U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2017.

Algemene maatregel van bestuur · BWBR0028752

Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a

Wijzigingen Officiële bron
Burgerlijk Wetboek BES Boek 7aBurgerlijk Wetboek BES Boek 7a

[vervallen]

Van de bepalingen van deze titel mag slechts worden afgeweken, indien en voor zover dit daaruit blijkt.

Op enig beding, als bedoeld in de voorafgaande twee artikelen, kan wegens niet tijdige nakoming beroep alleen worden gedaan, indien de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft om zijn verplichtingen na te komen.

Volmacht tot invordering van loon, pensioen of andere periodieke vorderingen ter zake van een arbeidsovereenkomst, onder welke vorm of welke benaming ook, door de koper verleend, is steeds herroepelijk.

Ter zake van huurkoop kan de koper, indien hij bij het aangaan van de overeenkomst werkelijk woonplaats in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba heeft, geen woonplaats kiezen, behalve voor het geval dat hij te eniger tijd geen bekende werkelijke woonplaats in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba mocht hebben.

[vervallen]

[vervallen]

Ontbinding van huurkoop, of teruggave van een in huurkoop gehouden zaak krachtens daartoe gemaakt beding, kan, wegens niet tijdige nakoming door de koper van zijn verplichtingen, niet worden ingeroepen of gevorderd, tenzij de koper, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft om zijn verplichtingen na te komen.

Wanneer de verkoper ontbinding van de overeenkomst of teruggave van de in huurkoop afgeleverde zaak kan vorderen, zal hij, indien er redelijk belang bestaat bij onverwijlde voorziening, een rechtelijk bevel tot teruggave bij voorraad kunnen verkrijgen.

Indien, wegens het niet nakomen door de koper van zijn verplichtingen, de in huurkoop afgeleverde zaak krachtens daartoe gemaakt beding wordt teruggenomen, heeft dit ontbinding van de overeenkomst tot gevolg, tenzij tussen partijen anders overeengekomen is.

Indien bij ontbinding van de overeenkomst wegens het niet nakomen door de koper van zijn verplichtingen de verkoper in betere vermogenstoestand zou geraken dan bij het in stand blijven van de overeenkomst, vindt volledige verrekening plaats.

Indien bij ontbinding der overeenkomst de koper recht mocht hebben op enige terugbetaling, kan hij door de rechter worden gemachtigd de zaak, die hij terug moet geven, onder zich te houden, totdat het hem verschuldigde wordt betaald of de verkoper daarvoor voldoende zekerheid heeft gesteld.

[vervallen]

[vervallen]

De bepalingen van deze en de volgende afdeling zijn mede van toepassing op de huur van vermogensrechten, voor zover de strekking van die bepalingen of de aard van het recht zich daartegen niet verzet.

De verhuurder is door de aard van de overeenkomst, en zonder dat daartoe enig bijzonder beding vereist wordt, verplicht:

Indien, gedurende de huurtijd, de verhuurde zaak door enig toeval geheel en al vergaan is, vervalt de huurovereenkomst van rechtswege. Indien de zaak slechts ten dele vergaan is, heeft de huurder de keus om, naar gelang der omstandigheden, of vermindering van de huurprijs te vorderen of de huurovereenkomst te ontbinden; doch hij kan, dier beide gevallen, aanspraak op schadevergoeding maken.

De verhuurder mag, gedurende de huurtijd, de gedaante of inrichting van de verhuurde zaak niet veranderen.

De verhuurder is niet verplicht de huurder te waarborgen tegen de belemmeringen, welke hem derden, door feitelijkheden, in zijn genot toebrengen, zonder overigens enig recht op het gehuurde te beweren; behoudens het recht van de huurder om dezelve uit eigen hoofde te vervolgen.

Indien daarentegen de huurder in deszelfs genot is gestoord geworden tengevolge ener rechtsvordering, welke tot de eigendom van de zaak betrekking heeft, heeft hij het recht om een geëvenredigde vermindering van de huurprijs te vorderen, mits van die stoornis of belemmering aan de eigenaar behoorlijk kennis gegeven zij.

Indien degenen, die de feitelijkheden gepleegd hebben, enig recht ten aanzien van de verhuurde zaak beweren te hebben, of indien de huurder zelf in rechten gedagvaard is om tot ontruiming van het geheel of van een gedeelte van de zaak verwezen te worden, of om de uitoefening van enige erfdienstbaarheid of een ander recht ten aanzien van de zaak te gedogen, moet hij de verhuurder daarvan betekening doen, en hij kan dezelve tot vrijwaring oproepen.

De huurder is tot twee hoofdverplichtingen gehouden:

[vervallen]

Indien tussen de verhuurder en de huurder een beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is laatstgenoemde gehouden de zaak in die staat weder op te leveren, waarin hij deze, volgens die beschrijving, heeft aanvaard; met uitzondering van hetgeen door ouderdom of door onvermijdelijke toevallen vergaan of van waarde verminderd is.

Indien geen beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, ten aanzien van het onderhoud, hetwelk ten laste van huurders komt, behoudens tegenbewijs, voorondersteld het gehuurde in goede staat te hebben aanvaard, en moet hij hetzelve in die staat teruggeven.

[vervallen]

De huurder is jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden.

De huurder mag, bij ontruiming van de verhuurde zaak, afbreken en naar zich nemen al hetgeen hij daaraan, op zijn kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde zonder beschadiging van de zaak.

[vervallen]

Wanneer er geschil ontstaat over de prijs ener verhuring, bij monde aangegaan, waarvan de uitvoering begonnen is, en er geen kwijting aanwezig is, moet de verhuurder op zijn eed geloofd worden, tenware de huurder mocht verkiezen de huurprijs door deskundigen te doen begroten.

Indien de huur bij geschrift is aangegaan, houdt dezelve van rechtswege op, wanneer de bepaalde tijd verstreken is, zonder dat daartoe een opzegging vereist worde.

Indien de huur zonder geschrift is aangegaan, houdt dezelve op de bepaalde tijd niet op, dan voor zover de ene partij aan de andere de huur heeft opgezegd, met inachtneming der termijnen, welke bij algemeen verbindend voorschrift of plaatselijke keur bepaald zijn, of welke, bij gebreke van zodanige verordening of keur, het plaatselijk gebruik medebrengt.

Wanneer de ene partij aan de andere een opzegging van huur heeft betekend, kan de huurder, hoewel in het genot blijvende, zich niet beroepen op een stilzwijgende wederinhuring.

Indien, na het eindigen van een verhuring bij geschrift aangegaan, de huurder in het genot is gebleven en gelaten, ontstaat daardoor een nieuwe huur, waarvan de gevolgen geregeld worden bij de artikelen tot mondelinge verhuringen betrekkelijk.

In het geval der twee voorgaande artikelen strekt zich de borgtocht, voor de huur gesteld, niet uit tot de verplichtingen, die uit de verlenging der huur ontstaan.

De huurovereenkomst gaat geenszins teniet door de dood van de verhuurder, noch die van de huurder.

[vervallen]

De verhuurder kan de huur niet doen ophouden door te verklaren, dat hij de verhuurde zaak zelf wil betrekken, tenware het tegendeel mocht bedongen zijn.

Indien men bij de huurovereenkomst is overeengekomen, dat de gehuurde zaak de bevoegdheid zoude hebben om het verhuurde huis of land zelf te betrekken, is hij verplicht vooraf een opzegging te doen betekenen, zoveel tijd tevoren als bij artikel 1595 is vastgesteld.

[vervallen]

[vervallen]

De huur van meubelen om een geheel huis, een gehele woning, een winkel, of enig ander vertrek, daarmede te stofferen wordt gehouden voor zo lang te zijn aangegaan, als de huizen, woningen, winkels of vertrekken, volgens plaatselijk gebruik, doorgaans verhuurd worden.

Indien de huurder van een huis of vertrekt, na het eindigen van de huurtijd, bij schriftelijk overeenkomst bepaald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich de verhuurder daartegen verzet, wordt hij geacht het verhuurde op dezelfde voorwaarden te blijven behouden voor de tijd, welke bij algemeen verbindend voorschrift of plaatselijk keur geregeld is, of bij gebreke daarvan het plaatselijk gebruik medebrengt, en kan hij het verhuurde niet verlaten, noch daaruit gezet worden, dan na een tijdige opzegging, overeenkomstig de verordening, de keur of het plaatselijk gebruik gedaan.

Indien bij een huurovereenkomst van landerijen een kleinere of grotere uitgestrektheid wordt opgegeven, dan dezelve werkelijk hebben, geeft zulks geen grond tot vermeerdering of vermindering van de huurprijs, dan alleen in de gevallen en volgens de bepalingen bij de vijfde titel van dit boek vastgesteld.

Indien de huurder van landerijen dezelve niet van de tot beweiding of bebouwing noodzakelijke beesten en bouwgereedschappen voorziet; indien hij met de beweiding of bebouwing ophoudt, of te dien opzichte niet als een goed huurder handelt; indien hij de gehuurde zaak tot een ander einde gebruikt, dan waartoe hetzelve bestemd is; of indien hij, in het algemeen, de bedingen, bij de huurovereenkomst gemaakt, niet nakomt, en daardoor enig nadeel voor de verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om, naar gelang der omstandigheden, de vernietiging van de huur, met vergoeding van schade, te vorderen.

Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruchten in de daartoe bestemde bergplaatsen te bergen.

De huur van landen, zonder geschrift aangegaan, wordt gerekend aangegaan te zijn voor één jaar.

Indien, na het eindigen van een schriftelijk aangegane verhuring, de huurder in het genot van de zaak blijft, en daarin gelaten wordt, worden de gevolgen van de nieuwe huur door de vroeger aangegane overeenkomst geregeld.

De huurder wiens huur eindigt, en hij welke hem in de huur opvolgt, zijn verplicht elkander over en weder met al datgene te gerieven, dat vereist wordt om het verlaten en het betrekken van de zaak gemakkelijk te maken, zo wat betreft de bebouwing voor het volgende jaar, het inoogsten der nog te velde staande vruchten, als anderszins; alles overeenkomstig het plaatselijk gebruik.

De huurder moet insgelijks, bij zijn vertrek, het stro en de mest van het afgelopen jaar achterlaten, indien hij dezelve bij de aanvang van zijn huur ontvangen heeft; en al had hij die zelfs niet ontvangen, kan de eigenaar dezelve, volgens een te maken begroting, aan zich houden.

[vervallen]

De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst, waarbij de ene partij, de arbeider, zich verbindt, in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon, gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

De aanneming van werk van stoffelijke aard is de overeenkomst, waarbij de ene partij, de aannemer, zich verbindt, voor de andere partij, de aanbesteder, tegen een bepaalde prijs een bepaald werk tot stand te brengen.

Hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden wekelijks tenminste acht uren dan wel gedurende tenminste vijfendertig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.

Indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.

Wanneer een arbeidsovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan, zijn de kosten der akte en andere bijkomende onkosten ten laste van de werkgever.

[Vervallen]

Indien een daartoe niet bekwame minderjarige een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan en dientengevolge gedurende vier weken, zonder verzet van zijn wettelijke vertegenwoordiger, in dienst van de werkgever arbeid heeft verricht, wordt hij geacht door die vertegenwoordiger mondeling tot het aangaan dier arbeidsovereenkomst gemachtigd te zijn geweest.

Een tussen echtgenoten aangegane arbeidsovereenkomst is nietig.

Een verklaring van de arbeider, waarbij hij zich verbindt zich met elk in de toekomst vastgesteld reglement of met elke toekomstige wijziging van een bestaand reglement te verenigen, is nietig.

Van de bepalingen van het reglement kan alleen dan bij bijzondere overeenkomst worden afgeweken, indien deze schriftelijk is aangegaan.

Ter berekening van het in geld vastgestelde loon per dag wordt, voor de toepassing van deze titel, de dag gesteld op tien uren, de week op zes dagen, de maand op vijfentwintig dagen en het jaar op driehonderd dagen. Is het loon, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, op andere wijze dan naar tijdruimte vastgesteld, dan wordt als het in geld vastgestelde loon per dag aangenomen het gemiddelde loon des arbeiders, berekend over de laatste voorafgegane dertig werkdagen: bij gebreke van die maatstaf wordt als loon aangenomen het gebruikelijk loon voor de, wat aard, plaats en tijd betreft, meest nabij komende arbeid.

Het loon van arbeiders, welke niet bij de werkgever inwonen, mag niet anders worden vastgesteld dan in:

[vervallen]

Ieder beding waarbij de arbeider al dan niet gedurende bepaalde tijd beperkt wordt om na het einde van de dienstbetrekking op zekere wijze werkzaam te zijn is nietig.

Alle akten en geschriften betreffende het aangaan, wijzigen of eindigen van arbeidsovereenkomsten, benevens alle stukken, die door de werkgever en de arbeider of hun wettelijke vertegenwoordigers tezamen of ieder afzonderlijk, hetzij in onderhandse vorm, hetzij ten overstaan van een openbare ambtenaar, zonder medewerking van derden, ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst worden opgemaakt, zijn vrij van zegel en van de formaliteit van registratie of worden, indien deze formaliteit wordt gewenst, kosteloos geregistreerd.

De werkgever is verplicht de arbeider zijn loon op de bepaalde tijd te voldoen.

Het loon, naar tijdruimte vastgesteld, is verschuldigd van het tijdstip, waarop de arbeider in dienst is getreden, tot dat van het einde der dienstbetrekking.

Geen loon is verschuldigd voor de tijd, gedurende welke de arbeider de bedongen arbeid niet heeft verricht.

Ook verliest de arbeider zijn aanspraak op het naar tijdruimte vastgestelde loon niet, indien hij bereid was de bedongen arbeid te verrichten, doch de werkgever daarvan geen gebruik heeft gemaakt, hetzij door eigen schuld of zelfs tengevolge van, hem persoonlijk betreffende, toevallige verhindering. De bepalingen van het tweede, vijfde, zesde en zevende lid van het voorgaande artikel zijn van toepassing.

De voldoening van het loon, voor zover het in andere bestanddelen dan in geld is vastgesteld, geschiedt volgens hetgeen bij overeenkomst of reglement is bedongen, of in het geval, bedoeld in artikel 1613p, naar de daar gestelde regelen.

Indien de plaats der voldoening van het loon niet bij overeenkomst of reglement, of door het gebruik is bepaald, of het loon met toepassing van artikel 114, eerste lid, van Boek 6 betaald wordt geschiedt de voldoening hetzij ter plaatse waar de arbeid in de regel wordt verricht, hetzij ten kantore des werkgevers indien dit gelegen is op hetzelfde eiland waar de arbeider woont, hetzij aan de woning des arbeiders, ter keuze van de werkgever.

De uitbetaling van het in geld doch niet naar tijdruimte vastgestelde loon, zal geschieden met inachtneming van de bepalingen van het voorgaande artikel, met dien verstande, dat dit loon geacht zal worden te zijn vastgesteld bij de tijdruimte, waarbij het loon gewoonlijk wordt vastgesteld voor de arbeid, welke ten aanzien van aard, plaats en tijd het meest nabijkomt aan de arbeid, waarvoor het loon verschuldigd is.

Indien het loon in geld voor een gedeelte naar tijdruimte en voor een ander gedeelte op andere wijze, ofwel indien het loon in gedeelten naar meerdere verschillende tijdruimten is vastgesteld, zullen voor ieder dier gedeelten de voorschriften der artikelen 1614l tot en met 1614n van toepassing zijn.

Voor zover het in geld vastgestelde loon, of het gedeelte daarvan, dat overblijft na aftrek van hetgeen door de werkgever niet behoeft te worden uitbetaald, en na aftrek van hetgeen, waarop derden overeenkomstig de bepalingen van deze titel rechten doen gelden, niet wordt uitbetaald uiterlijk de achtste werkdag na die, waarop ingevolge de artikelen 1614l, 1614m en 1614o, de betaling had moeten geschieden, heeft de arbeider, indien deze niet-betaling aan de werkgever is toe te schrijven, aanspraak op een verhoging wegens de vertraging, welke voor de negende tot en met de twaalfde werkdag bedraagt vijf ten honderd per dag en voor elke volgende werkdag een ten honderd, met dien verstande, dat de verhoging wegens vertraging in geen geval de helft van het verschuldigde bedrag zal te boven gaan. Niettemin is de rechter bevoegd de verhoging te beperken tot zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen.

De werkgever, die tijdelijk verhinderd is het loon, voor zover dit in inwoning, kost of andere levensbenodigdheden is vastgesteld, te voldoen, zonder dat deze verhindering het gevolg is van eigen toedoen van de arbeider, is deze een vergoeding schuldig, waarvan het bedrag bij overeenkomst of, bij gebreke van dien, door het plaatselijk gebruik wordt bepaald.

De werkgever is gehouden inwonende arbeiders, zonder korting van het loon, in de gelegenheid te stellen hun godsdienstplichten te vervullen, alsmede ontspanning van de arbeid te genieten, in beide gevallen op de wijze bij overeenkomst of, bij gebreke van dien, door het plaatselijk gebruik bepaald.

De werkgever is gehouden de arbeid dusdanig te regelen, dat de arbeider geen arbeid heeft te verrichten op zondagen en die dagen, die volgens algemeen verbindend voorschrift ten aanzien van de bedongen arbeid met zondagen worden gelijkgesteld, behalve voor zover het tegendeel is bedongen of uit de aard van de arbeid voortvloeit.

De werkgever is in het algemeen verplicht al datgene te doen en na te laten, wat een goed werkgever in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten.

De arbeider is verplicht de bedongen arbeid naar zijn best vermogen te verrichten.

Voor zover aard en omvang van de te verrichten arbeid niet bij overeenkomst of reglement zijn omschreven, beslist daaromtrent het gebruikt.

De arbeider is verplicht de arbeid zelf te verrichten; hij kan zich daarin niet dan met toestemming des werkgevers door een derde doen vervangen.

De arbeider is verplicht zich te houden aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid alsmede aan die, welke strekken ter bevordering van de goede orde in de onderneming des werkgevers, hem door of namens de werkgever binnen de perken van de bestaande wettelijke regelingen, van overeenkomst of reglement gegeven.

De arbeider, die bij de werkgever inwoont, is verplicht zich te gedragen naar de orde des huizes.

De arbeider is in het algemeen verplicht al datgene te doen en na te laten, wat een goed arbeider in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

De dienstbetrekking eindigt door de dood van de arbeider.

De dienstbetrekking eindigt niet door de dood van de werkgever tenzij uit de overeenkomst het tegendeel voortvloeit. Echter zijn zowel de erfgenamen van de werkgever als de arbeider bevoegd de dienstbetrekking, voor een bepaalde tijd aangegaan, door opzegging met inachtneming van de bepalingen der artikelen 1615h en 1615i te doen eindigen, als ware zij aangegaan voor onbepaalde tijd.

Ieder vorderingsrecht krachtens artikel 1615o, derde lid, 1615s, eerste lid en 1615t, eerste lid, verjaart na verloop van zes maanden.

De bepalingen van deze afdeling sluiten voor geen van beide partijen de mogelijkheid uit van ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en van schadevergoeding. De ontbinding kan slechts door de rechter worden uitgesproken.

Bij aanneming van werk kan men overeenkomen, dat de aannemer alleen arbeid verrichten, ofwel dat hij ook de stof leveren zal.

Ingeval de aannemer de stof moet leveren, en het werk, op welke wijze ook vergaat, alvorens het geleverd is, komt het verlies voor zijn rekening, tenware de aanbesteder nalatig zij geweest om het werk te ontvangen.

Indien de aannemer alleen arbeid moet verrichten, en het werk vergaat, is hij slechts voor zijn schuld aansprakelijk.

Indien het werk, in het geval bij het voorgaande artikel vermeld, buiten enig plichtverzuim van de aannemer is verloren gegaan, voordat de levering geschied is, en zonder dat de aanbesteder nalatig is geweest om het werk op te nemen en goed te keuren, heeft de aannemer geen aanspraak op de bedongen prijs, tenware de zaak door een gebrek in de stof zelf verloren ware gegaan.

Indien een werk bij het stuk of bij de maat bearbeid wordt, kan hetzelve bij gedeelten worden opgenomen; die opneming wordt geacht geschied te zijn voor al de betaalde gedeelten, wanneer de aanbesteder de aannemer telkens betaalt naar evenredigheid van hetgeen afgewerkt is.

Indien een gebouw, voor een bepaalde prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling, of zelfs uit hoofde van de ongeschiktheid van de grond, zijn de bouwmeesters en aannemers daarvoor, gedurende tien jaren, aansprakelijk.

Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een bestek, met de eigenaar van de grond beraamd en vastgesteld, kan hij geen vermeerdering van de prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der arbeidslonen of bouwstoffen, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen, die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrotingen niet schriftelijk zijn ingewilligd, en over derzelver prijs met de eigenaar geen overeenkomst is getroffen.

De aanbesteder kan, des goedvindende, de aanneming opzeggen, ofschoon het werk reeds begonnen zij, mits hij de aannemer, wegens al deszelfs gemaakte kosten, arbeid en winstderving, volkomen schadeloosstelle.

[Vervallen]

Metselaars, timmerlieden, smeden en andere ambachtslieden, welke tot het zetten van een gebouw of het maken van enig ander aangenomen werk gebezigd zijn, hebben geen rechtsvordering tegen degene, te wiens behoeve de werken gemaakt zijn, dan ten belope van hetgeen deze aan de aannemer schuldig is, op het ogenblik waarop zij hun rechtsvordering aanleggen.

De rechten en verplichtingen van voerlieden en schippers zijn in het Wetboek van Koophandel BES vastgesteld.

Maatschap is een overeenkomst, waarbij twee of meer personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te delen.

[vervallen]

Maatschappen zijn, of algeheel, of bijzonder.

De wet kent slechts de algehele maatschap van winst. Zij verbiedt alle maatschappen, hetzij van al de goederen, hetzij van een bepaald gedeelte van dezelve onder een algemene titel; onverminderd de bepalingen, vastgesteld in de zesde en zevende titel van het eerste boek.

De algehele maatschap van winst bevat slechts hetgeen partijen, onder welke benaming ook, gedurende de loop der maatschap door haar vlijt zullen verkrijgen.

De bijzondere maatschap is de zodanige, welke slechts betrekking heeft tot zekere bepaalde goederen, of tot derzelver gebruik, of tot de vruchten die daarvan zullen getrokken worden, of tot een bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van enig bedrijf of beroep.

De maatschap begint van het ogenblik der overeenkomst, indien daarbij geen ander tijdstip bepaald is.

[vervallen]

[vervallen]

Wanneer een der vennoten, voor zijn eigen rekening, een opeisbare som te vorderen heeft van iemand, die mede een insgelijks opeisbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelf, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware het ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijn eigen inschuld mocht gebracht hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft, dat de gehele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen.

Indien een der vennoten zijn gehele aandeel in een gemene inschuld der maatschap ontvangen heeft, en de schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot gehouden het ontvangene in de gemene kas in te brengen, al had hij ook voor zijn aandeel kwijting gegeven.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

Indien verscheidene vennoten met het beheer belast zijn, zonder dat hun bijzondere werkzaamheden bepaald zijn, of zonder beding dat de een buiten de ander niets zoude mogen verrichten, is ieder van hen afzonderlijk tot alle handelingen, dat beheer betreffende, bevoegd.

Indien er bedongen is, dat een der beheerders niets buiten de andere zoude mogen verrichten, vermag de ene, zonder een nieuwe overeenkomst, niet te handelen zonder medewerking van de andere, al mocht deze zich ook voor het ogenblik in de onmogelijkheid bevinden om aan de daden van het beheer deel te nemen.

Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer, moeten de volgende regelen worden in acht genomen:

[vervallen]

Elk der vennoten mag, zelfs zonder toestemming der overige, een derde persoon aannemen als deelgenoot in het aandeel, hetwelk hij in de maatschap heeft; doch hij kan dezelve, zonder zodanige toestemming, niet als medelid der maatschap toelaten, al mocht hij ook met het beheer der zaken van de maatschap belast zijn.

De vennoten zijn niet ieder voor het geheel voor de schulden der maatschap verbonden, en een der vennoten kan de overige niet verbinden, indien deze hem daartoe geen volmacht gegeven hebben.

De vennoten kunnen door de schuldeiser, met wie zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van de ene minder dan dat van de andere bedroeg, tenzij, bij het aangaan der schuld, derzelver verplichting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elke vennoot te dragen, uitdrukkelijk zij bepaald.

Het beding, dat een handeling voor rekening der maatschap is aangegaan, verbindt slechts de vennoot, die dezelve aangegaan heeft, maar niet de overige, tenzij de laatstgenoemden hem daartoe volmacht hadden gegeven, of de zaak ten voordele der maatschap gestrekt hebbe.

Indien een der vennoten in naam der maatschap een overeenkomst heeft aangegaan, kan de maatschap de uitvoering daarvan vorderen.

Een maatschap wordt ontbonden:

[vervallen]

[Vervallen]

[vervallen]

De schenker mag zich niet voorbehouden de bevoegdheid om over een voorwerp, in de schenking begrepen, te beschikken; zodanige schenking wordt, voor zoveel dat voorwerp aangaat, als nietig beschouwd.

Het is aan de schenker geoorloofd zich het genot of vruchtgebruik van geschonken goederen te zijnen eigen voordele voor te behouden, of daarover ten behoeve van een ander te beschikken; in welke gevallen de bepalingen van titel 8 van Boek 3 zullen moeten worden in acht genomen.

Een schenking is nietig, indien zij gemaakt is onder voorwaarde om andere schulden of lasten te voldoen dan die, welke uitgedrukt staan in de akte van schenking zelf, of in een staat, welke daaraan zal moeten zijn vastgehecht.

De schenker vermag zich het recht voor te behouden om de gegeven goederen tot zich te doen terugkeren, hetzij ingeval de begiftigde alleen, of deze en zijn afkomelingen vóór de schenker kwamen te overlijden, maar dit kan niet anders bedongen worden dan ten behoeve van de schenker alleen.

Het gevolg van het recht van terugkering zal daarin bestaan, dat alle vervreemdingen der geschonken goederen worden vernietigd, en die goederen tot de schenker terugkeren vrij en ontheven van alle lasten en hypotheken, welke daarop sedert het tijdstip der schenking mochten gelegd zijn.

De schenker is in geval van uitwinning tot geen vrijwaring gehouden.

De bepalingen van de artikelen 906, 907, 908, 908, 909 en 911, die van artikel 921, en eindelijk de zevende en achtste afdeling van de twaalfde titel van Boek 4, zijn op schenkingen toepasselijk.

Alle personen mogen bij wege van schenking beschikken en genieten, uitgezonderd de zodanige, welke de wet daartoe onbekwaam verklaart.

Minderjarigen mogen niet bij wege van schenking beschikken, behoudens hetgeen bij de zevende titel van het eerste boek is vastgesteld.

Ten einde bekwaam te zijn om bij wege van schenking voordeel te genieten, moet de begiftigde, op het tijdstip waarop de schenking heeft plaatsgehad, bestaan.

[vervallen]

De bepalingen van het tweede en van het laatste lid van artikel 931, mitsgaders de artikelen 933, 934, 935 en 937, zijn op schenkingen toepasselijk.

Geen schenking, uitgezonderd degene waarvan bij artikel 1706 wordt gehandeld, kan op straffe van nietigheid anders gedaan worden dan bij een notariële akte, waarvan de minuut onder de notaris is verbleven.

[vervallen]

De giften van hand tot hand van roerende zaken, geldsommen of schuldvorderingen aan toonder, vereisen geen akte, en zijn van kracht door de enkele overlevering aan de begiftigde, of aan een derde, die het gegevene voor hem aanneemt.

Een schenking is, ongeacht of zij reeds is uitgevoerd, vernietigbaar:

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

Door de bepalingen van deze titel wordt geen hinder toegebracht aan hetgeen bij de zevende titel van het eerste boek is vastgesteld.

[vervallen]

Bruiklening is een overeenkomst, waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet ten gebruike geeft, onder voorwaarde dat degene, die deze zaak ontvangt, dezelve, na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of na een bepaalde tijd, zal teruggeven.

De uitlener blijft eigenaar van de geleende zaak.

[vervallen]

Indien de geleende zaak verloren gaat door een toeval, hetwelk degene, die dezelve ter leen ontvangen heeft, door zijn eigen zaak te gebruiken, had kunnen voorkomen, of indien hij, slechts een van beide kunnende behouden, aan de zijne een voorrang heeft gegeven, is hij voor het verlies der andere zaak aansprakelijk.

Indien de zaak bij het ter leen geven geschat is, komt het verlies van dezelve, al ontstond dat ook door toeval, ten laste van degene, die de zaak ter leen ontvangen heeft, tenware het tegendeel mocht bedongen zijn.

Indien de zaak alleen tengevolge van het gebruik, waartoe dezelve geleend is, en buiten schuld van de gebruiker, in waarde vermindert, is deze wegens die vermindering niet aansprakelijk.

Indien de gebruiker, om van de geleende zaak gebruik te kunnen maken, enige onkosten gemaakt heeft, kan hij dezelve niet terugvorderen.

Indien een zaak in bruikleen is gegeven aan twee of meer personen tezamen, zijn zij hoofdelijk verbonden tot teruggave daarvan en tot vergoeding van de schade die het gevolg is van een tekortschieten in de nakoming van die verplichting, tenzij de tekortkoming aan geen van hen kan worden toegerekend.

De uitlener kan de geleende zaak niet terugvorderen dan na verloop van de bepaalde tijd, of, bij gebreke ener dusdanige bepaling, nadat dezelve tot het gebruik, waartoe zij was uitgeleend, gediend heeft, of heeft kunnen dienen.

Indien evenwel de uitlener, gedurende dat tijdsverloop, of voordat de behoefte van de gebruiker opgehouden heeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts opkomende redenen, zelf benodigd heeft, kan de rechter, naar gelang der omstandigheden, de gebruiker noodzaken het geleende aan de uitlener terug te geven.

Indien de gebruiker, gedurende de bruiklening, tot behoud der zaak enige buitengewone noodzakelijke onkosten heeft moeten maken, welke zo dringend waren, dat hij daarvan tevoren aan de uitlener geen kennis heeft kunnen geven, is deze verplicht hem dezelve te vergoeden.

Indien de ter leen gegeven zaak zodanige gebreken heeft, dat daardoor aan degene, die zich van dezelve bedient, nadeel zoude kunnen worden toegebracht, is de uitlener, zo hij die gebreken gekend, en daarvan aan de gebruiker geen kennis gegeven heeft, voor de gevolgen verantwoordelijk.

Verbruiklening is een overeenkomst, waarbij de ene partij aan de andere een zekere hoeveelheid van verbruikbare goederen afgeeft, onder voorwaarde dat de laatstgemelde haar even zoveel, van gelijke soort en hoedanigheid, teruggeve.

Uit kracht deze verbruiklening wordt degene, die ter leen ontvangt, rechthebbende op het geleende goed, en indien hetzelve, op welke wijze ook, vergaat, komt dat verlies voor zijn rekening.

De schuld, uit lening van geld voortspruitende, bestaat alleen in geldsom, die bij de overeenkomst is uitgedrukt.

[vervallen]

[vervallen]

De uilener kan het ter leen gegevene niet terugeisen, voordat de tijd, bij de overeenkomst bepaald, verstreken is.

Geen tijdsbepaling gemaakt zijnde, kan de rechter, wanneer de uitlener de teruggave vordert, naar gelang der omstandigheden, aan degene, die het goed ter leen ontvangen heeft, enig uitstel toestaan.

Indien men is overeengekomen, dat hij, die een goed ter leen heeft ontvangen, dit zal teruggeven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de rechter, naar gelang der omstandigheden, de tijd der teruggave bepalen.

De bepaling van artikel 1772 is op verbruiklening toepasselijk.

Die iets ter leen ontvangt, is verplicht hetzelve, in gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en op de bepaalde tijd, terug te geven.

[vervallen]

[vervallen]

De hoegrootheid der bij overeenkomst bedongen rente moet in geschrift worden bepaald.

Indien de uitlener rente bedongen heeft, zonder dat het beloop daarvan bepaald zij, is degene, die ter leen ontvangen heeft, gehouden het beloop der wettelijke rente te voldoen.

Het bewijs van de betaling der hoofdsom, zonder voorbehoud van rente gegeven zijnde, doet de voldoening der rente vooronderstellen, en de schuldenaar wordt daarvan bevrijd.

Het vestigen ener altijddurende rente is een overeenkomst, waarbij de uitlener interesten bedingt, tegen betaling ener hoofdsom, welke hij aanneemt niet terug te zullen vorderen.

De schuldenaar ener altijddurende rente kan tot de aflossing genoodzaakt worden:

In de twee eerste gevallen, bij het vorige artikel vermeld, kan de schuldenaar zich van de verplichting tot aflossing ontheffen, indien hij binnen de twintig dagen, te rekenen van de gerechtelijke aanmaning, al de verschenen termijnen betaalt of de beloofde zekerheid stelt.

[vervallen]

Lijfrente kan worden gevestigd, hetzij op het lijf des geldschieters, of van hem wie men daarvan het genot geeft, hetzij op dat van een derde, ofschoon deze daarvan geen genot hebbe.

Dezelve kan gevestigd worden op het lijf van een of meer personen.

[vervallen]

[vervallen]

Lijfrente kan tot zodanig beloop van renten gesteld worden, als partijen goedvinden te bepalen.

[vervallen]

Indien de schuldenaar met betaling van verschenen lijfrente in verzuim is, kan de renteheffer vorderen dat zekerheid wordt gesteld over de te vervallen rente.

[vervallen]

[vervallen]

[vervallen]

De renteheffer kan de verschenen rente niet vorderen dan door te doen blijken van het leven van hem, op wie de lijfrente gevestigd is.

De wet staat geen rechtsvordering toe ter zake van een schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten.

Van de vorige twee artikelen kan op generlei wijze worden afgeweken.

In geen geval kan hij, die het verlorene vrijwillig betaald heeft, hetzelve terugeisen, tenware van de kant van degene, die gewonnen heeft, bedrog, list of oplichting hebbe plaatsgehad.

[vervallen]