ZBO-regeling · BWBR0029212

Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van het College voor Examens van 8 december 2010, nummer Cve-10.1345, houdende vaststelling van de beoordelingsnormen voor het staatsexamen Nederlands als tweede taal (Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2)Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2Het College voor examens,

Gelet op artikel 2, vijfde lid, onderdeel c Wet College voor examens;

Besluit

Het College voor examens,namens deze:de voorzitter,H.W.Laan

Het beoordelingsmodel bij iedere examentoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, worden door het College voor examens vastgesteld voor elk van de examentoetsen zoals vermeld in bijlage 5, en maken na bekendmaking deel uit van die bijlage.

Het College voor Examens of de voorzitter, kan, de commissie staatsexamens NT2 gehoord, beslissen dat voor een of meer opdrachten aan alle kandidaten het maximale aantal scorepunten of ten minste een aantal kleiner dan het maximum aantal scorepunten wordt toegekend.

Het College voor examens kan op voorstel van de commissie staatsexamens NT2 beslissen, dat in het voorschrift voor de beoordeling bij een examentoets aanvullende regels worden opgenomen, waaronder regels voor aftrek van scorepunten. Deze zijn evenzeer verbindend als hetgeen in deze regeling is voorgeschreven.

De voorzitter van het College voor examens is gemachtigd de vaststellingen als opgenomen in Bijlage 5 op onderdelen aan te passen.

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2011.

Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2.

Het examenonderdeel Schrijven I bestaat uit twee opgavensets; ongeveer twee derde van de opgaven wordt op de computer aangeboden en het andere deel in een boekje. Elke set bevat verschillende schrijfopdrachten. De opgaven bevatten meestal een beschrijving van een situatie en een schrijftaak. Soms is ook een tekening van de situatie toegevoegd; soms wordt een context beschreven en soms wordt een aan te vullen tekst gepresenteerd die moet worden afgemaakt. De examenduur voor elk der beide onderdelen is verschillend: het eerste deel is het computerdeel en duurt 40 minuten; het tweede deel is het papieren deel en duurt 80 minuten tenzij anders aangegeven bij het examen. De gegeven situaties en taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I. Zie ook het examenprogramma.

De examens worden afgenomen met een computer die gebruik maakt van een qwerty-toetsenbord.

Kandidaten kunnen geen computergestuurde spellingscontrole hanteren. Kandidaten kunnen maximaal drie – uitsluitend papieren – woordenboeken gebruiken.

Opgavenset Deel 1; het computerdeel.

Opgavenset Deel 2; het boekje.

De zinnen en geschreven teksten worden op meerdere aspecten beoordeeld: adequaatheid/begrijpelijkheid, samenhang, woordgebruik, grammaticale correctheid en spelling. Niet alle opdrachten worden op alle aspecten beoordeeld.

Bij wijze van illustratie hierbij een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen Schrijven I

Het aspect adequaatheid/begrijpelijkheid wordt globaal beoordeeld op basis van een 4-puntsschaal: de beoordelaar kan een score van 0, 1, 2 of 3 toekennen. Zijn alle in de opdracht gevraagde elementen in de tekst verwerkt, dan wordt de tekst als ‘acceptabel’ beschouwd en wordt als uitgangspunt een score van 2 punten genomen. Een hogere score (3 punten) of een lagere score (1) kan vervolgens toegekend worden door de totale kwaliteit van het geschrevene in ogenschouw te nemen.

Het aspect grammaticale correctheid wordt beoordeeld op basis van een 3-puntsschaal: hier kan een score van 0, 1 of 2 toegekend worden. Afhankelijk van de opdracht kunnen nog andere aspecten ter beoordeling worden toegevoegd. Deze toegevoegde aspecten worden beoordeeld op basis van een 2-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0 of 1 toekennen.

Voor het examen Schrijven kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke zinsopdracht kan de kandidaat maximaal 2 punten behalen. Voor de andere deelschrijftaken kan men tussen de 4 en 8 punten behalen. Voor de korte schrijftaken kan men maximaal 8 punten behalen. De prestaties van de kandidaat worden beoordeeld door meerdere onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars. Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van de beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting). Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is.

De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Het examenonderdeel Schrijven II bestaat uit twee opgavensets, ruim de helft van de opgaven worden op de computer aangeboden en het andere deel in een boekje. Elke set bevat verschillende schrijfopdrachten. De opgaven bevatten meestal een beschrijving van een situatie en een schrijftaak. Soms is ook een tekening van de situatie toegevoegd; soms wordt een context beschreven en soms wordt een aan te vullen tekst gepresenteerd die moet worden afgemaakt. Daarnaast bevatten de beide sets een middellange schrijftaak. De examentijd voor elk der beide boekjes is verschillend: het eerste deel is het computerdeel en duurt 90 minuten; het tweede deel is het papieren deel en duurt 30 minuten, tenzij anders aangegeven bij het examen.

De gegeven situaties en taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II. Zie ook het examenprogramma.

Opgavenset Deel 1; het computerdeel.

Opgavenset Deel 2; het boekje.

De zinnen en geschreven teksten worden op meerdere aspecten beoordeeld: adequaatheid/begrijpelijkheid, samenhang, woordgebruik, opbouw, grammaticale correctheid en spelling. Tevens is het beoordelingsaspect Tekstverzorging toegevoegd voor het computerdeel van het examen. Niet alle opdrachten worden op alle aspecten beoordeeld.

Bij wijze van illustratie hierbij een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen Schrijven II:

Het schrijven van een zin of enkele zinnen wordt beoordeeld op twee aspecten: ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

Zowel adequaatheid/begrijpelijkheid van de tekst als grammaticale correctheid wordt gewaardeerd op basis van een 2-puntsschaal: de beoordelaar kan een score van 0 of 1 toekennen voor adequaatheid/begrijpelijkheid en 0 of 1 voor grammaticale correctheid. Een tekst waarvoor op basis van adequaatheid/begrijpelijkheid een score van 0 wordt toegekend, kan voor grammaticale correctheid geen score van 1 opleveren.

Het schrijven van een korte tekst wordt in elk geval beoordeeld op de aspecten ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

Het aspect adequaatheid/begrijpelijkheid wordt globaal beoordeeld op basis van een 4-punts-schaal: u kunt een score van 0, 1, 2 of 3 toekennen. Zijn alle in de opdracht gevraagde elementen in de uiting verwerkt, dan wordt de uiting als ‘acceptabel’ beoordeeld en wordt als uitgangspunt een score van 2 punten genomen. Een hogere score (3 punten) of een lagere score (1) kan vervolgens toegekend worden door de totale kwaliteit van het geschrevene in ogenschouw te nemen.

Het aspect grammaticale correctheid wordt beoordeeld op basis van een 3-puntsschaal: de beoordelaar kan hiervoor een score van 0, 1 of 2 toekennen. Afhankelijk van de opdracht kunnen nog andere aspecten ter beoordeling worden toegevoegd, te weten spelling, samenhang, woordgebruik, opbouw en tekstverzorging. Deze toegevoegde aspecten worden beoordeeld op basis van een 2-puntsschaal: u kunt hiervoor een score van 0 of 1 toekennen.

Het schrijven van een middellange tekst wordt in elk geval beoordeeld op de aspecten ‘adequaatheid/begrijpelijkheid’ en ‘grammaticale correctheid’.

Het aspect adequaatheid/begrijpelijkheid wordt beoordeeld op een 6-puntsschaal: de beoordelaar kan hier voor een score van 0, 1, 2, 3, 4 of 5 toekennen.

Bij dit type schrijftaak wordt adequaatheid/begrijpelijkheid globaal beoordeeld. Zijn alle in de opdracht gevraagde elementen in de tekst verwerkt, dan wordt de tekst als ‘acceptabel’ beoordeeld en wordt als uitgangspunt een score van 3 punten genomen. Hogere scores (4, 5) en lagere scores (1, 2) kunnen vervolgens toegekend worden door de totale kwaliteit van het geschrevene in ogenschouw te nemen.

Het aspect grammaticale correctheid wordt beoordeeld op basis van een 3-puntsschaal: u kunt hiervoor een score van 0, 1 of 2 toekennen. Afhankelijk van de opdracht kunnen ook andere aspecten ter beoordeling worden toegevoegd, te weten spelling, samenhang, woordgebruik, opbouw en tekstverzorging. Deze toegevoegde aspecten worden altijd op een 3-puntsschaal beoordeeld: u kunt hiervoor per aspect 0, 1 of 2 punten toekennen.

Voor het onderdeel Schrijven II kan men per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke

zinsopdracht kan men maximaal 2 punten behalen, voor elke korte opdracht maximaal 10 punten en voor de middellange opdracht maximaal 17 punten. De prestaties van de kandidaat worden beoordeeld door meerdere onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars. Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van de beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting). Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is.

De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Het examen Spreken Programma I bestaat uit 2 delen. Beide delen worden in een computerlokaal afgenomen. De opdrachten worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en op de computer vastgelegd. De opdrachten staan op het beeldscherm. De opgaven bevatten een beschrijving van een situatie en een spreektaak. Meestal is ook een tekening van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en de taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I. Zie ook het examenprogramma.

Deel 1 bestaat uit 12 korte spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 20 seconden.

Deel 2 bestaat uit 9 middellange spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 30 seconden.

De uitingen en gesproken teksten van de kandidaten worden op meerdere aspecten beoordeeld: woord- en zinsvorming, uitspraak, tempo, inhoud, woordkeus en woordenschat. Niet alle opgaven worden op alle aspecten beoordeeld.

Voor sommige aspecten is er een tweepuntschaal, voor andere aspecten kan een beoordelaar meer punten toekennen . Beoordelaars beoordelen de antwoorden van kandidaten per opgave. Doordat een kandidaat per opdracht (gesegmenteerd) beoordeeld wordt, zijn er meerdere beoordelaars bij het beoordelen van een heel examen van een kandidaat betrokken.

Bij wijze van illustratie hierbij een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen

Spreken I

Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wordt nagegaan of de uiting beoordeelbaar is. Hier speelt de preconditie een rol. Bij het controleren van de preconditie moet één van de onderstaande keuzemogelijkheden worden aangevinkt:

Een voorbeeld.

In de opdracht wordt gevraagd om ten minste twee argumenten om een vriend van een plan te overtuigen. Het beoordelingsvoorschrift bij het aspect ‘Inhoud’ is als volgt:

Stel een kandidaat geeft slechts één argument.

Hij krijgt dan twee punten als:

Hij krijgt dan drie punten als:

Let op:

Een kandidaat die in relatief korte tijd (dus ruim voor de pieptoon) klaar is met spreken en twee duidelijke argumenten geeft, krijgt ook drie punten.

- Als een kandidaat bij een plaatje waarop een pot verf te zien is bijvoorbeeld zegt: 'een pot met dat spul', dan krijgt hij nul punten bij dit aspect. Hij heeft wel laten zien een zodanige woordenschat te hebben dat hij kan omschrijven wat hij bedoelt, maar de woordkeus is in dit geval beperkt. Een ander voorbeeld: een kandidaat zegt, wanneer hij een kleiner uniform wil: 'Mag ik één nummer kleiner?', in plaats van het correcte 'Mag ik één maat kleiner?'. Ook hier geldt: de woordenschat is groot genoeg om de bedoeling duidelijk te maken, maar er is sprake van een verkeerde woordkeus.

Enkele opdrachten vragen van de kandidaat een telefonische reactie. In de meeste gevallen wordt daarbij gesuggereerd dat het gesprek al even bezig is, zodat de kandidaat zich niet meer hoeft voor te stellen. Een enkele keer moet de kandidaat reageren op iemand die de telefoon opneemt. Vanwege het kunstmatige karakter van de examensituatie is het bij deze opdrachten niet de bedoeling dat er beoordeeld wordt of de kandidaat zich eerst voorstelt, tenzij het beoordelingsvoorschrift dat expliciet vermeldt.

Voor het examen Spreken kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke korte opdracht uit het spreekexamen kan men maximaal 2 punten behalen. Voor elke middellange opdracht kan men bij het examen Spreken tussen de 9 en 12 punten behalen. De prestaties van de kandidaat worden beoordeeld door meerdere onafhankelijk van elkaar werkende beoordelaars.

Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van de beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting).

Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is. De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Het examen Spreken Programma II bestaat uit 3 delen. Alle driedelen worden in een computerlokaal afgenomen. De opdrachten worden via de computer met een koptelefoon beluisterd en de antwoorden worden via een microfoon ingesproken en op de computer vastgelegd. De opdrachten staan op het beeldscherm. De opgaven bevatten een beschrijving van een situatie en een spreektaak. Meestal is ook een tekening van de situatie toegevoegd. De gegeven situaties en de taken passen qua inhoud (werk, opleiding en algemeen maatschappelijke situaties) en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II. Zie ook het examenprogramma.

Deel 1 bestaat uit 6 korte spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 20 seconden.

Deel 2 bestaat uit 9 middellange spreekopdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 30 seconden.

Deel 3 bestaat uit 2 lange opdrachten. De spreektijd bij die opdrachten is steeds 2 minuten.

Bij wijze van illustratie hierbij een voorbeeld van het te behalen aantal punten bij een examen Spreken II:

Preconditie.

Voordat de uiting van een kandidaat daadwerkelijk op de beoordelingsaspecten wordt beoordeeld, wordt nagegaan of de uiting beoordeelbaar is. Hier speelt de preconditie een rol. Bij het controleren van de preconditie moet één van de onderstaande keuzemogelijkheden worden aangevinkt:

Uit recent onderzoek naar de kwaliteit van de beoordelingsvoorschriften is gebleken dat het ‘Benutten van de spreektijd' niet door elke beoordelaar correct wordt toegepast. Een aantal beoordelaars kijkt, ongeacht de inhoud van een antwoord van een kandidaat of de kandidaat de spreektijd volledig heeft benut. Dit is nadrukkelijk niet de bedoeling.

Het benutten van de spreektijd wordt pas belangrijk als een kandidaat geen tijd meer heeft om bijvoorbeeld drie gegeven plaatjes te beschrijven doordat hij één of twee van de drie plaatjes uitvoerig beschrijft. Je mag dan redelijkerwijs aannemen dat deze kandidaat bij iets meer tijd wel alle plaatjes had kunnen beschrijven. Als de uiting van de kandidaat duidelijk is en hij de spreektijd volledig heeft benut, dan kan hij toch het maximaal aantal punten behalen bij ‘Inhoud’, ook al heeft hij niet alle plaatjes beschreven.

Een voorbeeld.

In de opdracht wordt gevraagd om ten minste twee argumenten om een vriend van een plan te overtuigen. Het beoordelingsvoorschrift bij het aspect 'Inhoud' is als volgt:

Stel een kandidaat geeft slechts één argument.

Hij krijgt dan twee punten als:

Hij krijgt dan drie punten als:

Let op:

Een kandidaat die in relatief korte tijd (dus ruim voor de pieptoon) klaar is met spreken en twee duidelijke argumenten geeft, krijgt ook drie punten.

Enkele opdrachten vragen van de kandidaat een telefonische reactie. In de meeste gevallen wordt daarbij gesuggereerd dat het gesprek al even bezig is, zodat de kandidaat zich niet meer hoeft voor te stellen. Een enkele keer moet de kandidaat reageren op iemand die de telefoon opneemt. Vanwege het kunstmatige karakter van de examensituatie is het bij deze opdrachten niet de bedoeling dat er beoordeeld wordt of de kandidaat zich eerst voorstelt, tenzij het beoordelingsvoorschrift dat expliciet vermeldt

Voor het examen Spreken II kan de kandidaat per opdracht meerdere punten behalen. Voor elke korte opdracht uit het spreekexamen kan men maximaal 2 punten behalen. Voor elke middellange opdracht kan men bij het examen Spreken tussen de 9 en 13 punten behalen. Voor de lange opdracht kan de kandidaat maximaal 16 punten behalen. De uitingen en gesproken teksten van de kandidaten worden op meerdere aspecten beoordeeld: woord- en zinsvorming, uitspraak, tempo, inhoud, coherentie en woordenschat. Niet alle opgaven worden op alle aspecten beoordeeld.

Voor sommige aspecten is er een tweepuntschaal, voor de meeste aspecten kan een beoordelaar meer punten (tot maximaal 3 punten) toekennen. Beoordelaars beoordelen de antwoorden van kandidaten per opgave Doordat een kandidaat per opdracht (gesegmenteerd) beoordeeld wordt, zijn er meerdere beoordelaars bij het beoordelen van een heel examen van een kandidaat betrokken. Het aantal toegekende punten is het gemiddelde van de puntentoekenning van deze beoordelaars (zie examenprogramma voor nadere toelichting).

Het examen bevat ook enkele opdrachten die gepretest worden; deze items tellen niet mee in de bepaling van het resultaat van de toets.

Voor de rapportage aan de kandidaat wordt de puntenscore omgezet in een vaardigheidsscore die wordt gegeven op een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat geslaagd is.

De examens zijn niet altijd even lang. Het aantal punten dat kandidaten maximaal kunnen behalen, is dus niet voor elk examen hetzelfde. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daarom is bij elk examen een ander aantal punten nodig om een score van 500 te halen.

Het examen Lezen I bestaat uit 8 teksten die betrekking hebben op de domeinen 1. Werk 2. Opleiding en 3. Algemeen maatschappelijke zaken. De teksten passen qua inhoud en moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma I (zie examenprogramma) De teksten zijn instructief, descriptief, beschouwend of persuasief van aard. Bij de teksten zijn maximaal 44 meerkeuzevragen. Per tekst kunnen 4 tot 8 vragen voorgelegd worden.

De teksten worden aangeboden in een tekstboekje met instructies. De antwoorden verschijnen op een beeldscherm en daar klikken kandidaten de juiste antwoorden aan. De leestijd is 110 minuten.

De beoordeling van de beantwoording van de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Elk goed antwoord levert een punt op. De puntenscore wordt omgezet naar een vaardigheidsscore.

Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat is geslaagd.

De examens zijn niet altijd even lang. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daardoor kan bij verschillende examens een ander aantal punten nodig zijn om een voldoende te halen.

Het examen Lezen II bestaat uit 8 teksten die betrekking hebben op de domeinen 1. Werk 2. Opleiding en 3. Algemeen maatschappelijke zaken. De teksten passen qua inhoud en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II (zie examenprogramma). De teksten zijn instructief, descriptief, beschouwend of persuasief van aard. Bij de teksten zijn maximaal 43 meerkeuzevragen. Per tekst kunnen 4 tot 7 vragen voorgelegd worden.

De teksten worden aangeboden in een tekstboekje met instructies. De vragen en antwoorden verschijnen op een beeldscherm en daar klikken kandidaten de juiste antwoorden aan. De leestijd is 100 minuten.

De scoring van de antwoorden bij de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Elk goed antwoord levert een punt op. De puntenscore wordt omgezet naar een vaardigheidsscore.

Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen dat de kandidaat is geslaagd. De examens zijn niet altijd even lang. Bovendien zijn de opgaven niet allemaal even moeilijk. Daardoor kan bij verschillende examens een ander aantal punten nodig zijn om een voldoende te halen.

Het examen Luisteren Programma I bestaat uit 5 teksten en in totaal 40 meerkeuzevragen, waarbij per tekst minimaal 5 en maximaal 10 vragen gesteld worden. De gekozen teksten zijn zo veel mogelijk verdeeld over mannenstemmen/vrouwenstemmen en de tekstsoorten instructief, informatief en persuasief. Zowel globaal luisteren als selectief luisteren worden getoetst.

De opgaven komen op een beeldscherm en de kandidaat heeft voor elke opgave een vaste tijd: ongeveer 40 seconden. Die tijd wordt gebruikt om het goede antwoord te kiezen en aan te klikken en de vraag van de volgende luisteropgave te lezen.

De beoordeling van de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Bij het examen Luisteren is één punt gelijk aan één opgave. Voor een kandidaat die 25 punten heeft behaald, betekent dat dat hij 25 opgaven juist heeft beantwoord. De puntenscore wordt daarna omgezet naar een vaardigheidsscore.

Een deel van de opgaven betreft opgaven die gepretest worden, die tellen niet mee voor de uitslag.

Kandidaten krijgen uiteindelijk hun score op die vaardigheidsschaal en dat is een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen:geslaagd.

De examenteksten en de examenopgaven zijn niet allemaal even moeilijk. Het aantal punten dat men maximaal moet behalen om te slagen, is dus niet voor elk examen hetzelfde.

Het examen Luisteren Programma II bestaat uit 5 teksten en in totaal 40 meerkeuzevragen, waarbij per tekst minimaal 5 en maximaal 10 vragen gesteld worden. De teksten passen qua inhoud en qua moeilijkheidsgraad bij de beoogde doelsituatie van programma II (zie examenprogramma). De gekozen teksten zijn zo veel mogelijk verdeeld over mannenstemmen/vrouwenstemmen en de tekstsoorten instructief, informatief en persuasief. Zowel globaal luisteren als selectief luisteren worden getoetst.

De opgaven komen op een beeldscherm en de kandidaat heeft voor elke opgave een vast tijd: ongeveer 40 seconden. Die tijd wordt gebruikt om het goede antwoord te kiezen en aan te klikken en de vraag van de volgende luisteropgave te lezen.

De beoordeling van de examenopgaven geschiedt automatisch. Het aantal goed beantwoorde vragen wordt door de computer geregistreerd. Bij het examen Luisteren is één punt gelijk aan één opgave. Voor een kandidaat die 25 punten heeft behaald, betekent dat dat hij 25 opgaven juist heeft beantwoord. De puntenscore wordt daarna omgezet naar een vaardigheidsscore.

Een deel van de opgaven betreft opgaven die gepretest worden.

Kandidaten krijgen uiteindelijk hun score op die vaardigheidsschaal en dat is een 500-schaal. Een score van 500 of hoger betekent bij alle examenonderdelen: geslaagd.

De examenteksten en de examenopgaven zijn niet allemaal even moeilijk. Het aantal punten dat men maximaal moet behalen om te slagen, is dus niet voor elk examen hetzelfde.

Beoordelingsnormen voor het staatsexamen Nederlands als tweede taal worden vastgesteld voor wat betreft:

Tabel 1 Staatsexamen Nederlands als tweede taal

Programma I, 2014

Tabel 2 Staatsexamen Nederlands als tweede taal

Programma II, 2014