U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2015.

Algemene maatregel van bestuur · BWBR0028681

Wetboek van Strafvordering BES

Wijzigingen Officiële bron
Wetboek van Strafvordering BESWetboek van Strafvordering BES

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder:

Ontdekking op heterdaad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is. De heterdaad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na de ontdekking.

Bij de beantwoording van de vraag of een zaak al dan niet is geëindigd, wordt het rechtsgevolg, bij artikel 282 aan het bekend worden van nieuwe bezwaren verbonden, buiten beschouwing gelaten.

Het in deze titel bepaalde geldt niet, wanneer uit enige bepaling van dit wetboek een andere betekenis blijkt.

Strafvordering heeft alleen plaats in de gevallen en op de wijze bij wet voorzien.

Het openbaar ministerie vervolgt de strafbare feiten bij de rechter die tot de kennisneming daarvan krachtens de wet bevoegd is.

[vervallen]

Strafbare feiten buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig begaan, worden ter bepaling van de bevoegdheid van de rechter geacht te zijn begaan binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

[vervallen]

De procureur-generaal houdt toezicht op een behoorlijke vervolging van strafbare feiten, en kan daartoe aan de officier van justitie de nodige bevelen geven.

Is de klager kennelijk niet ontvankelijk of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het Hof zonder nader onderzoek de klager niet ontvankelijk of het beklag ongegrond verklaren.

De persoon wiens vervolging wordt verlangd is niet verplicht op de vragen, hem in raadkamer gesteld, te antwoorden. Hiervan wordt hem, voordat hij wordt gehoord, mededeling gedaan. De mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

Wanneer de klager of de persoon wiens vervolging wordt verlangd in raadkamer wordt gehoord, nodigt het Hof de procureur-generaal uit daarbij tegenwoordig te zijn.

Het horen van de klager en de persoon wiens vervolging wordt verlangd kan ook aan een van de leden van het Hof worden opgedragen.

De artikelen 38 tot en met 42 met betrekking tot de behandeling in raadkamer zijn op deze titel van toepassing.

De leden van het Hof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, deel aan de berechting.

Bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES is beklag niet toegelaten.

Wanneer het Hof ambtshalve van oordeel is, dat de vervolging van strafbare feiten behoort ingesteld of voortgezet te worden, vinden de bepalingen van deze titel zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.

Na het uitbrengen van de dagvaarding ter terechtzitting kan de verdachte de schorsing wegens het bestaan van een geschilpunt van burgerlijk recht enkel verzoeken, hetzij bij het bezwaarschrift dat tegen die dagvaarding kan worden ingediend, hetzij op de terechtzitting.

Alvorens omtrent de schorsing te beslissen, kan de rechter getuigen en deskundigen horen.

De beslissingen omtrent de schorsing worden genomen hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, door de rechter voor wie de zaak wordt vervolgd of zal worden vervolgd, of voor wie de zaak het laatst is vervolgd.

Tegen beslissingen omtrent de schorsing staat het openbaar ministerie binnen drie dagen daarna en de verdachte binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open bij het Hof van Justitie.

Alle rechterlijke beslissingen op grond van dit wetboek worden, tenzij daarvoor een bijzondere regeling geldt, binnen een zo kort mogelijke termijn genomen, zijn met redenen omkleed, en worden ten spoedigste ter kennis gebracht van het openbaar ministerie, dat onverwijld voor betekening aan de verdachte zorgdraagt. Op de dag dat de beslissing schriftelijk ter kennis is gebracht, respectievelijk betekend is vangt de termijn aan waarbinnen enig rechtsmiddel is opengesteld.

Een ieder, die betrokken is bij de uitvoering van dit wetboek en daarbij de beschikking krijgt over gegevens, waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit wetboek de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

In alle gevallen waarin de verdachte overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek wordt gehoord, is hij bevoegd zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze wordt in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken. Gelijke bevoegdheid komt hem toe, wanneer de verdachte niet in staat is in persoon te worden gehoord.

Tijdens het voorbereidend onderzoek mag aan de verdachte niet worden onthouden de kennisneming van:

De kennisneming van geen enkel processtuk in het oorspronkelijke of in afschrift mag de verdachte worden onthouden, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, of, indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend.

De toegevoegde raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere advocaat doen geschieden, mits hij of die ander daarvan schriftelijk kennis geeft aan de officier van justitie en, voor zover nodig, aan de hulpofficier van justitie tijdens het voorbereidend onderzoek of, indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, aan de bevoegde rechter.

Van elke toevoeging en van elke wijziging daarin wordt onverwijld, op de wijze bij algemene maatregel van bestuur te bepalen, kennis gegeven aan de officier van justitie, de raadsman, de verdachte en bovendien, in geval van een gerechtelijk vooronderzoek, aan de rechter-commissaris, alsmede, indien de verdachte in het huis van bewaring of de gevangenis verblijft, aan de directeur van die inrichting.

Voor de beloning van de bijstand door toegevoegde raadslieden alsmede voor de vergoeding van door hen noodzakelijk gemaakte onkosten worden uit 's Rijks kas middelen beschikbaar gesteld naar regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.

Bij de toepassing van elk dwangmiddel gelden, behalve de overige in dit wetboek gestelde eisen, als algemene voorwaarden:

De hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, geeft van de aanhouding uiterlijk binnen vierentwintig uren schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van uitvoering van de artikelen 79, 79a, en 79b, in het bijzonder met betrekking tot de wijze waarop celmateriaal van een persoon wordt afgenomen, de methode en de plaats van onderzoek, de aanwijzing van de deskundigen, het door de deskundigen uit te brengen verslag, de wijze waarop het recht op tegenonderzoek kan worden uitgeoefend en het bewaren van celmateriaal.

De officier van justitie doet de aangehouden verdachte, wiens bewaring hij noodzakelijk oordeelt, onverwijld geleiden voor de rechter-commissaris.

Wordt de verdachte noch overeenkomstig artikel 83 in verzekering gesteld, noch overeenkomstig artikel 84 voor de rechter-commissaris geleid, dan wordt hij, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld.

Het bevel tot inverzekeringstelling wordt slechts verleend in geval van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, kan zodanig bevel voor hetzelfde feit niet meer worden verleend.

Met betrekking tot de behandeling van in verzekering gestelde personen en tot de eisen waaraan de voor inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld, voor zover daarin bij wet, houdende regels voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsontneming, niet is voorzien.

De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, de gevangenhouding bevelen van de verdachte die zich in bewaring bevindt, doch niet dan na hem in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord.

De rechter-commissaris kan, indien dit nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen, op de vordering van de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting, kan de rechter in eerste aanleg ambtshalve of op de vordering van de officier van justitie, de gevangenneming van de verdachte bevelen. Zo nodig hoort de rechter deze vooraf; hij is bevoegd te dien einde zijn dagvaarding te gelasten.

Ten aanzien van de gevangenhouding en de gevangenneming is artikel 94 van overeenkomstige toepassing.

Behoudens het bepaalde in artikel 105, tweede lid, zijn bevelen tot voorlopige hechtenis en die tot opheffing daarvan dadelijk uitvoerbaar.

Indien het Hof van Justitie tot het geven van enige beslissing is geroepen voordat beroep van de einduitspraak is aangetekend, wordt daarbij de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis gelast, indien dit uit de beslissing voortvloeit.

De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte in de beslissing tot schorsing wijziging brengen. De verdachte wordt gehoord.

De bevoegdheid tot schorsing, tot opheffing van de schorsing of tot wijziging van de aan de schorsing verbonden voorwaarden komt toe aan de rechter, die de voorlopige hechtenis heeft bevolen. Indien de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, is de rechter die over de zaak oordeelt of het laatst heeft geoordeeld, daartoe bevoegd.

De beslissingen tot schorsing, tot opheffing daarvan en die tot wijziging van de beslissing zijn dadelijk uitvoerbaar.

Waar in deze paragraaf wordt gesproken van schorsing, wordt daaronder begrepen opschorting.

Voor de toepassing van de artikelen 119 en 119a geldt:

Op het beslag, bedoeld in artikel 119a, Boek 3, Titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige toepassing, behoudens dat:

De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde vrije toegang tot alle lokaliteiten en alle plaatsen, waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed, dat zij door een goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, rijwiel- of autohandelaar, uitdrager, opkoper of tagrijn worden gebruikt. Artikel 95bis van het Wetboek van Strafrecht BES, zomede de artikelen 155 tot en met 164 van dit wetboek zijn van toepassing.

Indien het over te brengen stuk een gedeelte uitmaakt van een register, waarvan het niet kan worden afgescheiden, kan de rechter-commissaris bevelen dat het register, voor de tijd bij het bevel te bepalen, ter inzage zal worden overgebracht of aan hem zal worden uitgeleverd ten einde afschriften van het geheel of een gedeelte daarvan te doen vervaardigen.

De rechter-commissaris is na een met redenen omklede vordering van de officier van justitie bevoegd huiszoeking ter inbeslagneming te doen en daarbij de te onderzoeken plaatsen te betreden.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze, waarop de inbeslaggenomen voorwerpen worden bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden, dan wel, ingevolge artikel 142, worden vervreemd, vernietigd, prijsgegeven of tot een ander doel dan het onderzoek bestemd.

Het openbaar ministerie kan op verzoek van de beslagene of van een andere belanghebbende een voorwerp dat op grond van artikel 119a in beslag is genomen onder zekerheidstelling doen teruggeven. De zekerheid bestaat in de storting van geldswaarden door de beslagene of een derde, of in de verbintenis van een derde als waarborg, voor een bedrag en op een wijze als door het openbaar ministerie wordt aanvaard.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

Zodra het openbaar ministerie bemerkt, dat een inbeslaggenomen voorwerp tijdens het begaan van het strafbare feit toebehoorde aan een ander dan de verdachte, stelt het die persoon, indien zijn verblijfplaats bekend is, in kennis van de bevoegdheden die hij heeft ingevolge de artikelen 150 en 151.

Met hetgeen onder de Staat berust als verbeurdverklaarde of aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, wordt, zolang de mogelijkheid van herroeping van de straf of maatregel bestaat, gehandeld naar de artikelen 141 tot en met 143.

Tot kennisneming van geschillen over de toepassing door openbaar ministerie van zijn bevoegdheden uit hoofde van artikel 119d is de burgerlijke rechter bevoegd.

Degene die bevoegd is zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden, kan zich de toegang tot of de doorgang in de woning verschaffen, voor zover het doel van het binnentreden dit redelijkerwijze vereist. Hij kan daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm inroepen.

In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens dit wetboek is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, niet:

(vervallen)

Indien het noodzakelijk is, dat een onderzoek naar de geestvermogens van een verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, zal worden ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bevelen, dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden inrichting tot verpleging of genezing bestemd.

Ten aanzien van de artikelen 177a tot en met 177d zijn de artikelen 125 en 126 van overeenkomstige toepassing.

Bij ministeriële regeling kunnen personen in de openbare dienst van de andere landen van het Koninkrijk of van een vreemde staat die voldoen aan in de algemene maatregel van bestuur te stellen eisen voor de toepassing van daarin aan te wijzen bevoegdheden met een opsporingsambtenaar gelijk worden gesteld.

Degene die schade heeft geleden ten gevolge van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, kan alleen krachtens de bepalingen van deze titel, met uitsluiting van enige vordering uit burgerlijk recht, om toekenning van schadevergoeding verzoeken.

Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en, voor zover dat in die regeling is bepaald.

Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt overgegaan.

De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.

In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met 164.

De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige toepassing.

Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij de artikelen 188 en 189 beschreven.

De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.

Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen doen de personen, bedoeld in artikel 185, hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie.

Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij handelen overeenkomstig de artikelen 193, 194 of 195.

Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de belanghebbende bevoegd.

Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet wenselijk is.

De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen 201, 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.

De rechter-commissaris zet na afloop van zijn functie de door hem aangevangen behandeling van een zaak voort en brengt die ten einde.

Bij verhindering van de rechter-commissaris of diens plaatsvervanger wordt zijn functie waargenomen door een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.

Geen vragen worden gedaan die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.

Het proces-verbaal wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend.

Indien bij afwezigheid van de officier van justitie gedurende het onderzoek enig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan de officier van justitie.

Onverminderd het bepaalde in artikel 261, nodigt de rechter-commissaris, indien naar zijn oordeel het gegrond vermoeden bestaat dat de getuige of de deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de officier van justitie, de verdachte en de raadsman tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.

De rechter-commissaris neemt de nodige maatregelen om te beletten dat de voor verhoor verschenen verdachten, getuigen en deskundigen zich voor of tijdens hun verhoor met elkaar onderhouden.

De rechter-commissaris vraagt de verdachte, getuigen en deskundigen naar hun naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, voorts de verdachte tevens naar zijn geboorteplaats. Indien de verdachte bekend is, vraagt de rechter-commissaris de getuigen en de deskundigen, of zij diens bloedverwanten of aangehuwden zijn, en zo ja, in welke graad.

Ingeval de schouw moet geschieden in een ander eilandgebied, draagt de rechter-commissaris haar over aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.

Het proces-verbaal van een verhoor van de verdachte, dat op verzoek van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, wordt hem gesloten en verzegeld toegezonden.

Indien de verdachte in vrijheid is en niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van justitie andermaal doen dagvaarden. Daarbij kan worden gevoegd een bevel tot medebrenging, doch slechts indien de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk is in verband met een onderzoek naar zijn persoonlijkheid of zijn persoonlijke omstandigheden.

De verdachte wordt bij zijn verhoor mondeling mededeling gedaan van de verklaringen van getuigen en deskundigen, die buiten zijn tegenwoordigheid zijn verhoord, voor zover naar het oordeel van de rechter-commissaris het belang van het onderzoek dit niet verbiedt. Wordt de verdachte de wetenschap van bepaalde opgaven onthouden, dan geeft de rechter-commissaris hem dit mondeling te kennen.

De rechter-commissaris verhoort de getuige, wiens verhoor door de rechter wordt bevolen, door de officier van justitie wordt gevorderd of door de verdachte of diens raadsman wordt verzocht. Hij kan op de vordering van de officier van justitie de dagvaarding van de getuige bevelen.

Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat de overeenkomstig artikel 247 meegebrachte getuige gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen plaats zal worden opgehouden. De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.

De getuige verklaart de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen:

De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot dan wel de persoon, met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of samengewoond heeft, aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.

Alle beschikkingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot ontslag uit de gijzeling wordt afgewezen, zijn met redenen omkleed en worden binnen vierentwintig uren aan de getuige betekend.

De rechter-commissaris bepaalt het tijdstip waarop het onderzoek van de deskundigen zal aanvangen, en de termijn waarbinnen dit zal moeten zijn afgelopen; deze termijn kan door de rechter-commissaris worden verlengd.

Ingeval hetzij de wijze waarop het onderzoek door de deskundigen is geschied, hetzij het verschil van de deskundigen omtrent de feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte, het onderzoek aan andere deskundigen opdragen. De voorgaande artikelen van deze afdeling en artikel 271 zijn van toepassing.

De rechter-commissaris kan de deskundigen geheimhouding opleggen.

Indien de rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of dat tot voortzetting daarvan geen grond bestaat, of wel indien de officier van justitie hem schriftelijk meedeelt dat van verdere vervolging wordt afgezien, sluit hij het onderzoek bij een beschikking waarin de reden van de sluiting is vermeld, en doet hij deze aan de officier van justitie toekomen en aan de verdachte betekenen. Tegen deze beschikking is geen voorziening toegelaten.

Indien de zaak niet verder wordt vervolgd op grond van:

wordt daarvan in de kennisgeving melding gemaakt.

Indien de officier van justitie van oordeel is, dat artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES van toepassing is, doch dat tevens de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, moet worden gegeven, is hij bevoegd een behandeling door de raadkamer te vorderen. De verdachte wordt bij het onderzoek gehoord. De artikelen 294, tweede lid, en 295 zijn van toepassing.

Door de kennisgeving van niet verdere vervolging, de beschikking tot buitenvervolgingstelling of de beschikking houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, wordt elk bevel tot voorlopige hechtenis van rechtswege opgeheven. Daarvan wordt in de kennisgeving of beschikking melding gemaakt.

Strafbare feiten die op dezelfde terechtzitting worden aangebracht en waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan, worden gevoegd aan de kennisneming van de rechter onderworpen, indien dit in het belang van het onderzoek is.

Tegen de dagvaarding, die is uitgebracht na een bevel krachtens artikel 25, eerste lid, is een bezwaarschrift niet toegelaten, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.

Is bij de beschikking tot buitenvervolgingstelling tevens gegeven de last, bedoeld in het tweede lid van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht BES, dan kan de verdachte of diens raadsman daartegen bezwaar maken door middel van een verklaring ter griffie van het Hof, af te leggen uiterlijk binnen zes dagen nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Alsdan vervalt de beschikking en beveelt het Hof, dat de verdachte ter zake van het feit waarop de dagvaarding betrekking had, binnen een bepaalde termijn opnieuw zal worden gedagvaard. Deze termijn kan op de vordering van de officier van justitie door het Hof eenmaal voor een bepaalde tijd worden verlengd.

In geval van buitenvervolgingstelling zijn de artikelen 282 en 283 van toepassing.

De bepalingen in de volgende afdelingen van deze titel zijn toepasselijk op de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, met dien verstande dat, waar gesproken wordt van het Hof en van de voorzitter, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de rechter in eerste aanleg wordt verstaan en waar gesproken wordt van de procureur-generaal, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de officier van justitie wordt verstaan, een en ander voor zover niet uit enige van de bepalingen anders blijkt en onverminderd het bepaalde in Titel IV van dit Boek en in de Titels I en II van het Zevende Boek.

Het onderzoek van de zaak op de terechtzitting neemt een aanvang, nadat de voorzitter de zaak door de deurwaarder heeft doen uitroepen.

De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.

In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.

Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.

Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van het Hof niemand plaats.

Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch in geen geval van meer dan vier maanden.

Indien in het geding in eerste aanleg de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verwering als bedoeld in het eerste lid van artikel 316, hetzij naar aanleiding van het horen door de rechter, ingevolge het zesde lid van dat artikel, van oordeel is dat de dagvaarding behoort te worden gewijzigd, zijn de artikelen 355 en 356 van toepassing.

Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid, tweemaal is verlengd, kan de officier van justitie, in het geding in eerste aanleg, onmiddellijk nadat hij de zaak heeft voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe tijdig aan de verdachte schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. In dat geval kan het overleggen van de lijsten, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 318, worden aangehouden tot de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting.

De voorzitter kan, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, de getuige vergunnen zich vóór het afleggen van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te verwijderen.

Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.

De rechter kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, dat niet anders dan buiten ede worden gehoord, zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, een vervolging is ingesteld.

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de getuige door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal en de verdachte nog vragen worden gesteld. Artikel 325, derde lid, is van toepassing.

De getuige moet bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeven zijn redenen van wetenschap.

De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal of van de verdachte beletten dat aan enige vraag, door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal gesteld, door de getuige gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.

Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de rechtszaal, tenzij het Hof, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, hem vergunt zich te verwijderen, zo nodig met bevel om op een te bepalen tijd weer in de rechtszaal aanwezig te zijn.

[vervallen]

Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëdigd of overeenkomstig artikel 250, tweede lid, aangemaand, overleden is of, naar het oordeel van het Hof, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, is afgezien, zal zijn vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de verdachte door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.

Bij het verhoor van de verdachte wordt zoveel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap steunt.

Noch de voorzitter, noch een van de rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.

Indien de verdachte de stilte of de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan deze zijn verwijdering uit de rechtszaal bevelen en, zo nodig, bepalen, dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting elders zal worden opgehouden. De behandeling van de zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt als ware de verdachte tegenwoordig. In dat geval blijft de raadsman van de verdachte met de verdediging belast.

Na de ondervraging van de verdachte kunnen, op de voet van artikel 326, aan de getuigen opnieuw vragen worden gesteld of stukken worden voorgelezen.

In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.

Het Hof heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend. Het oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal, of op het verzoek van de verdachte.

Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens wettelijke regeling tot verzwaring van straf grond opleveren, is de procureur-generaal bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.

Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na elke sluiting van de terechtzitting en in ieder geval binnen de in het eerste lid van artikel 410 vermelde termijn ondertekend. Voor zover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.

Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.

Alvorens te beslissen op enig verzoek of verzet van de verdachte, hoort het Hof de procureur-generaal. Alvorens te beslissen op enige vordering of op enig verzet van de procureur- generaal, hoort het Hof de verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman.

Zij, die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, die bijstand of die vertegenwoordiging nodig. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende de bijstand of de vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.

De benadeelde partij kan haar eis toelichten of doen toelichten, nadat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord, nadat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweede male het woord te voeren.

Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.

Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.

Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting meegedeeld gevoelen betreffende hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is.

De artikelen 414 tot en met 428 kunnen in eerste aanleg ook bij de berechting van misdrijven toepassing vinden, indien naar het oordeel van de rechter de zaak van eenvoudige aard is, bepaaldelijk ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wettelijke regeling en daarin geen zwaardere hoofdstraf dan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden dient te worden opgelegd.

Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt het Hof uit de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep, de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van het Hof, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de schorsing van de vervolging.

Heeft de procureur-generaal tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES opgelegde straf, dan beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de procureur-generaal en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal wordt uitgesproken, ook de beslissing van het Hof over de vordering in.

Zaken, uitsluitend betreffende feiten die als overtreding strafbaar zijn gesteld, worden door of vanwege de officier van justitie ter terechtzitting aanhangig gemaakt:

De officier van justitie, hoofd van het parket, kan ten aanzien van het al of niet aanhangig maken door oproeping aan de opsporingsambtenaren de nodige algemene of bijzondere voorschriften geven.

Het formulier van de oproeping aan de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

De officier van justitie is bevoegd getuigen, deskundigen en tolken mondeling op te roepen of door een deurwaarder of een ambtenaar van politie mondeling te doen oproepen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen.

Indien de verdachte bij zijn eerste verschijning ter terechtzitting aannemelijk maakt, dat hij in het belang van zijn verdediging uitstel behoeft, schorst de rechter het onderzoek voor een bepaalde tijd.

Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan doet de officier van justitie haar van de dag van de terechtzitting schriftelijk mededeling.

Tegen de vonnissen door de rechter in eerste aanleg als einduitspraak of in de loop van het onderzoek op de terechtzitting gegeven, kan hoger beroep worden ingesteld door de officier van justitie en door de verdachte die niet van de gehele telastelegging is vrijgesproken. Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen ten aanzien van die gevoegde zaken, waarin hij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken.

Tegen de vonnissen die geen einduitspraken zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.

Binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep kan de partij die in beroep is gekomen bij de griffie van het Hof een schriftuur indienen, houdende de middelen en gronden, waarop zij haar beroep steunt. Deze schriftuur wordt bij de processtukken gevoegd.

Tegen beschikkingen staat hoger beroep niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.

Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van beroep van de officier van justitie regelen, kan hij van alle beschikkingen van de rechter in eerste aanleg of de rechter-commissaris, waarbij een krachtens dit wetboek gedane vordering niet is toegewezen, binnen drie dagen bij het Hof in hoger beroep komen.

Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 445, kan ook geschieden door:

De aanvrage vermeldt de omstandigheid waarop zij steunt, met opgave van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.

Indien de aanvrage niet voldoet aan de vereisten bij het voorgaande artikel gesteld, verklaart het Hof bij met redenen omklede beschikking haar niet-ontvankelijk. In het andere geval zijn de navolgende bepalingen van toepassing.

Indien de aanvrage betreft het geval, vermeld in artikel 453, eerste lid, onderdeel b, beveelt het Hof na zich, zo nodig, door tussenkomst van de procureur-generaal nadere berichten te hebben doen overleggen, de verdere behandeling op de openbare terechtzitting op een daartoe door de voorzitter te bepalen dag.

De procureur-generaal doet ten minste tien dagen voor de dag van de terechtzitting aan de veroordeelde aanzegging van die dag.

Acht het Hof alvorens een beslissing te nemen een onderzoek nodig, dan beveelt het dit en draagt dat onderzoek op aan een rechter-commissaris, die in de zaak nog geen onderzoek heeft verricht. Artikel 359 is van overeenkomstige toepassing.

De beslissingen van het Hof, genoemd in de artikelen 456, 457, 461 en 465, worden zodra mogelijk vanwege de procureur-generaal aan de belanghebbende schriftelijk meegedeeld en in afschrift toegezonden aan de ambtenaar belast met de tenuitvoerlegging van het gewijsde waarvan de herziening is gevraagd, of van het vernietigde vonnis.

Het Hof ingevolge verwijzing op grond van artikel 457, eerste lid, of van artikel 461, tweede lid, rechtdoende, is, op straffe van nietigheid, samengesteld uit drie leden.

Indien gedurende de behandeling van de zaak de veroordeelde overlijdt, wordt het geding voortgezet en wordt door het Hof een bijzondere curator benoemd. De voorgaande artikelen van deze titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.

Geen rechter die op enigerlei wijze deelgenomen heeft aan het onderzoek of de berechting van de zaak waarvan herziening wordt gevraagd, mag aan het onderzoek of de berechting in herziening deelnemen.

Indien na de vernietiging van het gewijsde geen straf of maatregel of wel de maatregel, bedoeld bij artikel 39, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, wordt opgelegd, wordt, op verzoek van de gewezen veroordeelde of van zijn erfgenamen, ter zake van de ondergane straf een schadevergoeding toegekend. De toekenning heeft plaats op de voet van het bepaalde in de artikelen 178 tot en met 181.

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen kunnen, ook na hun aftreden, krachtens deze wet niet strafrechtelijk worden vervolgd wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd.

Niemand kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.

Ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, zijn de bepalingen van dit wetboek van toepassing, voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.

De bepalingen van deze afdeling die op de ouders of voogd betrekking hebben, zijn alleen van toepassing, indien de verdachte minderjarig is.

Aan de verdachte, die zich in verzekering of voorlopige hechtenis bevindt, of die in het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris wordt verhoord, wordt op zijn verzoek een raadsman toegevoegd. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft aan de instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid, met de toevoeging is belast, onverwijld kennis dat toevoeging moet plaatshebben. Indien hem geen raadsman is toegevoegd of de toevoeging niet tijdig heeft plaatsgehad, komt het beroepsrecht van artikel 67, eerste lid, ook toe aan de ouders of voogd.

Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 70 van overeenkomstige toepassing.

Waar in deze afdeling wordt gesproken van schorsing wordt daaronder begrepen opschorting.

Indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, dat alsnog een onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte wordt ingesteld, kan hij nadere inlichtingen bij de voogdijraad inwinnen.

De Eerste Titel en de Vierde Titel van het Vijfde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze titel niet anders wordt bepaald.

Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het in de oproeping tenlastegelegde feit opgenomen. In het geval bedoeld in de aanhef van artikel 420, is dat artikel ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping van overeenkomstige toepassing.

Alle betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats, indien deze een bekende verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben; aan samenwonende ouders wordt slechts een stuk uitgereikt.

Ten spoedigste na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, voegt de rechter in eerste aanleg of, indien de beslissing door het Hof is gegeven, de voorzitter de verdachte van misdrijf, indien hij nog geen toegevoegde raadsman heeft, een raadsman toe. Aan de verdachte van overtreding kan door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter een raadsman worden toegevoegd.

De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat of tot overdracht van voorwerpen ten gehele of gedeeltelijke ontneming van het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de betrokkene door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is vervolgd of soortgelijke feiten verkregen.

Het gerecht kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, bedoeld in artikel 38e eerste onderscheidenlijk derde lid van het Wetboek van Strafrecht BES, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.

Een rechter wordt op zijn verlangen van elke bemoeiing in een zaak verschoond, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingeval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden, kan diens wraking schriftelijk of, ter terechtzitting, mondeling worden voorgedragen door het openbaar ministerie en door de verdachte of diens raadsman.

Ingeval de rechter alleen rechtspreekt of als enig rechter bemoeiing in de zaak verricht, worden de redenen van wraking aan hemzelf voorgedragen, waarna het Hof van Justitie daarover ten spoedigste beslist. De verdachte wordt gehoord.

De beslissingen over de wraking, worden de verdachte voorgelezen of, indien deze niet bij de beslissing aanwezig is, hem betekend.

Onder rechters worden in deze titel begrepen de leden en plaatsvervangende leden van het Hof en de rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg.

Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 517, tweede of derde lid, of artikel 518, tweede of derde lid, kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg in het rechtsgebied waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt het schrijven alsdan onverwijld als gewone brief over de post aan het in het schrijven vermelde adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen alle of bepaalde commandanten worden belast met de opsporing, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van daarbij vermelde strafbare feiten.

De bevoegdheid, omschreven in artikel 72, komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.

Een aangehouden verdachte wordt onverwijld overgeleverd:

De officier van justitie kan een inbeslaggenomen voorwerp doen teruggeven, voordat het onder de hoede is gesteld van de bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot hem die het voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan onmiddellijk te voldoen.

De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan op de voet van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) aan de bevoegde autoriteiten van een vreemde staat overdragen iedere inzittende van het luchtvaartuig, van wie hij redelijkerwijze vermoedt, dat deze aan boord een misdrijf heeft begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

De bepalingen van het Derde Boek zijn op deze titel van toepassing, voor zover daarin niet uitdrukkelijk anders is bepaald.

In het geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit, waardoor de openbare orde ernstig is aangerand en ter zake waarvan voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kunnen de maatregelen in de navolgende bepalingen omschreven, worden toegepast, indien tegen de verdachte gewichtige bezwaren bestaan en er groot gevaar is voor herhaling of voortzetting van dat feit.

Indien de bereidverklaring wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

Tegen de beslissing tot afwijzing van een door de officier van justitie krachtens de bepalingen van deze titel genomen vordering staat geen beroep open.

De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg.

Indien bij de inwilliging van een verzoek om rechtshulp de medewerking van buitenlandse ambtenaren van justitie en politie op het eigen grondgebied wordt toegestaan, geschiedt hun optreden onder de feitelijke leiding en de verantwoordelijkheid van de daartoe bevoegde autoriteiten. Het stellen van vragen aan de verdachte of een getuige door buitenlandse ambtenaren geschiedt in aanwezigheid van de rechter-commissaris en op de wijze, door hem te bepalen.

In deze titel wordt verstaan onder:

Tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van buitenlandse rechterlijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.

Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien deze betrekking heeft op een vreemdeling die geen vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, of op een rechtspersoon waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft. Deze voorwaarde is niet van toepassing voor zover de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de betaling van een geldboete of tot een verbeurdverklaring of vermogensontneming van vergelijkbare strekking.

Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed. Onze Minister doet zijn oordeel kenbaar maken aan de autoriteiten van die vreemde staat.

Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan de veroordeelde die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt en aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd, waarvan blijkens de in de vreemde staat uitgesproken rechterlijke beslissing nog ten minste zes maanden moeten worden ten uitvoer gelegd, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat op korte termijn deze sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zal worden ten uitvoer gelegd.

Van elke beslissing naar aanleiding van een verzoek van een autoriteit van een vreemde staat, genomen krachtens een van de artikelen 575 tot en met 578, wordt onverwijld door of door tussenkomst van de procureur-generaal kennis gegeven aan Onze Minister.

Indien de door de vreemde staat overgelegde stukken naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende zijn om op een verzoek tot tenuitvoerlegging een beslissing te nemen, biedt hij de autoriteiten van de verzoekende staat de gelegenheid binnen een door hem te stellen redelijke termijn aanvullende stukken of inlichtingen te verschaffen.

Wanneer een vreemde staat heeft bewilligd in de tenuitvoerlegging van een door deze opgelegde sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, stelt Onze Minister de door de autoriteiten van die staat overgelegde stukken in handen van de procureur-generaal.

De griffier van het Hof doet onverwijld aan de procureur-generaal en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, van wie niet blijkt dat hij reeds een advocaat heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn bevoegdheid een of meer advocaten te kiezen en op de mogelijkheden tot toevoeging van een advocaat, alsmede op zijn recht op kennisneming van de processtukken.

De tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 591 opgelegde straf of maatregel geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens dit Wetboek, het Wetboek van Strafrecht BES of enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.

Indien tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis moet worden overgegaan doet de procureur-generaal met het oog daarop een vordering overeenkomstig artikel 583, tenzij het Hof krachtens artikel 592b, vijfde lid, de duur van de vervangende hechtenis reeds heeft bepaald.

Indien de procureur-generaal het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht, dat een vreemde staat een door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde straf of maatregel ten uitvoer legt of verder ten uitvoer legt, geeft hij, onder overlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis of arrest en eventuele andere met het oog op de tenuitvoerlegging van belang zijnde stukken, aan Onze Minister een met redenen omkleed advies tot overdracht van de tenuitvoerlegging aan die staat.

Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is, dat het verzoek van een buitenlandse autoriteit tot overdracht van de tenuitvoerlegging van een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde sanctie moet worden afgewezen, wint hij omtrent de vraag of het belang van een goede rechtsbedeling zich tegen inwilliging van het verzoek verzet, het advies in van het gerecht dat in hoogste feitelijke instantie de sanctie heeft opgelegd en van de procureur-generaal.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de procedure volgens welke een verklaring van of namens een zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindende veroordeelde, houdende instemming met de overdracht van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, dient te worden afgelegd.

Op de krachtens deze titel gegeven bevelen tot voorlopige vrijheidsontneming of tot verlenging of beëindiging daarvan zijn de bepalingen van dit Wetboek betreffende de inverzekeringstelling, onderscheidenlijk de voorlopige hechtenis van overeenkomstige toepassing, tenzij enige bepaling in deze titel anders voorschrijft.

In gevallen waarin onherroepelijk is vastgesteld dat tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet behoort plaats te vinden, kan het Hof op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden en kosten die hij heeft gemaakt ten gevolge van voorlopige vrijheidsontneming, bevolen krachtens deze titel. Titel XVI van het Derde Boek is van toepassing.

Onze Minister beslist op verzoeken om doorvoer over het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van vreemdelingen die ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van de autoriteiten van een andere staat worden gesteld.

De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op last van het openbaar ministerie.

Indien bij dit wetboek enige betekening, dagvaarding, oproeping, kennisgeving, aanzegging of andere mededeling is voorgeschreven, geschiedt deze, indien niet anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of algemene last geven aan de deurwaarders en aan de ambtenaren van politie, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip dan wel op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee aan de schipper, een en ander voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming en teruggave van onroerende goederen wordt de bijzondere last tot de deurwaarder gericht.

De tenuitvoerlegging of ingang van straffen wordt opgeschort gedurende acht dagen volgende op de dag waarop het vonnis, waarbij zij zijn opgelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.

Wanneer een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf is ingediend, zonder dat een wettelijke regeling daaraan de opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan Onze Minister van Justitie niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt of blijft opgeschort of wel dat zij wordt of blijft geschorst zolang op het verzoek niet is beschikt.

Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is, wordt buiten verdere behandeling gelaten indien blijkt dat de veroordeelde niet met het verzoek instemt. Het verliest alsdan de opschortende werking die de wettelijke regeling daaraan verbindt.

De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding van de te vatten persoon elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing. Geschiedt de aanhouding echter buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan is artikel 539 van overeenkomstige toepassing.

Het hoofd van de gevangenis of andere inrichting, waarin de straf van vrijheidsontneming wordt ten uitvoer gelegd, is verplicht een register te houden volgens een door Onze Minister van Justitie vast te stellen model.

Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 625, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, als één straf aangemerkt.

Verbeurdverklaring van vorderingen wordt ten uitvoer gelegd door betekening van de uitspraak aan de schuldenaar.

Indien het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES voorwaarden stelt ter voorkoming van de strafvervolging, bepaalt het daarbij de termijn waarbinnen aan die voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet geschieden. De gestelde termijn kan worden verlengd.

Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist de rechter die in eerste aanleg van het strafbare feit heeft kennisgenomen, of hij al dan niet de veroordeelde is.

Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van de Vierde Titel van het Vijfde Boek. Artikel 424 vindt overeenkomstig toepassing.

Indien de rechter de identiteit niet aanneemt, gelast hij de invrijheidstelling. In het andere geval wordt de tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het ogenblik van de vrijheidsontneming.

Ten aanzien van personen die tot het ondergaan van enige maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeling overeenkomstig toepassing, met dien verstande, dat, indien de identiteit wordt aangenomen, tot toepassing van de maatregel wordt overgegaan.

De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht BES voorzien, geschiedt, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald of toegelaten, door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.

De uitreiking geschiedt:

In het belang van een goede uitvoering van de artikelen 642, 643 en 644 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven.

Deze wet wordt aangehaald als: Wetboek van Strafvordering BES.

Degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet bevoegd zijn tot de opsporing van strafbare feiten, behouden deze bevoegdheid voor de duur van maximaal vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet.