Beleidsregel · BWBR0029141

Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche

Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing taken en inzet rijksrechercheAanwijzing taken en inzet rijksrecherche

De aanwijzing is per 1 januari 2011 op een aantal punten geactualiseerd. In onderdeel 3A is het geval opgenomen waarin door een beanbag dodelijk of zwaar lichamelijk letsel wordt aangebracht. De situatie waarin letsel veroorzaakt is door een ongeval met een dienstvoertuig, is uitgebreider toegelicht.

Onderdeel 3B.I (niet aan de functie te relateren misdrijven) is uitgebreid met een passage over misdrijven gepleegd door PIW’ers in het kader van hun functie-uitoefening. Deze misdrijven worden in het algemeen niet onderzocht door de Rijksrecherche.

Onderdeel 3C.III is nieuw toegevoegd en bevat een ‘restcategorie’ van gevallen die weliswaar niet beschreven worden in de aanwijzing, maar die toch de inzet van de Rijksrecherche behoeven. De inzet van de Rijksrecherche in dit soort zaken wordt bepaald door de coördinatiecommissie Rijksrecherche.

De Rijksrecherche is van oudsher een opsporingsinstantie met een speciale taak. Zij richt zich op de opsporing van door (semi)overheidsfunctionarissen gepleegde misdrijven. Niet al de door deze functionarissen gepleegde misdrijven worden door de Rijksrecherche onderzocht. Dat zou alleen al om puur capacitaire redenen niet doenlijk zijn. Het werkterrein van de Rijksrecherche is dan ook al sinds jaar en dag afgebakend. Het doel van deze aanwijzing is te waarborgen dat de Rijksrecherche vooral opereert op het terrein van de strafbare gedragingen die in ernstige mate de integriteit van de rechtspleging en de integriteit van het openbaar bestuur raken. Dientengevolge zal de Rijksrecherche in beginsel niet worden belast met disciplinaire (integriteits)onderzoeken. De Rijksrecherche verricht alleen feitenonderzoeken en opsporingsonderzoeken. Voor de feitenonderzoeken geldt dat het moet gaan om onderzoeken naar gedragingen waar een strafrechtelijk aspect aan kleeft. Een dergelijk onderzoek kan al worden ingesteld voordat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Met een feitenonderzoek wordt niet meer en ook niet minder beoogd dan het op een rijtje zetten van de feiten. Daartoe kunnen geen opsporingsbevoegdheden of dwangmiddelen worden toegepast. Een feitenonderzoek kan worden gevolgd door een opsporingsonderzoek. De Rijksrecherche verricht uitsluitend opsporingsonderzoeken naar misdrijven; voor overtredingen wordt de Rijksrecherche niet ingeschakeld. Zowel de resultaten van een feitenonderzoek als de resultaten van een opsporingsonderzoek kunnen - met toestemming van het OM - worden gebruikt voor een disciplinair onderzoek, met inachtneming van de geldende privacyregelgeving.

Krachtens een besluit van het College van procureurs-generaal van 16 januari 2001 wordt op één centraal punt over de inzet van de Rijksrecherche besloten door de zogenaamde coördinatiecommissie Rijksrecherche (CCR).

De CCR bestaat uit het lid van het College van procureurs-generaal dat is belast met de portefeuille Rijksrecherche, de hoofdofficier van justitie van het Landelijk parket, de directeur Rijksrecherche en de coördinerend officier van justitie rijksrecherchezaken (COvJ-RR). De CCR wordt bijgestaan door de specialistisch beleidsmedewerker van de coördinerend officier van justitie. De COvJ-RR is het dagelijkse aanspreekpunt voor het Openbaar Ministerie. De CCR bepaalt het beleid voor de inzet van Rijksrecherche, is bevoegd te beslissen tot inzet in concrete situaties en toetst periodiek de praktijk van inzetten van de Rijksrecherche door het Openbaar Ministerie. De dagelijkse uitvoering van de inzet van de Rijksrecherche berust bij de Directeur Rijksrecherche (tevens CCR-lid).

Naast de landelijk coördinerend officier van justitie zijn er tevens op elk arrondissementsparket/regioparket vaste Rijksrechercheofficieren aangewezen. Zij zijn de vaste aanspreekpunten voor de COvJ-RR.

In deze aanwijzing wordt omschreven met welke zaken de Rijksrecherche is of kan worden belast en op welke wijze de Rijksrecherche moet worden ingeschakeld.

Voor het inzetten van de Rijksrecherche gelden de volgende algemene uitgangspunten.

Als aan deze uitgangspunten is voldaan is daarmee niet gezegd dat de Rijksrecherche dan ook altijd zal worden ingezet. Bij het toepassen van deze uitgangspunten is van belang dat rekening wordt gehouden met het kunnen halen van acceptabele doorlooptijden in de onderzoeken. In zoverre zijn het ‘slechts’ basisvoorwaarden; als aan die voorwaarden is voldaan, is inzet van de Rijksrecherche mogelijk. Dat neemt niet weg dat er wel enkele gevallen zijn te benoemen die zonder meer als Rijksrecherchewaardig kunnen worden aangemerkt. Ook dan is echter inzet niet gegarandeerd. Er zal steeds per geval over de inzet van de Rijksrecherche worden beslist.

In afwijking van de algemene uitgangspunten kan inzet van de Rijksrecherche zijn aangewezen:

De CCR moet niet alleen worden benaderd voor de gevallen waarin inzet van de Rijksrecherche wordt verlangd. De CCR dient ook te worden geïnformeerd over (mogelijke) strafbare feiten die de integriteit van het overheidsfunctioneren kunnen raken en waarnaar onderzoek wordt gedaan door een andere opsporingsinstantie dan de rijksrecherche. Meer concreet betekent dit dat aan de CCR moeten worden gemeld:

Meldingen dienen in beginsel, net als bij de aanvraag inzet Rijksrecherche, gedaan te worden bij de COvJ-RR via het zgn. ‘Zaaksformulier CCR’.7Indien op een parket dienaangaande een eigen registratie wordt gevoerd kan worden volstaan met periodieke toezending aan de COvJ-RR. Voorwaarde is dan wel dat die registratie minimaal de volgende elementen bevat:

De COvJ-RR verzamelt deze gegevens en stelt op basis daarvan een jaaroverzicht op dat aan de CCR wordt aangeboden en tevens wordt verstrekt aan de parketten. Aldus wordt bij het OM op een centraal punt inzicht verkregen in de strafrechtelijk relevante feiten die de integriteit van het overheidsfunctioneren kunnen raken. Niet alleen levert een dergelijk inzicht een belangrijk instrument voor de integriteitshandhaving op nationaal niveau, tegelijkertijd kan met een dergelijke registratie bijvoorbeeld uitvoering worden gegeven aan bepaalde verdragsverplichtingen (o.a. in OESO- en Greco-verband9).

Een zaak wordt bij de CCR aanhangig gemaakt door indiening van een bij de COvJ-RR te verkrijgen Zaaksformulier. Bij voorkeur wordt de schriftelijke indiening voorafgegaan door een telefonische melding aan de COvJ-RR.10

Gelet op de beperkte capaciteit van de Rijksrecherche zal in de gevallen waarin het (onafhankelijk) onderzoeksbelang het toelaat, worden gestreefd naar samenwerking met andere opsporingsinstanties. Ook als die samenwerking wordt gevonden berust de verantwoordelijkheid bij de Rijksrecherche. Dat kan ook niet anders. Ingevolge het derde algemene uitgangspunt is inzet van de Rijksrecherche immers aan de orde indien een onpartijdig onderzoek is geboden. Die onpartijdigheid kan bij combi-onderzoeken alleen voldoende worden gewaarborgd als de regie en de verantwoordelijkheid van dat onderzoek, net als bij de zelfstandig door de Rijksrecherche uit te voeren onderzoeken, ook daadwerkelijk bij de Rijksrecherche wordt gelegd. In de gevallen waarin het onderzoek zich richt tegen een opsporingsambtenaar, zal in de praktijk nogal eens worden gestreefd naar samenwerking met het interne onderzoeksbureau van de betreffende opsporingsdienst.

Bij de prioritering van onderzoeken geldt in het algemeen dat de ‘typische Rijksrecherche-zaken’ zwaarder worden gewogen dan de ‘mogelijke Rijksrecherche-zaken’. Voorts wordt rekening gehouden met factoren als de politieke of publicitaire gevoeligheid, de rang/functie van de betreffende overheidsfunctionaris, het al dan niet structurele karakter van de te onderzoeken gedraging en de eventuele betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit.

Over de inhoudelijke aansturing van het onderzoek beslist het behandelend OM. Dat OM is ook verantwoordelijk voor de voortgang en de wijze van afdoening.

Op incidenten van de categorieën beschreven in paragraaf 3A (Typische Rijksrecherchezaken) onder II, III en IV volgt in principe altijd inzet van de Rijksrecherche. Naast de aard van deze incidenten is de noodzaak tot spoedig optreden hiervoor de reden. Een onverwijlde melding is ook noodzakelijk in de gevallen zoals beschreven onder 3C.II (confrontatie tussen justitiabelen en opsporingsambtenaren met de dood of zwaar lichamelijk letsel van een opsporingsambtenaar tot gevolg).

Daarvoor dient in deze gevallen:

Op zo kort mogelijke termijn zal de COvJ-RR aan het lokale OM de inzet van de Rijksrecherche bevestigen.

Deze Aanwijzing heeft onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.