Wijzigingen Officiële bron
Regeling van het College voor examens van 27 september 2011, nr. Cve-11.02143, houdende vaststelling van het examenprogramma Staatsexamen Nederlands als tweede taal 2013 (Regeling examenprogramma Staatsexamen NT2 2013)Regeling examenprogramma Staatsexamen NT2 2013Het College voor examens,

Gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet College voor examens; en het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal artikel 10, eerste lid.

Gezien de goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gegeven op 28 november 2011, nummer 344695 ;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Het College voor examens,namens deze:de voorzitter,H.W.Laan

Het examenprogramma staatsexamen Nederlands als tweede taal 2013 wordt vastgesteld zoals aangegeven in de bijlage 1 bij deze regeling.

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2013 ten behoeve van de Staatsexamens NT2 in 2013 en vervalt per 31 december 2013.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma Staatsexamen NT2 2013.

Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal heeft tot doel personen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is in staat te stellen een bewijs van voldoende taalbeheersing te behalen. Het examen toetst of de kandidaat voldoende kennis, inzicht en vaardigheden verworven heeft om zich op adequate wijze van het Nederlands te kunnen bedienen in het kader van werk en opleiding, alsmede in het kader van het maatschappelijk functioneren en de sociale contacten die daaruit voortvloeien.

In het Staatsexamen Nederlands als tweede taal worden onderzocht:

Het examenprogramma is ontleend aan de examenstof zoals omschreven in het Eindrapport van de Adviescommissie Invoering Certificaten Nederlands als Tweede Taal. De inhoud van de opdrachten is, conform dit advies, gerelateerd aan Nederlandse opleiding- en werksituaties en aan situaties in het openbare dagelijkse leven in Nederland. Het examen doet daarmee tevens een beroep op kennis van de Nederlandse samenleving.

Het Staatsexamen Nederlands als tweede taal kent, conform artikel 2 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, twee programma’s: programma I en programma II. Programma I toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk geacht worden om te kunnen functioneren in opleidingen op MBO 3 en 4-niveau en, in op dat niveau van geschoolde arbeid gelegen, functies op de arbeidsmarkt. Programma II toetst kennis, inzicht en vaardigheden die noodzakelijk geacht worden om te kunnen functioneren in het hoger onderwijs, en in middenkader en hogere functies op de arbeidsmarkt.

Het College voor examens stelt bij het vaststellen van de examens en de daarbij behorende beoordeling een cesuur vast. Deze kan, nadat het examenonderdeel is afgenomen en de gegevens bekend zijn, door het College eventueel bijgesteld worden. De kandidaat is geslaagd indien het resultaat voldoende is.

Het examenwerk van de examenonderdelen Lezen en Luisteren wordt automatisch gescoord. Het examenwerk van de examenonderdelen Spreken en Schrijven wordt door ten minste twee onafhankelijke daartoe door het College voor examens bevoegd verklaarde beoordelaars beoordeeld. Bij de beoordeling wordt afhankelijk van de aard van de opdrachten gebruik gemaakt van verschillende dichotome en meerpuntsschalen. Indien de scores van beide beoordelaars een verschil vertonen dat groter is dan de door het College voor examens bij de vaststelling van de examens bepaalde marge, wordt het oordeel van een derde beoordelaar gevraagd. In dat geval worden uitsluitend de twee oordelen die het dichtst bijeen liggen gemiddeld tot een eindoordeel.

Het examenonderdeel Lezen wordt afgenomen in één zitting. De kandidaat beantwoordt een aantal vragen naar aanleiding van geschreven teksten. Daaruit moet blijken dat de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Bovenstaande handelingen kunnen verricht worden op teksten met de volgende kenmerken:

Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De teksten in Programma I gaan over concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in programma II hoger is. In programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in programma I.

Voor programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands(De Kleijn en Nieuwborg 1996). In de vragen bij de opgaven worden evenmin woorden bevraagd die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands, tenzij die woorden in de tekst worden verklaard. Voor programma II zijn er wat betreft het woordgebruik in de opgaven geen beperkingen.

Het examenonderdeel Luisteren wordt afgenomen in één zitting. De kandidaat beantwoordt een aantal schriftelijke vragen naar aanleiding van luisterteksten. De luisterteksten worden aangeboden via de computer. Uit het beantwoorden van de vragen moet blijken dat de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Bovenstaande handelingen kunnen verricht worden op teksten met de volgende kenmerken:

Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De teksten in Programma I gaan over concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in programma II hoger is. In programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in programma I.

Voor programma I geldt dat er in de vragen bij de opgaven geen woorden voorkomen die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands(De Kleijn en Nieuwborg 1996). In de vragen bij de opgaven worden evenmin woorden bevraagd die niet zijn opgenomen in het Basiswoordenboek Nederlands, tenzij die woorden in de tekst worden verklaard. Voor programma II zijn er wat betreft het woordgebruik geen beperkingen.

Het examenonderdeel Schrijven wordt afgenomen in één zitting. In programma I worden deelschrijftaken en korte schrijftaken onderscheiden, in programma II deelschrijftaken, korte schrijftaken, middellange of lange schrijftaken. In het examenonderdeel schrijven wordt getoetst of de kandidaat de volgende taalhandelingen beheerst.

Bovenstaande handelingen monden uit in teksten met de volgende kenmerken:

Het onderscheid tussen beide programma’s komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concreet, terwijl het abstractieniveau in programma II hoger is. In programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in programma I. In programma I worden deelschrijftaken en korte schrijftaken onderscheiden, in programma II deelschrijftaken, korte schrijftaken, middellange en lange schrijftaken.

Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in één zitting en kent verschillende typen opdrachten. In programma I worden korte en middellange opdrachten onderscheiden, in programma II korte, middellange en lange opdrachten. De opdrachten worden zowel mondeling als schriftelijk aangeboden.

Het examenonderdeel Spreken wordt afgenomen in een digitaal talenpracticum. In het examenonderdeel Spreken wordt getoetst of de kandidaat de volgende begintermen beheerst.

Bovenstaande handelingen monden uit in teksten met de volgende kenmerken:

Het onderscheid tussen programma I en programma II komt tot uitdrukking in de tekstonderwerpen, in de gekozen werk- en opleidingssituaties en in het functioneringsniveau. De onderwerpen in Programma I zijn concrete onderwerpen, terwijl het abstractieniveau in programma II hoger is. In programma II spelen beschouwende en betogende teksten een belangrijkere rol dan in programma I. In programma I worden korte en middellange opdrachten onderscheiden, in programma II korte, middellange en lange opdrachten.