Regeling · BWBR0027929
Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet
Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 15 juni 2010, nr. 3093158, gedaan mede namens Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Justitie en in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 1.2, 2.2, eerste lid, 2.3, zesde lid, 2.4, eerste en derde lid, 2.9, eerste lid, onderdeel b, 2.18 en 5.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet en de artikelen 105 en 107 van de Wet geluidhinder;
De Raad van State gehoord (advies van 30 juni 2010, no. W01.10.0253/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 9 juli 2010, nr. 3093990, uitgebracht mede namens Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Justitie en in overeenstemming met Onze Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage13 juli 2010BeatrixDe Minister-President, Minister van Algemene Zaken ,J. P.BalkenendeDe Minister van Verkeer en Waterstaat a.i. ,J. P.BalkenendeDe Minister van Justitie ,E. M. H.Hirsch Ballinde zestiende juli 2010De Minister van Justitie ,E. M. H.Hirsch BallinIn dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
eco iglo: gebouw bestaande uit een drijfelement van ten hoogste 400 m2 waarop een staal-glas of koolstof-glas constructie in de vorm van een halve bol is geplaatst, waarbij in de binnen het bouwwerk benodigde energie wordt voorzien door middel van aardwarmte, zonnecellen of miniwindturbines en in het binnen het bouwwerk benodigde water wordt voorzien door middel van een hemelwateropvanginstallatie, gecombineerd met nanofiltratie ten behoeve van de water- of drinkwatervoorziening;
mini windturbine: windturbine met een rotordiameter van ten hoogste 5 meter en een rotoroppervlak van ten hoogste 20 m2, met een horizontale of verticale rotoras, ten behoeve van levering van elektriciteit achter de meter of aan een accu ten behoeve van eigen gebruik, welke windturbine gecertificeerd is volgens IEC 61400-12 (2006), dan wel gecertificeerd is volgens de standaarden van de American Wind Energy Association of de British Wind Energy Association of het Kleinwind keur heeft op basis van de Nederlandse beoordelingsrichtlijn Kleine Windturbines, en met een tiphoogte van niet meer dan tien meter, gemeten vanaf de nokhoogte van het gebouw waaraan die miniwindturbine elektriciteit levert;
Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;
zuigercompressor-windturbinecombinatie: windturbine met een rotordiameter van ten hoogste vijf meter en een rotoroppervlak van ten hoogste 20 m2, met een horizontale of verticale rotoras met een hoogte van niet meer dan 25 meter, gemeten vanaf de voet van de windturbine tot de tip van de rotor, waarbij het mechanisch vermogen van de rotor direct wordt gebruikt voor de aandrijving van een zuigercompressor of een ozongenerator en die klimaatbeheersing en ammoniakreductie in melkrundveehouderijen als functie heeft, of ten doel heeft water of drinkwater te winnen uit de lucht.
Als ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet worden voor de duur van tien jaar aangewezen:
- a.
Stadshavens Rotterdam, omvattende het Waal-Eemhavengebied, de Rijn- en Maashaven, het Merwehaven-Vierhavensgebied en het RDM-terrein (Heijplaat) zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1;
- b.
Spoorzone Deventer zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2;
- c.
Spoorzone Zwolle zoals aangegeven op de kaart in bijlage 3;
- d.
Zaanstad Midden, omvattende de stadsdelen Wormerveer-Zuid, Oud Zaandijk, Oud Koog, ’t Kalf, Zaandam West, Kogerveld en Rosmolenwijk zoals aangegeven op de kaart in bijlage 4;
- e.
Almere Centrum Weerwater zoals aangegeven op de kaart in bijlage 8;
- f.
Amsterdam Buiksloterham zoals aangegeven op de kaart in bijlage 9;
- g.
Doetinchem Hamburgerbroek zoals aangegeven op de kaart in bijlage 10;
- h.
Maasdonk Nuland-Oost zoals aangegeven op de kaart in bijlage 11;
- i.
Vliegbasis Soest en Zeist en Soesterberg-Noord zoals aangegeven op de kaart in bijlage 12;
- j.
Amersfoort Kop van Isselt zoals aangegeven op de kaart in bijlage 16;
- k.
Apeldoorn Kanaalzone zoals aangegeven op de kaart in bijlage 17;
- l.
Stichtse Vecht Gebiedsontwikkeling Vreeland Oost zoals aangegeven op de kaart in bijlage 18;
- m.
Veghel Gebiedsontwikkeling Heilig Hartplein en Noordkade zoals aangegeven op de kaart in bijlage 19;
- n.
Deelgebied de Eilanden van Waterfront Harderwijk zoals aangegeven op de kaart in bijlage 20;
- o.
Centrumplan Eerbeek Brummen zoals aangegeven op de kaart in bijlage 21;
- p.
Spoorzone Tilburg zoals aangegeven op de kaart in bijlage 13;
- q.
Oostelijk Centrumgebied Arnhem zoals aangegeven op de kaart in bijlage 22;
- r.
Havengebied Rotterdam inclusief de Tweede Maasvlakte zoals aangegeven op de kaart in bijlage 24;
- s.
Dijklaan Bergambacht zoals aangegeven op de kaart in bijlage 25;
- t.
Blokhoeve Nieuwegein zoals aangegeven op de kaart in bijlage 26;
- u.
Haarlemmermeer Masterplan Badhoevedorp-Centrum zoals aangegeven op de kaart in bijlage 27;
- v.
Haven- en industriegebied Oosterhorn Delfzijl en Haven- en industriegebied Eemshaven Eemsmond, zoals aangegeven op de kaarten in bijlage 36A en B;
- w.
Transformatiegebied Noordelijke Stadsentree Meppel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 49;
- x.
Zuidas Flanken Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 53;
- y.
Havengebied Moerdijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 54;
- z.
Rijnhaven-Costerweg Wageningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 55;
- aa.
Kanaalzone Terneuzen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 56;
- bb.
Sloegebied Borsele-Vlissingen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 57;
- cc.
Havenstraatterrein Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 58;
- dd.
Havenkom Nijkerk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 77;
- ee.
Het Kwadrant Stichtse Vecht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 78.
Als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van de wet worden aangegeven alle gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd zou zijn te beslissen als bedoeld in artikel 2.3, negende lid, van de wet.
Een ander bestuursorgaan als bedoeld in het tweede lid kan categorieën van gevallen aangeven waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist.
De bepalingen, bedoeld in artikel 2.3, zevende lid, van de wet, zijn:
- a.
- b.
artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het de geldende grenswaarden betreft die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder;
- c.
onderstaande bepalingen van de Wet bodembescherming voor zover de afwijking van die bepalingen geen gevaar voor de gezondheid van mens of dier oplevert:
- 1°.
- 2°.
de artikelen 13 en 27 voor zover de bodem is of wordt verontreinigd of aangetast door één of meerdere bemalingen die ten behoeve van bouw-, sloop- of onderzoekswerkzaamheden worden uitgevoerd of die het gevolg zijn van de onttrekking of infiltratie van grondwater door één of meerdere warmte koude opslagsystemen, en
- 3°.
de artikelen 28, 29, 37, 38, 39, tweede lid, 39b, 40, en 42;
- d.
de hoofdstukken V en VI van de Wet geluidhinder voor zover de betrokken bepalingen een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting inhouden;
- e.
de artikelen 4.9 tot en met 4.16 van het Besluit geluidhinder voor zover die bepalingen een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting inhouden, en
- f.
artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer ten aanzien van besluiten met betrekking tot de bodem.
Artikel 2.19 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is op het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is van toepassing op door burgemeester en wethouders aangewezen bedrijventerreinen binnen het grondgebied van de gemeenten:
- a.
Amersfoort;
- b.
Houten;
- c.
Leusden;
- d.
Nieuwegein;
- e.
Nijmegen;
- f.
Utrecht, en
- g.
Woerden.
De aanwijzing van de bedrijventerreinen vindt plaats uiterlijk op 25 oktober 2012.
Het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tot 25 oktober 2022 niet voor het bouwen van een mini windturbine. Bij het bouwen van een mini windturbine wordt het bepaalde krachtens artikel 2.6, tweede lid, van de wet in acht genomen.
Behoudens in gevallen waarin sprake is van een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, kan tot 25 oktober 2022 worden afgeweken van paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer voor het in werking hebben van een mini windturbine op de inrichting of op het terrein behorende bij de inrichting.
De geluidbelasting door mini windturbines op de dichtstbijzijnde gevel van een geluidgevoelige bestemming is niet groter dan 47 db Lden, te bepalen overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
Ten behoeve van het bouwen van een eco iglo in de gemeente Leeuwarden kan tot 17 juli 2020 worden afgeweken van de artikelen 2.129, 2.130, 3.22, 3.23, 3.41, eerste lid, 6.11, eerste lid, 6.13, 6.14 en 5.2, eerste en tweede lid, van het Bouwbesluit 2012.
Ten behoeve van het bouwen van woningen in het Ecodorp in de gemeente Boekel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage no. 50, kan tot 18 maart 2025 worden afgeweken van de artikelen 2.33, eerste lid, 3.74, 3.75, eerste, tweede en derde lid, 4.3, en 4.22, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.
Het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tot 18 maart 2025 niet voor het bouwen van een miniwindturbine in het Ecodorp.
Bij het bouwen van een miniwindturbine in het Ecodorp wordt het bepaalde krachtens artikel 2.6.9, derde lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in acht genomen.
Dit artikel is van toepassing binnen het grondgebied van de gemeente Leeuwarden.
Het verbod, gesteld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tot 17 juli 2020 niet voor het bouwen van een zuigercompressor-windturbinecombinatie met ten hoogste 400 kg ammoniak als koudemiddel:
- a.
op of in directe nabijheid van een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het houden van melkrundvee, of
- b.
met als doel (drink)water te winnen uit de lucht.
Behoudens in gevallen waarin sprake is van een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, blijft paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer tot 17 juli 2020 buiten toepassing voor het in werking hebben van een zuigercompressor-windturbinecombinatie op de inrichting of in de directe nabijheid daarvan.
In het plangebied Spoorzone in de gemeente Eindhoven en het project Dijckerwaal in de gemeente Westland is op de aanvraag om een omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van het bevorderen van duurzame en innovatieve toepassingen voor een activiteit voor een bepaalde termijn toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, van die wet niet van toepassing.
Dit artikel is van toepassing op aanvragen die vóór 17 juli 2025 zijn ingediend.
Ten behoeve van:
- a.
Stationsgebied Utrecht zoals aangegeven op de kaart in bijlage 7,
- b.
Gebiedsgericht grondwaterbeheer Tilburg zoals aangegeven op de kaart in bijlage 23,
- c.
het plangebied Spoorzone in de gemeente Eindhoven zoals aangegeven op de kaart in bijlage 14,
- d.
de uitvoering van de «Visie op de ondergrond» van de gemeente Zwolle zoals aangegeven op de kaart in bijlage 15,
kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van gebiedsgericht bodembeheer of grondwaterbeheer vóór 6 maart 2018 voor de duur van ten hoogste vijftien jaar besluiten tot afwijking van de artikelen:
- 1°.
- 2°.
13 en 27 van de Wet bodembescherming voor zover de bodem is of wordt verontreinigd of aangetast door één of meerdere bemalingen die ten behoeve van bouw-, sloop- of onderzoekswerkzaamheden worden uitgevoerd of die het gevolg zijn van de onttrekking of infiltratie van grondwater door één of meerdere warmte koude opslagsystemen,
- 3°.
28, 29, 37, 38, 39, tweede lid, 39b, 40, 42 en 88 van de Wet bodembescherming,
voor zover die afwijking geen gevaar voor de gezondheid van mens of dier oplevert. Artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing op de besluiten met betrekking tot de bodem ten aanzien van deze gebieden.
Voor woningen die vóór 1 januari 2021 worden gebouwd in het project De Mars in Zutphen geldt, in afwijking van tabel 5.1 bij artikel 5.2 van het Bouwbesluit 2012, als grenswaarde voor de energieprestatiecoëfficiënt, 75 procent van de op grond van die tabel geldende grenswaarde.
Dit artikel is tot 25 juli 2027 van toepassing op de bouw van gebouwen in het nieuwbouwproject Nieuwveense landen in de gemeente Meppel.
In afwijking van artikel 5.3, tweede en derde lid, van het Bouwbesluit 2012 geldt voor een constructie als bedoeld in die leden een weerstand van ten minste 4,5 m2 • K/W, voor zover die waarde hoger is dan de waarde bedoeld in die leden.
Het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan de aanvrager verplichten om een ventilatieprestatiekeuring over te leggen. De ventilatieprestatiekeuring wordt opgesteld overeenkomstig BRL8010.
In afwijking van artikel 5.3, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012 geldt voor ramen, deuren, kozijnen en daarmee gelijk te stellen constructieonderdelen als bedoeld in dat lid een warmtecoëfficiënt van ten hoogste 2,0 W/m2 • K, voor zover die waarde lager is dan de waarde genoemd in dat lid. Voor vensterglas geldt een U-waarde van ten hoogste 0,9.
Artikel 5.6 van het Bouwbesluit 2012 wordt als volgt gelezen: «Bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de voorschriften van artikel 5.2 niet van toepassing.»
De artikelen 5.2, 6.10, eerste lid, 6.11 tot en met 6.14 en 6.16 van het Bouwbesluit 2012 gelden:
- a.
tot 25 juli 2017 niet voor de bouw van een drijvende autarkische recreatiebungalow naast de camping «De Kleine Wielen», De Groene Ster 14 te Leeuwarden;
- b.
tot 18 maart 2025 niet voor de bouw van een drijvende autarkische trekkershut of een drijvend autarkisch theehuis op door de raad van de gemeente Zwolle aan te wijzen locaties.
In de gemeenten Almere, Castricum en Den Haag zijn tot 25 oktober 2017 voor te bouwen grondgebonden woonfuncties in particulier opdrachtgeverschap als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening de artikelen 2.129, 2.130, 3.20, 3.21, 3.23, 3.28, 3.29, 3.30, 3.31, 3.32, 3.33, 3.34, 3.41, 3.42, 3.43, 3.62, 3.63, 3.68, 3.69, 3.70, 3.74, 3.75, 4.8, 4.9, 4.10, 4.11, 4.17, 4.18, 4.19, 4.21, 4.22, 4.23, 4.24, 4.25, 4.26, 4.27, 4.28, 4.37, 4.38, 4.39, 6.7, 6.8, 6.9, 6.10, 6.11, 6.12, 6.13, 6.14, 6.15, 6.16, 6.17 en 6.18 van het Bouwbesluit 2012 niet van toepassing.
Dit artikel is tot 15 oktober 2022 van toepassing op de op het Bedrijventerrein Newtonpark IV in de gemeente Leeuwarden gelegen experimenteerinrichting, gesitueerd op het perceel met de kavelaanduidingen 11, 12 en 13 binnen de percelen, kadastraal bekend: Leeuwarden HzmE 2008, Leeuwarden HzmE 1714 en Leeuwarden HzmE 1692.
De experimenteerinrichting wordt in afwijking van artikel 1.1, vierde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer aangemerkt als een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De artikelen 2.4, tweede lid, en 2.14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn niet van toepassing.
Het bepaalde krachtens artikel 2.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing voor zover dat een omschrijving van de activiteiten of mogelijke maatregelen vereist.
Dit artikel is tot 6 maart 2018 van toepassing in de gemeenten Almere, Delft, Eindhoven, Haarlem, Haarlemmermeer, Hoogeveen, Schijndel en Zoetermeer.
Artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet betrekking heeft op:
- a.
een op de grond staand bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, mits niet hoger dan 5 meter;
- b.
een dakkapel;
- c.
een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak;
- d.
een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking;
- e.
een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel;
- f.
een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw;
- g.
tuinmeubilair;
- h.
een sport- of speeltoestel voor uitsluitend particulier gebruik, mits uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;
- i.
een erf- of perceelafscheiding;
- j.
een vlaggenmast.
Op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid is artikel 2.2 van de Regeling omgevingsrecht niet van toepassing.
In afwijking van artikel 3.5, eerste volzin, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen binnen de provincie Flevoland vóór 15 mei 2019 bij een bestemmingsplan gebieden worden aangewezen waarbinnen de daar aanwezige windturbines, die economisch of technisch zijn afgeschreven, dienen te worden gemoderniseerd of vervangen door windturbines met meer bouwmassa.
Artikel 2.10, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een nieuw te bouwen grondgebonden woning waarvoor een waarborgcertificaat op basis van het keurmerk van de Stichting Garantiewoning is verstrekt.
Dit artikel is tot 20 september 2019 van toepassing op de gemeenten Delft, Den Haag, Eindhoven, Rotterdam en Sint Anthonis.
Het verbod uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt tot 15 juli 2021 niet voor een bouwactiviteit als bedoeld in het tweede lid die wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een architect of een dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel die voldoet aan de in het derde lid genoemde eisen.
De bouwactiviteit bestaat uit de realisatie van:
- a.
een of twee eengezinswoningen;
- b.
een op de grond staand bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, mits niet hoger dan tien meter;
- c.
een dakopbouw waarbij geen extra woningen worden gerealiseerd;
- d.
een dakterras;
- e.
een dakkapel, of
- f.
de splitsing of samenvoeging van woningen, mits geen verandering van de bouwconstructie plaatsvindt.
Eisen als bedoeld in het eerste lid houden in dat de architect of de dienstverrichter als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel voldoet aan de door de raad gestelde eisen met betrekking tot:
- a.
de benodigde beroepservaring, vakkennis, vaardigheden en inzicht op het gebied van toetsing van en toezicht houden op de uitvoering van de bouwregelgeving, en
- b.
de wijze waarop de toetsing en het toezicht op de bouwactiviteiten plaatsvindt.
Onder het in het eerste lid bedoelde uitvoeren van een bouwactiviteit onder verantwoordelijkheid van een architect of dienstverrichter zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de architectentitel worden tenminste de volgende verplichtingen voor die architect of dienstverrichter begrepen:
- a.
de architect heeft vanaf de opdrachtverlening tot en met de oplevering van het bouwwerk opdracht voor het ontwerp en het toezicht op het bouwwerk en draagt er zorg voor dat de werkzaamheden in het kader van kwaliteitsborging zo worden uitgevoerd zodat het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaat dat het eindresultaat van de bouwwerkzaamheden voldoet aan de daarvoor geldende regelgeving;
- b.
de architect meldt binnen drie weken voor de start van de uitvoering van de bouwactiviteit aan burgemeester en wethouders dat voor die activiteit toepassing wordt gegeven aan dit artikel en aan de daarvoor door de raad gestelde eisen;
- c.
binnen drie weken na de oplevering van de bouwactiviteiten door de bouwer overlegt de architect een opleverdossier aan burgemeester en wethouders dat voldoet aan de daaraan door de raad gestelde eisen.
Dit artikel is van toepassing op de door burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam aangewezen locaties.
Het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bedoelde verbod geldt in de gemeente Peel en Maas vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche) voor de duur van vijf jaar niet voor een bouwactiviteit bestaande uit de realisatie van een bouwwerk voor de ondergrondse opslag van uit energiewinning verkregen ijs bij woningen, met een maximale inhoud van 30 m3, mits dit bouwwerk niet onder een gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet wordt aangelegd.
Artikel 6.10 van het Bouwbesluit 2012 is vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche) voor de duur van vijf jaar niet van toepassing op nieuw te bouwen woningen in de wijk Giel Peetershof in de gemeente Peel en Maas, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 92.
Voor het project The Green Village in de gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 89, geldt vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche) voor de duur van tien jaar dat:
- a.
kan worden afgeweken van het Bouwbesluit 2012, met uitzondering van de hoofdstukken 1 en 2 en de afdelingen 6.5 tot en met 6.8;
- b.
de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.14, eerste lid, onderdeel c, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet van toepassing zijn;
- c.
het bepaalde krachtens artikel 2.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 4.1 van de Regeling omgevingsrecht niet van toepassing is voor zover die artikelen een omschrijving van de activiteiten of mogelijke maatregelen vereisen.
In de jaarlijkse voortgangsrapportage over de uitvoering van de wet geeft Onze Minister, indien daartoe aanleiding bestaat, aan in hoeverre afwijkingen bij wege van experiment van het bepaalde bij of krachtens de betrokken in artikel 2.4, eerste lid, van de wet genoemde wetten aan haar doel beantwoorden en of de overeenkomstig artikel 2.4, derde lid, van de wet vastgestelde ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijkingen aanpassing behoeft.
Het eerste lid is niet van toepassing op het experiment duurzaam stortbeheer, bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van het Stortbesluit bodembescherming.
In het kader van een Platform 31-experiment «Flexibele bestemmingsplannen» kan bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van een bestemmingsplan worden afgeweken van:
- a.
de volgende artikelen van de Wet ruimtelijke ordening: 3.1, eerste lid, voor zover het daarbij gaat om het verplicht aanwijzen van bestemmingen, 3.7, vierde lid, en 6.12, eerste lid;
- b.
de volgende artikelen van het Besluit ruimtelijke ordening:
- 1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van het bestemmingplan of het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, een verwijzing naar dit internetadres;
- 2°.
- 1°.
- c.
de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, gestelde regels of nadere regels.
Voor de in het experiment betrokken bestemmingsplannen geldt dat indien daarin onbenutte bouw- of gebruiksmogelijkheden worden wegbestemd, de planschade in ieder geval als voorzienbaar in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a, wordt aangemerkt, indien:
- a.
deze herziening ten minste drie jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan is aangekondigd;
- b.
van de voorgenomen herziening kennis is gegeven aan de eigenaren in het gebied, en c. gedurende deze termijn de mogelijkheid bestond de bouw- of gebruiksmogelijkheden te realiseren.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld.
In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Dit artikel is van toepassing op de volgende bestemmingsplangebieden, voor zover deze bestemmingsplannen vóór 1 juli 2018 zijn vastgesteld:
- a.
het voormalige bedrijventerrein Cruquiusgebied in de gemeente Amsterdam zoals aangegeven op de kaart in bijlage 28;
- b.
Nieuw Den Helder in de gemeente Den Helder zoals aangegeven op de kaart in bijlage 30;
- c.
het voormalige NAVO-terrein in de gemeente Maastricht zoals aangegeven op de kaart in bijlage 31;
- d.
de kernen Zetten en Hemmen in de gemeente Overbetuwe zoals aangegeven op de kaart in bijlage 32;
- e.
«De Bronnen» in de gemeente Tynaarloo zoals aangegeven op de kaart in bijlage 33.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de volgende bestemmingsplannen, voor zover deze worden vastgesteld vóór 20 september 2019, dat de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw wordt vastgesteld:
- a.
bestemmingsplan bedrijventerrein Heesch-West, gemeenten Bernheze en ’s-Hertogenbosch, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 46;
- b.
bestemmingsplan Valkenburg, gemeente Katwijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 35.
In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen in het bestemmingsplan ook regels worden gesteld, die strekken ten behoeve van het:
- a.
bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
- b.
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Het bestemmingsplan kan de door het gemeentebestuur gestelde regels als bedoeld in artikel 108 van de Gemeentewet bevatten die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
De regels in het bestemmingsplan kunnen voorts inhouden een verbod om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders een daarbij aangewezen activiteit te verrichten.
In het bestemmingsplan kunnen tevens regels worden gesteld waarvan de uitleg bij de uitoefening van een bij die regels aan te geven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Daarbij kan worden bepaald dat de beleidsregels worden vastgesteld door de raad of door burgemeester en wethouders.
Als de regels, bedoeld in het zesde lid, betrekking hebben op het uiterlijk van bouwwerken en bij de toepassing een interpretatie behoeven, stelt de raad de criteria vast die worden toegepast bij de beoordeling van het uiterlijk van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit betrekking heeft. Deze criteria zijn zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheiden bouwwerken. In afwijking van artikel 12b van de Woningwet wordt het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester slechts op die criteria gebaseerd.
Voor de in het experiment betrokken bestemmingsplannen geldt dat indien daarin onbenutte bouw- of gebruiksmogelijkheden worden wegbestemd, de planschade in ieder geval als voorzienbaar in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt, indien:
- a.
deze herziening ten minste drie jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan is aangekondigd;
- b.
van de voorgenomen herziening kennis is gegeven aan de eigenaren in het gebied, en
- c.
gedurende deze termijn de mogelijkheid bestond de bouw- of gebruiksmogelijkheden te realiseren.
Bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van het bestemmingsplan kan worden afgeweken van:
- a.
de volgende artikelen van het Besluit ruimtelijke ordening:
- 1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van het bestemmingplan of het vastgestelde bestemmingsplan elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, een verwijzing naar dit internetadres;
- 2°.
- 1°.
- b.
de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, gestelde regels of nadere regels.
- c.
hoofdstuk VIIIa van de Wet geluidhinder, met dien verstande dat:
- 1°.
in afwijking van afdeling 1 van dat hoofdstuk een besluit als bedoeld in artikel 110a van die wet deel kan uitmaken van het bestemmingsplan, en dat
- 2°.
in afwijking van afdeling 2 van dat hoofdstuk de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan;
- 1°.
- d.
artikel 5.4 van het Besluit geluidhinder, met dien verstande dat:
- 1°.
een besluit als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder deel kan uitmaken van het bestemmingsplan en
- 2°.
de mate van detail van de ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting te verrichten akoestische onderzoeken kan worden afgestemd op het detailniveau en de fase van voorbereiding van het bestemmingsplan.
- 1°.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan kan de raad besluiten af te wijken van artikel 6.12, eerste en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat een exploitatieplan door burgemeester en wethouders kan worden vastgesteld bij een omgevingsvergunning voor het bouwen.
Artikel 8.42b van de Wet milieubeheer en artikel 2.19 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn op het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing.
De raad kan de bevoegdheid tot het wijzigen van onderdelen van het bestemmingsplan delegeren aan burgemeester en wethouders.
In afwijking van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 3.2, aanhef en onderdeel b, van de Regeling omgevingsrecht verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, gegevens en bescheiden over de gevolgen van het beoogde gebruik voor de fysieke leefomgeving.
In afwijking van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid.
Dit artikel is van toepassing op de volgende plangebieden:
- a.
Oosterwold in de gemeenten Almere en Zeewolde, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 37;
- b.
Weerwater in de gemeente Almere, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 38;
- c.
Toeristisch, recreatieve zone (inclusief het TT-circuit) in de gemeente Assen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 39;
- d.
Spoorzone in de gemeente Culemborg, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 40;
- e.
Binckhorst in de gemeente Den Haag, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 41;
- f.
luchthaven Twente in de gemeente Enschede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 42;
- g.
Bloemendalerpolder in de gemeenten Muiden en Weesp, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 43;
- h.
Hembrugterrein in de gemeente Zaandstad, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 44;
- i.
Havenkwartier, gemeente Assen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 47;
- j.
Spoorzone, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 51;
- k.
De Scheg, gemeente Amstelveen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 59;
- l.
Bedrijventerrein Rijnhaven-Oost, gemeente Alphen aan den Rijn, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 60;
- m.
het gebied Laan 1945, gemeente Beuningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 29;
- n.
Binnensingelgebied, gemeente Enschede, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 61;
- o.
Brainport Park, gemeente Eindhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 62;
- p.
Automotive Campus, gemeente Helmond, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 63;
- q.
Buitengebied Leudal, gemeente Leudal, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 64;
- r.
CHV-terrein, gemeente Veghel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 19;
- s.
Bergwijkpark, gemeente Diemen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 65;
- t.
Binnenstad Apeldoorn, gemeente Apeldoorn, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 66;
- u.
Buitengebied Boekel, gemeente Boekel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 67;
- v.
Brandevoort-Noord, gemeente Helmond, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 68;
- w.
Buitengebied Rijssen-Holten, gemeente Rijssen-Holten, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 69;
- x.
Buitengebied Steenwijkerland, gemeente Steenwijkerland, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 70;
- y.
Locatieontwikkeling De Bulders, gemeente Heeze-Leende, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 71;
- z.
Centrum Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 72;
- aa.
Buitengebied Borsele, gemeente Borsele, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 73;
- bb.
Business Centre Treeport, gemeente Zundert, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 74;
- cc.
Binnenstad Oudewater, gemeente Oudewater, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 75;
- dd.
Landschapspark Bergse Heide, gemeente Bergen op Zoom, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 76;
- ee.
Groene Delta van Nijmegen, gemeente Nijmegen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 79;
- ff.
Bedrijventerrein Betonson, gemeente Giessenlanden, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 80;
- gg.
Transformatiegebied Noordelijke Stadsentree, gemeente Meppel, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 49;
- hh.
Transformatie ENCI-terrein en de mergelgroeve, gemeente Maastricht, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 81;
- ii.
Agriport, gemeente Hollands Kroon, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 82;
- jj.
Bedrijventerrein Donkersloot, gemeente Ridderkerk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 83;
- kk.
Landelijk gebied Zoeterwoude, gemeente Zoeterwoude, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 84;
- ll.
Hoge Akker, Speelheide en De Leeuwerik, gemeente Best, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 85;
- mm.
Buitengebied in balans, gemeente Nederweert, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 86;
- nn.
Lange Weeren, gemeente Edam-Volendam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 87;
- oo.
Binnenstad Wageningen, gemeente Wageningen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 88;
- pp.
The Green Village, gemeente Delft, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 89;
- qq.
Bedrijventerrein Groote Haar, gemeente Gorinschem, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 90;
- rr.
Aardbevingsbestendig bestemmingsplan, gemeente Appingedam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 91.
Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte kan gebruik worden gemaakt:
- a.
voor de in de onderdelen a tot en met h van het vijftiende lid genoemde plangebieden: tot 15 mei 2019;
- b.
voor het in onderdeel i van het vijftiende lid genoemde plangebied: tot 20 september 2019;
- c.
voor het in onderdeel j van het vijftiende lid genoemde plangebied: tot 18 maart 2020;
- d.
voor de in de onderdelen k tot en met s van het vijftiende lid genoemde plangebieden: tot 9 september 2020;
- e.
voor de in onderdelen t tot en met dd van het vijftiende lid genoemde plangebieden: tot 15 juli 2021;
- f.
voor de in onderdelen ee tot en met rr van het vijftiende lid genoemde plangebieden: tot vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche).
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan kan de raad besluiten tot afwijking gedurende een periode van maximaal tien jaar van:
- a.
artikel 45, eerste lid, van de Wet geluidhinder, met dien verstande dat de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, bedoeld in artikel 44 van die wet, voor woningen in stedelijk gebied niet hoger mag worden vastgesteld dan 65 dB(A);
- b.
artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder met dien verstande dat:
- 1°.
niet afgeweken kan worden van de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor woningen, die gelegen zijn in zones langs wegen waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden, en
- 2°.
de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van die wet niet hoger mag worden vastgesteld dan 63 dB;
- 1°.
- c.
artikel 3.2, eerste lid, onder b, van het Besluit geluidhinder, met dien verstande dat:
- 1°.
niet afgeweken kan worden van de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor andere geluidgevoelige objecten in zones langs wegen waarvoor geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 11.19 van de Wet milieubeheer gelden en
- 2°.
de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting niet hoger mag worden vastgesteld dan 68 dB.
- 1°.
Dit artikel is van toepassing op de volgende plangebieden:
- a.
Binckhorst in de gemeente Den Haag, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 41;
- b.
Hembrugterrein in de gemeente Zaanstad, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 44;
- c.
Bergwijkpark in de gemeente Diemen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 65.
Van de in dit artikel bedoelde afwijkingsbevoegdheid kan gebruik worden gemaakt:
- a.
voor de in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde plangebieden: tot 15 mei 2019;
- b.
voor het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde plangebied: tot 9 september 2020.
Indien binnen de op de kaarten in bijlage 45A en B aangegeven gebieden Amstel III en Teleport in de gemeente Amsterdam bij een herziening van een bestemmingsplan onbenutte bouwmogelijkheden worden wegbestemd, wordt de planschade aangemerkt als voorzienbaar in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening indien:
- a.
deze herziening ten minste drie jaar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, doch uiterlijk vóór 15 mei 2019, is aangekondigd;
- b.
van de voorgenomen herziening kennis is gegeven aan de eigenaren in het gebied, en
- c.
gedurende deze termijn de mogelijkheid bestond de bouw- of gebruiksmogelijkheden te realiseren.
Onverminderd artikel 7a geldt voor het bestemmingsplangebied voor het voormalige bedrijventerrein Cruquiusgebied in de gemeente Amsterdam, bedoeld in artikel 7a, vijfde lid, onder a, dat gedurende een periode van maximaal tien jaar:
- a.
artikel 7c, negende lid, onderdelen c en d, en artikel 7d van overeenkomstige toepassing zijn;
- b.
in afwijking van artikel 2.2, onderdeel c, van het Besluit geluidhinder de hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van het industrieterrein op ligplaatsen voor woonschepen die reeds aanwezig waren op 1 juli 2012 niet hoger mag worden vastgesteld dan 60 dB(A);
- c.
in afwijking van artikel 2.4 van het Besluit geluidhinder of artikel 2.20, tweede lid, van het Activiteitenbesluit voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen die reeds aanwezig waren op 1 juli 2012 niet voldaan hoeft te worden aan de in die artikelen opgenomen binnenwaarden zolang binnen de geluidsgevoelige ruimten respectievelijk verblijfsruimten een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd;
- d.
in afwijking van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidsniveaus worden verhoogd met maximaal 5 dB(A).
Dit artikel is van toepassing op het in het eerste lid bedoelde bestemmingsplan, voor zover dit bestemmingsplan wordt vastgesteld vóór 1 juli 2018.
De voor het grondgebied van een gemeente vastgestelde bestemmingsplannen gelden als één bestemmingsplan voor het gehele grondgebied.
Artikel 7c is op een gehele of gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan voor het gehele grondgebied, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
Een bestemmingsplan voor een gedeelte van het grondgebied van een gemeente dat na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit onherroepelijk wordt, maakt vanaf het tijdstip waarop dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden deel uit van het bestemmingsplan voor het gehele grondgebied, bedoeld in het eerste lid.
Dit artikel is van toepassing op de gemeenten:
- a.
Breda;
- b.
Bussum;
- c.
Deventer;
- d.
Oldenzaal;
- e.
Soest;
- f.
Venlo;
- g.
Meerssen;
- h.
Stadskanaal;
- i.
Veere;
- j.
Kampen;
- k.
Lopik;
- l.
Peel en Maas.
Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt:
- a.
voor de in het vierde lid, onderdelen a tot en met f, genoemde gemeenten: tot 20 september 2019;
- b.
voor het in het vierde lid, onderdeel g, genoemde plangebied: tot 18 maart 2020;
- c.
voor de in het vierde lid, onderdelen h en i, genoemde gemeenten tot 15 juli 2021;
- d.
voor de in het vierde lid, onderdelen j, k en l, genoemde gemeenten vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche) voor de duur van vijf jaar.
In aanvulling op artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening kan de gemeenteraad van de gemeente Meerssen uiterlijk op 20 september 2019 een structuurvisie vaststellen waarin zijn vastgelegd de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid met het oog op:
- a.
het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
- b.
het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
Bij de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van de structuurvisie kan worden afgeweken van:
- a.
de volgende artikelen van het Besluit ruimtelijke ordening:
- 1°.
1.2.1, tweede lid, en 1.2.1a, onderdeel a, onder de voorwaarde dat het ontwerp van de structuurvisie of de vastgestelde structuurvisie elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar wordt gesteld en blijft op een door de raad te bepalen internetadres. In dat geval bevat de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening een verwijzing naar dit internetadres;
- 2°.
- 1°.
- b.
de bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening, gestelde regels of nadere regels.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van vijftien jaar opnieuw vastgesteld.
In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor een termijn van ten hoogste vijftien jaar.
Dit artikel is van toepassing op het bestemmingsplangebied Galecopperzoom in de gemeente Nieuwegein, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 48, voor zover het bestemmingsplan voor dit gebied wordt vastgesteld vóór 20 september 2019.
Dit artikel is van toepassing op door de raad van de in de onderstaande tabel genoemde gemeenten bij bestemmingsplan aan te wijzen locaties, voor zover die aanwijzing plaatsvindt vóór de in die tabel aangegeven datum:
a. Heerhugowaard | 18 maart 2020 |
b. Hoorn | 18 maart 2020 |
c. Koggenland | 18 maart 2020 |
d. Leeuwarden | 18 maart 2020 |
e. Ooststellingwerf | 18 maart 2020 |
f. Weststellingwerf | 18 maart 2020 |
g. Peel en Maas | vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche) |
In aanvulling op artikel 3, van Bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht is binnen de bij bestemmingsplan aangewezen locaties gedurende een periode van vijftien jaar na inwerkingtreding van dat plan geen omgevingsvergunning vereist voor een activiteit, die betrekking heeft op een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op de grond of op een op de grond staand bouwwerk, mits het bouwwerk, waarop de collectoren of panelen worden geplaatst, voldoet aan de volgende eisen:
- 1°.
de bouwhoogte van het bouwwerk niet hoger is dan vijf meter;
- 2°.
het bouwwerk niet voorzien is van een niet op de grond gelegen buitenruimte.
In aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen voor die aan te wijzen locaties in het bestemmingsplan regels worden gesteld met betrekking tot het uiterlijk van de in het eerste lid bedoelde bouwwerken en beleidsregels worden opgenomen die betrekking hebben op redelijke eisen van welstand als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, van de Woningwet. In afwijking van artikel 12b van de Woningwet wordt het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester mede gebaseerd op de criteria, die zijn opgenomen in het bestemmingsplan.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening wordt de bestemming van gronden voor de aan te wijzen locaties, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van vijftien jaar opnieuw vastgesteld.
In afwijking van artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een voorlopige bestemming voor de aan te wijzen locaties voor de duur van ten hoogste vijftien jaar.
In aanvulling op artikel 3.26 juncto artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen provinciale staten van Noord-Brabant uiterlijk op 18 maart 2020 in een inpassingsplan voor het plangebied «Logistiek Park Moerdijk» in de gemeente Moerdijk, zoals aangegeven op de kaart in bijlage no. 52, regels stellen die strekken ten behoeve van:
- a.
het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
- b.
het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.
In afwijking van artikel 3.26 juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening worden de in het inpassingsplan gestelde regels binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld.
In aanvulling op artikel 4.1 juncto artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kunnen provinciale staten van Noord-Brabant uiterlijk op 18 maart 2018 in de provinciale verordening ruimte regels stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, die strekken ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit, mede met inachtneming van het belang om private inspanningen gericht op een duurzame en zorgvuldige veehouderij te bevorderen.
Hiertoe kunnen behoren regels waarbij in afwijking van de artikelen 2 en 6 van de Wet geurhinder en veehouderij voorschriften worden gesteld over de cumulatieve geurhinder veroorzaakt door veehouderijen.
Onverminderd het Besluit emissiearme huisvesting en paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders bij een beschikking maatregelen voorschrijven die de emissie van geur of van zwevende deeltjes (PM10) vanuit binnen het aangewezen urgentiegebied gelegen dierenverblijven, waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissie voor het milieu, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder kunnen onderscheidenlijk moeten worden beperkt.
Het vorige lid is alleen van toepassing op door burgemeester en wethouders vóór 18 maart 2020 aangewezen urgentiegebieden, waarvoor door de raad vóór 18 maart 2022 een verbeterplan is vastgesteld. Een aangewezen urgentiegebied geldt voor een termijn van tien jaar.
Voor het project stedelijke ontwikkelingen Cadzand-Bad in de gemeente Sluis wordt in aanvulling op artikel 2.3.1, eerste lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening tot uiterlijk 9 september 2025 onder «stedelijk gebied» mede verstaan de in de Ontwikkelingsvisie Cadzand-Bad 2006 en de Schilvisie Cadzand-Bad 2011 aangewezen ruimte voor stedenbouwkundige ontwikkelingen.
Bij het ten behoeve van het experiment Solarpark Eerbeek wijzigen van de omgevingsvergunning voor de stortplaats Doonweg te Eerbeek kan het bevoegd gezag in afwijking van artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming de einddatum van de termijn, waarop de in dat artikel bedoelde bovenafdichting moet worden aangebracht of de in dat artikel bedoeld maatregelen moeten worden getroffen, vaststellen op 31 december 2040.
Het bevoegd gezag brengt uiterlijk vijf jaar na inwerkingtreding van dit besluit het betreffende vergunningsvoorschrift weer in overeenstemming met artikel 4, vierde lid, van het Stortbesluit bodembescherming als uit een onderzoek naar de doeltreffendheid en effecten van dit experiment blijkt dat de grondwaterkwaliteit verslechtert doordat de bovenafdichting met zonnefolie onvoldoende tegengaat dat water in de gestorte afvalstoffen infiltreert.
Dit artikel is van toepassing op bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en inpassingsplannen als bedoeld in artikel 3.26 respectievelijk artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening voor de door provinciale staten van de provincie Groningen aangewezen concentratiegebieden voor de realisering van windturbineparken en voor Windpark Fryslân en Windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze gebieden kunnen aan gronden voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar worden toegekend aan de exacte locaties van de windturbines, mits deze worden vastgesteld voor 15 juli 2021.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, respectievelijk artikel 3.26 juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, respectievelijk artikel 3.28 juncto artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, wordt de bestemming van gronden waaraan tevens een voorlopige bestemming voor een windturbine is toegekend, met inbegrip van de met het oog op de toegekende bestemmingen gestelde regels, binnen een periode van vijfendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is niet van toepassing.
In afwijking van artikel 3.2, respectievelijk artikel 3.26 juncto artikel 3.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 3.28 juncto artikel 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening in verbinding met artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998, geldt de voorlopige bestemming voor een termijn van tussen de vijfentwintig en dertig jaar.
In afwijking van artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 respectievelijk artikel 3.28, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998 is de raad voor de duur van de in het tweede lid bedoelde termijn niet bevoegd de voor de exacte locaties van de windturbines in een inpassingsplan opgenomen bestemming en voorlopige bestemming te wijzigen.
In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid kan de raad van Delfzijl in het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Oosterhorn voorlopige bestemmingen voor het bouwen en in werking hebben van een windturbine voor een termijn van tussen de vijfentwintig en tweeëndertig jaar toekennen, mits de voorlopige bestemming wordt toegekend aan de concrete mastposities van de windturbines. De bestemming van deze gronden wordt binnen een periode van zevenendertig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is gedurende deze periode niet van toepassing.
In afwijking van artikel 2.7, eerste lid, eerste volzin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en onverminderd artikel 2.5 van die wet kunnen, als een project dat bestaat uit het bouwen van een bouwwerk tevens is aan te merken als een project dat bestaat uit het oprichten van een inrichting, de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van die wet en voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet, los van elkaar worden ingediend.
Dit artikel is:
- a.
tot 15 juli 2031 van toepassing in de gemeente Bergen op Zoom;
- b.
in die gemeente tot die datum van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Onverminderd het Besluit emissiearme huisvesting en paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan het college van burgemeester en wethouders van Nederweert vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet twaalfde tranche) voor de duur van vijftien jaar bij een beschikking maatregelen voorschrijven die de emissie van geur of van zwevende deeltjes (PM10) vanuit dierenverblijven, waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verminderen, als blijkt dat de nadelige gevolgen van deze emissie voor het milieu, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu of gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder kunnen onderscheidenlijk moeten worden beperkt.
In dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
afvalwater: afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat en afkomstig is van het telen of kweken van gewassen in een kas;
- b.
overig afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.63, eerste lid, onder a tot en met i, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover dit andere afvalwaterstromen bevat dan bedoeld onder a.
In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, van de Wet milieubeheer kunnen de gemeenteraden van Zaltbommel en Maasdriel ten behoeve van de collectieve zuivering van afvalwater bij verordening bepalen dat in aangewezen gebieden bij het brengen van afvalwater wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels.
In aanvulling op artikel 10.32a, tweede lid, van de Wet milieubeheer maken de gemeenteraden van Zaltbommel en Maasdriel geen gebruik van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, van dat artikel, als van degene bij wie afvalwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd.
In aanvulling op artikel 3.63, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het in de door de gemeenteraden van Maasdriel en Zaltbommel aangewezen gebieden in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater en overig afvalwater toegestaan, als ten minste:
- a.
het perceel waar het afvalwater en overig afvalwater vrijkomt niet is aangesloten op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, waarop geloosd kan worden, en de afstand tot de dichtstbijzijnde voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, waarop kan worden geloosd, meer dan 40 meter bedraagt, of
- b.
het lozen van afvalwater en overig afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater waarop het perceel waar het afvalwater vrijkomt is aangesloten, gelet op de capaciteit van dat riool niet volledig mogelijk is.
Van de in dit artikel opgenomen bevoegdheden kan tot 1 januari 2027 gebruik worden gemaakt.
Als categorieën andere projecten van maatschappelijke betekenis als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:
- a.
onderwijsgebouwen;
- b.
ziekenhuizen en verpleeghuizen;
- c.
verzorgingstehuizen;
- d.
psychiatrische inrichtingen;
- e.
medische centra;
- f.
poliklinieken, en
- g.
medische kleuterdagverblijven.
Indien een project als bedoeld in het eerste lid tevens voorziet in een beperkte mate van woningbouw, doet dat geen afbreuk aan de kwalificatie van het project als project van maatschappelijke betekenis als bedoeld in dat lid.
Als lokaal project met nationale betekenis als bedoeld in artikel 2.18 juncto artikel 2.19 van de wet worden aangewezen:
- a.
FlorijnAs te Assen, omvattende de gebieden Stadsboulevard, het Stadsbedrijvenpark, het Havenkwartier, de Blauwe As 2e fase, het Stationsgebied, Assen-Zuid en het Nationaal landschap Drentsche Aa ten oosten van de stad zoals aangegeven op de kaart in bijlage 5;
- b.
Rotterdam Central District omvattende de projecten Schiekadeblok, Weenapoint, Kruispleingarage, Delftseplein, OV Terminal, Conradstraat, Calypso zoals aangegeven op de kaart in bijlage 6, en
- c.
Stationsgebied Utrecht omvattende gebied 1 (Vredenburg-Catharijnesingel, Smakkelaarsveld/Nieuwe Stationsstraat, OV-terminal, Knoopkazerne, Van Sijpesteijnkwartier, Kop Jaarbeursterrein) en gebied 2 (Jaarbeurskwartier inclusief parkeerterrein en parkeergarage overzijde Merwedekanaal, Lombokplein en Paardenveld) zoals aangegeven op de kaart in bijlage 7.
Onder besluiten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onderdelen a en b, van de wet worden in ieder geval niet verstaan besluiten omtrent planschade en nadeelcompensatie.
Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet op een besluit van toepassing is, wordt dit bij het besluit en bij de bekendmaking of mededeling van het besluit vermeld.
Indien tegen het besluit beroep openstaat, wordt bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit voorts vermeld dat:
- a.
de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;
- b.
het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en
- c.
deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
Indien afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, wordt dit in de uitspraak vermeld.
De uitspraak vermeldt voorts dat:
- a.
de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen;
- b.
het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, en
- c.
deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
Wijzigt de Crisis- en herstelwet.
Wijzigt het Besluit geluidhinder.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet.
Kaart Meppel, Transformatiegebied Noordelijke Stadsentree Meppel
Kaart Boekel, Ecodorp Boekel
Kaart Delft, Spoorzone
Kaart Noord-Brabant, Logistiek Park Moerdijk