U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 24-09-2011.

Ministeriële regeling · BWBR0029252

Regeling praktijkleren en Groene plus

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 13 december 2010, nr. 171481, houdende bepalingen ten aanzien van de aanvullende bijdrage voor praktijkleren, voor implementatie van vernieuwing op het vlak van kennisverspreiding, professionalisering van leerkrachten en internationalisering van groen onderwijs en versterking van primaire opleidingen in de land- en tuinbouw, en bepalingen ten aanzien van subsidies voor investeringen in nieuwe voorzieningen voor praktijkleren en voor de implementatie van onderwijsbeleid door instellingen en vertegenwoordigende organisaties (Regeling praktijkleren en Groene plus)Regeling praktijkleren en Groene plusDe Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Gelet op artikelen 85a, eerste lid, 89, eerste lid en artikel 96d, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, 2.2.3, tweede lid, en 2.5.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 4.10, onderdeel a, en artikel 4.19, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 2008 en artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag13 december 2010De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,M.J.M.Verhagen

In deze regeling wordt verstaan onder:

De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de afdelingen, de agrarische opleidingscentra, de hogescholen, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van praktijkleren.

De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de agrarische opleidingscentra en van de hogescholen aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van de implementatie van vernieuwing op het vlak van kennisverspreiding, voor de professionalisering van leerkrachten en voor de internationalisering van groen beroepsonderwijs.

De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 3, bedragen:

De scholen en scholengemeenschappen waaraan een afdeling is verbonden, ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als aanvullende bekostiging van de personeels- en exploitatiekosten specifiek ten behoeve van deze afdeling. De aanvullende bijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen in het derde en het vierde leerjaar van de afdeling op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waarbij de leerlingen worden meegeteld die ingeschreven waren in een aan de afdeling verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2 als bedoeld in de Tijdelijke regeling subsidiëring experimenten leergang VMBO-MBO2 2008-2013, voor zover het bevoegd gezag van deze afdeling de aanvrager is in de zin van artikel 4, onderdeel a, van deze Tijdelijke regeling.

De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en 3, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en artikel 5, onderdeel a, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van artikel 2.2.2 van dit besluit, waarbij leerlingen die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waren ingeschreven aan een aan het agrarisch opleidingscentrum verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2 worden meegeteld als deelnemer van dit agrarisch opleidingscentrum, voor zover het bevoegd gezag van dit agrarisch opleidingscentrum de aanvrager is in de zin van artikel 4, onderdeel c, van deze Tijdelijke regeling.

De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en 3, jaarlijks als onderwijsopslag, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 5, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van dit besluit.

Wageningen Universiteit ontvangt de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke voor praktijkleren gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d.

De Universiteit Utrecht ontvangt de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke voor praktijkleren gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e.

De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de agrarische opleidingscentra en aan de hogescholen aanvullende bijdragen ter beschikking voor de exploitatie van primaire opleidingen en voor praktijkleren in het kader van deze opleidingen.

De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 11, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van artikel 2.2.2 van dit besluit, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van de maatstaf ingeschreven deelnemers, bedoeld in artikel 2.2.3 van dit besluit, waarbij alleen deelnemers aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.

De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 11, jaarlijks als onderwijsopslag. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van het aantal bekostigde inschrijvingen, als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit, waarbij alleen studenten aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.

Het subsidieplafond bedraagt:

Aanvragen tot subsidieverlening kunnen jaarlijks tot 1 mei van elk jaar worden gedaan.

De Minister beslist uiterlijk op 1 augustus van elk jaar op de aanvraag. De Minister kan zijn besluit mede baseren op het oordeel van door hem aan te wijzen onafhankelijke deskundigen.

Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Aanvragen tot subsidieverlening kunnen tot 1 april van elk jaar worden ingediend. De Minister kan om dwingende redenen toestaan dat een aanvraag na 1 april wordt gedaan.

De Minister stelt jaarlijks aan de stichting Informatievoorziening groen onderwijs € 116.000,– ter beschikking als bijdrage in de exploitatie van het vakblad Groen onderwijs.

Het subsidieplafond voor de subsidies, bedoeld in artikel 36a, bedraagt € 1.360.000,– voor de schooljaren 2011–2012 tot en met 2014–2015.

Stoas Hogeschool treedt op als penvoerder en subsidieaanvrager voor de groene opleidingsschool.

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd of beëindigd indien:

Uiterlijk op 1 juni 2013 evalueert de Minister de werking van deze regeling.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling praktijkleren en Groene plus.

De primaire opleidingen zijn voor wat betreft het hoger beroepsonderwijs de opleidingen die geheel of in overwegende mate opleiden voor de volgende beroepen:

Tevens worden als studenten in primaire opleidingen geteld de bij STOAS Hogeschool ingeschreven studenten op CROHO-nrs. 34899 (bachelor) en 80015 (associate degree) Educatie en kennismanagement groene sector, voor zover deze studenten worden opgeleid voor het lerarenberoep binnen een primaire opleiding. STOAS hogeschool verschaft jaarlijks een opgave van het aantal van deze studenten, gespecificeerd naar de studierichtingen

De opgave betreft het aantal studenten in deze studierichtingen op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de onderwijsopslag, bedoeld in artikel 14 van deze regeling, wordt verstrekt. De opgave gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant.

De opgave voor 2011 en verdere jaren, met gegevens van het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar, dient uiterlijk op 1 juli van ieder jaar te zijn ontvangen door DUO. De verklaring van getrouwheid van de accountant kan dan bij de jaarlijkse accountantsopgave worden meegenomen.

Bij de aanvraag voor de toetsing van de groene opleidingsschool horen onderstaande gegevens en genoemde stukken.

Het is van belang dat alle deelnemende partners, ter goedkeuring, hun handtekening op deze aanvraag zetten.

Bij elk onderdeel wordt de belangrijkste informatie kernachtig beschreven.

Bijlagen bevatten alleen ondersteunende informatie en dienen beperkt en beknopt te zijn.

Naam instelling:

Postadres, postcode, plaats:

Bezoekadres, postcode, plaats:

BRIN-nummer:

Status inspectie:

Gegevens contactpersoon (naam, telefoon, e-mail):

Bankrekeningnummer, tenaamstelling en plaats:

Handtekening:

Naam instelling:

Postadres, postcode, plaats:

Gegevens contactpersoon (naam, telefoon, e-mail):

BRIN-nummer:

Status inspectie/accreditatie:

Handtekening:

De groene opleidingsschool levert die gegevens waaruit blijkt dat zij voldoet aan de criteria die door het ministerie van EL&I aan volume en kenmerken van het aantal studenten zijn gesteld in de onderstaande overzichten.

In te vullen voor het geheel van de deelnemende scholen in de Groene Opleidingsschool

Van iedere afgestudeerde of student worden de volgende gegevens in tabelvorm verstrekt: naam en per schooljaar het aantal ECTS dat werd afgelegd binnen de opleidingsschool.

De zelfevaluatie omvat een beschrijving (sterkte-zwakte analyse) aan de hand van de criteria zoals aangegeven in het beoordelingskader.

Verplichte bijlagen:

Mogelijke bijlagen:

De uiterste indieningdatum voor aanvragen ‘toetsing Groene Opleidingsschool’ is 15 oktober 2011.

De opleidingsschool dient de aanvraag schriftelijk in 10-voud in op volgend adres:

NVAO – Postbus 85498 – 2508 CD Den Haag

Een digitale versie (in format Word of Adobe-pdf) dient te worden gemaild aan a.vanneygen@nvao.net

De groene opleidingsschool stuurt ook een exemplaar van het aanvraagdossier naar het ministerie van EL&I/directie DAI.

Bij vragen kunt u contact opnemen met mevrouw Ann van Neygen (tel. 070-3122322 of a.vanneygen@nvao.net)