Regeling · BWBR0027429

Curacaosch Uitleveringsbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Koninklijk besluit van 21 september 1926 tot vaststelling van het Curacaosch UitleveringsbesluitUitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint MaartenDe Minister van Justitie

Gelet op:

Artikel 3, eerste lid, onder h, Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden

Artikel 48, derde lid, Samenwerkingsregeling Nederlandse Antillen en Aruba

Besluit:

21 september 1926

In dit besluit wordt verstaan onder:

Ten aanzien van de uitlevering van personen worden geen nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.

Voor de toepassing van artikel 2 worden gelijkgesteld:

Indien, naar het recht van de verzoekende staat, de doodstraf is gesteld op het feit waarvoor de uitlevering is gevraagd, wordt de opgeëiste persoon niet uitgeleverd, tenzij naar het oordeel van de Gouverneur voldoende is gewaarborgd dat die straf, zo een veroordeling daartoe mocht volgen, niet ten uitvoer zal worden gelegd.

De uitlevering mag geschieden niet alleen wegens het begaan van het misdrijf, maar ook wegens poging daartoe of medeplichtigheid daaraan, voor zover die poging of die medeplichtigheid ook in Aruba, Curaçao of Sint Maarten strafbaar is.

Geen uitlevering wordt toegestaan wegens misdrijven, waarvan de vervolging of de opgelegde straf vóór de aanhouding in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of ingeval er nog geen aanhouding heeft plaats gehad, vóór de oproeping om door het Hof van Justitie te worden gehoord, naar de aldaar geldende wetgeving is verjaard.

Geen uitlevering wordt toegestaan dan onder voorwaarde dat de uitgeleverde niet zal mogen worden vervolgd of gestraft voor enig strafbaar feit vóór zijn uitlevering gepleegd, dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, tenzij hij na zijn uitlevering dertig dagen de tijd heeft gehad om het land weer te verlaten, dan wel de instemming van de Gouverneur met zodanige vervolging of bestraffing zal zijn verkregen.

De bijstand door en vergoeding van een raadsman geschieden op overeenkomstige wijze als bepaald in de Wetboeken van Strafvordering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten.

Bij de aanvrage tot uitlevering moet in het oorspronkelijke of in gewaarmerkt afschrift worden overgelegd hetzij het vonnis van veroordeling hetzij het vonnis van in staat van beschuldiging stelling of van rechtsingang met bevel van gevangenneming, hetzij een daarmede gelijk te stellen akte, in de verzoekende Staat gebruikelijk en als zodanig in het verdrag aangewezen.

De procureur-generaal requireert, zodra de aanhouding te zijner kennis is gekomen, en ingeval deze geen plaats heeft gehad of reeds vóór de aanvrage is geschied, zo spoedig mogelijk na daartoe te zijn aangeschreven, dat de opgeëiste persoon door het Hof van Justitie wordt gehoord, en dat dit zijn advies uitbrengt over het al of niet toestaan der gevraagde uitlevering.

Binnen veertien dagen na het verhoor zendt het Hof zijn advies en zijn beslissing, in artikel 8 bedoeld, met de tot de zaak behorende stukken aan de Gouverneur.

Vervallen

Vervallen

Is de opgeëiste persoon niet aangehouden en, na behoorlijk te zijn opgeroepen om door het Hof van Justitie te worden gehoord, niet verschenen, dan gaat de termijn, in artikel 15 genoemd, in met de dag, waarop het verhoor door het Hof is bepaald.

Voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet, wordt de persoon wiens voorlopige aanhouding of uitlevering vanwege een andere staat is verzocht zo spoedig mogelijk door de procureur-generaal in kennis gesteld van de mogelijkheid tot onmiddellijke uitlevering.

De Gouverneur kan toestaan dat een persoon wiens uitlevering door een vreemde Staat aan een andere Staat is toegestaan, over het grondgebied van Aruba, Curaçao of Sint Maarten onder medegeleide van ambtenaren van Aruba, Curaçao of Sint Maarten wordt vervoerd, mits met de Staat, waaraan de uitlevering geschiedt, een uitleveringsverdrag is gesloten en het misdrijf waarvoor uitlevering is toegestaan onder de werking van dat verdrag valt.

Vervallen

Dit besluit is niet van toepassing op het aanhouden, het aan boord terugbrengen of het ter beschikking van de consulaire ambtenaren stellen van gedeserteerde matrozen.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder Staat mede begrepen: elk tot het westelijk halfrond behorend gebied of gebiedsdeel van Frankrijk, van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland of van de Verenigde Staten van Amerika, of voor welks buitenlandse betrekkingen een van genoemde mogendheden de zorg draagt.

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.