U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 25-04-2020.

Ministeriële regeling · BWBR0031022

Regeling Bouwbesluit 2012

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 december 2011, nr. 2011-2000589667, tot vaststelling van nadere voorschriften voor bouwwerken (Regeling Bouwbesluit 2012)Regeling Bouwbesluit 2012De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Gelet op de artikelen 1.5, 1.9, vierde lid, 1.10, 1.11, tweede lid, 2.108, tweede lid, 5.9, derde lid, 6.23, tweede lid, 6.29, tweede lid, en 8.9 van het Bouwbesluit 2012, op richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde producten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PbEG L 220) en verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PbEU L 88);

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage22 december 2011De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.W.E.Spies

In deze regeling wordt verstaan onder:

Een instelling die overeenkomstig artikel 16 van de richtlijn bouwproducten door de lidstaat van oorsprong is erkend met het oog op het afgeven van kwaliteitsverklaringen voor andere lidstaten, wordt gelijkgesteld met een door de minister aangewezen onafhankelijk deskundig instituut als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet.

De voorwaarden waaronder kwaliteitsverklaringen als bedoeld in artikel 1.11 van het besluit worden afgegeven, worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de bij het in dat artikel bedoelde stelsel betrokken partijen. De minister maakt deze overeenkomst in de Staatscourant bekend.

De minister wijst een instelling aan die het in artikel 1.11 van het besluit bedoelde stelsel coördineert en zorgdraagt voor de bekendmaking van de in dat artikel bedoelde kwaliteitsverklaringen.

Bij toepassing van de CCV-inspectieschema’s, genoemd in de artikelen 6.20, zesde lid, 6.23, vierde lid, en 6.32 van het besluit wordt uitgegaan van de desbetreffende onderdelen van het CCV- inspectieschema Brandbeveiliging- Inspectie brandbeveiligingsysteem (VBB-BMI-OAI-RBI) op basis van afgeleide doelstellingen, versie 12.0 van 1 januari 2019.

Indien een te bouwen gebouw gebouwgebonden veiligheidsvoorzieningen als bedoeld in artikel 6.53, eerste lid, van het besluit nodig heeft om onderhoud veilig te kunnen uitvoeren, wordt om die voorzieningen te beoordelen gebruikgemaakt van de Checklist Veilig onderhoud op en aan gebouwen 2012.

Een in een logiesgebouw gelegen logiesfunctie, niet zijnde een logiesfunctie met 24-uurs bewaking, heeft een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in artikel 6.23 van het besluit, waarvan het ontruimingssignaal direct en in het gehele gebouw in werking wordt gesteld bij het activeren van de automatische melder of handbrandmelder.

In afwijking van artikel 6.26, tweede lid, van het besluit geldt voor een woongebouw zoals bedoeld in artikel 2.104, vierde lid, van het besluit dat een niet-gemeenschappelijke doorgang een zelfsluitende deur heeft.

De brandwerendheid van de uitwendige scheidingsconstructie van een gedeelte van een te bouwen bouwwerk dat gelegen is in een veiligheidszone of plasbrandaandachtsgebied is ten minste 60 minuten van buiten naar binnen bepaald volgens NEN 6069, uitgaande van de buitenruimte als een brandcompartiment en een buitenbrandkromme volgens NEN-EN 13501-2.

Een in een veiligheidzone te bouwen bouwwerk met een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld.

Het niet bezwijken van een drijflichaam van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

Het niet bezwijken van een aanmeerconstructie van een drijvend bouwwerk wordt bepaald op basis van:

Waar in artikel 5.9 van het besluit wordt verwezen naar de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken is bedoeld de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken van 1 januari 2019 met inbegrip van het wijzigingsblad van 1 juli 2019.

Van een ingrijpende renovatie als bedoeld in de artikelen 5.6, vierde lid, en 5.16, eerste lid, van het besluit is sprake wanneer meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil, bepaald volgens ISSO 75.1, uitgave juli 2014, wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft.

De in de artikelen 6.55 en 6.55a van het besluit bedoelde waarde voor de energieprestatie van een technisch bouwsysteem wordt bepaald op basis van de als bijlage III bij deze regeling opgenomen rekenmethodiek.

Een adequaat gedimensioneerd, geïnstalleerd, ingeregeld en instelbaar technisch bouwsysteem, als bedoeld in de artikelen 6.55, tweede lid, en 6.55a, tweede lid, van het besluit, voldoet aan het volgende:

De in artikel 6.55b van het besluit bedoelde documentatie bevat ten minste de volgende gegevens:

De gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënt als bedoeld in artikel 5.3, zesde lid, van het besluit wordt berekend door:

waarin:

Een kooldioxidemeter als bedoeld in artikel 7.23 van het besluit voldoet aan het volgende:

Het bedrijf respectievelijk de deskundige, bedoeld in de artikelen 3a.1 en3a.2 meldt binnen vier weken nadat de in deze artikelen bedoelde keuring is verricht, deze af bij een door de minister aangewezen instantie.

Bij toepassing van NEN 1006 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van gezondheid bevatten over een voorziening voor drinkwater of warmwater.

Bij toepassing van NEN 1010 zijn alleen de onderdelen van toepassing die technische voorschriften uit oogpunt van veiligheid bevatten over een voorziening voor elektriciteit.

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt het volgende:

In vergelijking (1) in hoofdstuk 4 van NEN 2057 wordt ‘Ae,i = Ad,i x Cb,i x Cu,i x CLTA’ gelezen als:

Ae,i = Ad,i x Cb,i x Cu,i.

Bij de toepassing van NEN 2535 en NEN 2575 is het in die normen bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een vergunning voor het bouwen of voor brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het besluit.

Waar in artikel 6.20, zevende en achtste lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 2654-1 zijn bedoeld de onderdelen 5 en 6 van die norm.

Waar in artikel 6.23, derde en vijfde lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 2654-2 zijn bedoeld de onderdelen 5, 6 en 7 van die norm.

Waar in de artikelen 3.50, 3.53 en 3.54 van het besluit wordt verwezen naar NEN 2757 is bedoeld:

Bij toepassing van NEN 5077 geldt dat in afwijking van tabel 6 de standen van de ventilatieopeningen en van de mechanische ventilatie alle ’open’ respectievelijk ‘aan’ zijn.

Bij de toepassing van NEN 7120 gelden voor de in onderdeel 5.3.2 opgenomen formule de volgende waarden voor de correctiefactor CEPC;mn;U/W

Waar in artikel 6.24, eerste en vierde lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN-EN 1838 is bedoeld artikel 5.4.5 van die norm.

Bij toepassing van NEN-EN 1990 wordt tabel NB. 1- 2.1 gelezen als:

Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk is bij de toepassing van NEN-EN 1997 voetnoot a bij tabel 7.c, paaldraagkrachtfactoren, in de bij die norm behorende nationale bijlage niet van toepassing.

Bij de toepassing van NEN 2057 geldt het volgende:

Onderdeel 6.1 wordt gelezen als:

Projecteer de delen van de daglichtopening loodrecht op het projectievlak.

Bij de toepassing van NEN 2535 is het in die norm bedoelde akkoord van de bevoegde autoriteit verkregen met een vergunning voor het bouwen of brandveilig gebruik of een melding als bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van het besluit.

Bij de toepassing van NEN-EN 1997 is voetnoot a bij tabel 7.c, paaldraagkrachtfactoren, in de bij die norm behorende nationale bijlage niet van toepassing.

De Regeling Bouwbesluit 2003 wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip bedoeld in artikel 9.4, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Bouwbesluit 2012.

De waarde voor de energieprestatie wordt voor ieder verwarmingssysteem bepaald volgens de volgende formule:

EHeatingSystem = (EH – EH;WKK) / QH;nd;

Voor de bepaling van de hoeveelheid primaire energie wordt verwezen naar hoofdstuk 7 van de NTA8800, waarbij:

QH;nd → energiebehoefte voor verwarming volgens paragraaf 7.2.1 van de NTA8800

QH;int → interne warmtewinst volgens paragraaf 7.5 van de NTA8800

QH;sol → warmtewinst door opvallende zonnestraling volgens paragraaf 7.6 van de NTA8800

QH;ls → bepaling van terugwinbare verliezen van alle subsystemen volgens paragraaf 9.2.5.1 van de NTA8800

Voor de bepaling van de bijdrage van (micro)warmtekracht wordt verwezen naar paragraaf 16.4 van de NTA8800

De netto warmtebehoefte voor ruimteverwarming is te bepalen op basis QH-getallen.

Als (γH <=0 en QH;gn >0) of γH > 2 dan QH;nd = 0

In andere gevallen:

QH;nd = Q;H;ht -η;H;gn * Q;H;gn

γH → warmtebalansverhouding volgens paragraaf 7.8.2 van de NTA8800

Q;H;gn→ totale warmtewinst voor verwarming volgens paragraaf 7.2.3 van de NTA8800

Q;H;ht → totale warmteoverdracht voor verwarming volgens paragraaf 7.2.3 van de NTA8800

η;H;gn → benuttingsfactor voor warmtewinst volgens paragraaf 7.8.2 van de NTA8800

De waarde voor de energieprestatie wordt voor ieder koelsysteem bepaald volgens de volgende formule:

ECoolingSystem = EC / QC;nd

Voor bepaling van de primaire energie wordt verwezen naar hoofdstuk 10 van de NTA8800

Voor bepaling van de koudebehoefte wordt verwezen naar paragraaf 7.2.2 van de NTA8800

De waarde voor de energieprestatie wordt voor ieder warmtapwatersysteem bepaald volgens de volgende formule:

EDomesticHotWater = (EW – EW;WKK) / QW;nd

Waarbij

Voor de bepaling van de hoeveelheid primaire energie wordt verwezen naar hoofdstuk 13 van de NTA8800

Voor de bepaling van de bijdrage van (micro)warmtekracht wordt verwezen naar paragraaf 16.4 van de NTA8800.

Voor de bepaling van de netto warmtebehoefte voor warmtapwater wordt verwezen naar paragraaf 13.2.2 van de NTA8800.

De waarde van de energieprestatie wordt voor ieder ventilatiesysteem bepaald volgens de volgende formule:

EVentilationSystem = EV / qv;ODA;req

Voor bepaling van de primaire energie wordt verwezen naar hoofdstuk 11 van de NTA8800.

Voor bepaling van de benodigde luchtvolumestroom van de buitenlucht wordt verwezen naar paragraaf 11.2.2 t/m 11.2.5 van de NTA8800.

De waarde van de energieprestatie wordt voor ieder ventilatiesysteem bepaald volgens de volgende formule:

ELighting = EL / Ag [kWh/m2]

Voor de bepaling van de primaire energie wordt verwezen naar hoofdstuk 14 van de NTA8800.

Voor bepaling gebruiksoppervlakte wordt verwezen naar paragraaf 6.6 van de NTA8800.

Een aantal onderdelen van de inspectie zijn niet voor alle installatietypen en -systemen relevant. Dit is aangegeven bij de betreffende onderdelen.

In een aantal gevallen moet steekproefsgewijs een controle worden uitgevoerd. De grootte van de steekproef moet dan gekozen worden zodat een betrouwbaarheidsniveau van 95% bij een acceptabele foutmarge van 20% bereikt wordt.

Voorafgaand aan de inspectie moet informatie worden verzameld. Doorgaans is de eigenaar of technisch beheerder van de installatie de partij die deze informatie kan verstrekken. De te verzamelen informatie bestaat uit de onderdelen zoals benoemd in de onderstaande tabel.

In de laatste kolom is aangegeven onder welk diploma dit valt.

1 de componenten omvatten ten minste: de koudeopwekker, de verdampers, de condensors, de regeling en de hoofddistributie

v = verplicht aanwezig

n = niet nodig voor de inspectie

1 Hierbij kan worden bijv. gedacht worden aan ventilatiehoeveelheden en daglicht op de werkplek

1 COP: Coëfficient Of Performance (gedefinieerd als eenheden opgewekte koude per gebruikte eenheden energie input)

De in deze paragraaf opgenomen inspectie moet alleen worden uitgevoerd wanneer de luchttemperatuur actief verlaagd kan worden1.

De in deze paragraaf opgenomen inspectie is niet van toepassing voor systemen waarin uitsluitend wordt gekoeld met adiabatische koeling en/of energieopslag (zonder gebruik van een warmtepomp tijdens koelbedrijf) en voor vrije of passieve koeling.

De in deze paragraaf opgenomen inspectie is niet van toepassing voor systemen waarin uitsluitend wordt gekoeld met adiabatische koeling en/of energieopslag (zonder gebruik van een warmtepomp).

Toelichting beoordeling grootte

De beoordeling van de grootte van het koelsysteem betreft een vergelijking van het opgesteld vermogen met een indicatie van het benodigd vermogen. Deze indicatie van het benodigd vermogen kan op meerdere manieren worden verkregen.

Toelichting alternatieven

Hierna zijn relevante alternatieven opgenomen die het energiegebruik van de koelinstallatie kunnen reduceren. Per maatregel is aangegeven hoe de haalbaarheid moet worden afgewogen en of deze maatregel geadviseerd moet worden.

Bij het invullen van het verslag moet:

In de onderstaande tabel zijn de exameneisen opgenomen voor het diploma EPBD-A en EPBD-B

1 T: exameneis is theoretisch van aard; P: exameneis is praktisch van aard