappen: grijs, metalig, laag convex, amorf en de neiging om met de entstreep mee te groeien. Deze kolonies worden als verdacht positief aangemerkt.

Voer de bevestiging uit met minimaal 1 tot maximaal 3 verdachte kolonies per plaat in geval van reincultuur en tot 5 verdachte kolonies (indien aanwezig) in geval van mengcultuur, totdat een positief resultaat wordt verkregen. Ter bevestiging wordt een oxidase reactie uitgevoerd en worden de verdachte kolonies microscopisch beoordeeld. Voer zonodig eerst een reinstrijk uit op bijvoorbeeld een bloedplaat of een mCCDA-basis agar plaat (zonder antibiotica supplement).

Ent met een entoog (anders dan van nikkel/chroom) vanaf de mCCDA plaat een verdachte kolonie op een filtreerpapiertje bevochtigd met oxidasereagens. Lees na maximaal 10 seconden de reactie af. De reactie is positief bij paarskleuring en negatief indien er geen verkleuring optreedt.

Maak van de verdachte kolonie een hangende-druppel-preparaat of nat-preparaat en beoordeel met een fasecontrast of donkerveld microscoop (100x objectief) op de karakteristieke kurketrekker-vormige morfologie en grote beweeglijkheid van Campylobacter. Bij kleuring volgens Gram tonen Campylobacter bacteriën zich als kurketrekker-vormig gebogen Gramnegatieve staafjes. De karakteristieke vorm is ook goed te zien bij kleuring met Oost-Indische inkt. Bij oude culturen (> 2 dagen op plaat) kan Campylobacter coccoïde en minder beweeglijke vormen aannemen.

Bij twijfel of als extra controle op de juiste identificatie wordt aanbevolen om regelmatig een aanvullende bevestiging uit te voeren met een latexagglutinatietest, bijvoorbeeld met 1 op 50 bevestigde kolonies.

Latexagglutinatietesten zijn bij diverse firma s commercieel verkrijgbaar en moeten volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant worden uitgevoerd en afgelezen.

Campylobacter bacteriën vertonen de karakteristieken zoals omschreven in tabel 1.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Campylobacter aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Campylobacter al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage V), dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

PVE Branchemethode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter spp. met behulp van VIDAS CAM in vlees, afkomstig van pluimvee.

Dit protocol beschrijft een methode voor het aantonen van thermotolerante Campylobacter (in dit protocol verder als Campylobacter aangeduid) in vlees, afkomstig van pluimvee.

Campylobacter: alle typen Campylobacter waarvan de specifieke antigenen met behulp van de Enzyme Linked Fluorescent Assay (ELFA) techniek worden aangetoond, wanneer wordt getest volgens de beschreven werkwijze.

VIDAS CAM is een enzym immunoassay voor de detectie van Campylobacter antigenen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de ELFA methode en die geautomatiseerd wordt uitgevoerd op het VIDAS analyse apparaat.

Pluimveevlees (bijvoorbeeld vel van de borstkap of filet) wordt in porties van 25 gram gedurende 1 minuut gestomacherd met 100 ml selectief ophopingsmedium (Preston). Hierna wordt het monstermateriaal verwijderd en alleen het ophopingsmedium gedurende 48 uur bebroed bij 41,5°C. Vervolgens wordt de VIDAS CAM assay uitgevoerd. Het test resultaat van deze aantoningsstap is na ca. 70 minuten beschikbaar. Verdere bevestiging van positieve uitslagen is niet noodzakelijk.

Alle gebruikte grondstoffen en het water moeten van analysekwaliteit zijn.

Er mag ook gebruik worden gemaakt van media die kant-en-klaar commercieel verkrijgbaar zijn. Voor algemene eisen en richtlijnen voor microbiologische onderzoeken wordt verder verwezen naar NEN-EN-ISO 7218:2007.

Los de ingrediënten op in het water (indien nodig d.m.v. verhitting).

Stel de pH zo in dat deze na sterilisatie 7,5 ± 0,2 bedraagt bij 25ºC.

Steriliseer gedurende 15 minuten bij 121 ºC ± 1ºC.

Opmerking

Deze antibiotica zijn ook tezamen verkrijgbaar als Preston supplement. Let op, ook het “vroeger” gebruikte Preston supplement, met cycloheximide in plaats van amphotericine-B, is nog steeds verkrijgbaar. De voorkeur wordt echter gegeven aan gebruik van supplement met amphotericine-B.

Los de antibiotica op in het water en steriliseer door middel van filtratie (0,22 μm filter).

Koel het basismedium af tot onder de 47ºC.

Voeg op aseptische wijze de antibiotica oplossing toe en meng zorgvuldig.

Opmerking

In de originele beschrijving van Preston ophopingsmedium wordt paardenbloed gebruikt. In dit voorschrift wordt echter geen paardenbloed toegepast, omdat uit onderzoek is gebleken dat dat voor onderhavige monstermatrix niet noodzakelijk is (Jacobs-Reitsma et al., 2003).

Gebruikelijke toestellen en steriel glaswerk voor microbiologische laboratoria en in het bijzonder de onderstaande:

Opmerking

Gesteriliseerde materialen voor éénmalig gebruik mogen worden toegepast.

Bederfelijke pluimveeproducten zoals borstvellen en filet dienen gekoeld (1-8°C) te worden aangeleverd. Zie voor de acceptatie criteria voor monstermateriaal bijlage V.

De monsters dienen binnen 4 uur na ontvangst ingezet te worden. Indien de monsters echter binnen 48 uur na monstername op het laboratorium aanwezig zijn, mag gewacht worden met het inzetten van de monsters totdat maximaal 48 uur + 4 uur na het tijdstip van monstername is verstreken.

Campylobacter is zeer gevoelig voor invriezen. Daarom is het invriezen van monsters niet toegestaan.

Breng 25 gram ± 1 gram van het monster, bijvoorbeeld een stuk huid van de borstkap of filet, in een stomacherzak en voeg 100 ml Preston bouillon toe. Stomacher gedurende 1 minuut en scheidt het monstermateriaal van de ophopingsbouillon (bijvoorbeeld door het verwijderen van de binnenzak van de stomacherzak met daarin het monstermateriaal of door overschenken van de ophopingsvloeistof in een schoon steriel flesje).

Incubeer de ophopingsbouillon 48 uur ± 2 uur bij 41,5 ºC ± 1°C in micro-aëroob milieu. Indien geïncubeerd wordt in flesjes of (stomacher)-zakken met weinig kopruimte (d.w.z. </= 2 cm), kan zonder eisen aan het milieu geïncubeerd worden.

Meng het ophopingsmedium na incubatie en breng 2 ml over in een eppendorfbuisje. Sluit de buisjes en verhit gedurende 15 minuten in een kokend waterbad. Voer vervolgens de VIDAS CAM test uit volgens de gebruiksaanwijzing. Runtime VIDAS CAM test bedraagt ongeveer 70 minuten.

Opmerking

Indien de VIDAS CAM test niet direct kan worden uitgevoerd is het mogelijk de ophoping (of een deel ervan) in te vriezen voor maximaal 48 uur. Na ontdooien moet de ophoping opgekookt worden en kan bovenstaande werkwijze worden gevolgd.

Resultaten worden beoordeeld conform de gebruiksaanwijzing van de VIDAS CAM test. Deze zijn gebaseerd op metingen van de fluorescentie en worden gestandaardiseerd naar een zogenaamde Test Value (TV). Resultaten met een TV onder de 0,1 betreffen monsters waarin Campylobacter antigenen niet aantoonbaar waren. Resultaten met een TV = 0,1 worden als Campylobacter-positief gerapporteerd.

De in dit voorschrift beschreven VIDAS CAM methode is een detectie methode. Verdere confirmaties zijn niet nodig.

De VIDAS CAM test kit bevat een positieve en een negatieve VIDAS reagens controle en een bijbehorende standaard. Deze worden meegenomen in de bepalingen zoals omschreven in de gebruiksaanwijzing van de VIDAS CAM test.

Voor de eerstelijnscontrole van de methode als geheel dienen te worden meegenomen:

Geef het resultaat op als ‘Campylobacter aangetoond / niet aangetoond in het betreffende monstermateriaal’ als Campylobacter al dan niet is aangetoond volgens dit protocol. Bij de uitslag kan tussen haakjes aangegeven worden hoeveel gram monstermateriaal is onderzocht.

Indien bij het aanleveren van de monsters afwijkingen worden geconstateerd van de wijze waarop de monsters aangeleverd moeten worden (zie bijlage V), dan dient het laboratorium op het analysecertificaat hierover een opmerking te maken en de eventuele gevolgen voor de betrouwbaarheid van de uitslag aan te geven.

Indien afwijkingen in de voorgeschreven kwaliteit en wijze van aanleveren van monsters zijn geconstateerd, moet in ieder geval bij de volgende punten aan de opdrachtgever worden gemeld dat er in de procedure van monstername en inzenden een afwijking is geconstateerd. Ook moet worden gemeld welke afwijking het betreft.

Ten algemene:

Monsters.

Inlegvellen (opfokbedrijven, opfokvermeerderingsbedrijven en vleeskuikenbedrijven):

Dons (broederijen):

Mest (swabs, mestmonsters of overschoentjes) ((op)fokvermeerderingsbedrijven, vermeerderingsbedrijven, vleeskuikenbedrijven, opfoklegbedrijven, legeindbedrijven, vleeskalkoenbedrijven en kalkoen vermeerderingsbedrijven):

Mestmonsters:

Swabs:

Overschoentjes:

Blindedarmmest (slachterijen):

Borstkapvellen (slachterijen):

Eindproducten (slachterijen/uitsnijderijen):

Monsters met Feces

Controles

Indeling

Consequenties

Voor de beoordeling van de fouten wordt uitgegaan van de opgegeven lijst van te typeren stammen per laboratorium.

Onderverdeling in grove fouten en kleine fouten. Per grove fout krijgt het laboratorium 2 punten en per kleine fout 1 punt. Het totale aantal punten bepaalt hoe het laboratorium gescoord heeft bij het ringonderzoek.

Indeling

Consequenties

Onderverdeling in grove fouten en kleine fouten. Per grove fout krijgt het laboratorium 2 punten en per kleine fout 1 punt. Het totale aantal punten bepaalt hoe het laboratorium gescoord heeft bij het ringonderzoek.

Indeling

Consequenties