Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzersAanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers

Deze aanwijzing betreft een regeling voor de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen en overtredingen van regels met betrekking tot de snelheidsbegrenzers in bedrijfsauto’s en bussen.

Bij de vaststelling van strafbare feiten en gedragingen zoals snelheidsovertredingen worden meetmiddelen gebruikt. Deze meetmiddelen moeten voldoen aan de voorschriften die bij of krachtens de Regeling meetmiddelen politie zijn vastgesteld en voor het toegepaste gebruik zijn goedgekeurd door een daartoe bevoegde instantie. In de regeling zijn meetmiddelen opgenomen die gebruikt worden door de politie en de eisen waaraan deze meetmiddelen moeten voldoen. In deze regeling is de standaard in politievoertuigen ingebouwde boordsnelheidsmeters níet opgenomen.

Voor wat betreft de opsporing en vervolging van snelheidsoverschrijdingen gaat deze aanwijzing in op onder andere de instelwaarde van de snelheidsmeetapparatuur, de te corrigeren marges en enkele aan het proces-verbaal te stellen eisen.

Het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie hebben in twee richtlijnen1eisen ten aanzien van snelheidsbegrenzers opgenomen. Deze eisen zijn volledig in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd, te weten in de artikelen 5.3.15, 5.3a.15 en 6.5 van de Regeling Voertuigen (RV). Voor de handhaving zijn de artikelen 5.3.15 en 5.3a.15 RV van belang, omdat hier de permanente eisen ten aanzien van snelheidsbegrenzers zijn opgenomen. In deze artikelen wordt aangegeven aan welke eisen snelheidsbegrenzers moeten voldoen en met ingang van welke datum bepaalde categorieën bedrijfsauto’s en bussen moeten zijn voorzien van een goedgekeurde snelheidsbegrenzer.2

Voor wat betreft de opsporing en vervolging van voertuigen die niet zijn voorzien van een (goed functionerende) snelheidsbegrenzer, gaat deze aanwijzing in op de samenloop met snelheidsovertredingen en op het verbaliseringsbeleid ten aanzien van Nederlandse en buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen.

Deze aanwijzing heeft tot doel een uniforme handhaving te bewerkstelligen voor snelheidsoverschrijdingen en overtredingen van regels met betrekking tot de snelheidsbegrenzers in bedrijfsauto’s en bussen.

Bij de inzet van (buitengewoon) opsporingsambtenaren is het belangrijk om onderscheid te maken tussen voor de opsporing van belang zijnde handelingen, opsporingshandelingen en overige handelingen.

Afhankelijk van de inhoud van het besluit zoals door het Ministerie van Veiligheid en Justitie wordt afgegeven, mogen de onder 1.2 en 1.3 genoemde opsporingshandelingen door een BOA worden uitgevoerd.

Een geautomatiseerde snelheidscontrole, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenaamde ‘natte’ film, valt in de volgende fasen te verdelen:

Uitwerking fasen

Fase a en b: deze fasen zijn strikt juridisch gezien geen opsporingshandelingen, maar gelet op de rechtmatigheid van de bewijsgaring voor de opsporing zodanig cruciaal, dat ze door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar moeten worden uitgevoerd.

Fase c en d: deze fasen worden als opsporingshandelingen aangemerkt en moeten worden uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Degene die de film uitleest, is degene die de overtreding constateert en het proces-verbaal (mede-)ondertekent. Als de opsporingsambtenaar die de fasen a en/of b heeft verricht het proces-verbaal niet (mede-)ondertekent, kan die ambtenaar volstaan met het vastleggen van deze opsporingshandelingen in een daartoe bestemde rapportage.

Een geautomatiseerde snelheidscontrole waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale apparatuur, valt in de volgende fasen te verdelen:

Uitwerking fasen

Fase a en b: voor of bij het ingebruikstellen van deze apparatuur overtuigt een opsporingsambtenaar zich van de goede werking, afstelling en plaatsing ervan. De opsporingsambtenaar legt deze controle vast in een daartoe bestemde rapportage. Als sprake is van een volledig digitaal geautomatiseerd systeem, dan vermeldt hij altijd het tijdstip van ingebruikstelling.

Fase c: Alles wat met de digitale gegevens gebeurt tussen het moment van constatering van de overtreding en het inlezen van deze gegevens in de verwerkingsapparatuur moet worden vastgelegd door een daarmee belaste ambtenaar in een daartoe bestemde rapportage.8Bijvoorbeeld: als gegevens op een CD worden gebrand en vervolgens worden overgebracht naar een andere locatie om te worden verwerkt, moet dit hele traject worden verantwoord volgens een daartoe opgestelde AO-procedure.9Het is immers voor de bewijskracht van het grootste belang dat de betrouwbaarheid en volledigheid van de overtredinggegevens worden gegarandeerd en kunnen worden gecontroleerd.

NB Bij fase a en b is conform het gestelde onder 1.2 strikt genomen geen sprake van opsporingshandelingen, maar deze fase is voor de opsporing van zodanig cruciaal belang dat deze werkzaamheden door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar moeten worden uitgevoerd.

Fase d en e: deze fasen worden als opsporingshandelingen aangemerkt en moeten worden uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Voor de te volgen werkwijze geldt verder het gestelde onder punt 1.2.

Het gestelde onder fase c is niet van toepassing op bijvoorbeeld trajectcontrole en digitale flitspalen, voor zover het verwerken van de digitale gegevens hierbij volledig op geautomatiseerde wijze geschiedt.10Gelet op het arrest van de Hoge Raad11volstaat het in deze gevallen dat een daarmee belaste opsporingsambtenaar in het proces-verbaal vermeldt hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd.

De snelheidsmeters beschreven in de vorige paragraaf ‘Definities’ mogen slechts worden gebruikt voor de daar genoemde toepassingen als een certificaat is afgegeven door een daartoe bevoegde keuringsinstantie en de geldigheid van het certificaat niet is verstreken..

De boordsnelheidsmeter is niet opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie. Deze meter kan namelijk niet als meetmiddel in de zin van dat besluit worden beschouwd, omdat een snelheidsovertreding hiermee niet op directe wijze kan worden vastgesteld. De snelheid van het gevolgde voertuig wordt immers geconstateerd door op (nagenoeg) gelijkblijvende afstand te volgen en vervolgens de overtreding af te leiden van de met het dienstvoertuig gereden snelheid. De goede werking van de boordsnelheidsmeter is echter essentieel voor de bewijsvoering en daarom wordt ten aanzien van de geldigheidsduur van de ijking in deze aanwijzing aangesloten bij de bepalingen die in de Regeling meetmiddelen politie gelden voor radarsnelheidscontrolemeters.

De in het dienstvoertuig aangebrachte tabel12en het daarbij behorende certificaat is geldig voor de duur van één jaar. Deze tabel en het daarbij behorende certificaat verliest haar geldigheid bij herstel of wijziging van enig onderdeel van het dienstvoertuig als dit herstel of deze wijziging van invloed kan zijn op het meetresultaat.

Voor het vaststellen van snelheidsoverschrijdingen wordt in beginsel alléén een geijkte boordsnelheidsmeter gebruikt. In de uitzonderlijke gevallen dat toch (mede) gebruik wordt gemaakt van een dienstvoertuig waarvan de boordsnelheidsmeter niet werd gecontroleerd / geijkt, moet als volgt worden gehandeld.

De afwijking van de snelheidsmeter in het dienstvoertuig moet zo spoedig mogelijk na de constatering worden bepaald met behulp van geijkte apparatuur. De meetonzekerheid bij de ijking is afhankelijk van de gebruikte ijkapparatuur. De verbalisant neemt in het proces-verbaal op dat hij heeft geconstateerd dat gewerkt is met een niet-geijkte boordsnelheidsmeter. Verder verdient het aanbeveling te vermelden dat hij op grond van zijn ervaring in het verkeer inschat, dat betrokkene / verdachte reed met een snelheid van xx km/h, in elk geval met een snelheid die hoger lag dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid.13

De snelheid van voertuigen14moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere maximumsnelheid gaat gelden. Om discussies of beroepschriften / brieven te voorkomen over een te korte afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de snelheidsmeting wordt een minimumafstand in acht genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetlocatie. Voor het bepalen van deze minimumafstand wordt geen rekening gehouden met de voor het gebod geldende maximumsnelheid. Het uitgangspunt is immers dat de snelheid bij het passeren van het gebod moet zijn aangepast en derhalve wordt bij het bepalen van de afstand tussen gebod en meetplaats uitgegaan van de uit het gebod volgende maximumsnelheid.

De minimale afstanden tussen gebod en meetplaats zijn:

Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt. Bij kruisingen15en in bijzondere omstandigheden kan hier van worden afgeweken.

NB De in de tabel vermelde afstanden betreffen de minimale afstanden. Om aan deze eis te voldoen, zonder gebruik te maken van de tabel, kan de ter plaatse toegestane snelheid worden vermenigvuldigd met het getal drie. Deze formule geldt voor alle in de tabel vermelde snelheden. Bijvoorbeeld: Toegestaan 80 km/h. De afstand tussen gebod en meetplaats wordt dan als van de formule wordt gebruikgemaakt: 80 x 3 = 240 m.

Een tachograaf in een vrachtauto of autobus ontvangt een snelheidssignaal door middel van een zender (impulsgever) die zich bevindt aan de versnellingsbak van het betreffende voertuig. Dit snelheidssignaal wordt gemeten in het aantal impulsen dat over een lengte van minimaal 1 kilometer door de zender wordt afgegeven.

De meting en registratie van de snelheid door een tachograaf wordt beïnvloed door het bandenprofiel, de bandenspanning en/of beladingsgraad. Daarom moet de snelheid die de tachograaf aangeeft, worden benoemd als de voertuigsnelheid. De werkelijk gereden snelheid is enkel vast te stellen met een goedgekeurde snelheidsmeter.

Op een woonerf moet ‘stapvoets’ gereden worden. Op grond van een arrest van de Hoge Raad16moet onder ‘stapvoets’ worden verstaan 15 km/h.

(Mobiele) radarsnelheidsmeter, lasersnelheidsmeter, detectorsnelheidsmeter, (mobiele) trajectsnelheidsmeter

De maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bedraagt 3 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 3 procent van de gemeten snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h.

Geijkte boordsnelheidsmeter in dienstvoertuig

De maximale fout voor geijkte boordsnelheidsmeters bedraagt 3 km/h voor snelheden niet groter dan 100 km/h en 3 procent van de werkelijke snelheid voor snelheden groter dan 100 km/h. De in de ijktabel onder gemeten snelheid opgenomen waarden moeten daarom ook met deze waarden worden gecorrigeerd.

De in punt 3.1 vermelde maximale fout van 3 procent is uitgewerkt in onderstaande correctietabel. De correctie van de maximale fout vindt plaats conform deze tabel.

De Hoge Raad heeft in diverse arresten17het standpunt ingenomen dat met de in artikel 21 RVV 1990 genoemde snelheid niet de gemeten, maar de werkelijk gereden snelheid wordt bedoeld. Een ten laste gelegde snelheid is slechts bewezen, als van de gemeten snelheid de maximaal toelaatbaar geoordeelde meetfout van de meetapparatuur is afgetrokken. Hetzelfde geldt voor snelheden die zijn vastgesteld met een mobiele radarsnelheidsmeter.18

De onder punt 3.1 vermelde maximale fouten onder bedrijfsomstandigheden moeten van de gemeten snelheid worden afgetrokken waardoor de werkelijke snelheid (= gecorrigeerde snelheid) wordt vastgesteld.

Om te voorkomen dat de gemeten snelheid na aftrek van de meetcorrectie te dicht bij de toegestane maximumsnelheid ligt, wordt pas opgetreden als de gemeten snelheid verminderd met de voorgeschreven correctie van 3 procent, met 4 km/h of meer wordt overschreden. Uitsluitend bij een toegestane maximumsnelheid van 130 km/h wordt van deze regel afgeweken en kan worden opgetreden vanaf een gemeten snelheid van 136 km/h. Aangezien de maximumsnelheid van 130 km/h de bovengrens vormt van het snelhedengebouw vinden de ministers van Veiligheid en Justitie en Infrastructuur en Milieu het verdedigbaar om geen ondergrens te hanteren bij deze snelheid19.

De snelheidsmeters zoals genoemd onder 3.1 van deze aanwijzing moeten dus als volgt worden ingesteld:

Het hoger instellen van de snelheidsmeters omdat de film anders te snel vol is of omdat bepaalde wegen zich door hun infrastructuur zouden lenen voor een hogere snelheid, is in strijd met het handhavingsbeleid en wordt met klem afgeraden. De rechtszekerheid en de rechtseenheid komen dan in het geding.

Als de infrastructuur van de weg zich niet verenigt met de voor die weg geldende snelheidslimiet, moet met de wegbeheerder worden overlegd om de maximumsnelheid aan te passen aan de omstandigheden of om de weg zodanig in te richten dat deze uitnodigt om de aldaar bestaande maximumsnelheid niet te overschrijden.

Juridisch gezien is er geen bezwaar tegen het verbaliseren op kenteken bij gebruik van de lasergun. Omdat echter bij het gebruik van de lasergun meestal geen fotografische- of videoregistratie van de gedraging of overtreding plaatsvindt, moet in beginsel tot staandehouding worden overgegaan.20

Als bij het gebruik van de lasergun toch tot het verbaliseren op kenteken wordt overgegaan zonder fotografische of videoregistratie, moet dit in het proces-verbaal of de beschikking worden gemotiveerd.

In het proces-verbaal wordt naast de maximumsnelheid, de gemeten snelheid en de werkelijke (gecorrigeerde) snelheid, vermeld op welke afstand het voertuig werd gemeten.

Als bij detectormeting de gereden snelheid met ‘–’ wordt aangegeven, is dit een waarde die het snelheidsmeetmiddel niet heeft kunnen aangeven. Om een zaak te kunnen vervolgen, moet de waarde van de snelheid bekend zijn. Als de waarde niet bekend is, zal afdoening dus niet mogelijk zijn.

Als een voertuig is uitgerust met een mobiele trajectsnelheidsmeter, kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen gebruik worden gemaakt van een geijkte snelheidsmeter in het dienstvoertuig. Bij gebruik van een geijkte snelheidsmeter in een dergelijk dienstvoertuig moet in het proces-verbaal worden gemotiveerd waarom geen gebruik werd gemaakt van de mobiele trajectsnelheidsmeter.

Een proces-verbaal waarin sprake is van snelheidsmeting met behulp van een geijkte snelheidsmeter in een dienstvoertuig dient de volgende gegevens te bevatten:

De Aanwijzing inzake de invordering van rijbewijzen geeft een regeling voor de vordering tot overgifte, dan wel inhouding van het rijbewijs bij excessieve snelheidsovertredingen.

De bijlage 2 bij de Aanwijzing inbeslagneming regelt de gevallen van inbeslagneming van het voertuig.

De recidiveregeling gedocumenteerde snelheidsovertredingen wordt toegepast bij snelheidsovertredingen die niet als gedraging in de bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) zijn opgenomen22. Van recidive is alleen sprake als de overtreding wordt begaan binnen twee jaar na afdoening van de vorige overtreding.

De Richtlijn voor strafvordering tarieven en feitomschrijvingen inzake misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften regelt het sanctiebeleid.

Het eerste uitgangspunt van de handhaving van de regels betreffende de snelheidsbegrenzer is de geconstateerde snelheid. Een indicatie dat een snelheidsbegrenzer niet is afgesteld op de in rubriek 2 genoemde maximumsnelheid, is in elk geval aanwezig, als de gemeten snelheid meer bedraagt dan:

Naast het meten van de gereden snelheid kan ook de door een tachograaf geregistreerde (te hoge) snelheid dienen.

Het tweede uitgangspunt is dat in principe de bestuurder verantwoordelijk is voor de snelheidsoverschrijding en de eigenaar/houder voor het niet aanwezig zijn van een goedgekeurde en goedwerkende snelheidsbegrenzer.

Als de bestuurder door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van de politie of de Inspectie Leefomgeving en Milieu (ILT) wegens een snelheidsovertreding is staande gehouden, moet er in ieder geval ter zake van de snelheidsovertreding een proces-verbaal worden opgemaakt dan wel een administratieve sanctie in de zin van de WAHV (Wet Mulder) worden opgelegd.

In de Bijlage van het Besluit OM-afdoening zijn in de feitcodes N 150 d en N 150 dd de overtredingen opgenomen ter zake het niet voorzien zijn van een goedwerkende snelheidsbegrenzer. Hoewel hiervoor in principe tegen de bestuurder en de eigenaar/houder een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd, moet daarvan bij de bestuurder worden afgezien, tenzij deze de eigenaar/houder van het voertuig is. Als blijkt dat geen goedwerkende snelheidsbegrenzer aanwezig is, dan moet daarvoor aan de eigenaar/houder een aankondiging van strafbeschikking worden uitgereikt.1.

Het is dus mogelijk dat het feitencomplex zowel een administratiefrechtelijk als strafrechtelijk vervolg krijgt. De bestuurder kan een administratieve sanctie opgelegd krijgen wegens de snelheidsovertreding, en aan de eigenaar/houder kan vanwege de niet-goedgekeurde, dan wel niet-goedwerkende snelheidsbegrenzer een aankondiging van strafbeschikking worden uitgereikt of toegezonden.

De verbalisering van bestuurders van buitenlandse bedrijfsauto’s en bussen vindt plaats conform het bovenstaande verbaliseringsbeleid ten aanzien van Nederlandse bedrijfsauto’s en bussen, met dien verstande dat van het toezenden een aankondiging van strafbeschikking aan de eigenaar/houder kan worden afgezien. In een dergelijk geval kan de buitenlandse bestuurder zowel een beschikking worden opgelegd voor de snelheidsovertreding als een aankondiging van strafbeschikking worden uitgereikt vanwege het feit dat de vrachtauto niet voorzien is van een goedwerkende snelheidsbegrenzer. Op grond van het bij de invoer van de politiestrafbeschikking in werking tredende artikel 3a van het Besluit tenuitvoerlegging geldboeten kan, als sprake is van het uitreiken van een aankondiging van strafbeschikking, de bestrafte in de gelegenheid worden gesteld om binnen één dag waarop het strafbare feit is ontdekt de geldboete te voldoen. Hierbij moet de bestrafte in een voor hem begrijpelijke taal worden medegedeeld dat hij bij daadwerkelijke directe betaling van de geldboete afstand doet van het recht op verzet tegen de strafbeschikking.

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding met ingang van de datum van inwerkingtreding.