Wijzigingen Officiële bron
Besluit buitengewone agenten van politie 1966 BESBesluit buitengewone agenten van politie 1966 BES

De buitengewoon agent van politie wordt, gehoord de procureur-generaal, de desbetreffende gezaghebber en de korpschef, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aangesteld voor een bepaald grondgebied.

De buitengewoon agent van politie die beschikt over:

is bevoegd op het grondgebied, vermeld in die akte, de opsporingsbevoegdheden uit te oefenen ter zake van de feiten die in die akte zijn vermeld en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te maken als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering BES.

De titel van opsporingsbevoegdheid is de rechtsgrond die de bevoegdheid tot opsporen bepaalt van de buitengewoon agent van politie, bedoeld in artikel 184, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering BES.

Onze Minister verleent de akte van opsporingsbevoegdheid, waarin de strafbare feiten staan vermeld waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt.

Onverminderd artikel 10, derde lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan Onze Minister bepalen dat de buitengewoon agent van politie beschikt over politiebevoegdheden en geweldmiddelen, voor zover dit met het oog op de opsporingsbevoegdheden noodzakelijk is voor de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden.

In het proces-verbaal van opsporingshandelingen of in enige andere schriftelijke verslaglegging van de uitoefening van bevoegdheden vermeldt de buitengewoon agent van politie het nummer van zijn akte van beëdiging.

De buitengewoon agent van politie is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet tot regeling van het toezicht op krankzinnigen BES, genomen in het belang van de volksgezondheid.

Aan de buitengewoon agent van politie wordt, tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend, zodra de op de akte van aanstelling vermelde tijd is verstreken.

Een buitengewoon agent van politie kan ook op andere gronden, dan die welke in artikel 40 zijn geregeld, worden ontslagen. Het ontslag wordt eervol verleend.

De toezichthouder ziet erop toe dat de buitengewoon agent van politie zijn taak bij de opsporing naar behoren vervult en de opsporingsbevoegdheden alsmede de politiebevoegdheden op juiste wijze uitoefent.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewone agenten van politie 1966 BES.

Bij aanvaarding van de aanwijzing tot buitengewoon agent van politie legt de desbetreffende persoon de navolgende eden (verklaringen en beloften) af: