ZBO-regeling · BWBR0029322

Beleidsregel deskundigheid 2011

Wijzigingen Officiële bron
Beleidsregel van De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) en de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) inzake deskundigheid van beleidsbepalers bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en de Wet toezicht trustkantoren (Beleidsregel deskundigheid 2011)Beleidsregel deskundigheid 2011

De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Autoriteit Financiële Markten,

Na overleg met de representatieve organisaties en na raadpleging van het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 3:8, 3:271, 4:9, eerste lid, en 5:29, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft), artikel 105, derde lid, van de Pensioenwet (Pw), artikel 110, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de artikelen 14, derde lid, 29 en 30 van het Besluit uitvoering Pw en Wvb en de artikelen 4, aanhef en onderdeel b, en 11, tweede lid, van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt);

Gelet op artikel 3:100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht, zoals dit artikelonderdeel komt te luiden met ingang van de datum waarop de Wet implementatie richtlijn deelnemingen in de financiële sector (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 292, nr. 2) in werking treedt;

Gelet op artikel 3:8 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dit artikel komt te luiden met ingang van de datum waarop de Wet introductie premiepensioeninstellingen (Kamerstukken I, 2009–2010, 31 891, nr. A) in werking treedt;

Gelet op artikel 4:9, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zoals dit artikelonderdeel komt te luiden met ingang van de datum waarop de Wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het financieel toezicht in verband met de bevoegdheid tot aanpassing en terugvordering van bonussen en winstdelingen van bestuurders en dagelijks beleidsbepalers en deskundigheidstoetsing van commissarissen (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 512, nr. 2) in werking treedt;

BESLUITEN

Tot een gezamenlijke beleidsregel deskundigheid:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam15 december 2010 Ondertekend in tweevoud,De Nederlandsche Bank N.V.,H.J.Brouwer,directeur.Stichting Autoriteit Financiële Markten,Th.F.Kockelkoren,bestuurslid.

Het doel van deze beleidsregel is te verduidelijken welke eisen DNB en de AFM stellen aan deskundigheid van beleidsbepalers van ondernemingen die onder hun toezicht vallen en welke aspecten zij bij de toetsing daarvan in aanmerking nemen. Daarnaast verschaft deze beleidsregelinzicht in de samenwerking tussen de toezichthouders bij de toetsing van deskundigheid.

Het beleid op het gebied van deskundigheid zoals uiteengezet in deze beleidsregel is van toepassing op alle beleidsbepalers van ondernemingen die op grond van de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling of de Wet toezicht trustkantoren onder toezicht staan van DNB en/of de AFM.

De beleidsregel bestaat uit drie hoofdstukken, een bijlage en een toelichting.

Hoofdstuk 1 bevat de vereisten voor deskundigheid van beleidsbepalers en de informatie die de toezichthouder gebruikt bij de toetsing. Deze vereisten gelden voor elke onderneming en elke beleidsbepaler, zowel voorafgaand aan het aantreden van een beleidsbepaler als daarna, wanneer een beleidsbepaler in functie is. Het uitgangspunt van deze beleidsregel is dat beleidsbepalers doorlopend voldoen aan de vereisten van deskundigheid en dit in hun optreden laten zien.

Om een proportionele toepassing van de deskundigheidsvereisten mogelijk te maken, hebben de toezichthouders de onder toezichtstaande ondernemingen ingedeeld in drie groepen: A, B en C. Dit doet recht aan de uiteenlopende activiteiten, risico’s, omvang en complexiteit van de ondernemingen. Het uitgangspunt is dat alle beleidsbepalers, ongeacht de groep waarvan zij deel uitmaken, voldoen aan het eerste hoofdstuk van de beleidsregel.

Hoofdstuk 2 bevat bepalingen voor de toetsing van deskundigheid voorafgaand aan het aantreden van een beleidsbepaler van ondernemingen die tot groep B of C behoren en is een nadere uitwerking van onderdeel 1.2.1.

Groep A omvat aanbieders van beleggingsobjecten; banken; clearinginstellingen; entiteiten voor risicoacceptatie; financiële instellingen; financiële holdings; gemengde financiële holdings of verzekeringsholdings met zetel in Nederland; herverzekeraars; levensverzekeraars; marktexploitanten; pensioenfondsen; beroepspensioenfondsen; premiepensioeninstellingen, schadeverzekeraars (vergunninghoudend).

Groep B omvat aanbieders van krediet; beleggingsondernemingen; beheerders van beleggingsinstellingen; beleggingsmaatschappijen; bewaarders.

Groep C omvat financiëledienstverleners met uitzondering van de financiëledienstverleners in groep A en B; betaalinstellingen; elektronischgeldinstellingen; natura-uitvaart-verzekeraars; onderlinge waarborgmaatschappijen met een verklaring; trustkantoren.

Hoofdstuk 3 bevat bepalingen over de evaluatie van de beleidsregel, de intrekking van de huidige beleidsregel deskundigheid van de AFM, de inwerkingtreding van deze beleidsregel en de citeertitel.

Na hoofdstuk 3 is een bijlage met competenties opgenomen, gevolgd door een algemene toelichting en een toelichting op de hoofdstukken 1, 2 en 3.

De begrippen in deze beleidsregel hebben dezelfde betekenis als in de Wet op het financieel toezicht, de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, Wet toezicht trustkantoren en de daarop gebaseerde regelgeving, tenzij deze begrippen uitdrukkelijk anders worden gedefinieerd in deze beleidsregel.

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

De toetsing van deskundigheid van een beleidsbepaler geschiedt met inachtneming van:

Indien sprake is van een collectief geschiedt de toetsing van deskundigheid met inachtneming van de samenstelling en het functioneren van het collectief.

De toezichthouder toetst deskundigheid van een beleidsbepaler:

Bij de weging van de in onderdeel 1.6 genoemde informatie en antecedenten betrekt de toezichthouder de volgende factoren:

Voor alle ondernemingen in groep B en C geldt dat algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis moet zijn opgedaan maximaal vijf jaar voorafgaand aan het moment van toetsing. De deskundigheid ten aanzien van de bedrijfsvoering en de bestuurlijke en leidinggevende vaardigheden moeten zijn opgedaan maximaal tien jaar voorafgaand aan het moment van toetsing.

Indien een aanbieder van krediet, een beleggingsonderneming, een beheerder van beleggingsinstellingen, een beleggingsmaatschappij, een bewaarder, of een financiëledienstverlener met uitzondering van een bemiddelaar of een adviseur van beleggingsobjecten, van, met inbegrip van de beleidsbepalers, ten hoogste zes personen, in omvang groeit naar een onderneming met meer dan zes personen, dan worden de beleidsbepalers van deze onderneming opnieuw aan de voor hen relevante criteria in hoofdstuk 2 getoetst.

Bij de toetsing voorafgaand aan het aantreden van beleidsbepalers van ondernemingen in groep B en C worden in ieder geval de volgende onderdelen van hoofdstuk 1 meegewogen:

Een beleidsbepaler van een verbonden agent wordt bij zijn of haar aantreden geacht deskundig te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1 indien hij of zij aantoont minimaal te beschikken over algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis, opgedaan gedurende tenminste één jaar werkervaring.

In aanvulling op de minimumvereisten van de onderdelen 2.4 en 2.5 kan de toezichthouder, indien daartoe redelijke aanleiding bestaat, besluiten deskundigheid van een beleidsbepaler van een daar genoemde onderneming nader te toetsen aan de vereisten van onderdeel 1.2.1.

Een beleidsbepaler van een financiëledienstverlener, met uitzondering van een bemiddelaar in of adviseur van beleggingsobjecten, van, met inbegrip van de beleidsbepalers, ten hoogste zes personen, natura-uitvaartverzekeraar of onderlinge waarborgmaatschappij met een verklaring, wordt bij zijn of haar aantreden geacht deskundig te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over:

Deze beleidsregel wordt periodiek geëvalueerd, voor het eerst één jaar na inwerkingtreding.

Met de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden de Beleidsregel deskundigheid dagelijks beleidsbepalers artikel 4:9 en 5:29 Wft, van de Autoriteit Financiële Markten van 24 maart 2008 (Staatscourant 2008, nr. 69, pag. 21) en de Beleidsregel Deskundigheid dagelijks beleidsbepalers 4:9 Wft, van de Autoriteit Financiële Markten van 12 december 2006 (Staatscourant 2006, 251, pag. 44) ingetrokken.

Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2011. Indien de Staatscourant waarin deze beleidsregel wordt geplaatst, verschijnt na 31 december 2010, treedt deze beleidsregel in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2011.Beleidsbepalers die aantreden na de inwerkingtreding van deze beleidsregel, worden in het kader van vergunningaanvraag of registratie dan wel voorgenomen benoeming getoetst op basis van deze beleidsregel. Beleidsbepalers waarvan de deskundigheid reeds is vastgesteld voor inwerkingtreding van deze beleidsregel worden niet opnieuw getoetst tenzij hiertoe redelijke aanleiding, bedoeld in onderdeel 1.5.b, bestaat.

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel deskundigheid 2011.

De opsomming van deze competenties (a tot en met p) is niet cumulatief en niet limitatief.