U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2014.

Regeling · BWBR0028815

Regeling toelating en uitzetting BES

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Justitie van 4 oktober 2010 nr 5669054/10, tot vaststelling van de Regeling toelating en uitzetting BESRegeling toelating en uitzetting BES De Minister van Justitie,

Gelet op de artikelen 7, derde lid, 9, derde lid, onder a en 24, derde lid, van de Wet toelating en uitzetting BES en de artikelen 2.12, 3.3, zesde lid, 3.5, derde lid, onder a en b, 3.10, eerste en tweede lid, 5.17, 5.19, vierde lid, onder c, 5.20, tweede lid, onder d, 5.34, derde lid, 5.35, tweede lid, 6.2, derde lid, 6.11, tweede lid en 6.32, van het Besluit toelating en uitzetting BES;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag4 oktober 2010De Minister van Justitie,E.M.H.Hirsch Ballin

In deze regeling wordt verstaan onder:

Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum is de vreemdeling een bedrag van USD 26 verschuldigd.

De passagiersgegevens, bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, van het besluit worden elektronisch verstrekt, op de door de ambtenaar belast met de grensbewaking voorgeschreven wijze.

Als de landen, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onder a, van het besluit, zijn aangewezen de landen vermeld in bijlage 3 bij deze regeling.

Als de categorieën vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onder b, van het besluit zijn aangewezen de vreemdelingen die behoren tot een van de categorieën, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling, voor zover de vreemdeling:

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van USD 283 verschuldigd, met uitzondering van de vreemdeling indien hij:

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van USD 247 verschuldigd met uitzondering van de vreemdeling die:

In afwijking van artikel 4.4 is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, indien:

Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van USD 345 verschuldigd.

Als de landen, bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a, van de Wet, zijn aangewezen de landen vermeld in bijlage 3 bij deze regeling.

Als de landen, bedoeld in de artikelen 5.17, 5.19, vierde lid, onder c, 5.20, tweede lid, onder d en 5.35, tweede lid, van het besluit, zijn aangewezen:

De grensdoorlaatposten, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van het besluit en vermeld in kolom A van bijlage 6 bij deze regeling, zijn voor het inreizen en uitreizen van personen opengesteld gedurende de tijden, vermeld in kolom B van bijlage 7 bij deze regeling.

Als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking en met betrekking tot het toezicht op personen als bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder c, van de Wet zijn aangewezen de medewerkers grensbewaking van de Rijksdienst Caribisch Nederland.

Indien de korpschef of de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22d, vierde lid, van de Wet, mandateert, doet hij dat niet dan aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.

De maatregel, bedoeld in artikel 15c van de Wet, wordt opgelegd, gewijzigd en opgeheven door de ambtenaar bedoeld in artikel 22a, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is.

De hulpofficier van justitie die bevoegd is tot inbewaringstelling, is bevoegd tot het nemen van het besluit, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van het besluit, en tot het doen van de kennisgeving, bedoeld in artikel 7.5, tweede lid, van het besluit.

De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens wordt op de volgende wijze tegengegaan:

Indien het bij koninklijke boodschap van 13 januari 2010 ingediende voorstel van wet, houdende wijziging van de Wet toelating en uitzetting BES (Kamerstukken II, 2009/10, 32 282, nrs. 1–3), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling toelating en uitzetting BES

Lidstaten van de EU

Lidstaten van de EER

Australië

Canada

Japan

Monaco

Nieuw-Zeeland

Vaticaanstad

Verenigde Staten

Zuid-Korea

Zwitserland

Voor verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee wordt verwezen naar artikelen 6.6 tot en met 6.10 BTU-BES.

Controles van schepen worden gedaan door ambtenaren belast met de grensbewaking. Schepen worden gecontroleerd:

De controle kan ook tijdens de vaart worden gedaan, of bij aankomst of vertrek van het vaartuig op het grondgebied van een derde land.

Met deze controle wordt nagegaan of de bemanning en de passagiers aan de in artikel 2r WTU-BES bedoelde voorwaarden voldoen.

De gezagvoerder of de scheepsagent, stelt een bemanningslijst en, in voorkomend geval, een passagierslijst in tweevoud op.

Op grond van artikel 6.8, eerste lid, BTU-BES verstrekt de gezagvoerder of de scheepsagent de bemannings- en passagierslijst onmiddellijk bij het binnenvaren van de openbare lichamen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. De lijsten met de namen worden afgestempeld in de eerste haven van binnenkomst op het grondgebied van de openbare lichamen en nadien telkens wanneer deze worden gewijzigd. Als deze lijsten in geval van overmacht niet aan de ambtenaar belast met de grensbewaking kunnen worden overhandigd, wordt een kopie afgegeven bij de grensdoorlaatpost.

Van beide lijsten wordt één exemplaar naar behoren afgetekend door de ambtenaar belast met de grensbewaking en aan de gezagvoerder teruggegeven. Het exemplaar moet tijdens de ligtijd op eenvoudig verzoek te overleggen zijn.

Op grond van artikel 6.8, tweede lid, BTU-BES meldt de gezagvoerder of in diens plaats de scheepsagent alle wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de passagiers bij de bevoegde autoriteit.

Verder meldt de gezagvoerder op grond van het vierde lid onmiddellijk en zo mogelijk vóór het binnenlopen van het vaartuig in de haven, de aanwezigheid van verstekelingen bij de bevoegde autoriteiten. De verstekelingen blijven echter onder de verantwoordelijkheid van de gezagvoerder.

De gezagvoerder of de scheepsagent stelt op grond van artikel 6.9 BTU-BES het hoofd van de doorlaatpost tijdig in kennis van de afvaart van het vaartuig. De kennisgeving wordt ten hoogste zes en ten minste drie uren voor het daadwerkelijke vertrek gedaan. De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt vervolgens het tweede exemplaar van de vooraf ingevulde en afgetekende lijst of lijsten terug. Als een schip vertraging heeft kan de uitreiscontrole opnieuw plaatsvinden.

Voor de bijzondere regels in verband met de toegangs- en grenscontrole van zeelieden wordt verwezen naar paragraaf 3 van bijlage 6.

De bemanningsleden en passagiers van cruiseschepen zijn in beginsel niet onderworpen aan grenscontroles. In de paspoorten van de bemanning en passagiers worden geen stempels aangebracht (zie artikel 2v, tweede lid, onder d, WTU-BES).

Wel moet de gezagvoerder van een cruiseschip of de scheepsagent de vaarroute en het programma van de cruise ten minste 24 uur vóór de afvaart uit de haven van vertrek en vóór de aankomst in de volgende haven op het grondgebied van de openbare lichamen aan de betrokken ambtenaren belast met de grensbewaking verstrekken. Daarnaast geldt de standaard procedure betreffende het tijdig overleggen van de bemannings- en passagierslijsten.

Op de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers worden vermeld:

Als het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en voor het eerst een haven op het grondgebied van de openbare lichamen aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers.

Als het cruiseschip uit een in een derde land gelegen haven komt en opnieuw een op het grondgebied van de openbare lichamen gelegen haven aandoet, worden de bemanning en de passagiers aan inreiscontroles onderworpen op basis van de lijst met de namen van de bemanningsleden en de passagiers. Dit geldt voor zover die lijsten zijn gewijzigd sinds het cruiseschip de vorige haven op het grondgebied van de openbare lichamen heeft aangedaan.

Passagiers die aan land gaan, worden niet aan inreiscontroles onderworpen, tenzij een beoordeling van het veiligheidsrisico of van het risico van illegale immigratie duidelijk maakt dat die controles wel moeten worden uitgevoerd.

Voor verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht wordt verwezen naar artikel 6.11 en 6.12 BTU-BES.

Op grond van artikel 6.11, eerste en tweede lid, BTU-BES verstrekt de gezagvoerder van het vliegtuig in tweevoud aan een ambtenaar belast met de grensbewaking de verklaring en de gegevens over de bemanning en passagiers. Dit gebeurt direct bij binnenkomst op de luchthaven. De modellen zijn te vinden in de RTU-BES.

Op grond van artikel 6.11, derde lid, WTU-BES zijn de gezagvoerder en diens luchtvaartmaatschappij verplicht op verzoek van de ambtenaar belast met grensbewaking alle inlichtingen te verstrekken over de vreemdelingen die door deze luchtvaartmaatschappij zijn vervoerd (naar en tussen de openbare lichamen).

In beginsel vinden grenscontroles plaats op de luchthavens die zijn aangemerkt als grensdoorlaatposten. Controles van vliegtuigen worden verricht door ambtenaren belast met de grensbewaking. Er worden geen grenscontroles uitgevoerd in het luchtvaartuig of aan de gate, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat dat met het vliegtuig personen worden vervoerd met betrekking tot wie de ambtenaren belast met de grensbewaking een toezichthoudende taak hebben (artikel 22e WTU-BES). Zo kan van de gezagvoerder van een luchtvaartuig worden gevorderd (artikel 22e, tweede lid WTU-BES) dat hij zijn luchtvaartuig naar een bepaalde plaats overbrengt. De ambtenaren belast met de grensbewaking zijn bevoegd deze vordering te doen. Deze vordering wordt in verband met de veiligheid van het luchthaventerrein gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding. De luchtverkeersleiding bepaalt de plaats op het luchthaventerrein waarheen het luchtvaartuig zal worden overgebracht (artikel 6.12 BTU-BES).

Met de grenscontrole wordt nagegaan of de personen aan boord van het vliegtuig aan de in artikel 2r WTU-BES bedoelde voorwaarden voldoen. Bijzondere regels in verband met de grenscontrole van piloten en bemanningsleden van vliegtuigen worden behandeld bijlage 6 bij deze regeling.

De openbare lichamen zorgen ervoor dat de luchthavenbeheerder de nodige maatregelen neemt om te voorkomen dat de voorbehouden zones, zoals de transitzones, worden betreden of worden verlaten door personen die daartoe niet bevoegd zijn. In beginsel worden in de transitzone geen controles verricht, tenzij dit gerechtvaardigd is in het licht van een analyse van de gevaren voor de binnenlandse veiligheid of van het risico van illegale immigratie; controles in deze zone kunnen met name worden verricht op personen die aan een luchthaventransitvisumplicht zijn onderworpen, teneinde te controleren of deze personen in het bezit zijn van een dergelijk visum.

Wanneer een luchtvaartuig dat een verbinding uit een derde land verzorgt, in geval van overmacht, bij dreigend gevaar of op instructie van de bevoegde autoriteiten of landt zonder dat daarvoor toestemming is gegeven, kan de vlucht niet worden voortgezet zonder de toestemming van de grenswachters en de douaneautoriteiten.

Bij particuliere vluchten uit of naar derde landen verstrekt de gezagvoerder aan de grenswachters van het openbaar lichaam van bestemming vóór het opstijgen een "algemene verklaring" (general declaration), die met name een vliegplan als bedoeld in bijlage 2 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en gegevens betreffende de identiteit van de passagiers bevat.

Als niet met zekerheid kan worden bepaald of een vlucht uit of naar het grondgebied van de openbare lichamen geen tussenlanding op het grondgebied van een derde land maakt, verrichten de bevoegde autoriteiten een personencontrole overeenkomstig de artikelen 6.11 en 6.12 BTU.

In afwijking van artikel 2r t/m 2x WTU-BES hoeven staatshoofden en hun gevolg wier aankomst en vertrek langs diplomatieke weg officieel aan de grenswachters is aangekondigd, niet aan grenscontrole te worden onderworpen.

In afwijking van artikel 2r mogen houders van een "crew member licence" of een "crew member certificate" als bedoeld in bijlage 9 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944, op grond van die documenten tijdens de uitoefening van hun functie aan en van boord gaan in de luchthaven waar de tussenlanding plaatsvindt of in de luchthaven van bestemming, als deze op het grondgebied van een openbaar lichaam zijn gelegen.

Voor de controle op de bemanningsleden van vliegtuigen gelden de voorschriften van de artikelen 2r tot en met 2x WTU-BES. Bemanningsleden van vliegtuigen worden zoveel mogelijk met voorrang gecontroleerd. Dit betekent dat deze controle hetzij plaatsvindt voordat de passagiers worden gecontroleerd, hetzij aan aparte controleposten wordt verricht. In afwijking van artikel 2r WTU-BES mogen de bemanningsleden die bij het dienstdoende grenscontrolepersoneel bekend zijn, steekproefsgewijs worden gecontroleerd.

In afwijking van de artikelen 2r en 2t WTU-BES, mogen zeelieden die in het bezit zijn van een identiteitsbewijs voor zeelieden, afgegeven overeenkomstig het Verdrag van Genève van 19 juni 2003 (nr. 185), het Verdrag van Londen van 9 april 1965 en de terzake strekkende nationale bepalingen, het grondgebied van de openbare lichamen binnenkomen door van boord te gaan om in de binnengevaren haven te verblijven, zonder dat zij zich bij een grensdoorlaatpost hoeven te melden, op voorwaarde dat zij voorkomen op de bemanningslijst van het vaartuig waartoe zij behoren en dat die lijst eerder door de bevoegde autoriteiten is gecontroleerd.

Dit belet niet dat, naar gelang van de beoordeling van het veiligheidsrisico of het risico van illegale immigratie, zeelieden door de grenswachters aan een controle overeenkomstig artikel 2t WTU-BES worden onderworpen voordat zij het vaartuig verlaten.

Indien een zeeman een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid vormt, kan hem het recht worden ontzegd het vaartuig te verlaten.

Zeelieden die zich buiten de binnengevaren haven wensen te begeven, moeten voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten als bedoeld in artikel 2r WTU-BES.

Gelet op de bijzondere voorrechten en immuniteiten die voor hen gelden, krijgen houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort dat is afgegeven door derde landen of hun regeringen die door de lidstaten zijn erkend, en houders van documenten afgegeven door internationale organisaties die in dienstverband reizen, bij de grenscontrole voorrang op andere reizigers, in voorkomend geval onverminderd de visumplicht die op hen rust.

In afwijking van artikel 2r WTU-BES, zijn de houders van genoemde documenten vrijgesteld van de verplichting om aan te tonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken.

Wanneer iemand zich op voorrechten, immuniteiten of vrijstellingen beroept, kan de grenswachter verlangen dat deze persoon, door overlegging van passende documenten – met name door de ontvangende staat afgegeven verklaringen of een diplomatiek paspoort – of op enige andere wijze aantoont dat hij of zij de betrokken voorrechten, immuniteiten of vrijstellingen geniet. In geval van twijfel kan de grenswachter zich in spoedeisende gevallen rechtstreeks tot het ministerie van Buitenlandse Zaken richten.

Onder de bedoelde door internationale organisaties afgegeven documenten wordt in deze paragraaf met name verstaan:

De grenswachters besteden bijzondere aandacht aan al dan niet begeleide minderjarigen. Minderjarigen die een buitengrens overschrijden, worden bij in- en bij uitreis aan dezelfde controles op grond van deze verordening onderworpen als volwassenen.

Wanneer het een begeleide minderjarige betreft, gaat de grenswachter na of de begeleidende volwassene het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefent, in het bijzonder wanneer de minderjarige door slechts één volwassene wordt begeleid en er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de minderjarige onwettig is onttrokken aan het toezicht van de persoon of personen die wettelijk het ouderlijke gezag over hem uitoefenen. In dat geval verricht de grenswachter verder onderzoek, teneinde eventuele onverenigbare of tegenstrijdige elementen in de verstrekte inlichtingen te ontdekken.

Wanneer een minderjarige alleen reist, zorgt de grenswachter ervoor, door middel van een grondige controle van de reisdocumenten en de bewijsstukken, dat de minderjarige het grondgebied niet verlaat tegen de wil van de personen die het ouderlijk gezag over hem uitoefenen.