Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor Strafvordering Regelgeving Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Beleidsterrein VeterinairRichtlijn voor Strafvordering Regelgeving Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Beleidsterrein Veterinair

Het Openbaar Ministerie kan via het aanbieden van een transactie – artikel 74 Wetboek van Strafrecht (WvSr) – , een strafbeschikking – artikel 257a Wetboek van strafrecht – of via dagvaarding een strafzaak afhandelen. Voor gedragingen, als economisch delict strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten (WED), geeft art. 36 WED de mogelijkheid extra voorwaarden te stellen.

Indien het Openbaar Ministerie een zaak afdoet met inachtneming van bovengenoemde artikelen, zal het voorwaarden stellen bij vrijwillige voldoening waarna het recht tot strafvordering vervalt. Met het oog op de gewenste eenheid in strafvorderingsbeleid in strafzaken heeft het College van procureurs-generaal de onderhavige aanwijzing gegeven.

Recente voorvallen in de voedselindustrie hebben voor grote maatschappelijke onrust gezorgd. Zowel het toenemende aantal BSE-gevallen als dierziekte-uitbraken hebben een grote invloed op zowel de landbouweconomie als op het vertrouwen van de consument in de veiligheid van de producten afkomstig uit de vleesindustrie. Veilige voedingsmiddelen beginnen met diervoeders van voldoende kwaliteit. Ook gebruik van diergeneesmiddelen kan van invloed zijn op humane voedingsproducten.

De maatschappelijke opvattingen over dierenwelzijn zijn veranderd. Regelgeving door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna ook: EL&I) bestrijkt, onder meer, het gebied van voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn. Beleidsterreinen die van een enorme maatschappelijke en economische importantie zijn gebleken. Het is dan ook van belang de handhaving van genoemde regelgeving te blijven toetsen aan de maatschappelijke en economische impact.

Deze richtlijn geeft regels voor het vervolgingsbeleid in het geval de regelgeving op het beleidsterrein ‘veterinair’ niet wordt nageleefd. Het beleidsterrein ‘veterinair’ omvat veiligheid van voedsel van dierlijke oorsprong, diergezondheid, dierenwelzijn, diervoeders en diergeneesmiddelen.

De afspraken inzake verbaliseringsbeleid tussen OM en de Algemene Inspectiedienst – een bijzondere opsporingsdienst van het Ministerie van EL&I – zijn eveneens in de onderhavige richtlijn opgenomen.

De aangegeven bedragen zijn bedoeld voor standaardzaken. Onder standaardzaken worden verstaan zaken die een minder ernstig karakter dragen – bijvoorbeeld omdat de verdachte ‘first offender’ is, of omdat hem slechts een gering verwijt kan worden gemaakt – of als blijkt dat de verdachte ernaar streeft de overtredingstoestand te beëindigen. Binnen de door de wet gestelde grenzen kan worden afgeweken van de aangegeven bedragen, hetzij naar beneden, hetzij naar boven, indien de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd daartoe aanleiding geven. Daarnaast geldt onverkort de Aanwijzing ontneming.

In de onderhavige richtlijn voor strafvordering wordt gebruik gemaakt van het Polaris-puntensysteem, zoals beschreven in de Aanwijzing Kader voor strafvordering. Voor de waarde van één sanctiepunt wordt verwezen naar genoemde aanwijzing.

In de richtlijn zijn voor de opgenomen delicten de basispunten aangegeven. Deze basispunten kunnen verhoogd worden al naar gelang de beoordelingsfactoren die een rol hebben gespeeld bij de betreffende overtreding. De eis ter zitting/Transactiebedragen is de uitkomst van deze weging in Polaris-punten.

Van deze richtlijn kan slechts gemotiveerd worden afgeweken. Voor de vertaling van de geldelijke strafeis naar gevangenisstraf wordt verwezen naar de Aanwijzing kader voor strafvordering.

Een overtreding van de regelgeving van het ministerie van EL&I levert, behoudens uitzonderingen, een economisch delict op.

In het algemeen geldt in geval van overtreding van regelgeving die als economisch delict strafbaar is gesteld dat aan de hand van het totaal aantal strafpunten de sanctie bepaald wordt. Gezien de aard van de delicten geldt bij het bepalen van de op te leggen sanctie de afnemendstrafnutregeling niet.

Ook gezien de aard van de delicten kan ingeval van economische en milieudelicten zonder beperking een geldtransactie worden aangeboden. Indien de zaak toch voor de rechter gebracht wordt, kan ongeacht de hoeveelheid sanctiepunten een geldboete worden geëist. Waar van belang wordt bij het desbetreffende hoofdstuk aangegeven in welke gevallen van deze algemene waardering afgeweken wordt/kan worden.

Voor de verdere toelichting op de waarde van de sanctiepunten en de bepaling van de transactie, geldboete of richteis wordt verwezen naar het Polaris-kader voor strafvordering.

1 Een aan te bieden transactie/te eisen boete wordt gehalveerd aangezien een persoon, die slechts hobbymatig dieren houdt enz. maar desondanks onder de betreffende regeling valt, een minder ernstig verwijt treft.

2 Een aan te bieden transactie/te eisen boete wordt verdubbeld ingeval van bedrijfsmatig handelen aangezien een bedrijfsmatig houder enz. op de hoogte zal/moet zijn van de regelgeving; producten van bedrijfsmatig gehouden dieren komen in de productieketen, ook vanuit dit oogpunt is zorgvuldig handelen een vereiste; een bedrijfsmatig houder treft derhalve een groter verwijt.

Bovenstaande beoordelingsfactoren zijn van toepassing, tenzij in de desbetreffende paragraaf anders is bepaald.

Het is ter beslissing aan de officier van justitie of een zaak via transactie, strafbeschikking of behandeling ter zitting wordt afgedaan. Voor sommige delicten zijn uitgangspunten geformuleerd voor de keuze tussen transactie en dagvaarden.

Deze richtlijn strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. eis ter zitting in geval van het niet naleven van de betreffende regelgeving.

Bij niet betalen van een aangeboden transactie wordt voor het bepalen van de eis ter zitting het aangeboden transactiebedrag met 20% verhoogd. Deze regel geldt in beginsel niet bij verzet tegen een opgelegde geldboete door middel van een strafbeschikking (zie daarvoor de Aanwijzing OM-afdoening).

Indien sprake is van meer strafbare feiten in één strafdossier, dan dienen de door middel van Polaris bepaalde punten per feit bij elkaar opgeteld te worden. De formulering van een eis vindt plaats voor het totaal van de feiten in een zaak. Gezien de aard van de delicten geldt de afnemendstrafnutregeling niet voor economische delicten.

Bij het opstellen van de in deze richtlijn opgenomen richtbedragen is primair rekening gehouden met de zwaarte van het geschonden belang dat de regeling beoogt te beschermen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat met dergelijke overtredingen pleegt te worden behaald, kan in voorkomende gevallen ook een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de strafmaat.

Zodra met het gepleegde delict wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald moet in beginsel een ontnemingsvordering worden ingediend. Als bij de bepaling van de strafmaat het behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel een rol heeft gespeeld, moet daar bij de ontnemingsvordering rekening worden gehouden.

Deze richtlijn bestaat uit de hoofdstukken I t/m III.

De respectievelijke hoofdstukken zien op wetgeving van het Ministerie van EL&I binnen het beleidsterrein ‘veterinair’, wetten met zowel commune delicten als wetten waarin opgenomen gedragingen die als economisch delict strafbaar zijn gesteld in de Wet op de Economische delicten.

Deze richtlijn voor strafvordering is uitsluitend geldig ten aanzien van strafbare feiten gepleegd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

Achtergrond

Met het oog op de gewenste eenheid in het strafvorderingsbeleid ten aanzien van overtredingen van de Destructiewet zijn door het College van procureurs-generaal tarieven vastgesteld die landelijk als uitgangspunt dienen voor de bepaling van de bedragen die als transactie c.q. eis ter zitting worden gehanteerd. De onderhavige richtlijn ziet op de meest voorkomende overtredingen van regels die bij of krachtens de Destructiewet zijn gesteld. Deze regels betreffen het verbod op onttrekking van destructiemateriaal uit artikel 4 en de op basis van artikel 12 gestelde regels voor eigenaren en houders van destructiemateriaal.

Laatstbedoelde regels zijn opgenomen in de Regeling dierlijke bijproducten.

Wettelijk kader

Overtreding van bij of krachtens de Destructiewet gestelde voorschriften is als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (WED).

Gelet op de ernst van de consequenties van de overtreding zijn een aantal artikelen opgenomen in artikel 1a, onder 1 van de WED en een aantal artikelen in artikel 1a, onder 3 van de WED.

De artikelen 4, 5, eerste en tweede lid en 23 zijn opgenomen in artikel 1a, onder 1 WED en zijn voor zover opzettelijk begaan misdrijven. In dat geval worden ze bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie; voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij economische overtredingen bedreigd met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie;

de artikelen 3, eerste, tweede en derde lid, 4a, 6, 9, 10, eerste en vijfde lid, 11, 12, 13, eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 15, 17 eerste lid, en 25, vierde lid van de Destructiewet zijn opgenomen in artikel 1a, onder 3 van de WED en zijn economische overtredingen; zij worden bedreigd met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

Transactie/ eis ter terechtzitting

De hoogte van de transactie verschilt ten aanzien van dezelfde overtreding naar gelang de soort destructiemateriaal. Dit onderscheid heeft te maken met een aantal factoren.

Met betrekking tot een overtreding van art. 4 Destructiewet geldt het volgende:

bij de keuze voor de hoogte van de aan te bieden transactie dan wel de te vorderen geldboete is rekening gehouden met de aantallen waarin de desbetreffende dieren gehouden worden, de grootte van het kadaver en de mate van risico die het onttrekken aan verwerking met zich brengt.

Voor het ontrekken aan destructie van een paard is daarom in een hoger transactiebedrag voorzien dan voor het ontrekken aan de verwerking van een varken.

Met betrekking tot schapen en runderen speelt het feit dat ze TSE- en BSE-gevoelige dieren zijn mee; kadavers van deze diersoorten leveren categorie 1-destructiemateriaal op, waarop het zwaarste regime van verwerking van toepassing is.

Met betrekking tot een overtreding van artikel 12 Destructiewet geldt het volgende:

schapen behoeven anders dan paarden, runderen en varkens geen dagelijkse verzorging. Daardoor bestaat er in het algemeen een verschil in verwijtbaarheid tussen het niet tijdig reageren op en/of melden van een kadaver van een schaap en van andere dieren. Daarnaast speelt bij kadavers van varkens, runderen en schapen het risico van dierziekteverspreiding een belangrijker rol dan bij kadavers van paarden.

Vanwege het in beide gevallen aanzienlijke risico van dierziekteverspreiding is er ook geen onderscheid gemaakt tussen overtredingen met betrekking tot volwassen varkens en biggen.

Slachtafval is als afzonderlijke categorie opgenomen.

Deze richtlijn ziet niet op overtredingen met betrekking tot ander destructiemateriaal dan de expliciet genoemde categorieën.

Tot maximaal 5 dieren aanbieden transactie, onttrekken van destructiemateriaal van meer dan 5 dieren → dagvaarden.

Waar sprake is van onttrekking van destructiemateriaal om andere dan economische motieven en er verwaarlozing van dieren in het spel is → dagvaarden.

Ontrekken van destructiemateriaal anders dan op het primaire bedrijf (ter opwaardering) → dagvaarden.

1 bij overtredingen met betrekking tot varkens geldt bij cumulatie een maximum van 50 pnt.

Ten aanzien van overtreding van artikel 3 van de Regeling dierlijke bijproducten is een onderscheid gemaakt tussen het niet goed en het geheel niet afdekken van het destructiemateriaal. Het niet goed afgedekt zijn van het materiaal kan een andere oorzaak hebben dan onwilligheid bij de eigenaar of houder. In deze gevallen dient primair getracht te worden te bevorderen dat in de toekomst zorgvuldiger wordt gehandeld.

Het geheel achterwege laten van afdekking gebeurt altijd opzettelijk en dient steeds tot een proces-verbaal te leiden.

De cumulatieregeling bij overtredingen met betrekking tot varkens is opgenomen in verband met de in het algemeen intensieve wijze waarop deze dieren worden gehouden. De kans op het gelijktijdig met betrekking tot meerdere dieren niet naleven van de regels is groter dan bij dieren die in kleinere aantallen worden gehouden.

Vanzelfsprekend kunnen de omstandigheden van het geval voor de officier van justitie aanleiding zijn om in een geval waarop de cumulatieregeling ziet toch een hoger transactiebedrag dan 50 pnt. te hanteren of zelfs tot dagvaarding over te gaan.

De hierna ingevoegde richtlijnen voor strafvordering zijn gebaseerd op hoofdstuk II De zorg voor de gezondheid van dieren van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Deze richtlijn voor strafvordering voor de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren bevat richtlijnen voor transactiebedragen en de eis ter zitting. De nadruk in het hoofdstuk met betrekking tot de zorg voor de gezondheid van dieren ligt op het weren van besmettelijke dierziekten.

Afdeling 1 geeft bepalingen over de algemene gezondheidstoestand van dieren. Op basis van die bepalingen kunnen eisen worden gesteld aan bedrijfsinrichting, hygiëne, gebruik van antibiotica, bestrijding van ongedierte als ook een basis voor een identificatie- en registratiesysteem.

Afdeling 3 geeft regels en de mogelijkheid regels te stellen tot het weren van besmettelijke dierziekten.

De prioriteit bij de handhaving van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ligt bij het weren van besmettelijke dierziekten.

Transactie of dagvaarden

Bij overtreding van kernbepalingen uit de Gezondheids- en welzijnswet zal in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt moeten worden.

Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. Daarbij geldt dat in gevallen van (economische en) milieudelicten de hoogte van de aan te bieden transactie geen beletsel voor transigeren vormt.

Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften.

Van belang zijnde besluiten/ regelingen uit hoofdstuk II De zorg voor de gezondheid van dieren:

Afdeling 1Algemene gezondheidseisen

Afdeling 3De preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 105 en 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en op artikel 3 van het Besluit identificatie en registratie van dieren.

Achtergrond

Recente ontwikkelingen op het gebied van besmettelijke dierziekten onderstrepen de noodzaak van een adequaat functionerend systeem van identificatie en registratie. Door middel van een goed functionerend systeem inzake Identificatie & Registratie (I&R) kan de centrale overheid de volksgezondheid en de bestrijding van dierziekten adequater aanpakken. Bescherming van beide wordt als taak van de overheid gezien en om die reden is per 1 januari 2002 besloten het medebewind, met uitzondering van de I&R-paarden, inzake handhaving van het Productschap voor vee en vlees (PVV) te beëindigen.

In de Regeling identificatie en registratie dieren 2003 werden een aantal wijzigingen doorgevoerd. Voor schapen en geiten betekende dit een I&R – plicht met ingang van 1 mei 2003 voor alle op een bedrijf aanwezige schapen en geiten. In de voorgaande periode gold die verplichting nog niet voor de al op een bedrijf aanwezige schapen en geiten ouder dan een maand. Hierdoor kon het voorkomen dat er op bedrijven ongemerkte schapen en geiten aanwezig waren die de handhaving bemoeilijkten en daarnaast fraudemogelijkheden creëerden. In de nieuwe Regeling identificatie en registratie van dieren (Stcrt. 15 december 2004, nr. 242, pag. 17) is dan ook gekozen voor een algehele merkplicht om een adequate tracering bij uitbraak van een besmettelijke dierziekte mogelijk te kunnen maken. Daarnaast wordt aan anderen dan de houder van een rund de mogelijkheid geboden om aan de hand van het voice response systeem in het I&R-rund na te gaan of er een verplaatsingsverbod op een rund rust. Op deze manier kunnen houders die een rund willen kopen zich ervan vergewissen of de te kopen runderen volledig geïdentificeerd en geregistreerd zijn. De Regeling geeft naast algemene regels inzake Identificatie & Registratie in een drietal paragrafen aparte regels voor de runderen (paragraaf 5), varkens (paragraaf 6) en schapen en geiten (paragraaf 8). In die paragrafen worden per diersoort onder andere eisen gesteld aan de manier waarop gemerkt moet worden. Daarnaast worden eisen gesteld aan de afvoer, het vervoer en de aanvoer van dieren van en naar een bedrijf en hoe het bedrijfsregister inzake I&R moet worden bijgehouden. In paragraaf 8 zijn vervolgens nog een aantal overige bepalingen opgenomen zoals de verboden ter zake het houden, verhandelen en verplaatsen van dieren in de artikelen 39 en 40.

Artikel 39 verbiedt het houden, verhandelen, vervoeren, aan- of afvoeren van dieren die niet overeenkomstig de regeling I&R dieren 2003 zijn geïdentificeerd of zijn geregistreerd.

Artikel 39 regardeert de dieren ten aanzien waarvan de overtreding is gepleegd.

Artikel 40 verbiedt het aan- en afvoeren of verhandelen van runderen van bedrijven in situaties bedoeld in EG-Verordening 494/98 e.a.

Artikel 40 regardeert de bedrijven in een nader bepaalde situatie.

Deze richtlijn geeft regels voor de hoogte van transactie bedragen, voor het aanbrengen ter zitting en de eis ter zitting in geval van overtreding.

Vervolgings-/verbaliseringsbeleid op basis van de Regeling identificatie en registratie van dieren

In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

Identificatie en registratie van runderen

Identificatie en registratie van varkens

Identificatie en registratie van schapen en geiten

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 17, eerste lid, 18 en 30, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Per 1 april 2000 is in werking getreden de Regeling varkensleveringen (RVL). Deze Regeling vervangt de Regeling vervoersbeperkingen varkens, die werd vastgesteld in september 1997 naar aanleiding van de varkenspestepidemie in 1997.

De Regeling varkensleveringen stelt het aantal toegestane contacten afhankelijk van de veterinaire waarborgen die het desbetreffende bedrijf biedt. Gekozen kan worden uit 4 regimes. Bij elk type bedrijf hoort een specifiek eisenpakket, dat bepalend is voor het toegestaan aantal contacten met andere varkenshouderijbedrijven. Ondernemers kunnen kiezen voor het regime dat het beste bij hun bedrijfsvoering past.

Vervolgings-/verbaliseringsbeleid

Op een eerste overtreding zal gereageerd worden met een waarschuwing. Bij overtreding binnen 2 jaar na een waarschuwing zal, naast de bestuursrechtelijk aanzegging van een last onder dwangsom, proces-verbaal worden opgemaakt. Bij overtreding binnen 2 jaar na veroordeling gaat de recidiveregeling in.

In geval van samenloop met commune en/of economische delicten wordt er gedagvaard.

In die gevallen waarin sprake is van een handeling in strijd met de bepaling als opgenomen in hoofdstuk 4 van de Regeling varkensleveringen gelden de volgende tarieven:

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 10, eerste en tweede lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, 15, 17, 18, 23, 25, tweede lid, 26, 30, 31, 77, 81, 94, 100 en 107, 108 en 108a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 10a van de Veewet, artikel 19 van de Landbouwwet, artikel 7, tweede en derde lid van de wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, de artikelen 3 en 5 van het Besluit verdachte dieren, de artikelen 3 en 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en besmettelijke dierziekten, de artikelen 2 en 3 van het Besluit gebruik sera en entstoffen.

Achtergrond

In de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (hierna: Regeling) worden de uitvoeringsregels op het gebied van preventie, bestrijding, monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s gebundeld. Voorheen waren deze regels opgenomen in een tiental ministeriële regelingen2die alle met het in werking treden van de Regeling zijn ingetrokken.

Het gaat hierbij onder meer over het aanwijzen van besmettelijke dierziekten, regels over het verzamelen van dieren, hygiënevoorschriften ter voorkoming van besmettelijke dierziekten, regels over de monotoring, preventie en bestrijding van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren, regels ten aanzien van het fokken van schapen ter voorkoming van TSE’s, uitvoeringsmaatregelen tot bestrijding van besmettelijke dierziekten, het aanwijzen van personen of groepen van personen die toegang hebben tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen of terreinen en voorschriften die zijn gesteld over het verlaten van deze gebouwen en terreinen.

Op het moment dat een besmetting actueel is, wordt door middel van ‘crisisregelgeving’ de bestrijding ingezet. Preventieve maatregelen vormen daarmee het belangrijkste onderdeel van de onderhavige regeling.

De Regeling is onderverdeeld in een vijftal titels:

Titel 1 Algemeen

Titel 2 Preventie besmettelijke dierziekten

Titel 3 Monitoring

Titel 4 Zoönosen en TSE’s

Titel 5 Bestrijding besmettelijke dierziekten

Titel 1 Algemeen voorziet in begripsbepalingen, aanwijzing van besmettelijke dierziekten, vrijstellingen en termijnen. Voorheen werd hierin voorzien in de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten.

Titel 2 Preventie besmettelijke dierziekten voorziet in regels met betrekking tot het verzamelen van dieren en geeft hygiënevoorschriften. Regels die voorheen opgenomen waren in de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen, de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren en de Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten. Omdat besmettelijke dierziekten zich via het verzamelen van dieren kunnen verspreiden zijn, gelet op de veterinaire risico’s, aan dit verzamelen stringente voorwaarden gesteld. Het uitgangspunt van de regeling is het aantal diercontacten op verzamelcentra te beperken. Ook is een van de oorzaken waardoor dierziekten worden verspreid het contact van dieren met niet goed gereinigde diertransportmiddelen. Deze ongereinigde transportmiddelen en gebruikte hulpmiddelen kunnen dierziekten ongemerkt over grote afstanden verspreiden. Daarnaast vormt het internationale transport van dieren een extra risico voor insleep van dierziekten vanuit landen waar deze ziekten voorkomen. Het doel van de onder deze titel opgenomen voorschriften is het voorkomen van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte door contactbeperking en hygiënemaatregelen.

Titel 3 Monitoring voorziet in regels die het mogelijk maken inzicht te krijgen in dierziekteproblemen. Voorheen waren deze voorschriften opgenomen in de Regeling bedrijfscontrole dierziekte 1993, de Regeling monitoring Aviaire Influenza 2003 en de Regeling vaccinatie Newcastle disease.

Titel 4 Zoönosen en TSE’s codificeert regels over monitoring, preventie en bestrijding van zoönosen en TSE’s bij dieren. Voorheen geregeld in de Regeling aanvullende voorschriften besmettelijke dierziekten en zoönosen.

Titel 5 Bestrijding besmettelijke dierziekten geeft voorschriften met betrekking tot de modellen van de waarschuwingsborden en kentekenen, omtrent het onschadelijk maken of vernietigen van gedode, gestorven, zieke en verdachte dieren, van besmette of van besmetting verdachte producten of voorwerpen. Ook staan in titel 5 de regels omtrent het reinigen en ontsmetten van gebouwen terreinen enz. Ook wordt de toegang van personen tot besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen geregeld.

Vervolging- en verbaliseringsbeleid

In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

Hierna worden Titel 2 en Titel 3 nader uitgewerkt.

Achtergrond

In het kader van effectieve preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten is een houder van een dier verplicht aangifte te doen van verschijnselen van een besmettelijke ziekte bij dat dier bij een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid GWWD.

Art. 19, lid 1. Indien een dier verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertoont of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een dier in de gelegenheid is geweest om te worden besmet of drager van smetstof is, geeft de houder hiervan terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid GWWD.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

Indien een dier géén verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertoont, maar redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in de gelegenheid is geweest om te worden besmet, moeten de tarieven gehalveerd worden.

Art. 19, lid 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van kennis geven, bedoeld in het eerste lid, die voor iedere besmettelijke dierziekte kunnen verschillen.

Art. 19, lid 3. Indien een besmettelijke dierziekte is aangewezen in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden de in het tweede lid bedoelde regels in overeenstemming met die minister gesteld.

Achtergrond

Om te kunnen vaststellen of er in een bepaald geval sprake is van een besmettelijke dierziekte en om de oorsprong daarvan zo snel mogelijk op te kunnen sporen, is het van groot belang dat een houder van dieren desgewenst inlichtingen en medewerking verleent.

Art. 20, lid 1. De houder, bedoeld in artikel 19, eerste lid, GWWD verstrekt naar waarheid alle inlichtingen en verleent alle medewerking aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 114, tweede lid, GWWD die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig heeft en doet al datgene dat in zijn vermogen ligt om de aard van de besmettelijke dierziekte zo spoedig mogelijk te doen vaststellen.

Vervolging- en verbaliseringsbeleid

Art. 20, lid 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een houder van een dier die door een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, GWWD op de hoogte is gesteld van het vermoeden dat dat dier door een besmettelijke dierziekte is aangetast of drager van smetstof is.

Achtergrond

Om verdere verspreiding van een besmettelijke dierziekte te voorkomen legt art. 25 GWWD door middel van een vervoersverbod het vervoer van of naar gebouwen waar een ‘kenteken als in art. 22’ GWWD is geplaatst aan banden.

Art. 25, lid 1. Het is verboden dieren van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten of categorieën van dieren, dan wel bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen producten of voorwerpen te vervoeren van of naar gebouwen en terreinen, waar een kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

Bij vervoer van dieren, producten of voorwerpen van een gebouw of terrein met kenteken:

Art. 25, lid 2. De toegang tot gebouwen of terreinen, waar een kenteken, als bedoeld in artikel 22, eerste lid, is geplaatst of door Onze Minister aangewezen gedeelten daarvan, is aan anderen dan door Onze Minister aan te wijzen personen of groepen van personen verboden.

Bij overtreding verbod 100 pnt. per persoon.

Indien betreden onder voorwaarden is toegestaan, bij niet voldoen aan de voorwaarden 50 pnt. per persoon.

Achtergrond

In het kader van adequate preventie en bestrijding van een besmettelijke dierziekte moet een houder van een ziek of verdacht dier er zorg voor dragen dat dit dier zijn verblijfplaats niet verlaat.

Art. 29, lid 1. Iedere houder van een ziek of verdacht dier is verplicht ervoor zorg te dragen, dat dit dier zijn verblijfplaats niet verlaat, tenzij met toestemming of krachtens bevel van Onze Minister.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

Art. 29, lid 2. De toestemming kan onder beperkingen worden verleend en daaraan kunnen voorschriften worden verbonden.

Bij niet voldoen aan de voorwaarden voor toestemming

Achtergrond

Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister onverwijlde voorzieningen noodzakelijk zijn, kan hij bepalen dat door hem in het kader van bestrijding ernstige besmettelijke dierziekten genomen maatregelen onmiddellijk na bekendmaking in werking treden.

Als zich een crisissituatie voordoet, is van cruciaal belang dat terstond maatregelen genomen worden teneinde verdere verspreiding te voorkomen. Wil een dergelijk crisisinterventie succes hebben, dan is naleving van de genomen maatregelen een vereiste. Het is daarom van belang dat het gewicht van een stipte naleving tot uitdrukking komt in het handhavingsbeleid. De te nemen maatregelen zullen in verhouding staan tot het te beschermen belang. Als een bepaalde maatregel genomen is, is deze uit het oogpunt van crisisbestrijding noodzakelijk. Bij het vaststellen van de tarieven die gehanteerd worden bij overtreding van bedoelde ‘crisisregelgeving’, is verdere precisering naar geschonden belang dan ook niet noodzakelijk. Een verwijzing naar concrete regelgeving en artikelen is niet mogelijk, aangezien het hier regelgeving betreft die in geval van een uitbraak alsdan opgesteld en afgekondigd wordt. Een reeds vooraf opgesteld handhavingsdocument bevordert de snelheid van handelen en de duidelijkheid tijdens een crisis.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

Het vervoeren van dieren waarvoor een vervoersverbod geldt.

De hierna ingevoegde richtlijnen voor strafvordering zijn gebaseerd op Hoofdstuk III ‘De zorg voor het welzijn van dieren’ van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Deze richtlijn voor strafvordering voor de Gezondheids- en welzijnswet (GWWD) voor dieren bevat richtlijnen voor transactiebedragen en de eis ter zitting.

In hoofdstuk III van de GWWD worden in negen verschillende afdelingen regels gesteld met betrekking tot het welzijn van dieren. De gedachte achter deze bepalingen is dat het welzijn en daarmee de intrinsieke waarde van een dier kunnen worden beschermd.

Op basis van de afdeling 1 kunnen algemene regels worden gesteld ten aanzien van de manier waarop dieren moeten worden gehouden.

In afdeling 2 worden regels gesteld ten aanzien van lichamelijke ingrepen bij dieren. Daarbij kan worden gedacht aan regels omtrent het verwijderen of beschadigen van lichaamsdelen van dieren. Daarnaast wordt om welzijnsredenen de wijze waarop embryotransplantaties worden uitgevoerd aan banden gelegd.

Afdeling 3 maakt het mogelijk regels te stellen voor de gevallen waarin en de manier waarop dieren mogen worden gedood of ritueel worden geslacht.

Belangrijk uitgangspunt van deze eerste drie afdelingen is het ‘nee-tenzij’ beginsel. Dit betekent dat de gedragingen op basis van afdeling 1 (algemeen houden van dieren), afdeling 2 (Lichamelijke ingrepen) en afdeling 3 (Het doden van dieren) in principe verboden zijn tenzij dat uitdrukkelijk is toegestaan.

Afdeling 4 geeft de basis voor het stellen van regels voor de huisvesting van dieren. Daarbij gaat het om de eisen waaraan de huisvesting en de huisvestingssystemen van bepaalde aangewezen soorten of categorieën van dieren moeten voldoen.

Op basis van afdeling 5 en 6 kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het fokken en verkopen, verhuren en verloten van dieren.

Afdeling 7 biedt o.a. de mogelijkheid door middel van Ministeriële regelgeving uitvoering te geven aan EG-verordeningen.

Op grond van afdeling 8 kunnen regels worden opgemaakt ten aanzien van vele aspecten van dierenwedstrijden. In deze kan gedacht worden aan doping, hindernisbouw en de verplichte aanwezigheid van een dierenarts.

Ten slotte kunnen op basis van afdeling 9 regels worden gesteld omtrent het houden van keuringen, markten, verkopingen, tentoonstellingen of andere plaatsen waar dieren worden gehouden of aan het publiek worden getoond.

Transactie of dagvaarden

Bij overtreding van kernbepalingen uit de Gezondheids- en welzijnswet zal in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt moeten worden. Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij (economische en) milieudelicten. Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften.

Van belangzijnde besluiten/ regelingen op basis van hoofdstuk III GWWD

Afdeling 1 Algemene Bepalingen

Afdeling 7 Het vervoeren van dieren

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Met het Kalverenbesluit wordt uitvoering gegeven aan de richtlijn nr. 91/629 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1991 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren.

De werking van het besluit strekt zich uit tot alle kalveren met een leeftijd van zes maanden of jonger, met uitzondering van de kalveren die zich bevinden in een dierproef als beschreven in art. 1a van de Wet op de dierproeven. Uitgangspunt voor de richtlijn en het besluit zijn regels met betrekking tot het houden, huisvesten en verzorgen van kalveren. Hier wordt uitvoering aan gegeven door te verwijzen naar de bepalingen in de bijlage in de richtlijn. In enkele gevallen worden deze bepalingen nader geconcretiseerd in bepalingen van het Kalverenbesluit.

Het Kalverenbesluit is gebaseerd op de art. 35, 38, 45 en 111 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren. Overtreding van de nadere voorschriften op basis van art. 35 GWWD gesteld in dit besluit (voorschriften met betrekking tot het houden van dieren) levert op basis van art. 35 jo. 121 GWWD een overtreding op in de zin van het commune strafrecht. Overtreding van de voorschriften gesteld in het Kalverenbesluit op grond van de artikelen 38, 45 (regels met betrekking tot het verzorgen en huisvesten) en 111 levert een economisch delict op als in de zin van de Wet op de economische delicten.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

De hierna genoemde artikelen verwijzen steeds naar het Kalverenbesluit.

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 39, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Ter uitvoering van richtlijn 2001/88/EG is het Varkensbesluit met ingang van 1 augustus 2003 gewijzigd.

Met inwerkingtreden van dit gewijzigde Varkensbesluit zijn de regels aangescherpt.

Tevens is ten behoeve van de inzichtelijkheid en de toegankelijkheid de systematiek van het besluit gewijzigd.

In het gewijzigde besluit wordt niet meer verwezen naar de bijlagen bij de EU-richtlijn; de concrete voorschriften zijn in het besluit opgenomen.

Alhoewel bij het bepalen van de in deze aanwijzing gegeven regels voor het bepalen van een transactie c.q. richteis, de te ondernemen acties en op te leggen maatregelen het economisch voordeel en het welzijnsprobleem zijn meegewogen, geldt onverkort de Richtlijn voor strafvordering ontneming (Stcrt. 2002, 208).

Vervolgings-/verbaliseringsbeleid

In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 45 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Door middel van het ‘Besluit welzijn productiedieren’ wordt uitvoering gegeven aan de richtlijn nr. 98/58/EG van de Raad van de Europese Unie inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren. Het onderhavige besluit stelt regels met betrekking tot de wijze waarop productiedieren moeten worden gehouden, verzorgd en gehuisvest. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan regels met betrekking tot de bewegingsvrijheid van een dier, de manier waarop een productiedier gevoederd dient te worden en de handelswijze in geval van ziekte van een dier.

Vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren vallen op basis van art. 1, lid 2 niet onder de werkingssfeer van dit besluit.

In het navolgende worden transactiebedragen genoemd voor de meest voorkomende categorieën productiedieren: runderen, kalveren, schapen/ geiten, varkens, legkippen. Ook bij andere categorieën productiedieren kunnen natuurlijk soortgelijke transacties worden voorgesteld.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

In het algemeen geldt, tenzij anders aangegeven:

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op de artikelen 35, 38, 40, tweede lid, onderdeel c, 45, 108 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

Het Legkippenbesluit 2003 bevat de minimumeisen voor de huisvesting van legkippen in kooien en in huisvestingssystemen die geen gebruik maken van kooien. Deze laatste worden aangeduid met de term alternatieve huisvestingssystemen.

Met ingang van de inwerkingtreding van het Legkippenbesluit 2003 is het in gebruik nemen van nieuwe niet-aangepaste kooien, de zogenaamde legbatterijen, niet meer toegestaan. Het huisvesten van legkippen in legbatterijen die voor 1 januari 2003 zijn gebouwd en in gebruik zijn genomen, is met ingang van 1 januari 2012 verboden. Huisvesting van legkippen in kooien blijft ook na afschaffing van de legbatterij mogelijk in de zogenaamde aangepaste of verrijkte kooi. In de aangepaste kooi dienen de kippen de beschikking te krijgen over strooisel, zitstokken en een nest.

Het Legkippenbesluit 2003 is gebaseerd op de artikelen 38 en 45 van de GWWD op grond waarvan regels kunnen worden gesteld aan de wijze waarop dieren worden verzorgd en gehuisvest en is een implementatie van richtlijn 1999/74/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG L 203) (hierna: de richtlijn).

Het Legkippenbesluit 2003 ziet op de wijze waarop dieren worden verzorgd en gehuisvest.

Paragraaf 2 van het Legkippenbesluit 2003 ziet op het houden en huisvesten van legkippen in alternatieve huisvestingssystemen.

Paragraaf 3.1 ziet op het houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen.

Paragraaf 3.2 ziet op het houden en huisvesten van legkippen in niet-aangepaste kooien.

Paragraaf 4 stelt algemene eisen aan het huisvesten en verzorgen.

Kernbepalingen van het Legkippenbesluit 2003

Ten aanzien van het houden en huisvesten van legkippen raken de bepalingen ten aanzien van de minimaal beschikbare oppervlakte de kern van de norm.

Art. 4, lid 1, onderdeel a ziet op de beschikbare oppervlakte – 1111 cm2 – per legkip gehouden binnen een alternatief huisvestingssysteem (‘scharrelkippen’).

Art. 5, lid 1, onderdeel a ziet op de beschikbare oppervlakte – 750 cm2/600 cm2 – per legkip gehouden in aangepaste kooien (‘volièrekippen’).

Art. 6, lid 1, onderdeel a ziet op de beschikbare oppervlakte – 550 cm2 – per legkip gehouden in niet-aangepaste kooien (‘legbatterij-kippen’).

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

Houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen

Opzettelijk/onachtzaam handelen bij het houden en huisvesten van legkippen in kooihuisvestingssystemen.

Bij het opzetten van nieuwe legronden kan het zijn dat opzettelijk meer kippen worden opgezet dan gezien de voorhanden zijnde capaciteit conform het Legkippenbesluit 2003mogelijk is; ook is het mogelijk dat door onachtzaamheid de kippen niet evenredig verdeeld worden over de hokken. Het gevolg is dat in het ene hok te veel en in een ander hok te weinig kippen zitten. Voor het totaal aantal gehuisveste kippen is er in het laatste geval voldoende ruimte.

In het geval dat er voor het totaal aantal gehuisveste kippen onvoldoende ruimte is, is er geen sprake van slechte verdeling over de aanwezige hokken maar van een absoluut tekort aan ruimte.

Als het totaal aan gehuisveste kippen meer dan 2,5% groter is dan de huisvestingscapaciteit wordt proces-verbaal opgemaakt.

Als bovendien uit een steekproef blijkt dat naast het percentage aan totaal te veel gehuisveste kippen een percentage van 10% of meer van het totaal aantal kippen niet evenredig verdeeld is over de hokken wordt een waarschuwing gegeven. Bij de eerstvolgende oplegronde volgt een hercontrole. Indien bij deze hercontrole wordt vastgesteld dat 10% van de steekproef verkeerd gehuisvest is, wordt proces-verbaal opgemaakt.

Als het totaal aan gehuisveste kippen niet groter is dan de huisvestingscapaciteit, maar meer dan 10% van de kippen niet beschikt over de vereiste (bruikbare) oppervlakte/grondoppervlakte wordt een waarschuwing gegeven. Bij de eerstvolgende oplegronde volgt een hercontrole. Indien bij deze hercontrole wordt vastgesteld dat 10% van de steekproef verkeerd gehuisvest is wordt proces-verbaal opgemaakt. Een steekproef bestaat uit 10% van het totaal aantal hokken en de uitkomst van de steekproef wordt geëxtrapoleerd naar de totale populatie.

Gelet op verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer e n daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97, en de artikelen 59, 59a, eerste en vijfde lid, onderdelen d, e en f,van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

Achtergrond

De Regeling Dierenvervoer 2007 (Rdv 2007) geeft regels voor een goede uitvoering van Verordening (EG) 1/2005.

Strafbaarstelling

In artikel 9 van de Rdv 2007 is het verbod tot handelen in strijd met de artikelen 3 t/m 9 en 12 van Verordering (EG) 1/2005 opgenomen. Het verbod in artikel 9 is een ministerieel verbod krachtens artikel 59 van de Gezondheids- en welzijnswet (GWWD) voor dieren. Artikel 59 GWWD is als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1, 4° van de WED.

De verordening is een rechtstreekse bron van rechten en plichten voor de burger; implementatie is derhalve niet aan de orde. De nationale overheid hoeft slechts uitvoering te geven aan de nationale strafbaarstelling van de in de verordening opgenomen verboden gedragingen.

Achtergrond

De verordening (EG) 1/2005 is van toepassing op het vervoer van levende gewervelde dieren binnen de Gemeenschap. De verordening ziet op het welzijn van dieren bij het vervoer. Dit belang wordt met name geschonden als er vervoer plaatsvindt van dieren die daartoe niet geschikt zijn, het vervoer geschiedt onder condities die het welzijn of de veiligheid van de dieren benadelen dan wel stress, pijn of letsel veroorzaken of indien er aan de dieren tijdens het transport de nodige verzorging onthouden wordt. Op vervoer van dieren door veehouders met behulp van landbouwvoertuigen vereist door geografische omstandigheden ten behoeve van seizoensgebonden verweiding en op vervoer van eigen dieren met eigen vervoermiddelen over een afstand van ten hoogste 50 km van hun bedrijf zijn enkel de strafrechtelijk te handhaven voorschriften van artikel 3 van de Verordening van toepassing. Voorts is de Verordening niet van toepassing op het vervoer van dieren dat geen verband houdt met een economische bedrijvigheid. Ook is de verordening niet van toepassing op het rechtstreekse vervoer – voorgeschreven door een dierenarts – van dieren van of naar diergeneeskundige praktijken en klinieken.

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid.

Het strafrecht dient in hoofdzaak te worden ingezet bij schending van het belang dat de desbetreffende regelgeving in de kern beoogt te beschermen. Ook ligt er voor het strafrecht een taak als overtreding van een voorschrift de mogelijkheid tot overheidsingrijpen belemmert. Niet optreden tegen deze laatste overtredingen zou de totale handhaving illusoir maken. Bepalingen binnen de regelgeving die direct zien op het te beschermen belang en bepalingen die ertoe dienen overheidscontrole mogelijk te maken zijn de kernbepalingen van de regeling. In de Aanwijzing handhaving milieurecht is aangegeven dat bij overtreding van kernbepalingen in beginsel proces-verbaal wordt opgemaakt. Bij niet kernbepalingen wordt in beginsel geen proces-verbaal opgemaakt.

Kernbepalingen van Verordering (EG) 1/2005

Verordening (EG) 1/2005 ziet op de bescherming van dieren tijdens het vervoer. Kernbepalingen uit de verordening zijn die bepalingen die direct verhinderen dat dieren tijdens het vervoer overmatig hinder ondervinden en bepalingen die de overheidscontrole op de naleving mogelijk maken.

De kernbepalingen binnen Verordening (EG) 1/2005 zijn:

Art. 3 verbiedt zodanig vervoer dat dieren letsel of onnodig lijden wordt berokkend; art. 3 a t/m h noemt daartoe voorwaarden waaraan bovendien moet worden voldaan.

Art. 4 stelt de aanwezigheid van bepaalde documenten bij het vervoer verplicht; deze documenten moeten desgevraagd ter beschikking aan de bevoegde autoriteiten gesteld worden.

Art. 5, lid 2 verplicht de vervoerder een natuurlijk persoon aan te wijzen die verantwoordelijk is voor het vervoer en ervoor te zorgen dat te allen tijde informatie verkregen kan worden.

Art. 5, lid 3, onderdeel a verplicht de organisator van het transport de verschillende onderdelen van het transport zodanig te coördineren dat het welzijn van de dieren niet in het gedrang komt en dat rekening gehouden wordt met de weersomstandigheden.

Art. 5, lid 3, onderdeel b verplicht de organisator een natuurlijk persoon te belasten met het op elk gewenst moment verstrekken van informatie aan de bevoegde autoriteiten.

Art. 5, lid 4 legt een journaalplicht voor lange transporten op vervoerders en organisatoren.

Art. 6, lid 1 legt een vergunningsplicht op vervoerder. Afgifte kopie van vergunning aan bevoegde autoriteit;

Art. 6, lid 3 verplicht het vervoer van dieren volgens de voorschriften in bijlage I.

Art. 6, lid 4 verplicht de vervoerder enkel personeel met de dieren te laten omgaan dat de vereiste opleiding heeft ontvangen.

Art. 6, lid 5 verbiedt vervoer indien het voertuig niet bestuurd wordt of het transport niet begeleid wordt door een persoon in bezit van een getuigschrift ex art. 17, lid 2 van de Verordening.

Art. 6, lid 6 verplicht de vervoerder te zorgen voor de aanwezigheid van een verzorger.

Art. 6, lid 8 verplicht tot overleggen certificaat van goedkeuring wegvervoermiddel en veeschepen.

Art. 6, lid 9 stelt bewaarplicht en plicht ter beschikkingstellen navigatiesysteemgegevens.

Art. 8, lid 1 verplicht de houder van dieren ervoor te zorgen dat de technische voorschriften uit de bijlage I, hoofdstuk I en hoofdstuk III, afdeling I worden nageleefd.

Art. 8, lid 2 stelt journaalplicht voor houders.

Art. 9, lid 1 verplicht verzamelcentra te zorgen voor een behandeling van dieren overeenkomstig de technische voorschriften van bijlage I, hoofdstuk I en hoofdstuk III, afdeling 1.

Art. 9, lid 2, a, b, d en e noemt voorschriften waaraan de exploitanten van verzamelcentra bovendien moeten voldoen en die waar nagelaten impact hebben op het welzijn van de dieren.

Niet-kernbepalingen binnen Verordening (EG) 1/2005

De niet-kernbepalingen van Verordening (EG) 1/2005 zijn voorschriften van min of meer administratieve aard en alle overige voorschriften.

Met betrekking tot de kernbepalingen zal in beginsel proces-verbaal opgemaakt worden, tenzij de officier van justitie op basis van onderzoeksbevindingen concludeert dat strafrechtelijke handhaving in het onderhavige geval niet opportuun is.

Met betrekking tot die kernbepalingen die zien op controlemogelijkheden wat betreft de naleving zal waar mogelijk bestuursrechtelijk naleving gevorderd worden (*).

Met betrekking tot de niet-kernbepalingen wordt geen proces-verbaal opgemaakt, tenzij naar het oordeel van de officier van justitie op basis van de onderzoeksbevindingen volgt dat strafrechtelijk optreden geboden is.

Aangezien er bij strafrechtelijke handhaving van niet-kernbepalingen geen sprake is van standaardzaken zijn er geen modaliteiten opgenomen voor standaardafdoening.

Internationaal vervoer

De opgenomen sanctiepunten gelden – indien niet anders aangegeven – in geval van nationaal vervoer. Een factor die van invloed is op het welzijn van de dieren is de duur van het vervoer. Wordt er niet aan de eisen gesteld in het besluit voldaan, dan zal de impact daarvan groter zijn naarmate het vervoer langer duurt. Vervoer naar andere landen zal in het algemeen over grotere afstand en daarmee gedurende langere tijd plaatsvinden. Ook gaat grensoverschrijdend vervoer gepaard met grotere omzetten. Een weging van het aantal punten ligt derhalve in de rede. Om deze verzwarende factoren mee te wegen wordt in voorkomende gevallen het aantal sanctiepunten met een factor 5 verhoogd (**).

Hierna worden de kernbepalingen van de Verordening (EG) 1/2005 nader uitgewerkt.

1 Waar mogelijk bestuursrechtelijk naleving vorderen.

2 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

(als bedoeld in artikel 6, lid 3, artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, en lid 2, onder a))

Geschiktheid voor vervoer

1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

Vervoermiddelen

1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

Vervoermethoden

1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

Aanvullende bepalingen voor veeschepen en schepen die zeecontainers vervoeren

Aanvullende bepalingen voor lange transporten van als landbouwhuisdier gehouden eenhoudigen, runderen, schapen, geiten en varkens

1 Regeling met betrekking tot agressieve dieren (GWWD hoofdstuk V).

Transactiebedragen/Eis ter zitting

Deze richtlijn strafvordering geeft regels voor het bepalen van de transactie c.q. eis ter zitting in geval van het niet naleven van de betreffende regelgeving. Bij niet betalen van een aangeboden transactie wordt voor het bepalen van de eis ter zitting het aangeboden transactiebedrag met 20% verhoogd.

Transactie of dagvaarden

Bij overtreding van kernbepalingen uit de Gezondheids- en welzijnswet zal in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt moeten worden. Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij (economische en) milieudelicten. Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften.

Regeling agressieve dieren

De informatie in deze paragraaf is gebaseerd op artikel 73 en artikel 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Achtergrond

In artikel 73, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is het verbod opgenomen om dieren voorhanden te hebben, die behoren tot een, ingevolge artikel 73, eerste lid, door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen soort of categorie. Als diersoorten en categorieën van dieren, als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet zijn in de Regeling agressieve dieren aangewezen, de honden van het Pitbull-Terriër-type.

Op grond van artikel 107 van de wet is tevens in deze regeling vrijstelling/ontheffing verleend voor onder andere het in artikel 73, eerste lid, van de wet opgenomen verbod, mits aan de in de regeling opgenomen voorschriften en voorwaarden wordt voldaan.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 73, tweede lid, is ingevolge artikel 121 van deze wet een misdrijf. Deze richtlijn heeft tot doel om landelijk tot een eenvormig transactie- en strafvorderingsbeleid te komen, met betrekking tot de overtreding van artikel 73, tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Voorschriften en voorwaarden opgenomen in de Regeling agressieve dieren

In de Regeling agressieve dieren zijn in artikel 3 de voorschriften en voorwaarden opgenomen, die zijn verbonden aan de vrijstelling/ontheffing voor artikel 73, tweede lid, van de wet. Deze voorschriften en voorwaarden zijn hierna per onderdeel weergegeven.

Artikel 3 van de Regeling agressieve dieren luidt als volgt:

Vervolgings- en verbaliseringsbeleid

In alle gevallen dient tegen de houder van het dier proces-verbaal te worden opgemaakt. Indien inbeslagname heeft plaatsgevonden, wordt het proces-verbaal met de kennisgeving van inbeslagneming en een eventuele afstandsverklaring die door de rechthebbende is ondertekend binnen 2 x 24 uur aan het openbaar ministerie gezonden.

1 Bij het vaststellen van de hoogte van de boete is rekening gehouden met de waarde van de hond.

De richtlijnen voor het beleid van het openbaar ministerie en de politie inzake inbeslagneming van 11 oktober 1978 (Stcrt. 1980, 103, d.d. 2 juni 1980) zijn van toepassing.

Achtergrond

In deze richtlijn voor strafvordering zijn het strafvorderings- en transactiebeleid bij overtreding van de Kaderwet Diervoeders vastgelegd. De prioriteit bij de handhaving van de Kaderwet diervoeders ligt bij de bepalingen die het gezondheidsbelang van mens en dier beogen te beschermen.

Wettelijk kader

Overtreding van krachtens de Kaderwet diervoeders gestelde voorschriften is strafbaar gesteld in artikel 1 van Wet op de economische delicten (WED).

Gelet op de ernst van de consequenties van niet-naleving zijn een aantal voorschriften ondergebracht in artikel 1, onder 1 van de WED. Het betreft hier verboden/voorschriften waarbij overtreding gevaar voor de volks- of diergezondheid kan opleveren. Waar de volks- of diergezondheid in een mindere mate in het geding is, zijn de voorschriften krachtens de Kaderwet diervoeders genomen strafbaar gesteld in artikel 1, onder 2 van de WED. Overtreding van voorschriften van administratieve aard of van voorschriften met slechts een ondersteunende functie zijn strafbaar gesteld in artikel 1, onder 4 van de WED.

In de Kaderwet diervoeders is de mogelijkheid opgenomen bestuurlijke maatregelen te nemen met betrekking tot diervoeders die niet aan de voorschriften voldoen (Hoofdstuk IX Kaderwet diervoeders).

Kernbepalingen

Kernbepalingen bij of krachtens de Kaderwet diervoeders zijn die bepalingen die de volks- en diergezondheid voor ogen hebben.

Transactie of dagvaarden

Strafrechtelijke handhaving zal plaatsvinden op terreinen waarop deze niet kan worden gemist en zal gericht zijn op de punitieve kant. De keuze voor strafrechtelijke handhaving zal gemaakt worden mede aan de hand van indicatoren als onder meer opzet, recidive, samenloop met andere delicten, directe aantasting of bedreiging van de volksgezondheid, de diergezondheid of het milieu. Voor gecompliceerde zaken is maatwerk van belang waarbij het OM voldoende inzicht moet hebben in de verhouding van de geconstateerde overtreding ten opzichte van de te beschermen belangen. Uitgangspunt bij complexe zaken is dagvaarding. De rechtvaardiging is gelegen in de veelal grotere bedreiging die van de overtredingen uitgaat ten aanzien van (mogelijke) schade aan de te beschermen belangen veelal in combinatie met het doelbewust en calculerend overtreden van wettelijke voorschriften. Daar waar de overtreding/het complex van overtredingen een brede impact heeft, is afdoening aan de hand van de richtlijn niet aan de orde. Bij eenvoudige strafzaken zal, gelet op de aard en de geringe inbreuk op de te beschermen belangen, de meest passende reactie in de regel een transactievoorstel zijn. In principe wordt geen transactiegrens gehanteerd bij economische delicten.

Meer strafbare feiten in een zaak

Indien sprake is van meer strafbare feiten in één strafdossier, dan dienen de door middel van Polaris bepaalde punten per feit bij elkaar opgeteld te worden. De formulering van een eis vindt plaats voor het totaal van de feiten in een zaak. Gezien de aard van de delicten geldt de afnemendstrafnutregeling niet voor economische delicten.

Economisch voordeel

Bij het opstellen van de in deze richtlijn opgenomen richtbedragen is primair rekening gehouden met de zwaarte van het geschonden belang dat de regeling beoogt te beschermen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel dat met dergelijke overtredingen pleegt te worden behaald, kan in voorkomende gevallen ook een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de strafmaat.

Zodra met het gepleegde delict wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald, moet in beginsel een ontnemingsvordering worden ingediend. Als bij de bepaling van de strafmaat het behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel een rol heeft gespeeld moet daar bij de ontnemingsvordering rekening worden gehouden.

Transactie/eis ter terechtzitting

Gelet op de ernstige consequenties die de niet-naleving van de voorschriften voor de volks- of diergezondheid met zich kunnen brengen, worden aan de volgende basisdelicten als volgt strafpunten toegekend.