Beleidsregel · BWBR0031003

Besluit Beroep in Belastingzaken

Wijzigingen Officiële bron
Besluit Beroep in BelastingzakenBesluit Beroep in Belastingzaken

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit betreft een aanpassing van het Besluit Beroep in Belastingzaken 2005 (Besluit van 1 juni 2005, nr. CPP2005/1077M). Op een aantal punten is sprake van wijziging van het beleid: de bepaling inzake de toepassing van artikel 8:29 van de Awb is als gevolg van ontwikkelingen in de jurisprudentie komen te vervallen. Eerder werd uitgegaan van een beperkte uitleg van het begrip ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. Inmiddels is komen vast te staan dat aan dit begrip geen andere betekenis toekomt dan in het algemene bestuursrecht. Voorts zijn de bepalingen inzake het vragen van uitstel en de collegiale bijstand en toetsing aangescherpt en zijn voorwaarden gesteld aan de vertegenwoordiging van de inspecteur ter zitting.

In dit kader schrijft dit besluit voor dat in beginsel minimaal twee ambtenaren ter zitting aanwezig moeten zijn, waarvan er ten minste één over een ruime proceservaring beschikt. Toetsing van deze kwalificatie is voorbehouden aan de Belastingdienst.

Den Haag20 december 2011De staatssecretaris van Financiën,F.H.H.Weekers

Voor de uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder:

De volgende gegevens worden door de Belastingdienst in een bestand geregistreerd:

De inspecteur draagt zorg voor de benodigde maatregelen om de gevolgen van een lopende procedure te bewaken in verband met:

Als de inspecteur instemt met het verzoek om rechtstreeks beroep te mogen instellen, zendt hij het bezwaarschrift, met daarop aangetekend de dagtekening van ontvangst, onverwijld door aan de bevoegde rechter.

Indien de inspecteur de zaak niet geschikt acht voor rechtstreeks beroep wijst hij het verzoek af. De inspecteur neemt de afwijzing in de beslissing op het bezwaarschrift op. Behoudens in de gevallen waarin van horen wordt afgezien omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is deelt hij bovendien de beslissing uiterlijk tegelijkertijd met de uitnodiging voor de hoorzitting aan de verzoeker schriftelijk mede.

Behoudens in de in § 2.2.3 lid 2, en § 2.2.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn van vier weken zijn verweerschrift overeenkomstig § 2.2.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank.

Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit fiscaal bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur de rechtbank schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van het verweerschrift verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door de rechtbank gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van de conclusie van dupliek verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.

In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar bepaalde punten van het verweerschrift.

De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

De inspecteur laat zich op een zitting van de rechtbank door een andere ambtenaar van de Belastingdienst bijstaan. Zo mogelijk wordt bij indiening van het verweerschrift reeds gemeld door wie de inspecteur zich laat bijstaan.

Het bovenstaande vindt geen toepassing in verzetprocedures.

De regiodirecteur wijst op zijn kantoor ten hoogste vijf ambtenaren aan die naar zijn oordeel deskundig zijn op het gebied van procesvoering. Hij draagt er zorg voor dat ter zitting van de rechtbank altijd één van deze deskundigen aanwezig is, hetzij als gemachtigde, hetzij ter bijstand.

De inspecteur kan indien de rechtbank hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen indien de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.

Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift, blijft de inspecteur verplicht uitspraak te doen op het bezwaar. De rechtbank kan in dat geval bepalen dat Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de AWR gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn van toepassing blijft. Zo nodig verzoekt de inspecteur hierom bij, of zo nodig voorafgaand aan, de indiening van zijn verweerschrift.

Indien belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb de rechtbank heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door de rechtbank gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van de rechtbank wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij tegen de uitspraak hoger beroep in zal stellen. Bij de beslissing om al dan niet hoger beroep in te stellen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep.

Als de inspecteur meent dat er bij een uitspraak van de rechtbank sprake is van schending van het recht of dat er is verzuimd op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen in acht te nemen, gaat hij na of de feiten door de rechtbank juist en volledig zijn vastgesteld. Als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dan kan hij aan belanghebbende voorstellen om de procedure voor het gerechtshof over te slaan, onder voorbehoud van een akkoord van de staatssecretaris. Als belanghebbende akkoord gaat, dient de inspecteur een voorstel voor sprongcassatie in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust en onder overlegging van alle ter zake dienende bescheiden binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.

Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:

De inspecteur kan indien daartoe de noodzaak aanwezig is kopieën in plaats van de originele bescheiden indienen.

De inspecteur deelt mee of de procedure is aangemeld bij B/CKC.

DGBel, team cassatie laat de inspecteur schriftelijk weten of zijn voorstel wordt gevolgd. Als DGBel, team cassatie met het voorstel van de inspecteur instemt, dan vraagt de inspecteur het formele akkoord van belanghebbende. Als DGBel, team cassatie niet met het voorstel van de inspecteur instemt, dan stelt de inspecteur hoger beroep in.

Als belanghebbende verzoekt om sprongcassatie, dan bepaalt de inspecteur of hij vindt dat de rechtbank de feiten juist en volledig heeft vastgelegd. Als hier naar het oordeel van de inspecteur geen sprake van is, laat hij aan belanghebbende weten dat hij geen voorstel tot instemming met sprongcassatie zal doen. Alleen als het niet meer nodig is om de feiten ter discussie te stellen, dient de inspecteur een voorstel tot instemming in bij DGBel, team cassatie. Daartoe zendt hij het van de griffier ontvangen originele afschrift met een korte uiteenzetting van de gronden waarop zijn oordeel rust per omgaande aan DGBel, team cassatie. Hij doet daarbij mededeling van de datum waarop het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd.

DGBel, team cassatie laat belanghebbende schriftelijk weten of instemming wordt verleend, met afschrift aan de inspecteur.

Bij de beslissing om al dan niet sprongcassatie voor te stellen dan wel met een verzoek om sprongcassatie in te stemmen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het voorstel tot sprongcassatie met de desbetreffende kennisgroep.

De inspecteur blijft verantwoordelijk voor de naleving van de in § 2.6.3 genoemde termijn.

De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst met inachtneming van artikel 27g AWR.

Als de inspecteur besluit hoger beroep in te stellen, dient hij binnen de in artikel 6:7 Awb daarvoor gestelde termijn van zes weken een beroepschrift overeenkomstig § 3.1.4 van dit besluit bij het gerechtshof in.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt een gemotiveerd beroepschrift in te dienen binnen de termijn van zes weken, gaat de inspecteur na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator pro forma in hoger beroep en verzoekt hij het gerechtshof om een termijn te stellen voor het motiveren van het beroepschrift.

Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het beroepschrift een collegiale toetsing door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren plaats. Daarbij wordt (nogmaals) beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit fiscaal bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep

Na daartoe door het gerechtshof in de gelegenheid te zijn gesteld, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van repliek in.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van repliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van de conclusie van repliek verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.

In de conclusie van repliek worden in elk geval de in het verweerschrift naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van repliek een doublure wordt van het beroepschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van repliek naar bepaalde punten van het beroepschrift.

Behoudens in de in § 4.1.3, lid 2, en § 4.1.4 bedoelde gevallen zendt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn zijn verweerschrift overeenkomstig § 4.1.5 van dit besluit en alle andere op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerechtshof.

Ter bevordering van de kwaliteit en de eenheid van beleid en uitvoering vindt op de inhoud van het verweerschrift een collegiale toetsing door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren plaats. Daarbij wordt nogmaals beoordeeld of er sprake is van een rechtsvraag als bedoeld in het Besluit fiscaal bestuursrecht. Als het geschil een rechtsvraag blijkt te betreffen die ten onrechte nog niet aan de desbetreffende kennisgroep is voorgelegd, dan legt de inspecteur de rechtsvraag alsnog onverwijld voor aan die kennisgroep.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt het verweerschrift in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur het gerechtshof schriftelijk verzoeken om verlenging van deze termijn. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van het verweerschrift verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.

In het geval dat belanghebbende hoger beroep instelt tegen de beslissing van de rechtbank, kan de inspecteur in zijn verweerschrift aangeven dat hij incidenteel hoger beroep instelt. De inspecteur stelt incidenteel hoger beroep in als hij meent dat het geschil in hoger beroep meer moet omvatten dan de door belanghebbende omschreven geschilpunten.

Bij de beslissing om al dan niet incidenteel hoger beroep in te stellen vindt een collegiale toetsing plaats door de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Als een geschilpunt een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van incidenteel hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep.

Na ontvangst van het afschrift van de conclusie van repliek, dient de inspecteur, binnen de door het gerechtshof vastgestelde termijn, een conclusie van dupliek in.

In gevallen waarin het niet mogelijk blijkt de conclusie van dupliek in te dienen binnen de door het gerechtshof gestelde termijn, kan de inspecteur schriftelijk om verlenging van deze termijn verzoeken. De inspecteur maakt van deze mogelijkheid slechts in uitzonderingsgevallen gebruik onder vermelding van de omstandigheden die het tijdig indienen van de conclusie van dupliek verhinderen, en na toestemming van de betrokken regionaal vaktechnisch coördinator.

In de conclusie van dupliek worden in elk geval de in de conclusie van repliek naar voren gebrachte punten behandeld. Het is niet de bedoeling dat de conclusie van dupliek een doublure wordt van het verweerschrift. Zo nodig verwijst de inspecteur in de conclusie van dupliek naar bepaalde punten van het verweerschrift.

De inspecteur verschijnt altijd ter zitting wanneer hij een oproep voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft ontvangen. Dit geldt ook indien de oproep betrekking heeft op de behandeling van een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening.

De inspecteur laat zich op een zitting van het gerechtshof door een andere ambtenaar van de Belastingdienst bijstaan. Zo mogelijk wordt bij indiening van het verweerschrift reeds gemeld door wie de inspecteur zich laat bijstaan.

Het bovenstaande vindt geen toepassing in verzetprocedures.

De regiodirecteur wijst op zijn kantoor ten hoogste vijf ambtenaren aan die naar zijn oordeel deskundig zijn op het gebied van procesvoering. Hij draagt er zorg voor dat ter zitting van het gerechtshof altijd één van deze deskundigen aanwezig is, hetzij als gemachtigde, hetzij ter bijstand.

De inspecteur kan indien het gerechtshof hem hierom verzoekt toestemming geven voor het achterwege laten van het onderzoek ter zitting. Hij geeft de toestemming alleen indien de feiten en omstandigheden met betrekking tot het geschil zelf niet in geschil zijn (er is sprake van een zuivere rechtsvraag) en een mondelinge behandeling geen toegevoegde waarde meer kan hebben.

Indien belanghebbende op grond van artikel 8:81 Awb het gerechtshof heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, verstrekt de inspecteur binnen de door het gerechtshof gestelde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Na ontvangst van het afschrift van de uitspraak van het gerechtshof wordt de inhoud daarvan in het kort vastgelegd in het in § 1.3 bedoelde bestand. Op de originele afschriften mag niet worden geschreven.

Wanneer de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, beoordeelt hij of hij een cassatievoorstel in zal dienen. Bij de beslissing om al dan niet cassatieberoep voor te stellen vindt een collegiale toetsing plaats door of namens de betrokken regionaal vaktechnisch coördinatoren. Een cassatievoorstel dient te worden gedaan binnen tien dagen na de datum van ter post bezorging van het afschrift van de uitspraak. Voor de indiening wordt voorts verwezen naar § 5.1.1.

Als het geschil een rechtsvraag betreft, dan overlegt de inspecteur voorafgaand aan het instellen van hoger beroep met de desbetreffende kennisgroep. De inspecteur blijft ook dan verantwoordelijk voor de naleving van bovengenoemde termijn.

De inspecteur zendt een afschrift van de uitspraak aan B/CKC.

B/CKC draagt zorg voor verdere communicatie binnen de Belastingdienst met inachtneming van artikel 27g AWR.

DGBel, team cassatie, zendt een afschrift van een ontvangen conclusie van de Advocaat-generaal en een afschrift van de reactie hierop aan de inspecteur en aan B/CKC.

De inspecteur zendt na ontvangst van een uitspraak, waarin de rechtbank of het gerechtshof prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, onverwijld het originele afschrift van deze uitspraak en de overige stukken aan DGBel, team cassatie.

Tot de als bijlagen over te leggen bescheiden behoren in ieder geval:

De inspecteur kan indien daartoe de noodzaak aanwezig is kopieën in plaats van de originele bescheiden inzenden.

Indien het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zich richt tot de inspecteur, zendt deze onverwijld afschriften van de brieven (met eventuele bijlagen) van dit Hof aan DGBel, team cassatie. Eerst na overleg met DGBel, team cassatie reageert de inspecteur op de brieven van dit Hof. Als de inspecteur door het Hof van Justitie in de gelegenheid wordt gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen over de prejudiciële vragen, dan schrijft de inspecteur een brief aan het Hof van Justitie waarin hij laat weten voor opmerkingen over de prejudiciële vragen te refereren aan het oordeel van de Nederlandse regering. Daarnaast stuurt hij onverwijld afschriften van de brieven en bijlagen van het Hof van Justitie aan DGBel, team cassatie.

Team cassatie zendt de inbreng van de Nederlandse regering, de conclusie van de Advocaat-generaal en het arrest van het Hof van Justitie aan de inspecteur.

Indien de inspecteur op grond van artikel 8:74 Awb door de rechter is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden, stelt de inspecteur de belanghebbende en diens gemachtigde in kennis van de beslissing daartoe. Deze kennisgeving is niet voor bezwaar en beroep vatbaar. Een kopie van de kennisgeving bewaart de inspecteur bij de stukken.

Wanneer tegen de veroordeling tot vergoeding van griffierecht hoger beroep of cassatie is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot bovengenoemde kennisgeving over te gaan, de uitkomst van die procedure af.

Ook als de staatssecretaris in cassatie is veroordeeld het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling daarvan.

Indien de inspecteur door de rechtbank of het gerechtshof, op grond van artikel 8:75 Awb, in de proceskosten is veroordeeld zorgt de inspecteur voor vergoeding van de kosten, conform de uitspraak.

Indien tegen de veroordeling in de proceskosten door de inspecteur hoger beroep of door de staatssecretaris cassatieberoep is ingesteld wacht de inspecteur, alvorens tot vergoeding over te gaan, de uitkomst van die procedure af.

Ook als de staatssecretaris in cassatie in de proceskosten is veroordeeld draagt de inspecteur zorg voor uitbetaling.

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Beroep in Belastingzaken. De citeertitel kan worden afgekort tot BBIB.

Het Besluit Beroep in Belastingzaken 2005 (Besluit van 1 juni 2005, nr. CPP 2005/1077M) wordt ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.