U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2015.

Algemene maatregel van bestuur · BWBR0028278

Wetboek van Koophandel BES

Wijzigingen Officiële bron
Wetboek van Koophandel BESWetboek van Koophandel BES

Het Burgerlijk Wetboek BES is, voor zover daarvan bij dit Wetboek niet is afgeweken, ook op de in dit Wetboek behandelde onderwerpen toepasselijk.

De in deze titel genoemde vennootschappen worden geregeerd door de overeenkomsten van partijen, door dit Wetboek en door het burgerlijk recht.

De vennootschap onder een firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam aangegaan.

Iedere vennoot, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name van de vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden en derden aan de vennootschap te verbinden.

Handelingen, welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn of tot welke de vennoten volgens de overeenkomst niet bevoegd zijn, worden onder de bepaling van artikel 12 niet begrepen.

In een vennootschap onder een firma is iedere vennoot wegens de verbintenissen der vennootschap hoofdelijk verbonden.

De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders en commandite genaamd, wordt aangegaan tussen een persoon, of tussen meer dan een hoofdelijk verbonden vennoten, en een of meer andere personen als geldschieters.

Een vennootschap kan alzo tegelijkertijd zijn een vennootschap onder een firma, ten aanzien van de vennoten onder de firma, en een vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van de geldschieter.

De vennoot bij wijze van geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle schulden en verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden.

De vennoten onder een firma zijn verplicht de vennootschap te doen inschrijven in het handelsregister overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

Zolang de inschrijving in het handelsregister niet is geschied, wordt de vennootschap onder een firma ten aanzien van derden aangemerkt als algemeen voor alle zaken, als aangegaan voor een onbepaalde tijd en als geen der vennoten uitsluitende van het recht om voor de firma te handelen en te tekenen.

De ontbinding van een vennootschap onder een firma vóór de tijd bij de overeenkomst bepaald, of door afstand of opzegging tot stand gebracht, haar verlenging na verloop van het bepaalde tijdstip, en alle veranderingen in de oorspronkelijke overeenkomst gemaakt, welke derden aangaan, zijn onderworpen aan de voormelde inschrijving.

Indien de staat van de kas der ontbonden vennootschap niet toereikt om de opeisbare schulden te betalen, zijn de vereffenaars bevoegd om de benodigde penningen te vorderen; iedere vennoot moet deze voor zijn aandeel in de vennootschap inbrengen.

De gelden, welke gedurende de vereffening uit de kas der vennootschap kunnen gemist worden, mogen voorlopig worden verdeeld.

De voerlieden en kapiteins zijn aansprakelijk voor alle schaden aan de ten vervoer overgenomen goederen overkomen, uitgezonderd die, welke uit een gebrek van het goed zelf, door overmacht, of door schuld of nalatigheid van de afzender of expediteur, veroorzaakt zijn.

De voerman of de kapitein is niet ter zake van vertraging aansprakelijk, indien deze door overmacht is veroorzaakt.

De rechten en verplichtingen omtrent de scheepvaart, bij het tweede boek van dit wetboek voorgeschreven, zijn ook toepasselijk op de vaart langs de kusten, voor zover dit uitdrukkelijk bij dat boek is bepaald.

De bepalingen van deze titel zijn niet toepasselijk op de rechten en verplichtingen tussen de koper en de verkoper.

Een wisselbrief mag betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats, waar de betrokkene zijn domicilie heeft, hetzij in een andere plaats.

Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde van de uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, mag de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, die de wissel te goeder trouw heeft verkregen.

De wisselbrief mag tot de vervaldag door de houder of door iemand, die hem enkel onder zich heeft, aan de betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.

Bij gebreke van aanbieding ter betaling van de wisselbrief binnen de termijn, bij artikel 213, eerste lid, vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid, het bedrag te bevoegder plaatse in consignatie te geven, op kosten en onder verantwoordelijkheid van de houder.

De houder mag zijn recht van regres op de endossanten, de trekker en de andere wisselschuldenaren uitoefenen:

Op de vervaldag;

indien de betaling niet heeft plaats gehad;

Zelfs vóór de vervaldag;

Hij, die ter voldoening aan zijn regresplicht de wisselbrief heeft betaald, mag van degenen, die tegenover hem regresplichtig zijn, vorderen:

Bij gedeeltelijke acceptatie is degene, die ter voldoening aan zijn regresplicht het niet-geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, bevoegd te vorderen, dat die betaling op de wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren een voor eensluidend getekend afschrift van de wisselbrief, alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere regresrechten mogelijk te maken.

In geval van verandering van de tekst van een wisselbrief, zijn zij, die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief geplaatst hebben, volgens de veranderde tekst verbonden; zij, die daarvoor hun handtekeningen op de wisselbrief geplaatst hebben, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.

Een in de cheque opgenomen renteclausule wordt voor niet-geschreven gehouden.

Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de cheque heeft verloren, is de houder, in wiens handen de cheque zich bevindt, niet verplicht de cheque af te geven, indien hij deze te goeder trouw heeft verkregen en zulks onverschillig of het betreft een cheque aan toonder, dan wel een voor endossement vatbare cheque, ten aanzien van welke de houder op de wijze in het eerste lid van artikel 260 voorzien van zijn recht doet blijken.

De dag van uitgifte van een cheque, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling.

De houder mag zijn recht van regres uitoefenen op de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaren, indien de cheque, tijdig aangeboden, niet wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld:

In geval van verandering van de tekst van een cheque zijn zij, die daarna hun handtekeningen op de cheque geplaatst hebben, volgens de veranderde tekst verbonden; zij, die daarvóór hun handtekeningen op de cheque geplaatst hebben, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.

Behoudens de bepalingen van het volgende artikel gaat schuld uit een cheque te niet door alle middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek BES aangewezen.

Met bankiers, genoemd in de voorgaande afdelingen van deze Titel worden gelijkgesteld alle personen of instellingen, die in hun werkzaamheid regelmatig gelden ter onmiddellijke beschikking van anderen houden.

Indien de laatste dag van enige termijn, waaromtrent in deze afdeling enige bepaling voorkomt, invalt op een wettelijke feestdag in de zin van het laatste lid van artikel 293, blijft de verplichting en de verantwoordelijkheid voortduren tot en met de eerste daaropvolgende dag, welke geen wettelijke feestdag is.

Assurantie of verzekering is een overeenkomst, bij welke de verzekeraar zich aan de verzekerde, tegen genot van een premie, verbindt om hem schadeloos te stellen wegens een verlies, schade of gemis van verwacht voordeel, hetwelk hij door een onzeker voorval zou kunnen lijden.

De verzekeringen kunnen, onder andere, ten onderwerp hebben:

de gevaren van brand (artikelen 353–364);

de gevaren, waaraan de voortbrengselen van de landbouw te velde onderhevig zijn (artikelen 365–367);

het leven van een of meer personen (artikelen 368–374);

de gevaren van de zee en die van de slavernij (artikelen 813–891); en

de gevaren van het vervoer te lande en langs de kusten (artikelen 892–899).

Op alle verzekeringen, waarover zo in dit als in het tweede boek wordt gehandeld, zijn toepasselijk de bepalingen bij de volgende artikelen vervat.

Tot vergoeding voor schade of verlies uit enig gebrek, eigen bederf of uit de aard en de natuur van de verzekerde zaak zelf onmiddellijk voortgesproten, is de verzekeraar slechts gehouden, indien ook daarvoor uitdrukkelijk verzekerd werd.

Indien hij, die voor zich zelf heeft laten verzekeren, of hij, voor wiens rekening door een ander is verzekerd, ten tijde van de verzekering geen belang in het verzekerd voorwerp heeft, is de verzekeraar niet tot schadeloosstelling gehouden.

Elke verkeerde of onwaarachtige opgave, of elke verzwijging van aan de verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard is, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden, zou zijn gesloten, indien de verzekeraar van de ware staat van zaken had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar.

Uitgezonderd in de gevallen bij wet bepaald, mag een tweede verzekering niet gedaan worden voor dezelfde tijd en voor hetzelfde gevaar op voorwerpen, welke reeds voor hun volle waarde verzekerd zijn, en zulks op straffe van nietigheid van de tweede verzekering.

Afstand bij het aangaan van de verzekering of gedurende haar loop gedaan van hetgeen bij wet tot het wezen van de overeenkomst wordt vereist of van hetgeen uitdrukkelijk is verboden, is nietig.

De verzekering moet schriftelijk worden aangegaan bij een akte, welke de naam van polis draagt.

Hij, die, van een ander order ontvangende tot het laten doen van verzekering, deze voor zijn eigen rekening houdt, wordt verstaan verzekeraar te zijn op de aan hem opgegeven voorwaarden en bij gebreke van die opgave, op zodanige voorwaarden als waarop de verzekering had kunnen worden gesloten ter plaatse, alwaar hij de last had moeten uitvoeren, en, indien deze plaats niet is aangeduid, te zijner woonplaats.

Bij overgang van een zaak of een beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, loopt de verzekering van rechtswege ten voordele van de nieuwe rechthebbende.

Verzekering mag niet alleen voor eigen rekening, maar ook voor die van een derde worden gesloten, hetzij uit kracht van een algemene of van een bijzondere last, hetzij zelfs buiten weten van de belanghebbende, en zulks met inachtneming van de volgende bepalingen.

Bij verzekering ten behoeve van een derde moet uitdrukkelijk in de polis worden vermeld, of zulks uit kracht van een lastgeving of buiten weten van de belanghebbende plaats heeft.

De verzekering zonder lastgeving en buiten weten van de belanghebbende gedaan, is nietig, indien en voor zover de belanghebbende of een derde op zijn last hetzelfde voorwerp reeds had verzekerd vóór het tijdstip, waarop hij kennis droeg van de buiten zijn weten gesloten verzekering.

Indien bij de polis niet vermeld is, dat de verzekering voor rekening van een derde is geschied, wordt de verzekerde geacht die voor zich zelf te hebben gesloten.

De verzekering mag tot voorwerp hebben elk belang, hetwelk op geld waardeerbaar, aan gevaar onderhevig en bij wet niet uitgezonderd is.

Alle verzekering, gedaan op enig belang hoegenaamd, waarvan de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst bestond, is nietig, indien de verzekerde, of hij die met of zonder last heeft doen verzekeren, van het bestaan van de schade heeft kennis gedragen.

De verzekeraar is altijd bevoegd om hetgeen hij verzekerd heeft wederom te laten verzekeren.

De verzekerde zal krachtens een schadevergoeding geen vergoeding ontvangen waardoor hij in een duidelijk voordeliger positie zou geraken. De vorige volzin mist toepassing bij voorafgaande taxatie van de waarde van een zaak, of een beperkt recht waaraan een zaak is onderworpen, tot stand gekomen krachtens een aan deskundige opgedragen beslissing, of krachtens een beslissing van partijen overeenkomstig het advies van een deskundige.

Verliezen of schaden, door eigen schuld van een verzekerde veroorzaakt, komen niet ten laste van de verzekeraar. Hij is zelfs bevoegd om de premie te behouden of te vorderen, indien hij reeds begonnen had enig gevaar te lopen.

In alle gevallen, in welke de overeenkomst van verzekering voor het geheel of ten dele vervalt of nietig wordt, en mits de verzekerde te goeder trouw hebbe gehandeld, moet de verzekeraar de premie teruggeven hetzij voor het geheel, hetzij voor zodanig gedeelte als waarvoor hij geen gevaar heeft gelopen.

Bijaldien de nietigheid van de overeenkomst uit hoofde van list, bedrog of schelmerij van de verzekerde ontstaat, geniet de verzekeraar de premie, onverminderd de vervolging tot straf, zo daartoe gronden zijn.

Indien de verzekerde ter zake van door hem geleden schade vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, anders dan uit verzekering, gaan die vorderingen bij wijze van subrogatie over op de verzekeraar voor zover deze die schade vergoedt.

De brandpolis moet, behalve de vereisten bij artikel 325 vermeld, uitdrukken:

Voor rekening van de verzekeraar zijn alle verliezen en schaden, welke aan de verzekerde voorwerpen zullen zijn overkomen door brand, veroorzaakt door onweder of enig ander toeval, eigen vuur, onachtzaamheid, schuld of schelmerij van eigen bedienden, buren, vijanden, rovers, en alle anderen hoe ook genaamd, op welke wijze de brand ook zou mogen ontstaan, bedacht of onbedacht, gewoon of ongewoon geen uitgezonderd.

Met schade, door brand veroorzaakt, wordt gelijk gesteld die, welke als een gevolg van ontstane brand wordt aangemerkt, ook wanneer die voortkomt uit brand in een naburig gebouw, als daar zijn bederf of vermindering van het verzekerde voorwerp door het water en andere middelen tot stuiting of tot blussing van de brand gebruikt, of het vermissen van iets daarvan door dieverij of op enige andere wijze gedurende de brandblussing of beredding, alsmede de schade, welke veroorzaakt wordt door de gehele of gedeeltelijke vernieling van het verzekerde, op last van hogerhand geschied, ten einde de voortgang van de ontstane brand te stuiten.

Met schade, door brand veroorzaakt, wordt eveneens gelijk gesteld die, welke ontstaan is door ontploffing van buskruit, door het springen van een stoomketel, door het inslaan van de bliksem of dergelijke, ook al heeft die ontploffing, dat springen, of dat inslaan geen brand ten gevolge gehad.

Indien een verzekerd gebouw een andere bestemming verkrijgt en daardoor aan groter brandgevaar komt bloot te staan, zodat de verzekeraar, indien zulks vóór de verzekering had bestaan, het òf in het geheel niet, òf niet op dezelfde voorwaarden zou hebben verzekerd, houdt zijn verplichting op.

De verzekeraar is ontslagen van de verplichting tot voldoening van de schade, indien hij bewijst, dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van de verzekerde zelf veroorzaakt is.

De schade wordt berekend naar de waarde, welke de zaken ten tijde van de brand hebben gehad.

Behalve de vereisten bij artikel 325 vermeld moet de polis uitdrukken:

Bij het opmaken van de schade wordt berekend, hoeveel de vruchten zonder het ontstaan van de ramp ten tijde van hun inoogsting of van hun genot zouden zijn waard geweest en hun waarde na de ramp. De verzekeraar betaalt als schadevergoeding het verschil.

Het leven van iemand kan ten behoeve van een daarbij belanghebbende verzekerd worden, hetzij voor de ganse duur van dat leven, hetzij voor een bij de overeenkomst bepaalde tijd.

De belanghebbende is bevoegd de verzekering te sluiten zelfs buiten kennis of toestemming van degene, wiens leven wordt verzekerd.

De polis bevat:

De begroting van de som en de bepaling van de voorwaarden van de verzekering staan geheel aan het goedvinden van partijen.

Indien de persoon, wiens leven verzekerd is, op het ogenblik van het sluiten van de verzekering, reeds was overleden, vervalt de overeenkomst, al had de verzekerde van het overlijden geen kennis kunnen dragen, tenzij anders ware bedongen.

Indien hij, die zijn leven heeft laten verzekeren, zich van het leven berooft of met de dood wordt gestraft, vervalt de verzekering.

Onder deze afdeling zijn niet begrepen weduwefondsen, tontines, maatschappijen van onderlinge levensverzekering en andere dergelijke overeenkomsten op levens- en sterftekansen gegrond, waartoe een inleg of een bepaalde bijdrage, of beide, gevorderd wordt of worden.

Algemene bepaling

In de eerste tot en met de vierde Titel van dit Boek worden onder schepen uitsluitend verstaan zeeschepen.

In geval van verkoop uit hoofde van artikel 175 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek wordt het schip geacht de hoedanigheid van Nederlands schip niet te hebben verloren.

Indien de gerechtelijke verdeling van de opbrengst van een vreemd schip in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba plaats heeft, worden de kosten van uitwinning, het hulploon, de loods- en havengelden en andere scheepvaartrechten in ieder geval geplaatst in de rang, hun door de artikelen 210, 211, 213217 en 218 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES toegekend.

Op ten minste twintig kubieke meters bruto-inhoud metende, langs de kusten varende vaartuigen, zijn de bepalingen van deze Titel van toepassing.

Artikel 404 is niet van toepassing op aan de Staat of aan een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toebehorende schepen, welke tot de openbare dienst zijn bestemd.

In geval van ontstentenis van de kapitein treedt als zodanig op de eerste stuurman; in geval ook van diens ontstentenis, indien aan boord aanwezig zijn één of meer stuurlieden, bevoegd als kapitein op te treden, de oudste in rang, vervolgens van de overige stuurlieden de oudste in rang, en bij ontstentenis ook van dezen de door een scheepsraad aangewezen persoon.

De kapitein is verplicht met zodanige bekwaamheid en nauwgezetheid en met zodanig beleid te handelen als voor een behoorlijke vervulling van zijn taak nodig is.

De kapitein is verplicht om overal waar een wettelijk voorschrift, de gewoonte of de voorzichtigheid dit gebiedt, zich van een loods te bedienen.

De kapitein mag gedurende de vaart of bij dreigend gevaar het schip niet verlaten, tenzij zijn afwezigheid volstrekt noodzakelijk is of de zorg voor lijfsbehoud hem daartoe dwingt.

De kapitein is verplicht voor de aan boord zijnde goederen van een gedurende de reis overleden opvarende te zorgen en ten overstaan van twee der opvarenden daarvan een behoorlijke beschrijving te maken of te doen maken, welke hij met deze opvarenden ondertekent.

De kapitein, de eigenaar en de rompbevrachter zijn verplicht aan belanghebbenden op hun aanvrage inzage en, tegen betaling van de kosten, afschrift van of uittreksel uit de dagboeken te geven.

Wanneer de kapitein zich in zaken van aanbelang met leden van de bemanning heeft beraden, wordt van de hem gegeven adviezen in het scheepsdagboek melding gemaakt.

Bij het berekenen van de in artikelen 449 en 450 genoemde wettelijke termijnen tellen de zondag en de algemeen erkende feestdagen, en, in het buitenland, de aldaar erkende wettelijke feestdagen niet mee.

De door de kapitein daartoe aangewezen schepelingen zijn verplicht bij het opmaken van de scheepsverklaring hun medewerking te verlenen door van hun bevinding verklaring af te leggen.

De beoordeling van de bewijskracht van scheepsdagboeken en scheepsverklaringen ten aanzien van de daarin vermelde voorvallen van de reis is voor ieder geval aan de rechter overgelaten.

De kapitein is bevoegd, indien dit tot behoud van schip of lading noodzakelijk is, scheepstoebehoren en bestanddelen van de lading overboord te werpen of te verbruiken.

De kapitein is in geval van nood gedurende de reis bevoegd, levensmiddelen, welke in het bezit zijn van opvarenden of tot de lading behoren, tegen schadevergoeding tot zich te nemen, ten einde die te doen verbruiken in het belang van allen, die zich aan boord bevinden.

De kapitein, vernemende dat de vlag, waaronder hij vaart, onvrij is geworden, is verplicht in de meest in de nabijheid gelegen onzijdige haven binnen te lopen en aldaar te blijven liggen, totdat hij op veilige wijze kan vertrekken of van de zeewerkgever stellige orders om te vertrekken heeft ontvangen.

Indien de kapitein blijkt, dat de haven, waarheen het schip is bestemd, wordt geblokkeerd, is hij verplicht in de meest geschikte in de nabijheid gelegen haven binnen te lopen.

De kapitein mag van de koers, welke hij moet volgen, afwijken ter redding van mensenlevens.

Indien gedurende de reis iemand aan boord wordt ontdekt, die niet in het bezit is van een geldig reisbiljet en niet bereid of niet in staat is op eerste aanmaning van de kapitein vracht te betalen, heeft deze het recht hem aan boord werk te laten verrichten, waartoe hij in staat is, en hem bij de eerste gelegenheid, welke zich voordoet, van boord te verwijderen.

Noch de kapitein, noch een opvarende mag voor eigen rekening goederen in het schip vervoeren, tenzij krachtens overeenkomst met of krachtens verlof van de zeewerkgever en, indien het schip is vervracht, ook van de bevrachter.

Een door de zeewerkgever vastgesteld reglement betreffende de dienst aan boord is voor de kapitein verbindend, mits hem een exemplaar daarvan is verstrekt en voor zover de inhoud niet in strijd is met de door hem aangegane arbeidsovereenkomst.

Boete mag de kapitein slechts worden opgelegd krachtens beding in de arbeidsovereenkomst wegens overtreding van daarin omschreven bepalingen en tot het daarin vastgestelde maximum. De bestemming van de boete moet in de overeenkomst worden aangegeven. De boete mag niet aan de zeewerkgever ten goede komen.

De kapitein heeft gedurende de tijd dat hij in dienst is aan boord van een schip, recht op voeding en logies.

Behalve in de gevallen, genoemd in artikel 537 onder 1°. tot en met 8°., kunnen voor de zeewerkgever dringende redenen aanwezig worden geacht:

De kapitein, die de dienstbetrekking doet eindigen terwijl het door hem gevoerde schip zich op reis bevindt, is, op straffe van schadevergoeding, verplicht die maatregelen te nemen, welke in verband daarmede nodig zijn voor de veiligheid van het schip, de opvarenden en de zaken aan boord.

De bepalingen van de vorige artikelen laten onaangetast de bevoegdheid van de zeewerkgever, om aan de kapitein te allen tijde het gezag over het schip te ontnemen.

Na afloop van een reis is de kapitein verplicht de scheepspapieren tegen ontvangstbewijs aan de zeewerkgever af te geven.

De zeewerkgever verbeurt ten behoeve van de kapitein voor iedere dag, dat hij deze, gedurende of bij het einde van zijn dienst aan boord van een schip, zonder wettige reden ophoudt in het verkrijgen van het in geld vastgestelde deel van zijn loon, drie gulden.

Bij overeenkomst mogen partijen niet afwijken van het bepaalde in de artikelen 475, 476, 478 en 483, noch ook ten nadele van de kapitein van het bepaalde in artikel 484, laatste lid.

De bepalingen van de artikelen 475–485 gelden niet voor kapiteins van ten minste twintig kubieke meters bruto-inhoud metende, langs de kusten varende vaartuigen.

Voor zover de zeewerkgever de verhouding tussen de scheepsofficieren onderling, tussen de scheepsgezellen onderling en tussen de scheepsofficieren en de scheepsgezellen niet heeft geregeld, beslist de kapitein daaromtrent.

Wanneer de monsterrol bepaalt, dat er aan boord een commissie van schepelingen zal zijn, stelt zij daarvan tevens de samenstelling en de bevoegdheid vast.

Op de arbeidsovereenkomst tussen de zeewerkgever en de schepeling zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek BES met uitzondering evenwel van die van de zevende Titel van het derde Boek, van toepassing, voor zover daarvan bij algemene verordening niet is afgeweken.

De overeenkomst moet worden aangegaan hetzij voor een bepaalde tijd, hetzij voor één of meer reizen (bij de reis), hetzij voor onbepaalde tijd of tot wederopzegging.

Indien de duur van een dienstbetrekking noch bij overeenkomst of reglement, noch bij wettelijk voorschrift, noch ook door het gebruik, is aangegeven, wordt zij geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.

De overeenkomst moet, behalve hetgeen elders bij algemene verordening daartoe is voorgeschreven, behelzen:

Indien een daartoe niet bekwaam minderjarige een overeenkomst heeft aangegaan en dientengevolge gedurende vier weken, zonder verzet van zijn wettelijke vertegenwoordiger, in dienst arbeid heeft verricht, wordt hij geacht door die vertegenwoordiger mondeling tot het aangaan van die overeenkomst gemachtigd te zijn geweest.

Een door de zeewerkgever vastgesteld reglement betreffende de dienst aan boord is voor de schepeling verbindend, mits een in de Nederlandse taal en in Bonaire onderscheidenlijk in Sint Eustatius en Saba bovendien onderscheidenlijk in het Papiaments en in de Engelse taal gesteld exemplaar daarvan in een mede voor hem bestemd dagverblijf der schepelingen is en blijft opgehangen en behoorlijk leesbaar is, en voor zover de inhoud niet in strijd is met de door hem aangegane arbeidsovereenkomst.

Een verklaring van de schepeling, waarbij hij zich verbindt zich met elk in de toekomst vastgesteld reglement of met elke toekomstige wijziging van een bestaand reglement te verenigen, is nietig.

Nietig is een beding waarbij de schepeling wordt beperkt in zijn vrijheid om na het einde van de dienstbetrekking arbeid te verrichten.

Van het ogenblik waarop volgens de arbeidsovereenkomst de dienstbetrekking aanvangt is de schepeling verplicht zich te houden ter beschikking van de zeewerkgever om gemonsterd te worden op een in de overeenkomst aangeduid schip. Is omtrent de aanvang van de dienstbetrekking niets bepaald, dan wordt die voor de toepassing van dit voorschrift geacht samen te vallen met het sluiten van de overeenkomst.

De schepeling wordt geacht in dienst te zijn aan boord van een schip van de daarvoor in de monsterrol aangewezen dag of, bij gebreke daarvan, van de dag, waarop de monsterrol is opgemaakt, tot en met de dag, waarop hij van zijn werkzaamheden aan boord wordt ontheven of bij deze neerlegt.

De schepeling heeft voor iedere dag, waarop hem de verschuldigde voeding niet of niet ten volle wordt verstrekt, recht op een vergoeding, waarvan het bedrag bij de arbeidsovereenkomst of, bij stilzwijgen van deze, door het gebruik of de billijkheid wordt bepaald.

De schepeling heeft voor ieder jaar, dat hij zonder onderbreking in dienst is van de wederpartij, recht op ten minste zeven of tweemaal vijf achtereenvolgende vrije dagen met behoud van loon, tenzij de arbeidsovereenkomst is aangegaan bij de reis. Deze vrije dagen moeten zó worden gegeven, dat de schepeling telkens na afloop van twee jaren of, indien de dienstbetrekking korter duurt, bij het eindigen van die betrekking alle dagen heeft genoten, waarop hij recht heeft. De schepeling, die in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuis behoort, worden, indien hij zulks verlangt, de vrije dagen in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba gegeven.

Indien de schepeling buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overlijdt terwijl hij in dienst is aan boord van een schip, wordt het lijk begraven of overboord gezet op kosten van de zeewerkgever.

Indien aan de schepeling andere werkzaamheden worden opgedragen dan hij heeft te verrichten overeenkomstig de hoedanigheid, waarin hij volgens de arbeidsovereenkomst aan boord dienst doet, en deze werkzaamheden volgens overeenkomst of gebruik hoger worden beloond, heeft hij eventueel aanspraak op het daarmede overeenkomend hoger loon.

De kapitein heeft disciplinair gezag over de schepeling. Hij is bevoegd om tot handhaving van dit gezag de redelijkerwijze nodige maatregelen te nemen.

De schepeling mag zijn recht op het in geld vastgesteld deel van zijn in dienst aan boord van een schip verdiend loon, voor zover dit te zijner beschikking is, alleen afstaan, in pand geven daaronder begrepen, ten behoeve van zijn echtgenote voor ten hoogste één derde, van zijn kinderen, de verzorgers van zijn kinderen en zijn ouders voor ten hoogste de helft, en van andere bloedverwanten tot de vierde graad en van aanverwanten tot dezelfde graad voor ten hoogste één derde; alles met dien verstaande, dat het bedrag van hetgeen hij afstaat, gevoegd bij het ingevolge artikel 526 aan de echtgenote uit te betalen bedrag, twee derde gedeelte van het gehele in geld vastgesteld loon niet mag overtreffen.

Indien de dienstbetrekking is aangegaan voor een bepaalde tijd en deze verstrijkt terwijl het schip, waarop de schepeling in dienst is, zich op reis bevindt, eindigt de dienstbetrekking in de eerste haven, welke het schip daarna aandoet.

Voor zover het in geld uitgedrukte deel van het loon is vastgesteld bij de reis, heeft de schepeling recht op een evenredige verhoging van het loon, indien de reis door toedoen van de zeewerkgever, door molest of door verblijf in een noodhaven of een andere soortgelijke reden in het belang van het schip en zaken aan boord wordt verlengd.

Indien de dienstbetrekking is aangegaan bij de reis en de reis door toedoen van de zeewerkgever niet wordt aangevangen of, nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt, neemt de dienstbetrekking een einde. De schepeling heeft alsdan het recht op de schadeloosstelling, bepaald in artikel 539, eerste lid.

De kapitein tekent iedere beëindiging van de dienst aan boord van het schip aan op de monsterrol. Deze aantekening wordt, indien de kapitein of de schepeling zulks verzoekt, door de ambtenaar van aanmonstering voor gezien getekend.

Na het eindigen van de reis is de schepeling, wiens dienstbetrekking is afgelopen, niettemin gedurende drie werkdagen gehouden op verlangen van de kapitein mede te werken tot het opmaken van een scheepsverklaring.

De zeewerkgever verbeurt voor iedere dag, dat hij een officier of een scheepsgezel, gedurende of bij het einde van de dienst aan boord van een schip, zonder wettige redenen, ophoudt in het verkrijgen van het in geld vastgestelde deel van zijn loon, ten behoeve van de officier drie gulden en ten behoeve van de scheepsgezel een gulden vijftig cent.

Het monsterboekje mag het loon niet noemen en gedragsbeoordelingen niet bevatten.

De ambtenaren van aanmonstering houden een register van de te hunnen overstaan opgemaakte monsterrollen alsmede een register van de door hen afgegeven monsterboekjes.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent alles wat in verband staat met de monsterrol en het monsterboekje, daaronder begrepen het wegens de bemoeiingen van de ambtenaar van aanmonstering aan de Schatkist verschuldigde en de inrichting en bijhouding van de in het voorgaande artikel bedoelde registers.

Voor zover niet anders overeengekomen is op de tijdbevrachting van een schip dat de Nederlandse vlag voert, titel 5, afdeling 2, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, onverschillig waar de bevrachting tot stand komt.

Voor zover niet anders is overeengekomen zijn de artikelen 378 en 484 tot en met 485 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES van toepassing indien een reisbevrachting in de zin van artikel 373 van dat boek betreft hetzij een schip dat de Nederlandse vlag voert, hetzij het vervoer van zaken van of naar een haven in Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Titel 5, afdeling 3, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES is van toepassing op het vervoer van personen van havens in Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Zij is mede van toepassing op het vervoer naar havens in Bonaire, Sint Eustatius en Saba met dien verstande echter, dat bedingen die volgens deze afdeling nietig zijn, geldig zijn voor zover zij dit zijn volgens de wet van het land waar de inscheping geschied is.

Voor zover niet anders is overeengekomen is op tijdbevrachting van een schip dat de Nederlandse vlag voert, titel 5, afdeling 3, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES van toepassing, onverschillig waar de bevrachting tot stand komt.

Behalve de bij art. 325 vermelde vereisten moet de polis uitdrukken:

alles behoudens de in deze Titel voorkomende uitzonderingen.

Verzekering kan gesloten worden op het geheel of op een gedeelte van de voorwerpen, gezamenlijk of afzonderlijk;

in de tijd van vrede of in de tijd van oorlog, vóór of gedurende de reis van het schip;

voor de heen- en terugreis, voor een van beide, voor de gehele reis, of voor een bepaalde tijd;

voor alle zeegevaren;

op goede en kwade tijdingen.

Indien de verzekerde onkundig is, in welk schip verwacht wordende goederen zullen worden geladen, wordt de vermelding van de kapitein of van het schip niet vereist, mits bij de polis verklaring worde gedaan van des verzekerden onkunde daaromtrent, alsmede opgave van de dagtekening en de ondertekenaar van de laatste advies- of orderbrief. Het belang van de verzekerde mag op deze wijze slechts voor een bepaalde tijd verzekerd worden.

Indien de verzekering is gedaan op schepen of goederen, welke, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, reeds behouden ter plaatse van hun bestemming waren aangekomen, of op enig belang, waarvan de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op voorgeschreven tijdstip bestond, zijn op die gevallen toepasselijk de bepalingen van de artikelen 336 en 337, indien namelijk bewezen wordt of er vermoeden bestaat, dat de verzekeraar van de behouden aankomst, of de verzekerde of diens lasthebber van het aanwezen der schade, bij het sluiten van de overeenkomst, heeft kennis gedragen.

Verzekeringen zijn nietig, wanneer zij gesloten zijn:

Verzekering op het casco en de kiel van het schip mag gesloten worden voor de volle waarde van het schip met al zijn toebehoren, en alle onkosten, tot in zee toe.

Indien de verzekerde in de polis doet opnemen de bij het voorgaande artikel bedoelde verklaring van onwetendheid en het naderhand blijkt, dat de verzekering gedaan is, nadat de schepen vertrokken waren van de plaats, vanwaar het gevaar voor rekening van de verzekeraar zou beginnen te lopen, moet, in geval van schade, de verzekerde, op de vordering van de verzekeraar, zijn verklaring van onwetendheid voor de rechter met ede bevestigen.

Indien in de polis noch van het vertrek van het schip, noch van de onwetendheid deswege melding is gemaakt, wordt zulks gehouden voor een erkenning dat het schip, bij het afgaan van de laatste post, welke vóór het sluiten van de polis is aangekomen, of, indien geregelde posten er niet zijn, bij de laatste bekwame gelegenheid om tijding over te brengen, zich nog bevond ter plaatse, vanwaar het moest vertrekken.

Goederen mogen verzekerd worden voor de volle waarde, welke zij hebben ten tijde en ter plaatse van de verzending, met alle onkosten tot aan boord, de premie van verzekering daaronder begrepen, zonder dat men een afzonderlijke begroting van ieder voorwerp mag vorderen.

De werkelijke waarde van de verzekerde goederen mag verhoogd worden met de vracht, inkomende rechten en andere onkosten, welke bij de behouden aankomst noodzakelijk moeten worden betaald, mits daarvan in de polis melding worde gemaakt.

Vrachtpenningen mogen voor hun vol beloop worden verzekerd.

Indien het schip vergaat of strandt, wordt de verzekering ingekort, voor zoveel het beloop betreft van hetgeen de schipper of de eigenaar van het schip ten gevolge van dat ongeval voor onkosten van de reis minder heeft te betalen dan bij behouden aankomst het geval zou zijn geweest.

De rechter is bevoegd om, indien de volle waarde op de kiel of het casco van een schip verzekerd is, die waarde, hoezeer bevorens getaxeerd, bij vonnis, desnoods na bericht van deskundigen, nader te bepalen of te verminderen;

Indien de verzekering gedaan is voor de terugreis uit een land, waar handel alleen bij wijze van ruiling plaats heeft, wordt de begroting van de waarde van de verzekerde goederen berekend op de voet van hetgeen de in de ruiling gegeven goederen gekost hebben, met bijvoeging van de transportkosten.

Verwacht wordende winst wordt berekend volgens prijscouranten, of, bij gebreke daarvan, volgens een begroting van deskundigen, waaruit blijkt van de winst, welke de verzekerde goederen, bij behouden aankomst, na het afleggen van een gewone reis, redelijkerwijze, op de plaats van bestemming zouden hebben opgeleverd.

Indien uit de prijscouranten of uit een begroting van deskundigen blijkt, dat, bij behouden aankomst, de winst minder zou hebben bedragen dan de som, welke de verzekerde bij de polis had opgegeven, volstaat de verzekeraar met de betaling van dat mindere. Hij is niets verschuldigd, indien de verzekerde voorwerpen enige winst niet zouden hebben opgebracht.

Bij verzekering op het schip, begint het gevaar voor de verzekeraar te lopen van het ogenblik, dat de kapitein een begin heeft gemaakt met het laden van goederen; of, zo hij alleen in ballast moet vertrekken, zodra hij een begin heeft gemaakt met de ballast te laden.

In de bij het voorgaande artikel gemelde verzekering eindigt het gevaar voor de verzekeraar eenentwintig dagen nadat het verzekerde schip te bestemder plaats is aangekomen, of zoveel eerder als de laatste goederen gelost zijn.

Bij verzekering van een schip voor een uit- en thuisreis, of voor meer dan één reis, loopt de verzekeraar, zonder tussenpozing, het gevaar tot en met de eenentwintigste dag nadat de laatste reis is volbracht, of zovele dagen eerder als de laatste goederen gelost zijn.

Goederen verzekerd zijnde, begint het gevaar voor rekening van de verzekeraar te lopen, zodra de goederen zijn gebracht op de kade of op de wal, om vandaar ingeladen en vervoerd te worden naar de schepen, waarin zij geladen worden; deze verzekering eindigt vijftien dagen nadat het schip te bestemder plaats zal zijn aangekomen, of zoveel eerder als de verzekerde goederen aldaar zullen zijn gelost en op de kade of op de wal geplaatst.

Bij verzekering op goederen loopt het gevaar onafgebroken voort, ook al is de schipper genoodzaakt geweest in een noodhaven in te lopen, aldaar te lossen en te repareren, totdat òf de reis wettig gestaakt, òf door de verzekerde bevel tot het niet-weder-inschepen van de goederen gegeven, òf de reis geheel volbracht zij.

Indien de kapitein of de verzekerde op goederen door wettige redenen verhinderd wordt binnen de bij artikel 841 bepaalde tijd te lossen, zonder zich aan vertraging schuldig te maken, loopt het gevaar voor de verzekeraar door totdat de goederen gelost zijn.

Wanneer de reis gestaakt wordt nadat een verzekeraar heeft begonnen gevaar te lopen, blijft het gevaar in een verzekering op goederen lopen vijftien dagen, en in een verzekering op het schip eenentwintig dagen nadat de staking van de reis heeft plaats gehad of zoveel korter als de laatste goederen gelost zijn.

De tijd van de aanvraag en van het eindigen van het gevaar op verwacht wordende winst staat gelijk met de daartoe voor de verzekering op goederen bepaalde tijd.

Het staat in alle verzekeringen aan partijen vrij, om bij de polis andere bedingen te maken nopens het beginnen en het eindigen van de tijd van het gevaar.

Voor rekening van de verzekeraar zijn alle verliezen en schaden, welke aan de verzekerde voorwerpen zijn overkomen door storm, onweder, schipbreuk, stranding, het overzeilen, aanzeilen, aanvaren of aandrijven, gedwongen verandering van koers, van de reis of van het schip, door het werpen van goederen, door brand, geweld, overstroming, neming, kapers, rovers, aanhouding op last van hogerhand, verklaring van oorlog, represailles; alle schade veroorzaakt door nalatigheid, verzuim of schelmerij van de kapitein, de scheepsofficieren of de andere schepelingen, en, in het algemeen, door alle van buiten aankomende onheilen, hoe ook genaamd, tenzij de verzekeraar hetzij bij wet hetzij ingevolge een beding bij de polis, van het lopen van enige van deze gevaren is vrijgesteld.

In een verzekering op goederen, toebehorende aan de eigenaars van het schip, waarin zij geladen zijn, zijn de verzekeraars mede niet aansprakelijk voor schelmerij van de kapitein, of voor de verliezen of schaden, welke door zijn willekeurige verandering van koers, van de reis of van het schip veroorzaakt worden, al ware zulks buiten schuld of voorkennis van de verzekerde gedaan, tenzij bij de polis anders ware bedongen.

Bij een verzekering op de vrachtpenningen is de verzekeraar niet verantwoordelijk voor de schade, opgekomen sedert het ogenblik, dat de kapitein, van al het nodige tot de reis voorzien zijnde, zonder wettige reden in het belang van het schip en de lading, de gelegenheid heeft verzuimd om de reis te bevorderen; tenware de verzekeraar daartegen uitdrukkelijk mocht hebben verzekerd.

Indien de goederen van de soort, in het voorgaande artikel gemeld, in de polis met hun namen zijn uitgedrukt, zonder enig bijzonder beding, dan is de verzekeraar niet aansprakelijk voor de averij onder de drie ten honderd.

Indien een «vrij van molest» verzekerd schip of goed in een haven ligt en vóór zijn vertrek vijandig wordt bezet, of indien het wordt aangehouden, wordt zulks met opbrengen gelijkgesteld en houdt het gevaar voor de verzekeraar op.

Indien de verzekering voor een bepaalde tijd gedaan is, in voege als bij artikel 816 gemeld is, moet de verzekerde het bewijs leveren, dat het verzekerde goed in het schip, dat enige ramp geleden heeft of vergaan is, binnen de bepaalde tijd geladen is geweest.

Bij schadevergoeding wegens goederen door de kapitein ingekocht of ingeladen, hetzij voor zijn eigen rekening, hetzij voor die van het schip, moet het bewijs van de inkoop en een cognossement daarvan, door twee leden van de bemanning ondertekend, worden overgelegd.

Indien de verzekering bij verdeling plaats heeft ten aanzien van goederen, welke geladen moeten worden in onderscheidene aangeduide schepen, met uitdrukking van de som, welke op elk schip verzekerd wordt, en indien de gehele lading wordt geladen in één schip of in een minder getal schepen dan in de overeenkomst bepaald was, is de verzekeraar niet verder aansprakelijk dan voor de som, welke hij verzekerd heeft op het schip of op de schepen, welke de lading hebben ingenomen, niettegenstaande al de genoemde schepen verongelukt zijn; en hij zal desniettemin een half ten honderd of minder, volgens de onderscheiding van artikel 848, ontvangen van de som, waarvan de verzekering bevonden wordt krachteloos te zijn.

De verzekerde, die buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een poging tot redding of tot reclame moet laten doen, de last daartoe opgedragen hebbende aan zijn gewone correspondent of aan een ander huis of persoon, te goeder naam en faam bekend staande, is voor de lasthebber niet verantwoordelijk doch is gehouden zijn rechtsvorderingen tegen hem aan de verzekeraar af te staan.

In een verzekering voor onbepaalde rekening, dat is, indien in de polis niet is uitgedrukt, tot welke natie de eigenaar van het verzekerde behoort, is de verzekerde mede tot het doen van de reclame verplicht, bijaldien de opbrenging of aanhouding is wederrechtelijk, tenware hij bij de polis daarvan zij ontslagen.

Een vonnis van een vreemde rechter, waarbij schepen of goederen, welke als bepaald onzijdig eigendom zijn verzekerd, verklaard worden niet onzijdig eigendom te zijn en daarom zijn prijs verklaard, is niet voldoende om de verzekeraar van het betalen van de schade vrij te stellen, bijaldien de verzekerde bewijst, dat het verzekerde waarlijk onzijdig eigendom is geweest, en dat hij bij de rechter, die het schip of de goederen heeft prijs verklaard, alle middelen aangewend en alle bewijsstukken ingediend heeft, om zodanige prijsverklaring af te weren.

Indien verhoging van premie, voor het geval van opkomende oorlog of andere te verwachten gebeurtenissen, bedongen is, regelt desnoods de rechter de hoegrootheid van de verhoging, voor zover die niet bij de polis uitgedrukt, na verhoor van deskundigen en met inachtneming van het gevaar, de omstandigheden en de bij de polis gemaakte bedingen.

De polis moet, behalve de vereisten bij artikel 325 vermeld, uitdrukken de naam van de voerman, van de kapitein of gezagvoerder, of van de expediteur, die het vervoer op zich heeft genomen.

De verzekeringen, welke tot voorwerp hebben de gevaren van vervoer te land of langs de kusten, worden in het algemeen en naar de omstandigheden geregeld door de voorschriften van dit wetboek omtrent de verzekeringen ter zee, behoudens de bepalingen in de volgende artikelen voorkomende.

Bij verzekering van goederen begint het gevaar voor rekening van de verzekeraar te lopen, zodra de goederen gebracht of besteld zijn aan het voer- of vaartuig, het kantoor, of op zodanige andere plaats, alwaar men gewoon is het goed ter verzending te ontvangen, en eindigt, wanneer die goederen ter plaatse van hun bestemming zijn aangekomen en aldaar aan de geadresseerde zijn afgegeven of in de macht van de verzekerde of van zijn gemachtigden gesteld zijn.

moeten vervoerd worden, loopt het gevaar voor rekening van de verzekeraar voort, al ware het ook, dat de goederen, tijdens de reis, in andere voer- of vaartuigen worden overgeladen.

Bij verzekering van goederen, welke te land verzonden worden, is de verzekeraar ook aansprakelijk voor de schade en de verliezen, veroorzaakt door schuld of schelmerij van de met de aanneming, het vervoer en de bezorging belaste personen.

De bepalingen van de vijfde Afdeling van de tiende Titel zijn insgelijks toepasselijk op de in deze Titel vermelde verzekeringen.

Het staat aan partijen vrij om bij overeenkomst van de bij de artikelen 894 en volgende vermelde bepalingen af te wijken.

Alle buitengewone onkosten ten dienste van het schip en de goederen gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt, alle schade, welke aan het schip en aan de goederen overkomt gedurende de tijd, bij de derde Afdeling van de tiende Titel ten aanzien van het beginnen en het eindigen van het gevaar bepaald, worden als averij gerekend.

Indien tussen partijen niet anders is bedongen, worden de averijen geregeld overeenkomstig de navolgende bepalingen.

Bijzondere averijen zijn:

Indien een schip, uit hoofde van steeds bestaande droogten, ondiepten of banken, met zijn volle lading noch van de plaats vanwaar het vertrekken moet, noch naar de plaats van zijn bestemming kan gevoerd worden en alzo een gedeelte van de lading met lichters aangevoerd of in lichters moet gelost worden, worden zodanige lichterlonen niet als averij beschouwd.

De verzekeraar is slechts bevoegd om de verzekerde te noodzaken om, ter bepaling van de waarde, de verzekerde voorwerpen te verkopen, indien zulks bij de polis werd bedongen.

Indien de schade buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba moeten worden opgemaakt, worden daarin gevolgd de ter plaatse waar de opmaking moet geschieden bestaande wettelijke voorschriften of plaats hebbenden gebruiken.

In geval van door zeeramp geleden schade aan een verzekerd schip, draagt de verze-keraar slechts twee derde van de herstelkosten, om het even of het herstel al of niet hebbe plaats gehad, en zulks in evenredigheid van het verzekerde tot het onverzekerde gedeelte. Een derde blijft voor rekening van de verzekerde, wegens vooronderstelde verbetering van oud tot nieuw.

Indien het, desnoods na verhoor van deskundigen, blijkt, dat door het verricht herstel de waarde van het schip met meer dan één derde is vermeerderd, betaalt de verzekeraar, in evenredigheid als bij artikel 917 is vermeld, het volle beloop van de gemaakte kosten, onder aftrek van de door verbetering vermeerderde waarde.

Indien daarentegen de verzekerde, desnoods na begroting als voren, bewijst, dat het herstel een verbetering of een vermeerdering van de waarde van het schip niet heeft teweeggebracht, en wel bepaaldelijk doordien het schip nieuw en op zijn eerste reis de schade heeft geleden, of doordien de schade is aangekomen aan nieuwe zeilen of nieuw scheepsgereedschap, of wel aan ankers, ijzeren kettingkabels of aan een nieuwe koperen huid, heeft de aftrek van één derde niet plaats en is de verzekeraar verplicht het gehele beloop van de herstelkosten, in evenredigheid als bij artikel 917 is vermeld, te vergoeden.

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 856, 857 en 858, is de verzekeraar niet gehouden om enige bijzondere averij te dragen, indien deze, behalve de kosten van bezichtiging, begroting en opmaking, minder dan één ten honderd van de waarde van het beschadigde voorwerp beloopt; partijen zijn echter bevoegd om ten dezen andere bedingen te maken.

De verzekeraars zo op het schip als op de vracht en op de lading betalen ieder zoveel wegens averij-grosse, als die voorwerpen, voor zover daarop verzekering is gedaan, respectievelijk in de averij-grosse moeten dragen, en zulks in evenredigheid van het verzekerde tot het niet-verzekerde gedeelte.

Zodra de algemene en de bijzondere averij geregeld zijn, moeten de schaderekening benevens de daartoe betrekkelijke bescheiden aan de verzekeraars overgegeven worden. Dezen zijn verplicht om het door hen verschuldigde binnen zes weken daarna te voldoen en zijn na dat tijdsverloop wettelijke interesten verschuldigd.

Elke aanspraak tegen de verzekeraars wegens aan ingeladen goederen overkomen schade vervalt, indien zij, zonder bezichtiging en begroting van die schade, op de wijze bij dit Wetboek voorgeschreven, zijn aangenomen, of, ingeval niet uiterlijk van de schade bleek, de bezichtiging en de begroting niet heeft plaats gehad binnen de bij dit Wetboek bepaalde tijd.

Ten aanzien van minder dan twintig kubieke meters bruto-inhoud metende zeeschepen en minder dan twintig kubieke meters bruto-inhoud metende langs de kusten varende vaartuigen, gelden de navolgende bepalingen.

De voorschriften van de derde Titel van dit Boek zijn op de kapiteins van de schepen en vaartuigen hiervoren in artikel 954 vermeld, alleen toepasselijk, voor zoveel betreft de bepalingen van de artikelen 436, 439, 440, 441, 442, 454 en 473, behoudens hetgeen bij wet deswege is bepaald.

De voorschriften van de vierde Titel, van dit Boek zijn ten dezen niet van toepassing.

De rechten en verplichtingen van kapiteins, van scheepsofficieren en van andere schepelingen der bij artikel 954 vermelde schepen en vaartuigen uit arbeidsovereenkomst voortvloeiende, worden geregeld naar de overeenkomst, naar de bepalingen van de zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek BES omtrent de overeenkomsten tot het verrichten van arbeid en naar andere daaromtrent vastgestelde algemene verordeningen.

De uit bevrachting voortvloeiende rechten en verplichtingen, de tijd van laden en lossen, mitsgaders al hetgeen daartoe betrekkelijk is, worden, met betrekking tot de bij artikel 954 vermelde schepen en vaartuigen, geregeld naar de bepalingen van de vierde Titel van het eerste Boek van dit Wetboek, naar die van het Burgerlijk Wetboek BES omtrent huur en verhuur, naar nadere daaromtrent vastgestelde algemene verordeningen en, bij ontstentenis van deze, naar de plaatselijke gebruiken.

De voorschriften van de elfde Titel zijn ook op minder dan twintig kubieke meters bruto-inhoud metende zeeschepen toepasselijk.

De bepalingen van de artikelen 913–923 en 925 zijn ook op de in artikel 954 vermelde schepen en vaartuigen toepasselijk.

Indien, tot behoud van schip of vaartuig en lading, goederen worden geworpen, heeft de omslag plaats op dezelfde wijze en naar de regelen, welke dienaangaande ten aanzien van de zeevaart zijn voorgeschreven.

De overige bepalingen van de twaalfde Titel, alsmede titel 6, afdeling 3, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek BES zijn niet toepasselijk op de in artikel 954 vermelde schepen en vaartuigen.

De voorschriften van de dertiende Titel gelden behoudens het bepaalde in de vierde Titel van het eerste Boek van dit Wetboek, in het algemeen en naar de omstandigheden ook op de in artikel 954 vermelde schepen en vaartuigen.