U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 14-04-2012.

Beleidsregel · BWBR0028889

Beleidsregels verlagen subsidie POP2

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 oktober 2010, nr. 154073 houdende beleidsregels omtrent het verlagen van subsidie verleend voor plattelandsontwikkeling in het kader van verordening (EG) nr. 1698/2005 (Beleidsregels verlagen subsidie POP2)Beleidsregels verlagen subsidie POP2De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Handelende in overeenstemming met Provinciale Staten van de provincies Zuid-Holland, Gelderland, Noord-Brabant en Utrecht en Gedeputeerde Staten van de provincies Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Flevoland, Noord-Holland, Zeeland en Limburg;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage13 oktober 2010De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,G.Verburg

In dit besluit wordt verstaan onder:

De minister onderscheidenlijk Gedeputeerde Staten van de onderscheiden provincies besluit, onderscheidenlijk besluiten, voor subsidies voor plattelandsontwikkeling in het kader van verordening (EG) nr. 1698/2005 tot het verlagen van subsidie in de in deze beleidsregels genoemde gevallen op basis van de in de afdelingen 4.2.5 en 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheden.

De bepalingen inzake het verlagen van subsidies zoals die zijn opgenomen in verordening (EU) nr. 65/2011, zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 en die volledig worden bekostigd met nationale middelen.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 en waarbij de hoogte van de subsidie is gebaseerd op de oppervlakte van landbouwgrond waarvoor subsidie wordt verstrekt.

Indien een subsidieontvanger een of meerdere randvoorwaarden niet naleeft, wordt de subsidie overeenkomstig artikel 21 van verordening (EU) nr. 65/2011 lager vastgesteld. Voor het vaststellen van het percentage van de verlaging zijn de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van overeenkomstige toepassing. Indien de niet-naleving een of meerdere aanvullende randvoorwaarden betreft, genoemd in Bijlage 2 bij deze beleidsregels, bedraagt de korting 3%.

Indien de in artikelen 5 en 7 bedoelde niet-nalevingen of tekortkomingen het gevolg zijn van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, de onderdelen a tot en met f, van verordening (EG) nr. 1974/2006, kan de subsidie worden vastgesteld zonder de in artikel 5 of 7 bedoelde verlagingen toe te passen, op voorwaarde dat is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 47, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006.

In geval van cumulatie van verlagingen als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 7, worden verlagingen toegepast in de volgorde als beschreven in artikel 22 van verordening (EU) nr. 65/2011. Bij de achtereenvolgende verlagingen wordt steeds rekening gehouden met de reeds toegepaste verlaging. Het kortingspercentage bedraagt maximaal 100% van de subsidie.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op subsidies die worden verstrekt ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007–2013 en waarbij de hoogte van de subsidie niet is gebaseerd op de oppervlakte van landbouwgrond.

Indien een subsidieontvanger, die aangemerkt moet worden als een aanbestedende dienst als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG, zich niet heeft gehouden aan subsidieverplichtingen inzake aanbesteding, wordt de subsidie lager vastgesteld als volgt:

Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de subsidieverplichtingen inzake de plaatsing van informatieplaquettes en informatieborden, wordt de subsidie lager vastgesteld. De verlaging bedraagt 3% van het gehele subsidiebedrag.

Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de administratieverplichtingendie zijn opgenomen in de Regeling LNV-subsidies, de betreffende provinciale subsidieverordening van de onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening wordt de subsidie lager vastgesteld naar rato van het bedrag ten aanzien waarvan de rechtmatigheid van de betalingen niet kan worden aangetoond.

Indien een subsidieontvanger een op grond van de Regeling LNV-subsidies, de betreffende provinciale subsidieverordening van de onderscheiden provincies of de beschikking tot subsidieverlening voorgeschreven voortgangsrapportage niet of niet tijdig aanlevert of de voortgangsrapportage niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, worden, voor het tijdvak waarop de voortgangsrapportage ziet, geen tussentijdse betalingen verricht aan de subsidieontvanger.

Indien de in de artikelen 12 tot en met 16 bedoelde niet-nalevingen het gevolg zijn van overmacht of uitzonderlijke gevallen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, de onderdelen a tot en met f, van verordening (EG) nr. 1974/2006 kan de subsidie worden vastgesteld zonder de in de artikelen 12 tot en met 16 bedoelde verlagingen toe te passen, op voorwaarde dat is voldaan aan de in artikel 47, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1974/2006 opgenomen voorwaarden.

In geval van cumulatie van verlagingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 16, wordt bij de berekening of vaststelling van de verlagingen de volgorde van de artikelen aangehouden waarbij steeds rekening wordt gehouden met de reeds toegepaste verlaging.

Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels verlagen subsidie POP2.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

De hoogte van de subsidieverlaging wordt vastgesteld overeenkomstig de onderstaande tabel.