U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 30-08-2011.

Regeling · BWBR0028541

Wachtgeldbesluit overheidsdienaren BES

Wijzigingen Officiële bron
Wachtgeldbesluit overheidsdienaren BESWachtgeldbesluit overheidsdienaren BES

De in deze paragraaf vastgestelde begripsbepalingen zijn mede van toepassing op de uit kracht van dit besluit gegeven regelgeving.

In dit besluit wordt verstaan onder:

In dit besluit wordt voorts verstaan onder:

Aan de overheidsdienaar wordt met ingang van de dag waarop het hem verleende ontslag ingaat op zijn daartoe strekkend verzoek door het bevoegd gezag een wachtgeld toegekend, indien het ontslag hem eervol, doch niet op eigen verzoek is verleend met toepassing van het bepaalde bij:

De lengte van het tijdvak gedurende welk het wachtgeld wordt genoten is afhankelijk van het aantal volle jaren dat de diensttijd van belanghebbende, voorafgaand aan de dag van het ontslag, uitmaakt, en wel als volgt:

Het wachtgeld wordt gedurende de eerste 3 maanden van de wachtgeld periode, bedoeld in artikel 5, bepaald op 95% van het laatstelijk genoten inkomen, gedurende de volgende 7 maanden op 85%, gedurende de daarop volgende 10 maanden op 75% en gedurende rest van de periode op 70%.

Indien een overheidsdienaar in meer dan één betrekking in vaste dienst of gedurende ten minste vijf jaren onafgebroken in tijdelijke dienst werkzaam is geweest en hem uit een of meer, doch niet uit al deze betrekkingen eervol, doch niet op eigen verzoek en met toepassing van een van de in artikel 4 genoemde wettelijke bepalingen ontslag wordt verleend, wordt voor de vaststelling van het wachtgeld in aanmerking genomen dat gedeelte van het laatstelijk genoten inkomen, dat naar het oordeel van het bevoegd gezag dient te worden toegerekend aan de betrekking of betrekkingen waaruit het ontslag wordt verleend.

In bijzondere gevallen, waarin de bepalingen van dit besluit geen billijke maatstaf voor de toekenning of berekening van een wachtgeld blijkt op te leveren, kan het bevoegd gezag daarin voorzien.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor zover het de wachtgelders betreft die ten laste van de staat een wachtgeld genieten, en het Bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba, voor zover het de wachtgelders betreft die ten laste van dat openbaar lichaam een wachtgeld genieten, kunnen nadere algemene en bijzondere voorschriften geven aangaande het tijdstip en de wijze waarop mededelingen als in het voorgaande artikel bedoeld dienen te worden verschaft en aangaande de aangelegenheden waarop zij betrekking dienen te hebben.

De belanghebbende die een wachtgeld aanvaardt, wordt geacht door deze aanvaarding erin toe te stemmen dat allen die daarvoor naar het oordeel van het bevoegd gezag in aanmerking komen alle op hem betrekking hebbende inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit besluit noodzakelijk zijn.

Geen wachtgeld wordt toegekend aan de belanghebbende die weigert of nalaat de inlichtingen en de inzage van stukken te verschaffen, welke hem door het bevoegd gezag ingevolge artikel 8, derde lid, gevraagd zijn.

Geen wachtgeld wordt toegekend aan de belanghebbende die binnen een maand na de dag waarop hij zijn aanvrage heeft ingediend komt te verkeren in omstandigheden welke ingevolge artikel 27 een grond tot intrekking van wachtgeld opleveren.

Indien de belanghebbende zijn aanvrage indient na het verstrijken van de termijn, genoemd in artikel 8, eerste lid, of het verschaffen van de hem ingevolge het derde lid van dat artikel gevraagde inlichtingen of inzage van stukken door een aan hem toe te rekenen oorzaak vertraagd wordt, wordt het wachtgeld over elke volle kalendermaand, verlopen tussen de dag van het hem verleende ontslag en de dag van ontvangst van de aanvrage, onderscheidenlijk de inlichtingen of ter inzage aangeboden stukken, niet uitbetaald.

Het wachtgeld wordt uitbetaald over elke volle kalendermaand, gelegen in het tijdvak waarin de wachtgelder:

Indien de wachtgelder niet aan de verplichtingen, hem bij het tweede en derde lid van artikel 10 opgelegd, voldoet, of inkomsten als bedoeld in het voorgaande artikel zonder voldoende reden prijs geeft dan wel door eigen schuld of toedoen verloren doet gaan, worden op het wachtgeld in mindering gebracht de inkomsten die hij zou hebben kunnen verwerven door niet aldus te verzuimen, prijs te geven of verloren te doen gaan. De in artikel 20, eerste lid, tweede volzin, genoemd toeslag is alsdan niet van toepassing. Het tweede lid van het voorgaande artikel is van overeenkomstige toepassing.

Indien de wachtgelder zonder geldige reden niet voldoet aan de hem bij het vierde lid van artikel 10 opgelegde verplichting, kan de wachtgeld door het bevoegde gezag geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken.

Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het bedrag dat op een wachtgeld in mindering dient te worden gebracht afwijken van de door de wachtgelder zelf verstrekte opgave van zijn inkomsten, onderscheidenlijk van de inkomsten die hij zou hebben verworven indien hij zich niet in de in het voorgaande artikel bedoelde omstandigheden had gesteld, ingeval er aanleiding is om deze opgave als onjuist of onvolledig te beschouwen.

Geldelijke aanspraken uit hoofde van arbeidsongeschiktheid, door de wachtgelder op of na de dag waarop zijn ontslag uit de dienst is ingegaan verworven, worden voor de toepassing van deze paragraaf beschouwd als inkomsten in de zin van artikel 20.

Indien de inkomsten, als bedoeld in artikel 20, worden of kunnen worden vermeerderd met een kindertoelage, wordt deze in mindering gebracht op de toelage bedoeld in artikel 33.

Van vergoedingen terzake van de premies, verschuldigd uit hoofde van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES en de Wet algemene weduwen- en wezenverzekering BES, wordt voor de toepassing van deze paragraaf hetzelfde percentage buiten beschouwing gelaten, als het wachtgeld ten opzichte van het laatstelijk genoten inkomen geringer is.

Onverminderd het bepaalde bij artikel 21 kan het wachtgeld door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien een wachtgelder bij herhaling een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid of de omstandigheden voor hem passend worden geacht, weigert te aanvaarden.

Ingeval ten tijde dat het ontslag uit de dienst ingaat door de belanghebbende een uitkering als bedoeld in artikel 45A van de Wet materieel ambtenarenrecht BES wordt genoten, wordt het wachtgeld toegekend en vangt de wachtgeld-periode aan met ingang van de dag volgend op die waarop de uitkering eindigt.

Ten aanzien van de belanghebbende die zich ingevolge wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst bevindt of moet begeven, wordt op zijn daartoe strekkend schriftelijk verzoek de wachtgeld-periode of het op de dag van zijn intreding in werkelijke dienst nog overblijvende gedeelte van de wachtgeld-periode voor de duur daarvan opgeschort.

De aanspraak op wachtgeld eindigt anders dan door het verloop van de wachtgeldperiode.

De aanspraak op wachtgeld vervalt, wanneer niet binnen twee jaren na de dag waarop de aanspraak is ontstaan de aanvrage, bedoeld in artikel 8, aan het bevoegd gezag gericht is.

Vervallen

Op het wachtgeld zijn de bepalingen van hoofstuk XI van de Wet materieel ambtenarenrecht BES ook dan van toepassing, wanneer de wachtgelder geen ambtenaar in de zin van die wet is geweest.

In alle gevallen waarin door het bevoegd gezag ingevolge dit besluit, al dan niet op verzoek, een voor de betrokkene geheel of gedeeltelijk belastende of afwijzende beschikking genomen moet worden met betrekking tot de toekenning, betaalbaarstelling, vermindering, niet-uitbetaling of intrekking van een wachtgeld of een daarmede in verband staande aangelegenheid, geschiedt zulks bij met redenen omklede beschikking.

De belanghebbende die het wachtgeld aanvaardt, wordt daardoor niet geacht van de aanspraak op een hoger bedrag aan wachtgeld of een langere wachtgeld-periode afstand te hebben gedaan.

Indien ingevolge een wettelijke bepaling de aanspraak van de belanghebbende op een vakantie-uitkering of de aanspraak daarop van de groep van overheidsdienaren waartoe de belanghebbende behoord zou hebben indien hij nog in dienst zou zijn, voor een bepaald tijdvak buiten werking gesteld is, wordt tot aan het einde van dat tijdvak het aan de belanghebbende toe te kennen wachtgeld berekend over het laatstelijk door hem genoten inkomen zonder de vakantie-uitkering. Na het einde van het bedoelde tijdvak wordt voor de berekening van het wachtgeld het laatstelijk door hem genoten inkomen met inbegrip van de vakantie-uitkering, waarop de belanghebbende aanspraak had of gehad zou hebben indien zij niet tijdelijk buiten werking was gesteld, in aanmerking genomen.

Dit besluit wordt aangehaald als: Wachtgeldbesluit overheidsdienaren BES.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]