Ministeriële regeling · BWBR0029252
Regeling praktijkleren en Groene plus
Gelet op artikelen 85a, eerste lid, 89, eerste lid en artikel 96d, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, 2.2.3, tweede lid, en 2.5.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 4.10, onderdeel a, en artikel 4.19, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek 2008 en artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag13 december 2010De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,M.J.M.VerhagenIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
Minister: Minister van Economische Zaken;
- b.
afdeling: afdeling Landbouw en natuurlijke omgeving als bedoeld in artikel 10c van de Wet op het voortgezet onderwijs, verbonden aan een school of scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs;
- c.
agrarisch opleidingscentrum: instelling als bedoeld in artikel 1.3.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- d.
hogeschool: instelling als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die onderwijs verzorgt op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, met uitzondering van Wageningen Universiteit;
- e.
instelling: school in de zin van artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, instelling in de zin van artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of instelling in de zin van artikel 1.1, onderdeel f, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- f.
Aequor: het Kenniscentrum Beroepsonderwijs – Bedrijfsleven Aequor;
- g.
organisatie: een organisatie die de belangen behartigt van instellingen bedoeld onder b, c dan wel d en die voor deze instellingen als penvoerder kan optreden voor activiteiten in het kader van het onderwijsbeleid;
- h.
Groene kenniscoöperatie: de instellingen, bedoeld in onderdeel b, c, d en Wageningen Universiteit en Research centrum die samenwerken met het oog op de verspreiding van kennis en op innovatie door het groen onderwijs, en die daarover afspraken maken met de Minister;
- i.
praktijkleren: onderwijsleeractiviteiten en toetsen in het kader van examens binnen door de Minister bekostigde opleidingen, die plaatsvinden binnen daartoe specifiek ingerichte situaties buiten de instelling waar de praktijk van het beroep wordt gesimuleerd en waar gerichte instructie in, oefening van en beoordeling van praktijkvaardigheden plaatsvinden;
- j.
voorziening voor praktijkleren: situatie die specifiek buiten een instelling is ingericht voor praktijkleren;
- k.
implementatie van vernieuwing op het vlak van kennisverspreiding: de implementatie van vernieuwingen die voortkomen uit jaarlijkse afspraken tussen de Minister en de instellingen over de stimulering van kennisontsluiting, -verspreiding en -benutting binnen het beleidsterrein van de Minister;
- l.
professionalisering van leerkrachten: vernieuwingen die de professionalisering beogen van aan de instelling ten dienste van het door de Minister bekostigd beroepsonderwijs verbonden leerkrachten;
- m.
internationalisering groen onderwijs: vernieuwingen die de oriëntatie van beroepsopleidingen en de daaraan verbonden deelnemers en studenten op internationale ontwikkelingen en de internationale mobiliteit van deelnemers en studenten beogen, volgens jaarlijkse afspraken hierover tussen de Minister en de Groene kenniscoöperatie;
- n.
onderwijsbeleid: het beleid van de Minister gericht op behoud en versterking van de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs, voorzover de Minister daarover afspraken maakt met de instellingen dan wel één of meer organisaties;
- o.
primaire opleidingen: opleidingen voor beroepen en ondernemerschap in de landbouw, tuinbouw en veeteelt en voor beroepen die dienstverlenend zijn aan de uitoefening van de landbouw, tuinbouw en veeteelt, die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling;
- p.
Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken;
- q.
groene opleidingsschool: partnerschap tussen Stoas Hogeschool en instellingen en afdelingen die in gezamenlijkheid toekomstige leraren voor een groot gedeelte van hun tijd op de werkplek opleiden;
- r.
NVAO: Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, bedoeld in artikel 5a.2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- s.
schooljaar: tijdvak dat aanvangt op 1 augustus van enig kalenderjaar en eindigt op 31 juli daaropvolgend.
- t.
organisatie van het bedrijfsleven: organisatie die de belangen behartigt van het bedrijfsleven in de sectoren landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, waaronder in de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen;
- u.
landelijke agenda: de landelijke agenda, bedoeld in artikel 17;
- v.
landelijke ontwikkelopdracht: in overleg tussen de minister en de instellingen of een organisatie afgesproken en in de landelijke agenda vastgestelde activiteit met het oog op ontwikkeling van het onderwijs, die de instellingen gezamenlijk zullen uitvoeren;
- w.
meerjarig investeringsprogramma: het programma, bedoeld in artikel 18.
De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de afdelingen, de agrarische opleidingscentra, de hogescholen, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van praktijkleren.
De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
De minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de agrarische opleidingscentra en van de hogescholen aanvullende bijdragen ter beschikking voor de bekostiging van de inzet van de instelling voor de versterking van de kennisinfrastructuur in samenwerking met de andere instellingen en met het bedrijfsleven, gericht op het tot waarde brengen van kennis, en daaraan verbonden voor de professionalisering van leerkrachten en voor de internationalisering van groen beroepsonderwijs.
De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
De minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de afdelingen, de agrarische opleidingscentra, de hogescholen en Wageningen universiteit aanvullende bijdragen ter beschikkingen voor:
- a.
de kosten van de inzet van de instelling op één of meer van de thema’s in de landelijke agenda,
- b.
de uitvoering van één of meer van de landelijke ontwikkelopdrachten in de landelijke agenda, al dan niet door uitvoering in samenwerking met ten minste één andere instelling,
- c.
de deelname van de instelling aan regionale of sectorale arrangementen,
- d.
een tegemoetkoming in de extra uitgaven voor de inzet van innovatieve bedrijven die als leeromgeving worden benut voor de uitvoering van onderwijsactiviteiten, niet zijnde praktijkleren,
- e.
de inhuur van specifieke deskundigheid vanuit bedrijven voor de ontwikkeling en uitvoering van onderwijsactiviteiten, of,
- f.
de kosten, niet zijnde personeelskosten, van door twee of meer instellingen in samenwerking onderhouden teams van vakdocenten, die bij één van deze instellingen in dienst zijn, maar bij de samenwerkende instellingen onderwijsactiviteiten kunnen uitvoeren.
Ten hoogste 60% van deze middelen wordt ingezet voor de uitvoering van regionale of sectorale arrangementen. Aan een regionaal of sectoraal arrangement dient een samenwerkingsovereenkomst of een daaraan gelijk te stellen verbintenis ten grondslag te liggen waarin de deelname van de partners is vastgelegd.
De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, bedragen:
- a.
voor de afdelingen voor het jaar 2010 € 290.000,–, voor het jaar 2011 € 420.000,– en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 600.000,–;
- b.
voor de agrarische opleidingscentra jaarlijks € 8.500.000,–;
- c.
voor de hogescholen voor het jaar 2010 € 2.180.000,–, voor het jaar 2011 € 2.340.000,– en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 2.500.000,–;
- d.
voor Wageningen Universiteit voor het jaar 2010 € 200.000,–, voor het jaar 2011 € 280.000,– en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 460.000,–;
- e.
voor de Universiteit Utrecht, voor wat betreft de faculteit diergeneeskunde, voor het jaar 2010 € 22.500,−, voor het jaar 2011 € 45.000,−, en voor het jaar 2012 en verdere jaren € 75.000,−.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden ieder jaar verhoogd met het voor dat kalenderjaar geldende hoge BTW-tarief.
De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 3, bedragen:
- a.
voor de agrarische opleidingscentra voor het jaar 2013 voor de inzet van de instelling voor de versterking van de kennisinfrastructuur in samenwerking met de andere instellingen en met het bedrijfsleven € 2.000.000,–, voor professionalisering van leerkrachten € 500.000,– en voor internationalisering groen onderwijs € 400.000,–, en voor elk van de jaren 2014 en 2015 voor de inzet van de instelling voor de versterking van de kennisinfrastructuur in samenwerking met de andere instellingen en met het bedrijfsleven € 2.500.000,–, voor professionalisering van leerkrachten € 600.000,– en voor internationalisering groen onderwijs € 450.000,–;
- b.
voor de hogescholen voor het jaar 2013 voor de inzet van de instelling voor de versterking van de kennisinfrastructuur in samenwerking met de andere instellingen en met het bedrijfsleven € 2.000.000,–, voor professionalisering van leerkrachten € 500.000,– en voor internationalisering groen onderwijs € 400.000,–, en voor elk van de jaren 2014 en 2015 voor de inzet van de instelling voor de versterking van de kennisinfrastructuur in samenwerking met de andere instellingen en met het bedrijfsleven € 2.500.000,–, voor professionalisering van leerkrachten € 600.000,– en voor internationalisering groen onderwijs € 450.000,–.
De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 3a, bedragen:
- a.
voor de afdelingen voor het jaar 2013 € 158.508, voor het jaar 2014 € 178.752 en voor het jaar 2015 € 437.682;
- b.
voor de agrarische opleidingscentra voor het jaar 2013 € 2.105.892, voor het jaar 2014 € 2.374.848 en voor het jaar 2015 € 5.814.918;
- c.
voor de hogescholen voor het jaar 2013 € 1.358.640, voor het jaar 2014 € 1.532.160 en voor het jaar 2015 € 3.751.560;
- d.
voor Wageningen universiteit voor het jaar 2013 € 150.960, voor het jaar 2014 € 170.240 en voor het jaar 2015 € 416.840.
De scholen en scholengemeenschappen waaraan een afdeling is verbonden, ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als aanvullende bekostiging van de personeels- en exploitatiekosten specifiek ten behoeve van deze afdeling. De aanvullende bijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, berekend op basis van het aantal leerlingen in het derde en het vierde leerjaar van de afdeling op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waarbij de leerlingen worden meegeteld die ingeschreven waren in een aan de afdeling verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2 als bedoeld in het Experimenteerbesluit VM2.
De scholen en scholengemeenschappen waaraan een afdeling is verbonden, ontvangen het bedrag, bedoeld in artikel 5a, onderdeel a, jaarlijks gezamenlijk als één bedrag. Dit bedrag wordt beschikbaar gesteld door uitbetaling aan het Van Lodestein College te Amersfoort, dat als penvoerder voor de gezamenlijke afdelingen optreedt.
De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, 3 en 3a, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, artikel 5, onderdeel a, en artikel 5a, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van artikel 2.2.2 van dit besluit, waarbij leerlingen die op 1 oktober van het tweede kalenderjaar, voorafgaand aan het jaar waarvoor de aanvullende bekostiging wordt verstrekt, waren ingeschreven aan een aan het agrarisch opleidingscentrum verbonden experimentele leergang VMBO-MBO2 als bedoeld in het Experimenteerbesluit VM2 worden meegeteld als deelnemer van dit agrarisch opleidingscentrum.
De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, 3 en 3a, jaarlijks als onderwijsopslag, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, artikel 5, onderdeel b en artikel 5a, onderdeel c, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van dit besluit.
Wageningen Universiteit ontvangt de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2 en artikel 3a, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d en artikel 5a, onderdeel d.
De Universiteit Utrecht ontvangt de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 2, jaarlijks als onderwijsopslag als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, welke voor praktijkleren gelijk is aan het bedrag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel e.
De Minister stelt jaarlijks aan het bevoegd gezag van de agrarische opleidingscentra en aan de hogescholen aanvullende bijdragen ter beschikking voor de exploitatie van primaire opleidingen en voor praktijkleren in het kader van deze opleidingen.
De minister kan nadere voorschriften verbinden aan de besteding van de aanvullende bijdragen, bedoeld in het eerste lid.
De aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 11, bedragen
- a.
voor de agrarische opleidingscentra jaarlijks € 4.000.000,–;
- b.
voor de hogescholen voor het jaar 2012 en verdere jaren € 1.000.000,–.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden ieder jaar verhoogd met de helft van het voor dat kalenderjaar geldende hoge BTW-tarief.
De agrarische opleidingscentra ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 11, jaarlijks als aanvullende rijksbijdrage. De aanvullende rijksbijdrage is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel a, overeenkomend met het aandeel van ieder agrarisch opleidingscentrum in het landelijk beschikbaar budget, bedoeld in artikel 2.2.1 van het Uitvoeringsbesluit Wet educatie en beroepsonderwijs, berekend op basis van artikel 2.2.2 van dit besluit, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van de maatstaf ingeschreven deelnemers, bedoeld in artikel 2.2.3 van dit besluit, waarbij alleen deelnemers aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.
De hogescholen ontvangen de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 11, jaarlijks als onderwijsopslag. De onderwijsopslag is het aandeel in het bedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, overeenkomend met het aandeel van iedere hogeschool in de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, met dien verstande dat dit aandeel uitsluitend wordt bepaald op basis van het aantal bekostigde inschrijvingen, als bedoeld in artikel 4.10, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit, waarbij alleen studenten aan de opleidingen, genoemd in de bijlage bij deze regeling, worden meegeteld.
De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht die de aanvullende bijdragen, bedoeld in artikel 2, 33a, en 11, ontvangt, besteedt die bijdragen uitsluitend ten behoeve van het doel, genoemd in die artikelen.
De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool en Wageningen universiteit die voor het jaar 2013 de middelen, bedoeld in artikel 3a ontvangt, en die voor het jaar 2014 en 2015 de middelen, bedoeld in artikel 3 en 3a ontvangt, besteedt die bijdragen niet dan nadat de minister het meerjarig investeringsprogramma van de instelling heeft goedgekeurd.
De school of scholengemeenschap waaraan een afdeling is verbonden, het agrarisch opleidingscentrum, de hogeschool, Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht verantwoorden de bestemming en besteding van de aanvullende bijdragen, gespecificeerd naar het doel, bedoeld in de artikelen 2, 33a, en 11, in en bij de jaarrekening. De Minister kan nadere aanwijzingen geven voor deze verantwoording.
Indien een deel van de ontvangen aanvullende bijdrage in enig jaar niet is besteed aan het doel, bedoeld in de artikelen 2, 33a, dan wel artikel 11, mag dit deel binnen dat doel worden besteed in navolgende jaren.
De landelijke agenda bepaalt de thema’s en de landelijke ontwikkelopdrachten waarop de instellingen inspanningen zullen leveren met inzet van ten minste de middelen verkregen op basis van artikel 3 en 3a.
De landelijke agenda omvat de volgende thema’s:
- a.
de strategische visie op de ontwikkelrichting en het opleidingenaanbod van de instelling en het perspectief hiervoor aan het eind van het jaar 2015.
- b.
investeringen in school als kenniscentrum, waaronder
- –
participatie in regionale arrangementen en de financiering daarvan, en
- –
de ontwikkeling van internationaal opleidingenaanbod, waaronder internationale cursussen en opleidingen op het terrein van voedselzekerheid;
- –
- c.
vormgeven van authentiek leren in samenwerking met bedrijfsleven, in het bijzonder in relatie tot de Human Capital Agenda van de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen;
- d.
nieuwe markten en nieuwe producten, waaronder
- –
groene groei, waaronder ‘meer met minder’, koppeling van innovatie aan duurzaamheid en bevordering van innoverend vermogen van bedrijven, in het bijzonder binnen het midden- en kleinbedrijf;
- –
thema’s voortkomend uit de innovatieagenda’s van de topsectoren Agro-Food en Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, en
- –
versterking Bèta en techniek.
- –
De landelijke agenda kan na overleg tussen de minister, de instellingen en het bedrijfsleven worden gewijzigd.
Het meerjarig investeringsprogramma is een programma van de afdelingen gezamenlijk en van ieder agrarisch opleidingscentrum of iedere hogeschool afzonderlijk en van de Wageningen universiteit waarin is opgenomen de inzet van de instelling op:
- a.
de bestedingsdoelen die de minister verbindt aan de middelen die aan de instelling worden verstrekt in het kader van de artikelen 3 en 3a,
- b.
de thema’s in de landelijke agenda, en
- c.
de landelijke ontwikkelopdrachten in de landelijke agenda.
Per bestedingsdoel en per thema en landelijke ontwikkelopdracht, bedoeld in het eerste lid, waarop de instelling in haar meerjarig investeringsprogramma inzet, bevat het meerjarig investeringsprogramma:
- a.
het doel van de inzet van de instelling,
- b.
de beoogde uitkomsten van de activiteiten met het oog op dit doel,
- c.
bij iedere van deze uitkomsten één of meer indicatoren die zullen worden gemeten om te bepalen of de uitkomst is bereikt,
- e.
de beoogde activiteiten met het oog op de onder b bedoelde uitkomsten,
- f.
de samenwerking bij de uitvoering van deze activiteiten met een andere instelling of instellingen, een bedrijf of bedrijven en eventuele andere organisaties,
- g.
een globale begroting bij de beoogde activiteiten, welke de inzet van middelen uit de rijksbijdrage van de instelling, uit de aanvullende bijdragen, uit bijdragen van een bedrijf of bedrijven en eventuele andere organisaties in de samenwerking, bedoeld in onderdeel f, en uit aan te vragen subsidies op basis van deze regeling aangeeft.
Het meerjarig investeringsprogramma wordt ter goedkeuring aan de minister gezonden voor 15 mei 2013, een herzien programma voor 1 december 2013 en, indien noodzakelijk, een nader herzien programma voor 1 december 2014.
Het meerjarig investeringsprogramma wordt in afschrift aan de groene kenniscoöperatie gezonden.
De minister beslist uiterlijk op 17 juni 2013 over de goedkeuring van het meerjarig investeringsprogramma, en uiterlijk op 20 december 2013 en op 19 december 2014 over de goedkeuring van het gewijzigd meerjarig investeringsprogramma. De minister weigert goedkeuring indien het programma niet in overeenstemming is met het eerste en tweede lid.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een afdeling, een agrarisch opleidingscentrum, een hogeschool, een onderzoeksinstelling, Aequor, Wageningen Universiteit, de Dienst Landbouwkundig Onderzoek, de Stichting Groene Kennis Coöperatie en de Stichting Ontwikkelcentrum voor activiteiten in verband met de implementatie van zijn onderwijsbeleid.
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een organisatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, voor gezamenlijke activiteiten in verband met de implementatie van zijn onderwijsbeleid.
De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een organisatie van het bedrijfsleven voor activiteiten in verband met de implementatie van zijn beleid, voor zover dit de verbetering van de aansluiting tussen de vraag naar en het aanbod van postinitiële niet bekostigde opleidingen betreft.
De minister kan jaarlijks, waar van toepassing met inachtneming van de landelijke agenda en waar voorkomend afspraken met de organisaties of de instellingen, het volgende bekend maken:
- a.
de activiteiten en het doel van deze activiteiten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd;
- b.
de onderzoeksinstellingen die een aanvraag kunnen indienen zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid;
- c.
het subsidieplafond per activiteit of groep van activiteiten, en
- d.
eventuele nadere voorwaarden voor de aanvrager.
De Minister kan in het besluit, bedoeld in het eerste lid, activiteiten opnemen waarvoor reeds eerder bij beschikking subsidie is verleend. Deze activiteiten worden verder beschouwd als een activiteit in de zin van artikel 27. De artikelen 29 tot en met 33 zijn niet van toepassing op deze activiteiten.
De subsidiabele kosten zijn:
- a.
de kosten van het in te zetten personeel van de aanvrager. Indien de aanvrager een organisatie is, zijn alleen de kosten van personeel dat specifiek ten dienste van de uitvoering van de aangevraagde activiteit wordt ingezet subsidiabel;
- b.
de kosten voor de inhuur van ondersteuningsinstellingen, bedrijven en onderzoeksinstellingen die noodzakelijk zijn voor het doel en de aard van de aangevraagde activiteit;
- c.
de kosten van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de regeling, tot een maximum van € 2.500,–, en
- d.
materiële kosten die noodzakelijk zijn gezien het doel en de aard van de aangevraagde activiteit.
Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 27 kunnen worden ingediend voor het jaar 2013 tussen 1 juni en 1 juli 2013 en voor de jaren 2014 en 2015 tot 1 april van elk jaar. De minister kan om dwingende redenen toestaan dat een aanvraag na deze periode wordt gedaan.
Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt ingediend bij Dienst Regelingen door middel van een formulier dat door die dienst ter beschikking wordt gesteld formulier.
De aanvraag omvat tenminste de volgende onderdelen:
- a.
het soort activiteit, zoals bedoeld in artikel 28, waarvoor subsidie wordt gevraagd;
- b.
het doel van deze activiteit, zoals bedoeld in artikel 28;
- c.
de aansluiting op de thema’s in de Landelijke agenda en, indien de aanvrager een instelling is, op de in het meerjarig investeringsprogramma voorgestelde inzet op deze thema’s, dan wel op een landelijke ontwikkelopdracht, en waar van toepassing op de afspraken met een organisatie;
- d.
een plan voor de uitvoering van de beoogde activiteit, waaronder begrepen een tijdpad;
- e.
indien de uitvoering geschiedt door meer dan één partij: de beoogde samenwerking bij de uitvoering van de activiteit en de rol van iedere partij in deze samenwerking;
- f.
de beoogde uitkomsten van de activiteit;
- g.
bij iedere van deze uitkomsten één of meer indicatoren die zullen worden gemeten om te bepalen of de uitkomst is bereikt;
- h.
een begroting van de uitvoering, waaruit de subsidiabele kosten, het gevraagde subsidiebedrag en de eigen bijdrage van de aanvrager, en in voorkomende gevallen de eigen bijdragen van de partijen in de samenwerking, blijken.
De minister beslist binnen acht weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 29, op de aanvragen op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 28 en artikel 30, tweede lid, en van de kwaliteit van de aanvraag. De minister kan om dwingende redenen afwijken van deze termijn.
De minister beslist niet over de aanvraag van een instelling dan nadat hij het meerjarig investeringsprogramma van deze instelling heeft goedgekeurd.
Indien een aanvraag voor een activiteit of groep van activiteiten het subsidieplafond, bedoeld in artikel 28, eerste lid, overschrijdt kan de Minister besluiten deze aanvraag niet te honoreren dan wel het subsidiebedrag van de aanvraag te verlagen.
Indien voor een activiteit of groep van activiteiten meerdere aanvragen zijn ingediend en het aangevraagd subsidiebedrag van deze aanvragen het subsidieplafond, bedoeld in artikel 28, eerste lid, overschrijdt rangschikt de Minister de aanvragen die naar zijn oordeel voldoen aan de voorwaarden in artikel 28 en artikel 30, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt naar mate deze het doel van de betreffende activiteit of groep van activiteiten beter realiseert, meer aansluit op de thema’s uit de landelijke agenda en de kwaliteit van de aanvraag naar het oordeel van de Minister beter is. De Minister wijst op basis van deze rangschikking één of meer aanvragen af, dan wel verlaagt het aangevraagd subsidiebedrag van één of meer aanvragen, zodanig dat de resterende aanvragen binnen het subsidieplafond kunnen worden goedgekeurd.
De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.
Het verleende subsidiebedrag mag door de subsidieontvanger worden besteed gedurende een periode van één of meerdere jaren. Deze periode wordt in de beschikking bepaald op basis van het jaar of de jaren waarvoor in de begroting, bedoeld in artikel 30, tweede lid onder h, uitgaven zijn voorzien.
De Minister verstrekt bij goedkeuring van de aanvraag een eerste voorschot op de subsidie van tenminste 20% en ten hoogste 80% van het te verstrekken subsidiebedrag. Indien het voorschot minder is dan 80% worden volgende voorschotten verstrekt op basis van een aanvraag, vergezeld van een korte voortgangsrapportage en een overzicht van de liquiditeitsbehoefte. Aanvragen kunnen worden gedaan gedurende de periode, bedoeld in het tweede lid. Indien aan het eind van deze periode de activiteit nog niet overeenkomstig de aanvraag is voltooid, kan de aanvrager een gemotiveerd en onderbouwd verzoek tot verlenging van de periode en verdere voorschotverstrekking indienen.
Het totaal aan voorschotten is ten hoogste 80% van het te verstrekken subsidiebedrag.
In afwijking van het tweede tot en met vierde lid, wordt een subsidiebedrag dat in het jaar 2015 is verleend uitsluitend in dat jaar besteed, worden alle voorschotten in dat jaar verstrekt en is het totaal aan voorschotten 100% van het te verstrekken subsidiebedrag.
De minister kan op aanvraag goedkeuring verlenen aan een tussentijdse, gemotiveerde en onderbouwde wijziging van het activiteitenplan van een subsidie die is verleend op basis van artikel 27 van deze regeling, artikel 17 van deze regeling zoals deze gold op 31 december 2012 of van de regeling Kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs, mits dit past binnen het doel van de subsidie.
Een verzoek tot wijziging kan alleen worden gedaan zolang de verstrekte voorschotten minder dan 80% van het verleende subsidiebedrag bedragen.
Het verzoek mag niet leiden tot verhoging van het verleende subsidiebedrag.
Indien het gaat om een aanvraag gedaan in samenwerking met één of meer instellingen en, onderscheidenlijk of, één of meer andere partijen wordt het verzoek tot wijziging mede ondertekend door ieder van deze instellingen of partijen.
De ontvanger van de subsidie dient binnen vier maanden na afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, of, indien de activiteiten niet zijn uitgevoerd of niet zijn afgerond, binnen vier maanden na afloop van de periode, bedoeld in artikel 32, tweede lid, bij Dienst Regelingen de aanvraag in voor de vaststelling van de subsidie met een financieel verslag, vergezeld van een activiteitenverslag.
Indien de ontvanger een instelling is neemt hij de bestemming en besteding van de subsidie tevens op in de jaarrekening, gespecificeerd naar het doel waarvoor deze is verstrekt.
het activiteitenverslag, bedoeld in het eerste lid, omvat tenminste:
- a.
de bestemming en besteding van het subsidiebedrag in relatie tot de cofinanciering;
- b.
de mate waarin het doel, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel b, is gehaald;
- c.
de mate van realisatie van de uitkomsten, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel f, op basis van de indicatoren, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel g;
- d.
een evaluatie van de mate waarin de realisatie heeft bijgedragen aan het bereiken van de afspraken, bedoeld in artikel 30, tweede lid, onderdeel c.
Indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan € 125.000,– gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie vergezeld van een accountantsverklaring.
Bij goedkeuring van de rapportage wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.
Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.
De minister stelt voor het jaar 2013 aan de Stichting Groene Kennis Coöperatie ten hoogste € 371.000,– ter beschikking, en voor ieder van de jaren 2014 en 2015 € 1.200.000,– voor de kosten van het aan de stichting verbonden bureau en voor de uitvoering van haar werkzaamheden, waaronder in ieder geval voor de inventarisatie van landelijke ontwikkelopdrachten op basis van de meerjarige investeringsprogramma’s ten behoeve van de landelijke agenda en de daaruit voortvloeiende ondersteuningsbehoeften die binnen de werkplannen van in ieder geval Groen Kennisnet en de Stichting Ontwikkelcentrum worden geprogrammeerd, en voor de inhoudelijke sturing van de onderwijsvernieuwingsprogramma’s, bedoeld in artikel 34a, tweede lid.
De minister stelt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan de Stichting Groene Kennis Coöperatie ten hoogste € 1.875.000,– ter beschikking voor de exploitatie en verdere ontwikkeling van Groen Kennisnet.
De beschikbaarstelling geschiedt na goedkeuring van de Minister van het werkplan van de Stichting, waarin het werkplan van Groen Kennisnet afzonderlijk is opgenomen. Het werkplan wordt jaarlijks voor 1 september ingediend. De Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het werkplan over de beschikbaarstelling. Hij kan hieraan voorwaarden verbinden betreffende de uitvoering van het werkplan.
De Stichting verantwoordt jaarlijks voor 1 juli de besteding en bestemming van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van de jaarstukken van de Stichting.
De minister stelt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan de Stichting Groene Kennis Coöperatie € 1.500.000,– ter beschikking voor het onderhoud en de verdere ontwikkeling van onderwijsvernieuwingsprogramma’s voor de domeinen Plant, Dier, Voedsel en Natuur en Leefomgeving en voor domeinoverstijgende thema’s.
Een onderwijsvernieuwingprogramma heeft tot doel om op vraag vanuit de instellingen en waar voorkomend van bedrijven in de vier onderscheiden domeinen de onderwijsvernieuwing binnen de instellingen te ondersteunen met de ontsluiting en ontwikkeling van vakinhouden en kennis die dienstbaar is aan de inrichting van een actueel opleidingenaanbod binnen de instellingen.
De Groene Kennis Coöperatie draagt zorg voor het overleg tussen de instellingen om te komen tot vaststelling en onderhoud van de onderwijsvernieuwingsprogramma’s.
De beschikbaarstelling geschiedt na goedkeuring van de minister van het werkplan van ieder onderwijsvernieuwingsprogramma. Het werkplan wordt jaarlijks voor 1 september ingediend. De minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het werkplan over de beschikbaarstelling. Hij kan hieraan voorwaarden verbinden betreffende de uitvoering van het werkplan.
De Stichting Groene Kennis Coöperatie verantwoordt jaarlijks voor 1 juli de besteding en bestemming van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van de jaarstukken van de Stichting en per onderwijsvernieuwingsprogramma een verslag van werkzaamheden en bereikte resultaten.
De Minister stelt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan de stichting Informatievoorziening groen onderwijs € 116.000,– ter beschikking als bijdrage in de exploitatie van het vakblad Groen onderwijs.
De Minister stelt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan de stichting Ontwikkelcentrum ten hoogste € 2.300.000,– ter beschikking voor de ontwikkeling en vernieuwing van leermiddelen en voor de verspreiding van leermiddelen ten dienste van het door de Minister bekostigd voortgezet middelbaar beroepsonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs en het educatiebeleid van de Minister.
De beschikbaarstelling geschiedt na goedkeuring van de Minister van het werkplan van de stichting voor het komend jaar en de begroting daarbij. De stichting neemt bij de opstelling van dit werkplan de behoeften van één of meer instellingen en behoeften voortkomend uit landelijke ontwikkelopdrachten, samengebracht door de Groene kenniscoöperatie, in acht. Het werkplan wordt niet ingediend dan na afstemming met tenminste de Groene kenniscoöperatie en met de organisaties. De resultaten van deze afstemming zijn in het werkplan vermeld.
Het werkplan wordt jaarlijks voor 1 september ingediend en omvat tenminste de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, onderscheiden naar de basisfunctie en de innovatiefunctie van het Ontwikkelcentrum, de doelen van deze activiteiten, het verwachte resultaat en de doorwerking hiervan op de kwaliteit van het door de Minister bekostigd voortgezet middelbaar beroepsonderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs, het educatiebeleid van de Minister en de resultaten van de afstemming met tenminste de Groene kenniscoöperatie en met de organisaties. In het werkplan worden activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en activiteiten die de stichting in het verlengde van haar opdracht, zoals bedoeld in het eerste lid, maar voor eigen rekening verwacht te verrichten, duidelijk onderscheiden. De begroting betreft voor ten hoogste 25% de basisfunctie en tenminste 75% voor de innovatiefunctie.
De Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het werkplan over de subsidieverlening.
De Minister kan bij de subsidieverlening voorwaarden verbinden betreffende de uitvoering van het werkplan.
De Minister verstrekt bij goedkeuring van het werkplan de subsidie in twee voorschotten. Het eerste voorschot wordt verstrekt bij goedkeuring van de aanvraag. Het tweede voorschot wordt verstrekt na ontvangst en goedkeuring van een korte voortgangsrapportage. Het totaal aan voorschotten is ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.
De stichting Ontwikkelcentrum dient voor 1 juli een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie, verstrekt voor het voorafgaand jaar.
De aanvraag tot vaststelling van een subsidie gaat vergezeld van een financieel verslag betreffende bestemming en besteding van de subsidie, een accountantsverklaring, de jaarstukken van de stichting en een rapportage. Deze rapportage omvat tenminste:
- a.
Een verslag van de uitvoering van de activiteiten uit het werkplan, in relatie tot activiteiten die de stichting op basis van cofinanciering heeft verricht;
- b.
de mate van realisatie van de doelen van deze activiteiten, en
- c.
een evaluatie van de mate waarin deze realisatie heeft bijgedragen aan de doelen van de stichting.
In de beschikking tot vaststelling wordt de subsidie vastgesteld op de werkelijk gemaakte en betaalde kosten tot ten hoogste het verleende subsidiebedrag.
Een positief resultaat op de gesubsidieerde activiteiten en op producten en diensten die in het kader van een gesubsidieerde activiteit zijn ontwikkeld kan door de Minister worden bestemd voor financiering van activiteiten in het kader van toekomstige werkplannen.
De minister verstrekt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan het Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt te Nijmegen jaarlijks subsidie voor het loopbaanonderzoek.
Het subsidieplafond voor deze subsidie is € 160.000 per jaar.
Het subsidiebedrag wordt ieder jaar vastgesteld op basis van een uitvoeringsplan met begroting, dat jaarlijks voor 1 april aan de minister ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Het kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt verantwoordt jaarlijks voor 1 juli de besteding en bestemming van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van een financieel verslag en een verslag van de uitgevoerde activiteiten en bereikte resultaten.
De minister verstrekt voor ieder van de jaren 2013, 2014 en 2015 aan Aequor jaarlijks subsidie voor de verdere ontwikkeling en in stand houding van arbeidsmarktinformatie betreffende de sectoren Landbouw, Natuurlijke omgeving en Voedsel en voor de beschikbaar stelling van arbeidsinformatie voor in ieder geval de instellingen, bedrijven en organisaties in deze sectoren en voor onderwijsvragenden.
Het subsidieplafond voor deze subsidie is € 300.000 per jaar.
Het subsidiebedrag wordt ieder jaar vastgesteld op basis van een uitvoeringsplan met begroting, dat jaarlijks voor 1 april aan de minister ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Aequor verantwoordt jaarlijks voor 1 juli de besteding en bestemming van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, vergezeld van een financieel verslag en een verslag van de uitgevoerde activiteiten en bereikte resultaten.
De Minister kan voor het jaar 2013 en 2014 op aanvraag subsidie verstrekken voor het verzorgen van cursussen voor deelnemers en studenten uit ontwikkelingslanden, waaronder in ieder geval cursisten met een beurs in het kader van het Netherlands Fellowships Programme.
De subsidie kan telkens voor een periode van twee jaar worden aangevraagd door
- a.
Wageningen Universiteit tot een bedrag van € 840.000,– per kalenderjaar;
- b.
hogeschool Van Hall-Larenstein tot een bedrag van € 400.000,– per kalenderjaar;
- c.
de Aeres groep tot een bedrag van € 960.000,– voor het jaar 2011 en € 2.300.000,– voor het jaar 2012 en verdere jaren.
De aanvraag tot subsidieverlening kan voor het eerst worden ingediend voor het jaar 2011 en 2012 in de periode van 1 januari tot en met 1 mei 2011. De aanvraag gaat vergezeld van een plan voor de inzet van de middelen gedurende twee jaar.
De Subsidiebeschikking internationaal onderwijs van 10 december 2009 blijft voor hogeschool Van Hall-Larenstein van kracht voor de jaren 2011 en 2012. Lid 3 en lid 5 zijn voor deze hogeschool niet van toepassing voor de jaren 2011 en 2012.
De ontvanger van de subsidie dient binnen vier maanden na afloop van de periode van twee jaar een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie, vergezeld van een financieel verslag en een activiteitenverslag.
De Minister kan op aanvraag voor het schooljaar 2011–2012 tot en met schooljaar 2014–2015 een subsidie verlenen voor de groene opleidingsschool.
De groene opleidingschool heeft tot doel studenten op te leiden tot toekomstige leraren voor het groen onderwijs, gegeven aan instellingen en afdelingen. Deze studenten volgen minimaal 40% van het curriculum in de praktijk van het beroep als leraar op een instelling of afdeling.
De subsidie vormt een tegemoetkoming in de kosten die gemoeid zijn met de inrichting van een opleidingsinfrastructuur binnen de instelling of afdeling en met de feitelijke begeleiding op de werkplek van de studenten.
Het subsidieplafond voor de subsidies, bedoeld in artikel 36a, bedraagt € 1.360.000,– voor de schooljaren 2011–2012 tot en met 2014–2015.
Stoas Hogeschool treedt op als penvoerder en subsidieaanvrager voor de groene opleidingsschool.
De subsidieaanvraag wordt uiterlijk 15 oktober 2011 ingediend bij de NVAO met het formulier ‘Samenstelling aanvraagdossier toetsing groene opleidingsschool’, en met een samenwerkingsovereenkomst die is ondertekend door Stoas Hogeschool, de instellingen en de Vereniging Buitengewoon Groen namens de afdelingen die deelnemen in de opleidingsschool.
De NVAO brengt aan de Minister advies uit over de kwaliteit van de groene opleidingsschool door middel van een beoordeling van het gerealiseerd niveau en van de samenwerkingsovereenkomst.
De NVAO brengt haar advies uit op basis van een door haar vast te stellen toetsingskader.
De Minister beslist binnen 3 maanden na het uitkomen van het advies van het NVAO over de subsidieverlening mede op basis van dit advies.
De subsidie wordt verleend voor de periode bedoeld in artikel 36a, eerste lid.
De subsidie wordt in voorschotten voor respectievelijk de schooljaren 2011–2012, 2012–2013, 2013–2014 en 2014–2015 verstrekt.
De hoogte van het voorschot is gebaseerd op het aantal studenten dat op 1 oktober van het voorgaande jaar voldoet aan de vereisten in artikel 36a, tweede lid, als volgt:
- i.
40–79: € 120.000,–;
- ii.
80–139: € 200.000,–;
- iii.
140–179: € 280.000,–;
- iv.
180–219: € 320.000,–;
- v.
> 219: € 340.000,–.
Stoas Hogeschool meldt schriftelijk, vergezeld van een accountantsverklaring, voor de schooljaren 2012–2013 tot en met 2014–2015 uiterlijk op 1 april voorafgaand aan het schooljaar, bedoeld in het eerste lid, het aantal studenten dat voldoet aan de vereisten in artikel 36a, tweede lid, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.
Het voorschot voor het schooljaar 2011–2012 wordt bepaald op basis van de prognose, gevoegd bij de subsidieaanvraag bedoeld in artikel 36d, van het aantal studenten, dat voldoet aan de vereisten in artikel 36a, tweede lid, op 1 oktober 2011.
De Minister geeft uiterlijk op 1 juni voorafgaand aan het desbetreffend schooljaar de hoogte van het voorschot aan.
Het voorschot per schooljaar wordt in twee gedeelten aan de subsidieontvanger betaald: in november een gedeelte van 5/12, in februari een gedeelte van 7/12 van het voorschot.
Het voorschot voor het schooljaar 2011–2012 wordt in één keer verstrekt in het eerste kwartaal van 2012.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidieverlening worden geweigerd of beëindigd indien:
- a.
de groene opleidingsschool niet of niet langer minimaal aan de vereiste basiskwaliteit voldoet na advies van de NVAO;
- b.
het aantal studenten dat in het kader van de groene opleidingsschool wordt opgeleid in enig schooljaar lager is dan 40 studenten per schooljaar.
Stoas Hogeschool, de instellingen en afdelingen besteden de subsidie voor de groene opleidingsschool uitsluitend ten behoeve van het doel genoemd in artikel 36a.
Indien een deel van de ontvangen subsidie in enig schooljaar niet is besteed aan het doel, bedoeld in artikel 36a, dan mogen deze middelen binnen dit doel worden besteed tot en met het schooljaar 2014–2015.
Stoas Hogeschool verantwoordt de bestemming en de besteding van de subsidie voor de groene opleidingsschool in en bij de jaarrekening. Zij geeft daarbij aan welk deel van de subsidie zij als penvoerder heeft doorgegeven aan instellingen en afdelingen, en welke de besteding hiervan is. De verklaring van de accountant bij de jaarrekening omvat tevens een oordeel over de rechtmatige besteding van de subsidie en de rechtmatigheid van de gegevens, waaronder de aantallen studenten.
Bij de jaarrekening voegt Stoas Hogeschool een activiteitenverslag van de Groene opleidingsschool, waarin ook de activiteiten van de instellingen en afdelingen, waar in het afgelopen schooljaar studenten zijn opgeleid, zijn opgenomen. Dit activiteitenverslag omvat tenminste:
- i.
een overzicht van de werkzaamheden waarvoor de verstrekte subsidie is ingezet en de daarmee bereikte resultaten, waarin de werkzaamheden en resultaten van Stoas Hogeschool en van de instellingen en afdelingen onderscheiden zichtbaar zijn;
- ii.
een verantwoording van het aantal studenten dat in het verstreken schooljaar is opgeleid en een prognose van het aantal studenten dat in het lopende schooljaar zal worden opgeleid;
- iii.
voor zover van toepassing, een analyse van de verschillen tussen de voorgenomen en gerealiseerde activiteiten en de beoogde en feitelijk gerealiseerde resultaten.
Uiterlijk op 1 juli 2016 dient Stoas Hogeschool bij de jaarrekening een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie, vergezeld van een accountantsverklaring, als bedoeld in artikel 36g, derde lid.
Deze aanvraag gaat vergezeld van een eindverslag van de Groene opleidingsschool, waarin de bereikte resultaten in relatie tot de beoogde resultaten worden verantwoord.
In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, worden de op grond van artikel 6, 7, 8, 9, 10, 13 en 14 berekende aanvullende bijdragen naar rato van het aantal rechthebbenden op deze bijdragen verlaagd tot het bedrag dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting ter beschikking staat.
In het in het eerste lid bedoelde geval kan de Minister tevens besluiten één of meer van de in artikel 17 dan wel artikel 27 bedoelde subsidies niet te verlenen.
De Minister kan op basis van prioriteiten in zijn beleid nadere criteria toepassen bij, en nadere verplichtingen verbinden aan zijn beslissing op aanvragen voor subsidie die op basis van deze regeling worden ingediend.
Uiterlijk op 1 juni 2015 evalueert de Minister de werking van deze regeling.
De Regeling praktijkleren, impuls en versterking primaire opleidingen groen onderwijs wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling praktijkleren en Groene plus.
De primaire opleidingen voor wat betreft het middelbaar beroepsonderwijs
crebo | Omschrijving | niveau |
11016 | Vakbekwaam medewerker plantenteelt | 3 |
11018 | Vakbekwaam medewerker gemechaniseerd loonwerk | 3 |
11022 | Vakbekwaam medewerker veehouderij | 3 |
11026 | Bedrijfsleider/manager plantenteelt | 4 |
11027 | Bedrijfsleider/manager BD bedrijf | 4 |
11028 | Bedrijfsleider/manager gemechaniseerd loonwerk | 4 |
11031 | Bedrijfsleider/manager veehouderij | 4 |
11014 | Dierenartsassistent paraveterinair | 4 |
11044 | Medewerker plantenteelt | 2 |
11046 | Medewerker gemechaniseerd loonwerk | 2 |
97330 | Medewerker dierverzorging | 2 |
97040 | Dierenartsassistent paraveterinair | 4 |
97031 | Middenkaderfunctionaris plant (Bedrijfsleider biologisch-dynamisch bedrijf) | 4 |
97032 | Middenkaderfunctionaris plant (Bedrijfsleider gemechaniseerd loonbedrijf) | 4 |
97033 | Middenkaderfunctionaris plant (Bedrijfsleider bedekte teelt) | 4 |
97034 | Middenkaderfunctionaris plant (Bedrijfsleider open teelt) | 4 |
97051 | Dierenhouder (Graasdieren) | 4 |
97052 | Dierenhouder (Hokdieren) | 4 |
97054 | Dierenhouder (Melkveehouder) | 4 |
97100 | Vakfunctionaris bedekte teelt 2 (Medewerker bedekte teelt) | 2 |
97110 | Vakfunctionaris bedekte teelt 3 (Vakbekwaam medewerker bedekte teelt) | 3 |
97120 | Vakfunctionaris BD bedrijf 2 (Medewerker BD bedrijf) | 2 |
97130 | Vakfunctionaris BD bedrijf 3 (Vakbekwaam medewerker BD bedrijf) | 3 |
97140 | Vakfunctionaris natuur en techniek 2 (Medewerker gemechaniseerd loonbedrijf) | 2 |
97150 | Vakfunctionaris natuur en techniek 3 (Vakbekwaam medewerker gemechaniseerd loonbedrijf) | 3 |
97190 | Vakfunctionaris open teelt 2 (Medewerker open teelt) | 2 |
97200 | Vakfunctionaris open teelt 3 (Vakbekwaam medewerker open teelt) | 3 |
97361 | Dierverzorger 3 (Graasdieren) | 3 |
97362 | Dierverzorger 3 (Hokdieren) | 3 |
97363 | Dierverzorger 3 (Melkvee) | 3 |
97474 | Assistent medewerker voedsel en leefomgeving (Plantenteelt) | 1 |
97570 | Rundveepedicure | 3 |
97551 | Vakfunctionaris zorg en leefomgeving 3 (Werkbegeleider zorgbedrijf dierhouderij) | 3 |
97552 | Vakfunctionaris zorg en leefomgeving 3 (Werkbegeleider zorgbedrijf plantenteelt) | 3 |
97561 | Vakfunctionaris zorg en leefomgeving 4 (Ondernemer zorgbedrijf dierhouderij) | 4 |
97562 | Vakfunctionaris zorg en leefomgeving 4 (Ondernemer zorgbedrijf plantenteelt) | 4 |
97474 | Natuur, voeding en groen (Assistent plantenteelt) | 1 |
97330 | Dierverzorging 2 (Medewerker dierverzorging) | 2 |
97120 | Biologisch-dynamisch bedrijf (medewerker biologisch-dynamisch bedrijf) | 2 |
97130 | Biologisch-dynamisch bedrijf (vakbekwaam medewerker biologisch-dynamisch bedrijf) | 3 |
97031 | Biologisch-dynamisch bedrijf (manager biologisch-dynamisch bedrijf) | 4 |
97190 | Buitenteelt (medewerker buitenteelt) | 2 |
97200 | Buitenteelt (vakbekwaam medewerker buitenteelt) | 3 |
97100 | Binnenteelt (medewerker binnenteelt) | 2 |
97110 | Binnenteelt (vakbekwaam medewerker binnenteelt) | 3 |
97140 | Groen, grond, infra (medewerker gemechaniseerd loonbedrijf) | 2 |
97150 | Groen, grond, infra (vakbekwaam medewerker gemechaniseerd loonbedrijf) | 3 |
97032 | Groen, grond, infra (manager gemechaniseerd loonbedrijf) | 4 |
97363 | Dierverzorging (dierverzorger melkvee) | 3 |
97362 | Dierverzorging (dierverzorger hokdieren) | 3 |
97361 | Dierverzorging (dierverzorger graasdieren) | 3 |
97054 | Dierenhouderij (melkveehouder) | 4 |
97052 | Dierenhouderij (dierenhouder hokdieren) | 4 |
97051 | Dierenhouderij (dierenhouder graasdieren) | 4 |
97551 | Zorg, natuur en gezondheid (werkbegeleider zorgbedrijf dier) | 3 |
97552 | Zorg, natuur en gezondheid (werkbegeleider zorgbedrijf plant) | 3 |
97561 | Zorg, natuur en gezondheid (ondernemer zorgbedrijf dier) | 4 |
97562 | Zorg, natuur en gezondheid (ondernemer zorgbedrijf plant) | 4 |
97033 | Teelt en ondernemerschap (manager binnenteelt) | 4 |
97034 | Teelt en ondernemerschap (manager buitenteelt) | 4 |
97660 | Teelt 2/3 Medewerker teelt | 2 |
97670 | Teelt 2/3 Vakbekwaam medewerker teelt | 3 |
97681 | Teelt 4 Manager teelt | 4 |
97682 | Teelt 4 Specialist teelt en techniek | 4 |
97683 | Teelt 4 Teamleider teelt en arbeid | 4 |
97795 | Teelt 4 Manager teelt en gewasbescherming | 4 |
97700 | Productiedieren 3 | 3 |
97701 | Productiedieren 3 Dierverzorger graasdieren | 3 |
97702 | Productiedieren 3 Dierverzorger hokdieren | 3 |
97703 | Productiedieren 3 Dierverzorger melkvee | 3 |
97710 | Productiedieren 4 | 4 |
97711 | Productiedieren 4 Dierenhouder graasdieren | 4 |
97712 | Productiedieren 4 Dierenhouder hokdieren | 4 |
97713 | Productiedieren 4 Dierenhouder melkvee | 4 |
De primaire opleidingen zijn voor wat betreft het hoger beroepsonderwijs de opleidingen die geheel of in overwegende mate opleiden voor de volgende beroepen:
Opleiding | bachelor degree | Associate degree |
Tuinbouw en akkerbouw | 34868 | 80012 |
Dier- en veehouderij | 34869 | 80006 |
Melkveehouderij | – | 80044 |
Tropische landbouw | 34203 | – |
Tevens worden als studenten in primaire opleidingen geteld de bij STOAS Hogeschool ingeschreven studenten op CROHO-nrs. 34899 (bachelor) en 80015 (associate degree) Educatie en kennismanagement groene sector, voor zover deze studenten worden opgeleid voor het lerarenberoep binnen een primaire opleiding. STOAS hogeschool verschaft jaarlijks een opgave van het aantal van deze studenten, gespecificeerd naar de studierichtingen
- 1.
Akkerbouw, tuinbouw, plantenteelt
- 2.
Veehouderij
- 3.
Agrarische techniek
- 4.
Internationaal (veehouderij en agrarische techniek)
De opgave betreft het aantal studenten in deze studierichtingen op 1 oktober van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de onderwijsopslag, bedoeld in artikel 14 van deze regeling, wordt verstrekt. De opgave gaat vergezeld van een verklaring van getrouwheid van een accountant.
De opgave voor 2011 en verdere jaren, met gegevens van het tweede jaar voorafgaand aan dat jaar, dient uiterlijk op 1 juli van ieder jaar te zijn ontvangen door DUO. De verklaring van getrouwheid van de accountant kan dan bij de jaarlijkse accountantsopgave worden meegenomen.
Bij de aanvraag voor de toetsing van de groene opleidingsschool horen onderstaande gegevens en genoemde stukken.
Het is van belang dat alle deelnemende partners, ter goedkeuring, hun handtekening op deze aanvraag zetten.
Bij elk onderdeel wordt de belangrijkste informatie kernachtig beschreven.
Bijlagen bevatten alleen ondersteunende informatie en dienen beperkt en beknopt te zijn.
Naam instelling:
Postadres, postcode, plaats:
Bezoekadres, postcode, plaats:
BRIN-nummer:
Status inspectie:
Gegevens contactpersoon (naam, telefoon, e-mail):
Bankrekeningnummer, tenaamstelling en plaats:
Handtekening:
Naam instelling:
Postadres, postcode, plaats:
Gegevens contactpersoon (naam, telefoon, e-mail):
BRIN-nummer:
Status inspectie/accreditatie:
Handtekening:
De groene opleidingsschool levert die gegevens waaruit blijkt dat zij voldoet aan de criteria die door het ministerie van EL&I aan volume en kenmerken van het aantal studenten zijn gesteld in de onderstaande overzichten.
In te vullen voor het geheel van de deelnemende scholen in de Groene Opleidingsschool
2011–2012 | 2012–2013 | 2013–2014 | 2014–2015 | |
Prognose van het aantal studenten van de door Stoas Hogeschool verzorgde lerarenopleiding waarvan minimaal 40% van het curriculum op de werkplek wordt verzorgd. |
- 2.1
Overzicht van de producten waarop de lerarenopleiding haar oordeel bepaalt over de eindkwalificaties van de student. Dit kan gaan over scripties, portfolio’s, andere vormen van toetsing. In ieder geval gaat het om een geheel van (eind)producten per student. Per product worden de te beoordelen competenties opgegeven.
- 2.2
Namenlijst van de afgestudeerden of indien dit er nog niet minstens 10 zijn, aangevuld met de studenten die het verst staan in hun opleiding. Er moet een lijst zijn van minstens 20 namen waaruit de NVAO er 10 kan selecteren. Het gaat om studenten die minstens een voldoende gehaald hebben voor de eindkwalificaties of tussentijdse deelkwalificaties.
Van iedere afgestudeerde of student worden de volgende gegevens in tabelvorm verstrekt: naam en per schooljaar het aantal ECTS dat werd afgelegd binnen de opleidingsschool.
De zelfevaluatie omvat een beschrijving (sterkte-zwakte analyse) aan de hand van de criteria zoals aangegeven in het beoordelingskader.
- 3.1
Programma
- 3.2
Inzet van personeel
- 3.3
Voorzieningen
- 3.4
Interne kwaliteitszorg
Verplichte bijlagen:
- ○
Samenwerkingsovereenkomst waarvan deel kunnen uitmaken:
- a)
een opleidingsplan, waarin onder andere: visie rond opleiden in de school, kwaliteitszorg en -borging, onderwijskundige structuur, financiële middelen;
- b)
afspraken over rollen, taken en verantwoordelijkheden van elk van de partners bij de uitvoering van het opleidingsplan en bij de beoordeling van de resultaten van diegenen die worden opgeleid;
- c)
afspraken over de borging van de kwaliteit van het personeel dat betrokken is bij de groene opleidingsschool;
- d)
afspraken over de ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst en de gevolgen daarvan voor de betrokken studenten indien een of meer van de partners de primaire taak onvoldoende blijkt te hebben geborgd;
- e)
financiële afspraken.
- a)
- ○
Per deelnemende partner: een overzicht met namen van de personeelsleden die betrokken zijn bij de groene opleidingsschool, met vermelding van de functies in de groene opleidingsschool en het percentage van de aanstelling.
Mogelijke bijlagen:
- ○
Reeds toegekende ‘keurmerk(en)’ en de procedure en criteria die erbij gehanteerd worden;
- ○
Relevante beleids- en verantwoordingsdocumenten van de partners waaruit hun engagement en ambities blijken met betrekking tot de groene opleidingsschool.
De uiterste indieningdatum voor aanvragen ‘toetsing Groene Opleidingsschool’ is 15 oktober 2011.
De opleidingsschool dient de aanvraag schriftelijk in 10-voud in op volgend adres:
NVAO – Postbus 85498 – 2508 CD Den Haag
Een digitale versie (in format Word of Adobe-pdf) dient te worden gemaild aan a.vanneygen@nvao.net
De groene opleidingsschool stuurt ook een exemplaar van het aanvraagdossier naar het ministerie van EL&I/directie DAI.
Bij vragen kunt u contact opnemen met mevrouw Ann van Neygen (tel. 070-3122322 of a.vanneygen@nvao.net)