Wijzigingen Officiële bron
Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2010–2011Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2010–2011Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit,

gelet op de Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds (Stb. 1995, 155), het Besluit Participatiefonds (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen:

In de uitspraak van 26 augustus 1999, onder nummer E04.98.0149, heeft de Raad van State aangegeven dat een ontslag dat valt binnen de risicosfeer van het bevoegd gezag, reeds daarom niet onvermijdbaar kan worden geacht op grond van artikel 9, lid h van het reglement. Andere gronden welke bedoeld zijn in artikel 9, lid h van het reglement, zijn derhalve gronden welke vallen buiten de risicosfeer van het bevoegd gezag.

Het kan hierbij gaan om cursussen waarvan de kosten niet ten laste komen van ’s Rijks kas en werkzaamheden welke voor eigen rekening ten behoeve van derden worden uitgevoerd. Maar ook bij detachering kan er sprake zijn van een contractactiviteit, namelijk de vergoeding voor de diensten van de gedetacheerde.

In de uitspraak van 17 augustus 1999, onder nummer E04.98.0131, heeft de Raad van State aangegeven dat van onvermijdbaar ontslag alleen sprake kan zijn indien het ontslag is verleend op grond van het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 11 van het reglement. De omstandigheid dat een ontslaggrond niet is opgenomen in het reglement heeft derhalve tot gevolg dat het ontslag niet als onvermijdbaar kan worden aangemerkt. Niet van belang is of op goede gronden tot het ontslag van betrokkene is besloten.

In artikel 1.13 van het reglement staat omschreven welke gelden er in de formatie worden meegenomen, hierbij staat genoemd de aanvullende formatie in geld. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt hieronder begrepen en vormt als zodanig een onderdeel van de formatie.

Het ontslag hoeft hierdoor niet getoetst te worden, wat automatisch betekent dat indien er wel uitkeringskosten ontstaan, deze ten laste van het bevoegd gezag komen. De omvang van het ontslag wordt bij de overige ontslagmeldingen wel als andere ontslagen dan wel natuurlijk verloop opgenomen.

Indien aan een vervangingsbetrekking een reguliere aanstelling is voorafgegaan, wordt het voorafgaande ontslag gemeld. Deze melding kan plaatsvinden direct na afloop van de reguliere betrekking. In geval van een aanvraag van een ziekte uitkering na ontslag kan de melding ook direct plaatsvinden.

Het Participatiefonds stelt zich ten doel:

Vervanging bij de volgende vormen van afwezigheid van onderwijspersoneel wordt gezien als vervanging in de zin van het Reglement Participatiefonds en behoeft niet te worden gemeld:

Het bevoegd gezag is verplicht, op de wijze zoals bepaald in de bestuursvoorschriften, een door het Participatiefonds te bepalen bijdrage te voldoen in verband met de kosten voor werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

Er zijn geen toelichtingen.

Onder ontslag wordt niet verstaan het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere betrekking is voorafgegaan. Een dergelijke beëindiging hoeft niet te worden gemeld.

Het verdient aanbeveling een ontslag waarop een benoeming in vervanging volgt en een ontslag waarop de aanvraag van een ziekte-uitkering volgt, direct na de beëindiging van de betrekking te melden.

In het geval van het eindigen van de vervangingsbetrekking wordt het ontslag uit de reguliere aanstelling beoordeeld. Ook in het geval dat betrokkene geen recht meer heeft op een uitkering op grond van het BZA dan wel de Ziektewet en terugvalt op een uitkering krachtens het BWOO dan wel de WW en de bovenwettelijke regeling, wordt het ontslag uit de reguliere aanstelling beoordeeld.

De uitkeringsaanvraag wordt in deze gevallen geruime tijd na het ontslag uit de reguliere aanstelling gedaan. Dit betekent dat in een laat stadium de gegevens over een veel eerdere beëindiging van het reguliere dienstverband alsnog overgelegd dienen te worden.

De termijn van artikel 3.3.1 is ook van toepassing op het melden van de beëindiging van een vervangingsbetrekking waar geen reguliere betrekking aan vooraf is gegaan. Dit betekent dat wanneer er een rappel als bedoeld in artikel 3.3 heeft plaatsgevonden het bevoegd gezag binnen zes weken aan het Participatiefonds kenbaar maakt dat van de beëindiging van een vervangingsbetrekking sprake is. Wanneer de termijn van zes weken wordt overschreden betekent dit echter niet dat de bedoelde mededeling buiten behandeling wordt gelaten.

Bij het beëindigen van een vervangingsbetrekking wordt het bevoegd gezag gevraagd aan te tonen dat er daadwerkelijk sprake is geweest van een vervangingsbetrekking.

Hiertoe overlegt het bevoegd gezag een afschrift van de akte van aanstelling danwel een afschrift van de akte van benoeming.

Wat de inspanningsverplichting betreft, heeft het Participatiefonds aansluiting gezocht bij de instrumenten die het bevoegd gezag conform de CAO-PO ter beschikking staan. Het Participatiefonds heeft de inspanningsverplichting in de categorieën I, II, III en IV ondergebracht.

Middels een opgave van de soorten activiteiten welke zijn genoemd in de categorieën I en II maakt het bevoegd gezag inzichtelijk dat er personeelsbeleid is gevoerd.

Indien het bevoegd gezag ondanks het voeren van een op het voorkomen van ontslag gericht personeelsbeleid moet overgaan tot ontslag, geeft het aan op welke wijze getracht is betrokkene binnen het gezagsbereik te herplaatsen (categorie III). Indien herplaatsing binnen het bevoegd gezag niet aan de orde kan zijn of mogelijk is, geeft het bevoegd gezag tevens aan op welke wijze getracht is voor betrokkene een werkkring bij een ander bevoegd gezag of buiten het onderwijs te vinden (categorie IV). Ter invulling van de inspanningsverplichting worden de categorieën ook in deze volgorde doorlopen.

Bij categorie III kunnen onder andere de volgende voorbeelden van activiteiten worden genoemd:

Ter beoordeling of herplaatsing binnen het bevoegd gezag mogelijk is wordt bij een ontslag op grond van artikel 8 van het reglement een formatievergelijking gemaakt.

Indien geen invulling is gegeven aan de verplichting als genoemd in categorie III geeft het bevoegd gezag gemotiveerd aan wat de reden is waarom niet is voldaan aan ‘hulp bij behoud van werk’.

Ook van het betrokken personeelslid mag verwacht worden dat deze de nodige inspanning verricht tot het behoud van werk. In het kader van de instroomtoets staat echter de inspanning van de werkgever centraal.

In dit artikel is aangegeven wanneer en op welke wijze het bevoegd gezag het Participatiefonds dient te berichten over de personele bezetting op het niveau van het bevoegd gezag of samenwerkingsverband. Dit artikel is geen zelfstandige toetsingsgrond, maar geeft slechts een beschrijving van de wijze waarop een in dit artikel genoemd ontslag onderbouwd en getoetst wordt.

De personele bezetting is alleen van belang indien deze van invloed is op de reden van ontslag, en is dus niet noodzakelijk bij persoonsgebonden redenen (dus wel bij ontslag op grond van artikel 7, 7A, 7B, 8 of 11 en niet bij ontslag op grond van artikel 9).

Hiervoor zijn vijf vragen opgesteld. Indien het antwoord op een of meer van deze vragen ‘ja’ is, dient onderbouwd te worden waarom betrokkene niet voor deze functie in aanmerking kwam. Dit antwoord op de betreffende vragen dient bij de onderbouwing van artikel 8 ook aan de orde te komen. Indien de bijgevoegde bescheiden wel aantonen waarom het personeel in tijdelijke dienst gehandhaafd moet blijven, maar niet waarom juist deze personeelsleden uit vaste dienst ontslagen moeten worden, wordt het ontslag van deze vaste personeelsleden tevens getoetst op grond van artikel 7, 7A of 7B.

Alle instellingen voor primair onderwijs ontvangen een budget voor personeels en arbeidsmarktbeleid (PAB-budget) In artikel 7 van het reglement wordt een deel van het PAB-budget bij de beoordeling van de vermijdbaarheid van het ontslag wegens daling van de rijksbekostiging van personeel buiten beschouwing gelaten. Voor het schooljaar 2010–2011 is het percentage van PAB-budget dat bij de vergelijking buiten beschouwing wordt gelaten, gesteld op 35%.

Onder financiële bijdragen van derden worden onder meer bijdragen van gemeenten verstaan, Europese subsidies en sponsorgelden.

Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7 van dit reglement.

Deelontslag

Indien de ontslagruimte kleiner is dan de omvang van het ontslag, kan ontslag uit een vast dienstverband niet plaatsvinden omdat deelontslag niet is toegestaan. In het geval dat een tijdelijk dienstverband van rechtswege eindigt, dient een herbenoeming plaats te vinden welke gelijk is aan de omvang van de voorafgaande betrekking minus de ontslagruimte.

Herbenoemingsverplichting

Aan de herbenoemingsverplichting van tijdelijk personeel is een ondergrens gesteld. Voor groepsleraren in het primair onderwijs is deze ondergrens 8 uur. Indien de omvang van de voorafgaande aanstelling minder dan 8 uur is, bedraagt de ondergrens de helft van de beëindigde aanstelling. Voor vakleraren en onderwijsondersteunend personeel wordt de één-uurgrens gehanteerd.

Indien er sprake is van een fusie en/of overdracht van instellingen dan wel besturen, houdt het bevoegd gezag hier rekening mee, zodat de verschillende jaren vergelijkbaar blijven. Dit betekent dat als in het schooljaar 2010–2011 een extra instelling onder het bevoegd gezag ressorteert, deze instelling in het schooljaar 2009–2010 (herkenbaar) bij de vergelijking betrokken wordt.

Een samenwerkingsverband van bevoegde gezagsorganen in het kader van bestuurlijke krachtenbundeling zal zich voor wat betreft ontwikkelingen inzake de rijksbekostiging van personeel gedragen als ware het één werkgever. Een ontslag binnen het samenwerkingsverband kan dan ook pas plaatsvinden als er binnen dat samenwerkingsverband geen rijksbekostiging van personeel en financiële bijdragen van derden beschikbaar zijn om dat ontslag te voorkomen. Het feit dat de stimuleringsbijdrage is vervallen betekent niet dat er geen bkb- Samenwerkingsverbanden meer bestaan. Dit is afhankelijk van de inhoud en looptijd van de samenwerkingsovereenkomst.

Op grond van artikel 21 WPO moeten verschillende bevoegde gezagsorganen die in één samenwerkingsverband zitten, zijn aangesloten bij dezelfde centrale dienst. Bij het beoordelen van een vergoedingsverzoek van uitkeringskosten welke het gevolg zijn van ontslag bij een centrale dienst wordt gekeken naar het verschil in middelen welke beschikbaar zijn voor de centrale dienst. Wat de zorgformatie betreft, geldt ook het gestelde in de toelichting op artikel 7.6.c.

Dit artikel voorziet in een tweetal concrete situaties:

In beide situaties wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen betrokken van de periode 6 maanden voorafgaand aan de eerste daling tot en met het daadwerkelijke moment van ontslag. Indien een bevoegd gezag van de bovenstaande mogelijkheden gebruik wil maken, dient het dit expliciet aan te geven.

Voor de ruimte van de rijksbekostiging van personeel die ontstaat door natuurlijk verloop of andere ontslagen geldt dat het bevoegd gezag van de school deze inzet om gedwongen ontslagen te voorkomen. Om deze reden betrekt het bevoegd gezag eveneens het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in het in artikel 7.2 bedoeld overzicht.

In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in beide schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd.

Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd. (zie art. 18 lid 8 WPO).

Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7 beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.

Alle instellingen voor primair onderwijs ontvangen een budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid (PAB-budget) In artikel 7A van het reglement wordt een deel van het PAB-budget bij de beoordeling van de vermijdbaarheid van het ontslag wegens daling van de rijksbekostiging van personeel buiten beschouwing gelaten. Voor het schooljaar 2010–2011 is het percentage van PAB-budget dat bij de vergelijking buiten beschouwing wordt gelaten, gesteld op 35%.

Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7A van dit reglement.

Indien er sprake is van een fusie en/of overdracht van instellingen dan wel besturen, houdt het bevoegd gezag hier rekening mee, zodat de verschillende jaren vergelijkbaar blijven. Dit betekent dat als in het schooljaar 2010–2011 een extra instelling onder het bevoegd gezag ressorteert, deze instelling in het schooljaar 2009–2010 (herkenbaar) bij de vergelijking betrokken wordt.

Een samenwerkingsverband van bevoegde gezagsorganen in het kader van bestuurlijke krachtenbundeling zal zich voor wat betreft ontwikkelingen inzake de rijksbekostiging van personeel gedragen als ware het één werkgever. Een ontslag binnen het samenwerkingsverband kan dan ook pas plaatsvinden als er binnen dat samenwerkingsverband geen rijksbekostiging van personeel beschikbaar is om dat ontslag te voorkomen. Het feit dat de stimuleringsbijdrage is vervallen, betekent niet dat er geen bkb-Samenwerkingsverbanden meer bestaan. Dit is afhankelijk van de inhoud en looptijd van de samenwerkingsovereenkomst.

Op grond van artikel 21 WPO moeten verschillende bevoegde gezagsorganen die in één samenwerkingsverband zitten, zijn aangesloten bij dezelfde centrale dienst. Bij het beoordelen van een vergoedingsverzoek van uitkeringskosten welke het gevolg zijn van ontslag bij een centrale dienst wordt gekeken naar het verschil in middelen welke beschikbaar zijn voor de centrale dienst. Wat de zorgformatie betreft, geldt ook het gestelde in de toelichting op artikel 7A.4.c.

In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in betrokken schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd.

Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd.

Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7A beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.

Als een werkgever wegens reorganisatie, waaronder begrepen noodzakelijke bezuinigingen anders dan wegens daling rijksbekostiging personeel wil ontslaan, dan kan zo’n ontslag een grond zijn voor de toewijzing van een vergoedingsverzoek. Indien de werkgever meerdere personeelsleden wil ontslaan, is denkbaar dat ontslagen deels het gevolg zijn van daling van de rijksbekostiging personeel en deels vanwege andere noodzakelijke bezuinigingen.

Indien er een ontslaguitkering wordt aangevraagd ten gevolge van de afbouw van overuren wordt de melding van het ontslag getoetst op grond van artikel 7B van dit reglement.

In de WPO is in artikel 184, lid 6 gesteld dat de kosten van de werkloosheidsuitkeringen en de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid die voortvloeien uit de inzet of een wijzing van de inzet van zorgformatie niet ten laste van het Participatiefonds kunnen worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het Participatiefonds inzicht dient te krijgen in de wijze van inzet van de bekostiging van de zorgvoorzieningen in betrokken schooljaren. Om deze reden dient bedoelde passage uit het zorgplan te worden overgelegd.

Dit betekent dat bij een ontslag van een personeelslid van een speciale school voor het basisonderwijs die participeert in meer dan één samenwerkingsverband, de bedoelde passage van alle samenwerkingsverbanden dient te worden overgelegd.

Bij een ontslag per andere datum dan 1 augustus of laatste schooldag past het bevoegd gezag zijn melding aan, aan deze andere datum en richt de melding verder in overeenkomstig de wijze als in artikel 7B beschreven, maar nu met als uitgangspunt deze andere datum.

In dit artikel is per soort kwalitatieve frictie aangegeven op welke wijze de kwalitatieve frictie kan worden aangetoond.

Ook binnen het primair onderwijs is sprake van vakleerkrachten. Te denken is aan de leerkrachten welke onderwijs geven in de vakken handvaardigheid en lichamelijke opvoeding. Om deze reden wordt in dit artikel gevraagd om de aantallen leerlingen per vak. De bedoelde overzichten dienen aan te tonen dat het bevoegd gezag niet anders kon dan tot ontslag over te gaan van een vakleerkracht of juist een groepsleerkracht. Vervolgens toont het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 5 aan hoe het tot de keus van deze persoon is gekomen.

De bedoelde onderbouwing dient aan te tonen dat het bevoegd gezag niet anders kon dan tot ontslag over te gaan van een lid van de ene soort personeel, om ruimte te maken voor een lid van een andere soort personeel. Vervolgens toont het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 5 aan hoe het tot de keus van deze persoon is gekomen.

Tijdelijke invulling vacature directeur

Bij een vacature directeur die tijdelijk wordt ingevuld door het beleggen van de directietaken bij de adjunct-directeur, dan wel de plaatsvervanger, en het tijdelijk aanstellen van een leerkracht voor de lesgevende taken, kan het ontslag van de tijdelijke leerkracht op basis van dit artikel gemeld worden.

Met behulp van artikel 5 toont het bevoegd gezag aan dat er op de ontslagdatum geen vacature voor deze leerkracht beschikbaar is.

Ten gevolge van natuurlijk verloop en andere ontslagen komt formatieruimte beschikbaar. Om deze reden betrekt het bevoegd gezag het natuurlijk verloop en andere ontslagen bij de melding. Hierbij kan worden volstaan met het natuurlijk verloop en andere ontslagen dat zich in de in artikel 8.2 bedoelde situatie heeft voorgedaan.

Overige gronden voor toewijzing van het vergoedingsverzoek kunnen zijn:

Vervallen.

Er zijn geen toelichtingen.

Dit artikel is ook van toepassing op het ontslag van personeel bij een Centrale Dienst.

Indien het ontslag op een andere datum dan 1 januari of 1 augustus wordt geëffectueerd, geeft het bevoegd gezag aan welke daling aan het ontslag ten grondslag ligt en waarom betrokkene niet langer in dienst gehouden kan worden.

Vervallen.

Er zijn geen toelichtingen.

Het bevoegd gezag is verplicht alle medewerking te verlenen aan een controle door of namens het Participatiefonds welke gericht is op de beoordeling van de rechtmatigheid van een melding. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een administratie welke op een centraal punt is in te zien en geeft hier desgevraagd inzage in voor zover relevant en betrekking hebbend op de melding.

De in artikel 15 bedoelde administratie dient het bevoegd gezag gedurende een periode van vijf jaar te bewaren.

Vervallen.

Voor de huidige deelnemers aan zelfstandig wachtgeldbeleid blijft artikel 2 van het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs 1998–1999 voor onbepaalde tijd van toepassing.

Vervallen

In gevallen waarin het reglement niet voorziet, beslist het bestuur van het Participatiefonds.

Artikel 32 van het ‘Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2009–2010’ wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

‘Dit reglement treedt in werking op 1 februari 2009 en heeft betrekking op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 juli 2010. Dit reglement is voor onbepaalde tijd van kracht’.

Dit reglement kan worden aangehaald als het ‘Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2010–2011’.

Dit reglement treedt in werking op 1 februari 2010 en heeft betrekking op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd in de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 juli 2011. Dit reglement is voor onbepaalde tijd van kracht.

Dit reglement wordt bekendgemaakt middels toezending aan de betrokken bevoegde gezagsorganen, vermelding in het publicatieblad Rentree van het Participatiefonds en plaatsing op de internetsite van het Participatiefonds.

Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Er zijn geen toelichtingen.

Bestuur en bestuursbureau Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs

Blaak 22, 3011 TA Rotterdam

telefoon 010-217 76 40

fax 010-214 13 58

www.vfpf.nl

Premies en zelfstandig wachtgeldbeleid

Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds, Heerlen

Postbus 4839, 6401 JM Heerlen

telefoon 045-579 81 03

fax 045-579 34 82

www.vfpf.nl

Instroomtoets

Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds, Zoetermeer

Postbus 870, 2700 AW Zoetermeer

telefoon 079-323 24 20

fax 079-323 38 54

www.instroomtoets.nl

Afdeling Casemanagement Re-integratie

Postbus 2460, 3000 CL Rotterdam

telefoon 010-217 76 30

fax 010-271 16 85

casemanagement@vfpf.org