U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 15-12-2010.

Algemene maatregel van bestuur · BWBR0028729

Onteigeningswet BES

Wijzigingen Officiële bron
Onteigeningswet BESOnteigeningswet BES

Onteigening ten algemene nutte kan in het publiek belang van de openbare lichamen plaats hebben.

In het publiek belang als in artikel 1 omschreven kan ook ten name van bijzondere personen of verenigingen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend.

De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

Waar in deze wet een kadastrale aanduiding is voorgeschreven, wordt, indien deze onmogelijk is, een nauwkeurige beschrijving gegeven van de ligging, vorm en omvang van de zaak; voor de aanduiding van een gedeelte van een zodanig perceel is een meetbrief vereist.

Geen verklaring van algemeen nut wordt voorgesteld, dan nadat de belanghebbenden in staat zijn gesteld, hun bezwaren daartegen te doen horen.

Te dien einde doet, nadat enig werk van algemeen nut is ontworpen, Onze Minister wie het aangaat aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam, waarbinnen ten behoeve van dat werk onroerende zaken of daarop rustende rechten zullen te onteigenen zijn, een plan van het werk met de nodige kaarten toekomen.

Gedurende de termijn, genoemd in artikel 8, eerste lid, alsmede gedurende veertien dagen na verloop daarvan, kunnen bezwaren tegen de voorgenomen onteigening en het plan van het werk schriftelijk worden opgegeven aan de gezaghebber. Deze brengt die bezwaren ten spoedigste ter kennis van Onze Minister wie het aangaat en voegt er zijn advies over de ingebrachte bezwaren bij.

Uiterlijk veertien dagen voordat de commissie bijeenkomt, maken Onze Minister wie het aangaat en de gezaghebber het tijdstip en de plaats van de bijeenkomst bekend, respectievelijk in de Staatscourant en in een of meer ter plaatse verspreid wordende nieuwsbladen of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze. De kosten komen ten laste van hen, te wier name het werk wordt uitgevoerd. De belanghebbenden worden daarbij tevens opgeroepen.

De onteigenende partij tracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Het inleidend verzoekschrift moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden.

Ten minste drie dagen vóór de verschijning, legt de onteigenende partij, tot staving van haar eis, ter griffie van het betrokken gerecht over:

De rechter kan aan de onteigenende partij haar eis niet toewijzen;

Partijen kunnen aan de rechter-commissaris en de deskundigen al die stukken mededelen en al de gronden opgeven, welke, volgens haar oordeel tot een juiste bepaling der schade kunnen leiden.

De formaliteiten, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES voorgeschreven omtrent het getuigenverhoor en het bericht van deskundigen, zijn ten deze niet toepasselijk.

Een en ander wordt gedurende veertien dagen ter inzage der partijen alsook der derde belanghebbenden op de griffie nedergelegd, waarvan door de griffier in een nieuwsblad, door de rechter-commissaris aan te wijzen, kennis wordt gegeven.

Gedurende die veertien dagen kunnen partijen en derde belanghebbenden hun bezwaren, na die aan de wederpartij te hebben betekend, schriftelijk aan de rechter-commissaris indienen.

Bij de berekening der schadevergoeding wordt niet gelet op nieuwe getimmerten of op veranderingen, gemaakt na de nederlegging ter inzage bedoeld in artikel 13.

Alleen de werkelijke waarde van het onteigende, niet de denkbeeldige, welke dit uitsluitend voor de persoon van de eigenaar heeft, komt in aanmerking.

Indien een gebouw zich door zijn constructie voor verplaatsing leent en de onteigenende partij een naar het oordeel van de deskundigen aanvaardbaar terrein aanbiedt, waarop het gebouw herplaatst kan worden, wordt vergoed het verschil in waarde tussen het oude en het nieuwe terrein, indien dat verschil in het nadeel van de onteigende partij is, benevens de kosten van verplaatsing, van tijdelijke behuizing en zonodig de schade aan het gebouw toegebracht.

Bij de bepaling van de waarde van grond als bouwgrond wordt rekening gehouden met de in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geldende regelen betreffende afstand van grond voor openbare verkeerswegen alsmede betreffende kosten van hetgeen nodig is om grond voor bebouwing naar de plaatselijke voorschriften gereed te maken.

Indien het bestuurscollege de eigenaar van gebouwen, muren of erfscheidingen, die wegens de geheel of gedeeltelijk bouwvallige of verwaarloosde toestand dreigen in te storten of gevaar opleveren, bij een schriftelijk en met redenen omkleed besluit heeft opgedragen, binnen de daarbij gestelde termijn, bedoelde gebouwen, muren of erfscheidingen behoorlijk te herstellen of te versterken of, ter keuze van de betrokken eigenaar, af te breken, zonder dat daaraan gevolg is gegeven, wordt vergoed de waarde, die het gebouw zoude hebben ingeval zodanige verbeteringen waren aangebracht met aftrek van de kosten van verbetering.

Bij de berekening der schadeloosstelling wordt acht gegeven op de mindere waarde, welke voor de niet onteigende goederen het noodzakelijk gevolg van de onteigening is.

Voor zover de volgende artikelen niet anders meebrengen, zijn de artikelen 38 tot en met 44 van overeenkomstige toepassing op rechten die door de onteigening geheel of gedeeltelijk vervallen.

Bij de bepaling van de schadeloosstelling wegens het vervallen van een erfdienstbaarheid of een recht als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES, wordt rekening gehouden met hetgeen te verwachten is omtrent de wijziging of de opheffing krachtens de artikelen 78 en 79 van Boek 5, dan wel de artikelen 258 en 259 van Boek 6 van dat wetboek en de daaraan te verbinden voorwaarden. De artikelen 41 en 42 missen in zoverre toepassing. Overigens wordt rekening gehouden met de mogelijkheid de erfdienstbaarheid of het recht als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van dat wetboek door een andere erfdienstbaarheid of een ander recht te vervangen.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

De kosten komen ten laste van de onteigenende partij, tenzij de rechter in de omstandigheden van het geding termen vindt om de kosten geheel of voor een deel te compenseren, behoudens dat de kosten geheel door de verweerder worden gedragen, indien hem niet meer wordt toegewezen dan in het inleidend verzoekschrift werd aangeboden.

Wanneer het vonnis bij verstek is gewezen, kan men daartegen binnen acht dagen na de betekening op de wijze in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES voorgeschreven, in verzet komen.

Aan de onteigenende partij die voor de voldoening der schadeloosstelling aan de wederpartij en aan diegenen der derde belanghebbenden, welke dit verlangen, zekerheid heeft gesteld, wordt op de wijze, in artikel 57 omschreven, het recht verleend om zich, desnoods met behulp van de sterke arm, in het feitelijk bezit te stellen van en veranderingen te brengen in de staat van de te onteigenen onroerende zaken, de onroerende zaak waarop het te onteigenen recht rust, of om, desnoods met behulp van de sterke arm, te belemmeren en te beletten, dat gebruik wordt gemaakt van de te onteigenen rechten of door de onteigening vervallende rechten, indien het bepaalde in de artikelen 55, 56 en 57 is nageleefd.

Tenzij met een andere wijze van zekerheidsstelling genoegen is genomen, wordt zekerheid gesteld door inpandgeving hetzij van een bij de consignatiekas in bewaring gegeven geldsom, welke tenminste gelijk is aan het bedrag waartoe zekerheid moet worden gesteld, hetzij van bij de ontvanger van het openbaar lichaam in bewaring gegeven schuldbrieven ten laste van het Rijk, welke ten dage der inpandgeving een waarde hebben welke ten minste tien ten honderd meer bedraagt dan het bedrag, waartoe zekerheid gesteld moet worden.

De onteigenende partij, welke van het in artikel 54 omschreven recht geen gebruik heeft gemaakt voordat het vonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, is daarna niet meer bevoegd van dat recht gebruik te maken.

De gestelde zekerheid vervalt en het in pand gegevene kan worden teruggenomen, wanneer hetzij de bij het vonnis tot onteigening bepaalde schadeloosstelling, hetzij de krachtens artikel 59 verschuldigde schadevergoeding is voldaan of is aangeboden en geconsigneerd.

Wanneer de onteigenende partij bij het verzoekschrift in artikel 18 bedoeld heeft medegedeeld dat zij het in artikel 54 omschreven recht wenst te verkrijgen, zijn in afwijking van het bepaalde in artikel 62 onder de schadeloosstelling begrepen de wettelijke rente daarvan, te rekenen van de dag, waarop de in artikel 25 omschreven benoeming heeft plaats gehad.

Wanneer hij aan wie de schadeloosstelling is toegewezen, weigert haar te ontvangen, en bij deurwaardersexploit deswege in gebreke is gesteld, kan de onteigenaar zodra tien dagen zijn verstreken overgaan tot consignatie.

Wanneer onder de onteigenende partij beslag op de schadeloosstelling is gelegd, doet zij het bedrag dat zij zonder het beslag aan de beslagene had moeten uitbetalen consigneren.

Alle belastingen, hoegenaamd, waarmede het onteigende goed is bezwaard, of die daarvan worden betaald, gaan van de dag, waarop het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan of waarop, in het geval van artikel 64, de inbezitneming heeft plaats gehad, op de onteigenende partij over.

Indien, tengevolge van oorzaken, welke de onteigenende bij machte was uit de weg te ruimen, met het werk waartoe werd onteigend, niet binnen een jaar nadat het eindvonnis van onteigening in kracht van gewijsde is gegaan, aanvang is gemaakt of de arbeid daaraan meer dan een jaar mocht zijn gestaakt, of indien uit andere omstandigheden is aan te tonen, dat het werk blijkbaar niet tot stand zal worden gebracht, kan de onteigende bij de rechter het afgestaan goed terugvorderen in de toestand, waarin het zich alsdan bevindt, doch onder gehoudenheid, om, in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de schadeloosstelling terug te geven.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

De belanghebbenden kunnen uiterlijk veertien dagen na verloop van de termijn voor nederlegging hun bezwaren schriftelijk aan het bestuurscollege opgeven.

Artikel 10 is ten deze van toepassing, met dien verstande, dat hetgeen daar van het Rijk gezegd wordt, van toepassing wordt op het openbaar lichaam.

Het raadsbesluit tot onteigening, dan wel een afschrift of afdruk ervan, wordt gedurende eenentwintig dagen ter inzage van een ieder gelegd op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam. Door de gezaghebber wordt de terinzagelegging, met vermelding van de aard en de strekking van het werk op de wijze, bedoeld in artikel 142, tweede lid, van de Wet openbare lichamen BES, vooraf aan de ingezetenen bekendgemaakt en in een of meer ter plaatse verspreid wordende nieuwsbladen of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze aangekondigd.

De artikelen 3, 4, 5, 17 t/m 21, 23, 25 t/m 44, 45, 1e en 2de lid en 46 t/m 61 zijn ten deze van toepassing behoudens dat, indien de eilandsraad tot onteigening heeft besloten, hetgeen van het besluit van Onze Minister die het aangaat gezegd wordt, van toepassing wordt op het besluit van de eilandsraad en dat, wanneer de onteigening geschiedt ten name van een vereniging, vennootschap of stichting, deze als eisende partij optreedt.

Ten minste drie dagen voor de verschijning legt de onteigenende partij tot staving van haar eis ter griffie van het gerecht in eerste aanleg over:

Het Gerecht in eerste aanleg kan aan de onteigenende partij haar eis niet toewijzen:

Ten aanzien van de betaling der schadeloosstelling gelden de bepalingen van het vijfde hoofdstuk van de eerste titel, behoudens dat, in de gevallen genoemd bij artikel 68, de onteigende de keuze heeft tussen terugvordering als omschreven bij dat artikel en een vordering tot uitkering van een door de rechter naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de reeds genotene en dat de daar genoemde termijnen van een jaar worden gesteld op tien jaren.

Wanneer hij, in wiens naam de onteigening gelast is, de eigendom van het goed niet langer voor het beoogde doel nodig acht en er nog geen drie jaren sedert de onteigening verlopen zijn, is de onteigende bij voorkeur boven alle anderen tegen betaling van de prijs, door deskundigen te begroten, tot de verkrijging daarvan gerechtigd.

Deze wet wordt aangehaald als: Onteigeningswet BES.