U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 30-04-2010.

Ministeriële regeling · BWBR0027424

Regeling Sirius programma 2010

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 11 maart 2010, nr. HO&S/2010/190238, inzake het toestaan van experimenten met selectie van gegadigden en collegegeldverhoging en het verstrekken van subsidie voor projecten in het kader van het programma Rendement en Excellentie in het hoger onderwijs 2010 (Regeling Sirius programma 2010)Regeling Sirius programma 2010De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op artikel 4 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 9 van het Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. vanBijsterveldt-Vliegenthart

Een aanvraag als bedoeld in artikel 1 kan worden ingediend door een bekostigde instelling voor hoger onderwijs, opgenomen in de onderdelen a tot en met h van de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

De projectaanvraag omvat:

De minister voornoemd voorziet in een gelijktijdige beslissing op subsidieaanvragen met betrekking tot projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie. De minister gebruikt hiervoor de ranking waarin de Stichting Platform Bèta en Techniek de vergelijking van de geschiktheid heeft vastgelegd.

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de met inachtneming van artikel 3 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

De experimenten bedoeld in artikel 1, vierde lid, worden goedgekeurd voor een tijdvak van zes jaar te rekenen vanaf het jaar waarop voor het eerst wordt geëxperimenteerd, maar niet later dan het studiejaar 2011–2012.

De subsidie wordt uitsluitend aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt. Eventueel niet-bestede middelen na afloop van de looptijd van de subsidie zullen worden teruggevorderd. De subsidie wordt uiterlijk in het jaar 2014 besteed.

Indien de subsidie meer dan € 25.000 bedraagt verleent de minister voornoemd de subsidieontvanger voorschotten tot ten hoogste 80% van het jaarlijkse subsidiebedrag.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip dat het Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Sirius programma 2010.

Voor projectaanvragen in het kader van de masterfase en experimenteeraanvragen voor de bachelorfase van het Sirius Programma

Dit beoordelingskader hoort bij de Regeling Sirius Programma1 . Met het Sirius Programma beoogt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kennis en inzicht te verkrijgen in de wijze waarop in het hoger onderwijs de beste studenten tot een zo hoog mogelijk niveau kunnen worden gebracht. Tevens wil het ministerie de belemmeringen identificeren die daarvoor in de huidige situatie bestaan.

Het Sirius Programma richt zich op de volledige breedte van het hoger onderwijs. In het kader van dit Programma kunnen bekostigde instellingen voor hoger onderwijs alleen of gezamenlijk een aanvraag indienen om meer te halen uit hun beste studenten. Deze aanvragen zijn instellingsbreed en kunnen bestaan uit een palet van maatregelen die de instelling(en) wil(len) inzetten om dit doel te bereiken. Aanvragers geven daarbij zelf aan wat hun visie op excellentie (meer halen uit de beste studenten) is. Ze beschrijven wat verstaan zij onder excellente studenten, op welke aspecten willen zij hen laten excelleren en welke prestaties willen zij op dit vlak leveren.

Voor de uitvoering van dit Programma heeft het Ministerie van OCW gezocht naar een organisatie die de minister snel, deskundig en adequaat kan adviseren over de aanvragen. Die organisatie moet ook zorg kunnen dragen voor begeleiding van de instellingen, nadat de aanvragen gehonoreerd zijn. Deze werkwijze sluit goed aan bij de werkwijze van de Stichting Platform Bèta en Techniek, die als buitenboordmotor van dit Programma zal fungeren.

Het Sirius Programma kent twee fases: de bachelorfase en de masterfase. De bachelorfase is in 2008 gestart en de selectie van de subsidieaanvragen is inmiddels afgerond. In 2010 start de masterfase. Het beoordelingskader voor de gehele selectie van de masterfase, en het beoordelingskader voor de selectie van de experimenteermogelijkheden voor de bachelorfase, zijn in dit document opgenomen:

Het Sirius Programma sluit zoveel mogelijk aan bij de excellentieagenda’s van de hoger-onderwijsinstellingen. Het beoordelingskader voor de bacheloraanvraag uit 2008 is daarom opgesteld op basis van de input die is geleverd tijdens 4 interactieve sessies met betrokkenen uit het veld. Eind 2009 is een bijeenkomst met het veld gehouden om specifieke input te vergaren voor het nu voorliggende beoordelingskader. Uitkomst hiervan is dat dit beoordelingskader voor wat betreft het basisgedeelte vrijwel gelijk is aan dat voor de bachelor. Er zijn slechts enkele wijzigingen:

Daarnaast zijn er specifieke gedeeltes toegevoegd voor de beoordeling van de gevraagde subsidie en experimenteerruimte.

Het is de bedoeling dat instellingen een integrale aanpak ontwerpen voor de bevordering van excellentie in de initiële masteropleidingen van hun instelling. Dat betekent niet dat er in de gehele instelling – binnen alle opleidingen – hetzelfde gedaan moet worden of dat alle opleidingen betrokken moeten worden, maar wel dat er een eenduidige visie op excellentie is en de manier waarop dit bevorderd kan worden. Ook voor de masterfase geldt dat deze visie moet aansluiten op het profiel van de instelling. Tevens is het wederom de bedoeling dat er ‘massa’ gemaakt wordt: minimaal 5% van de masterstudenten in initiële opleidingen dient betrokken te worden. Instellingen kunnen maximaal één aanvraag indienen, eventueel samen met andere instellingen. De looptijd van de masterfase van het Sirius Programma is tot en met eind 2014.

De Regeling Sirius Programma voorziet in twee manieren om excellentiebevordering in de master te ondersteunen:

Een instelling kan een verzoek doen voor punt 1, punt 2 of beide. Met andere woorden, een instellingsbrede aanvraag (vanaf nu: projectaanvraag) kan een verzoek tot subsidie bevatten (vanaf nu: subsidieaanvraag) en/of tot goedkeuring van experimenten (vanaf nu: experimenteeraanvraag)

Voorgaande betekent dat er drie soorten projectaanvragen zijn:

De projectaanvragen van hoger onderwijsinstellingen worden beoordeeld op grond van dit beoordelingskader. De beoordeling bestaat uit drie onderdelen:

Op basis van onderdeel 1 en (wanneer van toepassing) onderdeel 2 worden punten toegekend. Deze punten bepalen of een aanvraag voldoende of onvoldoende scoort. De aanvragen die voldoende scoren worden op basis van de behaalde punten vervolgens gerangschikt in een ranking.

Aan onderdeel 3 worden geen punten toegekend. Per experimenteerverzoek wordt in dit onderdeel beoordeeld of het voldoet aan de gestelde eisen (leidend tot voldoende/onvoldoende). Op basis van de hierboven beschreven beoordeling wordt de Minister geadviseerd aanvragen te honoreren of af te wijzen:

Het kan voorkomen dat een projectaanvraag voldoende scoort in onderdelen 1 en 2, maar niet over alle experimenteeraanvragen een positief advies krijgt. Wanneer de projectaanvraag op basis van de onderdelen 1 en 2 onvoldoende wordt bevonden, is het advies over de experimenteeraanvragen automatisch negatief.

Wanneer de projectaanvraag een positief advies gekregen heeft, maar op basis van de ranking en het beschikbare budget niet kan worden gehonoreerd, krijgt de aanvrager toch toestemming om te experimenteren wanneer hij ook zonder subsidietoekenning zelf garant staat voor de uitvoering van het beschreven project. Dit houdt in dat de aanvrager: het project uitvoert conform het voorstel, eventuele kosten voor het project uit eigen middelen financiert, meewerkt aan door of namens de minister ingestelde onderzoekingen die erop gericht zijn de minister inlichtingen te verschaffen, alsmede jaarlijks de benodigde gegevens aanlevert voor de monitoring en auditing door de Stichting Platform Bèta en Techniek.

Op verzoek van de instellingen is gekozen voor de onderstaande procedure:

Het uitgangspunt van het Sirius Programma is dat hogescholen en universiteiten zelf vorm geven aan hun eigen excellentieprogramma’s. Zij formuleren daartoe:

Altijd:

In geval van een subsidieaanvraag:

In geval van één of meerdere experimenteeraanvragen:

Het beoordelingskader bestaat uit drie onderdelen:

Op basis van onderdeel 1 (en wanneer van toepassing onderdeel 2) worden punten toegekend. Die projectaanvragen die 70 punten of meer hebben gescoord krijgen het predicaat voldoende. Zij worden op basis van het totaal aantal behaalde punten gerangschikt in een ranking. De overige (projectaanvragen met 69 punten of minder) krijgen het predicaat onvoldoende.

In deze paragraaf worden de criteria weergegeven waarop de individuele aanvragen beoordeeld worden: Ambitie (robuustheid en prestaties), haalbaarheid, integraliteit, vraaggerichtheid, verantwoording en leerfunctie. Voor elk criterium wordt kort omschreven wat er wordt beoordeeld. Vervolgens wordt aangeven wat er minimaal in de aanvraag moet worden opgenomen (vereisten) en waarop de toekenning van de punten aan de aanvragen zal plaatsvinden (scoring).

Elk criterium als volgt gescoord op basis van een tienpuntsschaal:

Enkele criteria wegen zwaarder dan andere. Dit wordt geëffectueerd door middel van een vermenigvuldigingsfactor. Het totaal aantal punten dat behaald kan worden per criterium is dus: het aantal punten dat gescoord wordt (0–10) maal de vermenigvuldigingsfactor.

Per criterium ziet dit er als volgt uit:

Dat betekent dat er in totaal 110 (11 × 10) punten te behalen zijn. Een projectaanvraag moet dus gemiddeld ‘voldoende/goed’ scoren per criterium om het predicaat voldoende te krijgen.

Bij dit criterium wordt de projectaanvraag getoetst op: het percentage van de studenten dat wordt betrokken (minimaal 5%), de toegevoegde waarde van het project blijkend uit de prestaties (mate van hoger en/of nieuw), de impact op de rest van de instelling en de duurzaamheid (meerjarige inzet van de instelling die ook na de looptijd van het programma doorgang vindt).

Vereisten:

Bij dit criterium wordt de haalbaarheid van de aanvraag getoetst. Er wordt beoordeeld of de ambities realiseerbaar zijn: wat het trackrecord is (op het gebied van excellentie of andere relevante terreinen) en welke randvoorwaarden worden gecreëerd (samenwerkingsverbanden, kwaliteitszorg, personeelsbeleid, kennisdeling etc.).

Vereiste

Een uitwerking van de realiseerbaarheid van het project, onder meer blijkend uit eerdere ervaring op het gebied van excellentie of andere relevante terreinen, of de mate waarin de aanvrager concreet randvoorwaarden schept die het behalen van de prestaties bevorderen.

Bij dit criterium wordt de integraliteit getoetst: of er samenhang is tussen de verschillende elementen van de aanvraag. Er wordt beoordeeld of de gemaakte keuzes consistent zijn doorgevoerd in visie, beoogde prestaties, ingezette instrumenten en de daarbij horende begroting. Voor wat betreft de instrumenten wordt bekeken of ze zowel de input (scouting en selectie), thoughput (excellentie bevorderende maatregelen/activiteiten) als output (meting van resultaten) beslaan. Ten slotte worden in het kader van scouting en doorlopende leerlijnen, de samenwerkingsverbanden met het toeleverend en afnemend veld getoetst.

Vereisten

De vraag van zowel studenten als het afnemend veld staat centraal in dit criterium. Er wordt getoetst in hoeverre de aanvrager bekend is met de vraag van deze twee groepen, in hoeverre deze sturend zijn geweest in de invulling van de projectaanvraag en sturend zullen zijn in de toekomst.

Vereisten

Bij dit criterium staat verantwoording centraal. De diversiteit van de beschreven prestaties waarop de aanvrager verantwoording aflegt wordt beoordeeld, evenals de onderbouwing en uitwerking van deze prestaties.

Vereiste

In de aanvraag worden prestaties aan de hand van indicatoren omschreven. Er zijn in ieder geval indicatoren gekozen die betrekking hebben op:

Daarnaast wordt omschreven hoe de voortgang op de indicatoren wordt gemonitord.

Dit criterium hangt samen met de doelstelling van het Sirius Programma. Excellentie kent vele aspecten en kan op verschillende manieren gerealiseerd worden. In de beoordeling van dit criterium wordt getoetst of de aanvraag bijdraagt aan de leerfunctie van het Sirius Programma, door unieke keuzes in de aanpak, vormgeving of uitwerking van de projectaanvraag. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen door een unieke invulling van:

Vereiste

Uit de aanvraag blijkt op concrete wijze dat de aanvrager unieke keuzes heeft gemaakt. Waar mogelijk worden deze onderbouwd met concrete voorbeelden. Tevens wordt beschreven hoe de aanvrager zal bijdragen aan de kennisdeling van het Sirius Programma.

Dit onderdeel is alleen van toepassing voor projectaanvragen die een subsidieaanvraag bevatten. Subsidie wordt aangevraagd voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014. De begroting wordt getoetst op doeltreffendheid, doelmatigheid en proportionaliteit. Wanneer de aanvraag aan een van deze criteria niet voldoet, wordt op de behaalde punten uit onderdeel 1 een vermenigvuldigingsfactor van 0,5 toegepast. Dat betekent dat het niet mogelijk is voldoende te scoren en dus een positief advies te krijgen, wanneer de subsidieaanvraag aan een van onderstaande criteria niet voldoet. Wanneer de subsidieaanvraag wel aan alle criteria voldoet, wordt een vermenigvuldigingsfactor van 1 toegepast op de behaalde punten uit onderdeel 1 en blijft het puntentotaal gelijk. Dat wil zeggen dat het oordeel over de subsidieaanvraag het puntentotaal alleen negatief kan beïnvloeden.

Een projectaanvraag kan een of meerdere aanvragen voor experimenteerruimte bevatten. Deze kunnen betrekking hebben op zowel gehele opleidingen als op experimentele programma’s (opleidingstrajecten) zoals omschreven in artikel 6 van het Besluit experiment excellentie in het hoger onderwijs.

De experimenten dienen uiterlijk in september 2011 van start te gaan en hebben een looptijd van 6 jaar (langer dus dan die van het Sirius Programma). Bij de experimenten kan het gaan om:

Zogenaamde doorstroommasters zijn als opleiding uitgesloten van experimenten ten aanzien van selectie, voor opleidingstrajecten binnen deze opleidingen is het wel toegestaan.

Elke aanvraag voor experimenteerruimte wordt individueel beoordeeld. Wanneer de bijbehorende experimenteeraanvraag aan onderstaande criteria voldoet, wordt het oordeel voldoende gegeven.

In de aanvraag dient aannemelijk gemaakt te zijn dat:

Het voorgaande houdt in dat de aanvrager elk bovenstaand criterium zichtbaar moet adresseren en:

In de aanvraag dient aannemelijk gemaakt te zijn dat:

Het voorgaande houdt in dat de aanvrager elk bovenstaand criterium zichtbaar moet adresseren en:

De aanvragen moeten door het bestuur van de instelling(en) schriftelijk (in tweevoud) én elektronisch worden ingediend. Het adres is:

Stichting Platform Bèta Techniek

Het Sirius Programma

Postbus 556

2501 CN Den Haag

Email: info@siriusprogramma.nl

Omdat het gaat om instellingsbrede aanvragen kan er maximaal 1 aanvraag per instelling worden ingediend.

Verzoek aan de aanvragers is om reeds in de aanvraag aan te geven wie de aanvraag zal toelichten in mei/juni 2008 (inclusief contactgegevens).

De Stichting Platform Bèta en Techniek laat zich bij de beoordeling van de aanvragen en de indeling in de drie categorieën bijstaan door een team van experts. Vaste kern van dit team wordt gevormd door de leading experts: Dhr. prof. dr. F.A. van Vught (voorzitter), Dhr. prof. dr. H.P.M. Adriaansens, Dhr. prof. dr. R.H. Dijkgraaf, Mw. prof. dr. C.A. van Egten RA, Dhr. drs. N.M. Verbraak. Daarnaast is er een poule van onafhankelijke deskundigen samengesteld. Deze deskundigen kunnen ingezet worden bij de beoordeling van de aanvragen. Voor de indieningsdatum zal de samenstelling worden gepubliceerd op www.siriusprogramma.nl.

Dit onderdeel van het beoordelingskader bestaat uit zes criteria:

De aanvragen starten met een heldere omschrijving van de ambities van de instelling in het kader van excellentiebevordering in de master. In dit kader dient de instelling aandacht te besteden aan twee elementen:

Robuustheid

In de evaluatie van de projecten in het kader van ‘Ruim baan voor talent’ heeft de Commissie Sminia ‘vraagtekens gezet bij het streven van sommige instellingen om slechts een groep van twintig tot dertig studenten genereus te voorzien van het beste onderwijs. Dit heeft nut voor die kleine groep studenten, maar het is onduidelijk wat de effecten hiervan zijn op de rest van de populatie. Om uitstraling te kunnen hebben op de kwaliteit van het onderwijs in den brede, niet alleen op het gebied van onderwijsinnovatie maar ook ten behoeve van een stimulerende werking van honoursstudenten binnen de reguliere opleidingen zou een honoursprogramma zich tenminste op de beste 10% van de populatie moeten richten’3 .

Om te bevorderen dat er binnen de instellingen een cultuur van excellentie en diversiteit ontstaat, is het de bedoeling dat een aanvraag robuust is: er moet massa gemaakt worden, zodat het excellentiebeleid zichtbaar is en impact heeft op de gehele instelling. Binnen het Sirius Programma is daarom vastgesteld dat per cohort minimaal 5% van de studenten in initiële masteropleidingen bij de betrokken instelling(en) bereikt moet worden. Tevens moet worden aangegeven wat de impact zal zijn op de rest van de instelling. Alleen bij hoge uitzondering kunnen aanvragers, wanneer zij daar valide en goed onderbouwde redenen voor hebben, zich richten op een kleiner gedeelte van de studenten.

Tijdens de inputsessies is ten slotte door de instellingen aangegeven dat het in te zetten beleid duurzaam moet zijn: er moet sprake zijn van een langdurige inzet, waar ‘uithoudingsvermogen uit spreekt’.

Prestatie

In de aanvraag wordt concreet geformuleerd wat de instelling bereikt wil hebben aan het einde van het Programma (december 2014). Het gaat om meetbare prestaties, nieuw of extra ten opzichte van de ‘reguliere’ situatie. Het is hierbij essentieel dat deze voorzien zijn van zogenaamde nulmetingen: de score op deze indicatoren op dit moment. Anders is het onmogelijk de toegevoegde waarde te bepalen. Enkele voorbeelden van prestatie-indicatoren ten aanzien van excellentiebevordering, zeker niet uitputtend4 :

Uiteindelijk gaat het erom dat een aanvrager zijn ambities ook waar kan maken. Daarom wordt er gekeken naar de haalbaarheid van deze ambities. Er kan gedacht worden aan onder andere:

Essentieel bij dit criterium is dat er een heldere, consistente rode lijn in de aanvraag zit. Van belang is welke keuzes gemaakt zijn, maar zeker zo belangrijk is waarom de aanvrager die keuzes heeft gemaakt. Ze moeten helder en duidelijk onderbouwd worden. De uitwerking van die keuzes moet terug te vinden zijn in alle elementen van de aanvraag.

Voor wat betreft de instrumenten (maatregelen/activiteiten) is het van belang dat er aandacht is voor:

Vanzelfsprekend is het van belang dat deze instrumenten een logische samenhang vertonen.

Voor wat betreft samenwerkingsverbanden: Universiteiten en hogescholen maken vaak deel uit van veel samenwerkingverbanden. Alleen die verbanden die specifiek voor dit programma worden aangegaan of benut zijn relevant.

Ervaringen uit Ruim baan voor Talent wijzen uit dat het voor het succes van excellentietrajecten van belang is dat deze aansluiten bij de behoeftes die er bestaan onder excellente studenten. En een goede afstemming met het afnemende werkveld en/of vervolgonderwijs zorgt voor een vergroot rendement op de ingezette veranderingen, waar zowel de instellingen, als de afnemers, als de studenten baat bij hebben. Voor beide groepen is het van belang dat ze zowel betrokken zijn aan de voorkant van het geheel, bij de opzet en het ontwerp én tijdens de looptijd van het programma.

Verantwoording vindt plaats op basis van de prestatie-indicatoren die de aanvrager zelf aandraagt. Uitgangspunt is dat de verantwoording zo min mogelijk (extra) beheerslast met zich meebrengt voor de instellingen. Voor wat betreft de diversiteit van de prestaties is het van belang is dat in ieder geval gerapporteerd wordt over indicatoren die betrekkingen hebben op:

Onder ambitie zijn in deze toelichting voorbeelden van dergelijke indicatoren te vinden.

Het is ook van belang dat wordt aangegeven hoe de monitoring van de voortgang op de prestaties zal plaatsvinden.

Hoewel de criteria ambitie en verantwoording met elkaar samenhangen, kan het voorkomen dat een aanvraag goed scoort op verantwoording, maar slecht op ambitie. Bijvoorbeeld doordat helder is uitgewerkt hoe monitoring zal plaatsvinden en de diversiteit in gehanteerde indicatoren groot is, maar de invulling van die indicatoren weinig ambitieus is (nauwelijks hoger/nieuwer/meer ten opzichte van de huidige situatie. Andersom kan natuurlijk ook voorkomen: ambitieuze prestaties blijkend uit de invulling van de indicatoren, maar geen invulling van de monitoring of bijvoorbeeld geen aandacht voor (oordelen van) excellente studenten.

Voor dit onderdeel is met name van belang dat wanneer de aanvrager zelf van mening is op bepaalde elementen unieke keuzes gemaakt te hebben, dat hij deze dan goed onderbouwt. Essentieel is dus dat goed uitgelegd wordt waarom een en ander uniek is, dit moet expliciet onderbouwd in de aanvraag opgenomen worden.

Instellingen zijn in principe vrij in het bepalen van de soorten kosten die ze willen opvoeren in het kader van het Sirius Programma. Gezien de verwachte diversiteit van de aanvragen is het niet mogelijk om een vast raamwerk voor alle begrotingen te maken. Zij zullen daarom getoetst worden op de volgende punten: doeltreffendheid, doelmatigheid en proportionaliteit.

Voorbeeld 1: een instelling die middelen voor alle studenten opvoert in het kader van het Sirius Programma (studieloopbaanbegeleiding, huisvesting, ICT), moet aantonen dat deze absoluut noodzakelijk zijn om de benoemde prestaties te behalen.

Voorbeeld 2: een instelling die al excellentietrajecten faciliteert en kosten voor de uitbreiding van deze bestaande trajecten opvoert zal moeten aantonen dat deze post bijdraagt aan het behalen van nieuwe of hogere prestaties ten opzichte van de huidige situatie.

Voorbeeld 3: een instelling die vervangende trajecten aanbiedt, kan alleen de additionele kosten ten opzichte van de reguliere situatie opvoeren.

Voorbeeld 1: een instelling die meerdere vergelijkbare trajecten gaat opzetten en geen rekening houdt met inverdieneffecten ten aanzien van bijvoorbeeld ontwikkelkosten (vijf vergelijkbare trajecten tegelijkertijd ontwikkelen zou goedkoper moeten kunnen zijn dan ze vijf keer volledig los van elkaar te ontwikkelen), zal onvoldoende scoren op doelmatigheid.

Voorbeeld 2: een instelling die hoge kosten opvoert voor coördinatie en andere vormen van overhead, zal onvoldoende scoren op doelmatigheid.

Eén van de doelstellingen van het Sirius Programma is om een zekere massa te behalen (de 5%-norm is hierop gericht). Daarom is het van belang dat de subsidieaanvraag proportioneel is. Naast het gevraagde bedrag per student zal hiervoor ook gekeken worden naar de totale toegevoegde waarde van het project.

Voorbeeld 1: een instelling die op een zeer hoog subsidiebedrag per student uitkomt (bijvoorbeeld door forse investeringen in infrastructuur of een zeer individuele begeleiding), zal een zeer grote toegevoegde waarde moeten hebben blijkend uit de prestaties, om niet slecht te scoren op proportionaliteit. Het zal dan dus om iets zeer ambitieus moeten gaan.

Voorbeeld 2: een instelling die de voorfinanciering van een nieuwe opleiding opvoert als kosten, zal qua subsidiebedrag per student hoog uitkomen en dus laag scoren op proportionaliteit. Zeker in het licht van inverdieneffecten in de termijn na de subsidieperiode.

Voor beide vormen van experimenten is het van belang dat:

Voor selectie geldt daarnaast ook dat er een heldere relatie moet zijn tussen de additionele eisen die aan de student worden gesteld, en de vorm+inhoud en de te behalen prestaties. Wanneer de prestaties zich voornamelijk richten op beter onderzoekers (verkorte PHD’s, meer Veni-beurzen onder alumni etc), maar er geselecteerd wordt op eigen bedrijfjes als nevenactiviteit, dan is die relatie niet aannemelijk. Hetzelfde geldt wanneer er gekozen wordt voor een volledig Duitstalige opleiding en er geselecteerd wordt op Engelse kennis en vaardigheden.

Daarnaast moet helder zijn waarom het niet mogelijk is om te selecteren na de poort in plaats van aan de poort. Bij selectie na de poort kan er geselecteerd worden op de in de master behaalde resultaten. In de regel heeft selectie na de poort daarom een betere voorspellende waarde dan selectie aan de poort. Er moeten dus goede redenen zijn om toch aan de poort te selecteren, en bovendien moet het aannemelijk zijn dat er gelet op het profiel van de opleiding en de te hanteren criteria, voldoende voorspellende waarde is van selectie aan de poort.

Voor collegegeldverhoging geldt als aanvullende eis dat er daadwerkelijk iets extra’s wordt gedaan dat extra kosten met zich meebrengt. Dit kunnen niet de zaken zijn die thuishoren bij een reguliere invulling van het (honours)onderwijs.

Voor vragen en meer informatie over het Sirius Programma:

In het kader van het Sirius Programma hebben instellingen de mogelijkheid om te experimenteren met selectie aan de poort in de bachelor. Ten tijde van de beoordeling van de bacheloraanvragen was deze mogelijkheid echter nog niet wettelijk gecreëerd. Daarom krijgen de aanvragers die subsidie toegekend hebben gekregen voor hun Siriusaanvraag in de bachelorfase, nu alsnog de mogelijkheid een aanvraag in te dienen voor één of meerdere experimenten met selectie van studenten vóór inschrijving aan de bacheloropleiding.

Onderstaande procedure wordt gehanteerd:

De aanvragers dienen per oorspronkelijke bacheloraanvraag maximaal één document in met daarin:

In dit beoordelingskader wordt beschreven waarop de beoordeling van de experimenteeraanvragen voor de bachelorfase plaatsvindt. Alleen de aanvragers die subsidie toegekend hebben gekregen voor hun bacheloraanvraag in het kader van het Sirius Programma kunnen een aanvraag indienen. Een aanvraag kan bestaan uit één of meerdere aanvragen voor experimenteerruimte voor selectie van studenten vóór inschrijving aan de bacheloropleiding. Elke aanvraag voor experimenteerruimte wordt individueel beoordeeld. Wanneer de bijbehorende experimenteeraanvraag aan onderstaande criteria voldoet, wordt het oordeel voldoende gegeven en de minister geadviseerd de aanvraag goed te keuren.

In de aanvraag dient aannemelijk gemaakt te zijn dat:

Dat houdt in dat de aanvrager elk bovenstaand criterium zichtbaar moet adresseren en:

De aanvragen moeten door het bestuur van de instelling(en) schriftelijk (in tweevoud) én elektronisch worden ingediend. Het adres is:

Stichting Platform Bèta Techniek

Het Sirius Programma

Postbus 556

2501 CN Den Haag

Email: info@siriusprogramma.nl

Het is van belang dat het experiment: