U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 17-07-2010.

Wet · BWBR0027431

Crisis- en herstelwet

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 18 maart 2010, houdende regels met betrekking tot versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten (Crisis- en herstelwet)Crisis- en herstelwetWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is bijzondere wettelijke voorzieningen te treffen voor een versnelde ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke en infrastructurele projecten, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis alsmede met dat doel diverse wettelijke bepalingen te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage18 maart 2010BeatrixDeMinister-President, MinistervanAlgemene Zaken,J. P.BalkenendeDe Minister van Justitie,E. M. H.Hirsch BallinDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. C.Huizinga-HeringaDe Minister van Verkeer en Waterstaat,C. M. P. S.Eurlingsde dertigste maart 2010De Minister van Justitie,E. M. H.Hirsch Ballin

Bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, kunnen categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage I bij deze wet, kunnen ruimtelijke en infrastructurele projecten worden toegevoegd aan bijlage II bij deze wet en kunnen wettelijke voorschriften worden toegevoegd aan bijlage III bij deze wet.

Artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op onderzoeken die aan een besluit ten grondslag zijn gelegd.

In afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

De administratieve rechter vernietigt een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

De artikelen 1.5 tot en met 1.9 zijn van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.

Indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, is:

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

In deze afdeling wordt:

[vervallen]

[vervallen]

In afwijking van artikel 16, eerste lid, van de Leegstandwet is artikel 247 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op vergunningen voor huur en verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de Leegstandwet. Artikel 16, negende lid, van de Leegstandwet is niet van toepassing op vergunningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef, van die wet inzake zodanige woonruimte.

Indien sprake is van provinciale belangen, kunnen provinciale staten ten behoeve van de verwezenlijking van een project als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, of van een onderdeel daarvan, een projectuitvoeringsbesluit vaststellen. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders uitvoering geven aan het bepaalde in artikel 2.17.

Op de voorbereiding van de beslissing tot vaststelling van het projectuitvoeringsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

Voor zover het projectuitvoeringsbesluit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan of een beheersverordening, geldt het projectuitvoeringsbesluit als een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.40 van die wet.

Tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Een besluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, treedt in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Indien gedurende die termijn beroep wordt ingesteld, wordt de inwerkingtreding opgeschort totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep heeft beslist.

Van de Wet ruimtelijke ordening zijn van overeenkomstige toepassing:

Het is verboden in strijd te handelen met een projectuitvoeringsbesluit of een daaraan verbonden voorschrift.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

Deze afdeling is van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, aangewezen lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis.

In afwijking van artikel 3.30, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt ten aanzien van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project, toepassing gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling, bedoeld in paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

Voor zover de verwezenlijking van een krachtens artikel 2.18 aangewezen project onevenredig wordt belemmerd door bepalingen die, al dan niet krachtens de wet, bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn vastgesteld, kunnen die bepalingen bij het nemen en uitvoeren van de besluiten, bedoeld in artikel 2.21, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.

Wijzigt de Gaswet.

Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering.

Wijzigt de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Wijzigt de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening.

Wijzigt de Mijnbouwwet.

Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998.

Wijzigt de Onteigeningswet.

Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden.

Wijzigt de Spoedwet wegverbreding.

Wijzigt de Telecommunicatiewet.

Wijzigt de Tracéwet.

Wijzigt de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken.

Wijzigt de Waterwet.

Wijzigt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Wijzigt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit.

Wijzigt de Wet bodembescherming.

Wijzigt de Wet geluidhinder.

Wijzigt de Wet luchtvaart.

Wijzigt de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens).

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Wijzigt de Wet op de waterkering.

Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.

Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.

Wijzigt de Wet stedelijke vernieuwing.

Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten.

Wijzigt het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998.

Wijzigt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Wijzigt het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.

Tegen toevoeging als bedoeld in artikel 1.2 van categorieën van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage I, van ruimtelijke en infrastructurele projecten aan bijlage II of van wettelijke voorschriften aan bijlage III bij deze wet alsmede tegen de aanwijzing van een ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, een verklaring als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, of een aanwijzing van een project op grond van artikel 2.18 staat geen beroep open.

De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.2, 2.2, 2.4, 2.9, 2.18 of 5.1 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, en Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

De Interimwet stad-en-milieubenadering, zoals die laatstelijk luidde voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op een voor die datum ingesteld beroep tegen een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van die wet.

Artikel 9, vierde, vijfde en zesde lid, van de Spoedwet wegverbreding is niet van toepassing op een wegaanpassingsbesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 15, tiende, elfde en twaalfde lid, van de Tracéwet is niet van toepassing op een tracébesluit dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet.

Wijzigt deze wet.

Wijzigt deze wet.

Afdeling 3 van hoofdstuk 2 vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van de krachtens artikel 4.3, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening gegeven bepalingen met betrekking tot radarstations als bedoeld in die afdeling.

De ministeriële regelingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet berusten op artikel 20, eerste lid, van de Wet stedelijke vernieuwing, berusten na dat tijdstip op artikel 20 van de Wet stedelijke vernieuwing.

Onze Minister van Justitie zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een evaluatie van de effecten van de in Hoofdstuk 1 van deze wet opgenomen instrumenten op versnelling en op verbetering van de projecten waarop deze van toepassing zijn.

Deze wet wordt aangehaald als: Crisis- en herstelwet.