Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 maart 2012, nr. BVE/387639, houdende voorschriften inzake het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters in de studiejaren 2012–2013 tot en met 2014–2015, de verstrekking van aanvullende middelen aan vo-scholen en de regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs)Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijsDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Gelet op de artikelen 2, 4, eerste lid en 5 van de Wet overige OCW-subsidies, de artikelen 74 en 118i, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 8.3.2, vijfde lid en 8.3.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 1 en 4, eerste lid, onderdelen a, b, c en d, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,J.M. vanBijsterveldt-Vliegenthart

In deze regeling wordt verstaan onder:

Het doel van deze regeling is:

De Regeling OCW-subsidies is van toepassing op de hoofdstukken 2, 2A en 3 van deze regeling.

Het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool voor de uitvoering van het regionaal programma bedragen jaarlijks niet meer dan 10% van de toegekende subsidie met een maximumbedrag van € 150.000,–.

In deze paragraaf wordt onder RMC-regio niet begrepen de RMC-regio’s Utrecht, Agglomeratie Amsterdam, Haaglanden/Westland en Rijnmond.

Voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf zijn de volgende bedragen beschikbaar:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Het subsidieplafond op grond van deze paragraaf bedraagt € 30.400.000,– per kalenderjaar.

In dit hoofdstuk wordt onder een onderwijsinstelling niet verstaan een school voor voortgezet onderwijs, als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

De subsidie kan ook worden besteed aan andere activiteiten dan waarvoor zij wordt verstrekt, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Regeling OCW-subsidies.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De aanvullende middelen kunnen ook worden aangewend voor andere activiteiten van de school dan waarvoor de aanvullende middelen worden verstrekt. Terugvordering van eventueel niet-bestede middelen of overschotten vindt niet plaats.

De vaststelling van de RMC-regio’s geschiedt conform bijlage C bij deze regeling.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs.

A. Gevraagd subsidiebedrag

Een specificatie van de verwachte uitgaven dient u bij vraag 4 (Begroting) te geven,

B. Doelstelling kwalitatief (Specifiek, max. 200 w):

C. Doelstelling kwantitatief (Meetbaar, max.50w)

D. Regie en samenwerking in de RMC-regio (Acceptabel, max. 200 w)

E. Haalbaarheid en implementatie: (Realistisch & Tijdgebonden, max 200 w):

F. Is er een andere partij dan de convenantpartners (scholen, instellingen en gemeenten) die participeert in deze specifieke maatregel? (max. 200 w)

Regionale analyse

Zonder een scherp beeld van de situatie in de regio in 2012 is het niet mogelijk effectieve maatregelen te nemen voor resultaat in 2015. Succesvol vsv-beleid is en blijft een kwestie van ‘sturen op cijfers’. Daarom wordt u gevraagd, bij voorkeur gezamenlijk met de convenantpartners, een regionale analyse 2012–2015 op te stellen.

Via uw vsv-accountmanager ontvangt u een handreiking voor de inhoud en omvang van een regionale analyse. Hij of zij verschaft u ook actuele regio-cijfers. U benut daarnaast uiteenlopende bronnen voor deze analyse.

U hoeft het schriftelijk verslag van uw regionale analyse niet op te sturen naar DUO. De regionale analyse 2012–2015 maakt namelijk geen deel uit van de subsidieaanvraag. De regionale analyse moet wel schriftelijk beschikbaar zijn voor een gesprek met de vsv-accountmanager (uiterlijk in mei 2012). Hij of zij is in dat gesprek uw ‘inspirator’ en ‘kritische spiegel’. U baseert uw voorstellen voor maatregelen vanzelfsprekend op de analyse van de vsv-problematiek in uw regio.

Het schriftelijk verslag van uw regionale analyse moet u terzijnertijd op aanvraag wel opsturen naar een onderzoeksbureau. Dit onderzoeksbureau zal de subsidieregeling integraal monitoren en evalueren gedurende de gehele looptijd. Meedoen met het onderzoek maakt deel uit van de subsidievoorwaarden. Een onderdeel van het evaluatieonderzoek is een vergelijking van de kwaliteit van de 39 regionale analyses 2012–2015. Het oordeel van het onderzoeksbureau speelt geen rol in de toekenning van de subsidie. Meer informatie over het onderzoek zal beschikbaar komen op de website www.aanvalopschooluitval.nl.

Maatregelen

Bij de beantwoording van deze vraag dient u in te gaan op de maatregelen die in uw RMC-regio worden genomen. De maatregelen die u hier voorstelt zijn gebaseerd op uw regionale analyse 2012–2015. U bent vrij in het aantal maatregelen dat u opvoert. Daarbij geven we u in overweging dat het weinig effectief is om veel ‘kleine’ maatregelen zonder samenhang op te voeren, noch om uiteenlopende maatregelen te bundelen tot één ‘grote’ maatregel. Bepaal in overleg met uw vsv-accountmanager over hoeveel projecten u hier het totale subsidiebedrag verdeelt. Het aantal maatregelen hangt normaliter samen met het totaalbedrag van de beschikbare subsidie: grotere RMC-regio’s voeren naar verwachting meer maatregelen op dan kleinere RMC-regio’s.

U geeft per maatregel het totaalbedrag aan over de gehele looptijd van de subsidieregeling. U doet deze subsidieaanvraag namelijk voor een periode van drie kalenderjaren (2013, 2014 en 2015). De subsidie heeft betrekking op activiteiten in de studiejaren 2012–2013, 2013–2014 en 2014–2015 en op basis daarvan dient u een verwachte onderverdeling te geven van de uitgaven. De toegekende middelen worden uitgekeerd in zes delen: in oktober 2012, januari 2013, oktober 2013, februari 2014, oktober 2014 en februari 2015. U bent zelf verantwoordelijk voor eventuele verschillen in de financiering en het uitgavenpatroon.

Voor elke maatregel die uw RMC-regio wil nemen dient u onderstaande vragen (A tot en met F) te beantwoorden.

Let op: Uit artikel 6, tweede lid van de subsidieregeling volgt dat u voor mbo 3/4 minstens één maatregel moet opnemen in uw subsidieaanvraag.

Let op: Op basis van de regionale analyse formuleert u de maatregelen die u inzet. Minstens één van de maatregelen dient een plusvoorziening te omvatten, bestemd voor overbelaste jongeren. Deze maatregel moet als titel krijgen ‘Plusvoorziening, subtitel’, bijvoorbeeld ‘Plusvoorziening, Rebound mbo’. Het indicatieve bedrag voor de plusvoorziening in uw RMC-regio volgt uit de subsidieregeling in combinatie met informatie die u krijgt van uw vsv-accountmanager. Mocht uit uw regionale analyse blijken dat er minder dan het indicatieve bedrag besteed moet worden aan de plusvoorziening om het vsv-resultaat te halen, dan mag het resterende budget ook voor andere maatregelen worden ingezet.

Begroting

Ten eerste specificeert u de kosten die u begroot voor de beheers- en coördinatiekosten. Hierin zijn opgenomen de overkoepelende beheers- en coördinatiekosten en de beheers- en coördinatiekosten van specifieke maatregelen. Uit artikel 9 van de subsidieregeling blijkt dat het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool niet hoger dan 10% van de toegekende subsidie mag zijn met een maximum van €150.000 per jaar.

Vervolgens specificeert u de verwachte kosten voor de maatregel(en) met de titel(s) ‘Plusvoorziening, subtitel’.

Tot slot specificeert u de begrote kosten voor de overige maatregelen.

U geeft aan wat voor kosten u verwacht te maken. Dit kunnen personele of materiële kosten zijn. Naar omvang van de begroting van de maatregel wordt een nadere uitsplitsing van de begrote uitgaven verwacht tot maximaal vijf posten.

Bij inzet van minder dan 75% van het budget dat indicatief beschikbaar is voor de plusvoorziening aan plusvoorzieningen dient u dit te motiveren in het tekstvak (max. 200 woorden).

Deze herziene RMC-effectrapportage wordt in 2014 voor het eerst gebruikt (over het verslagjaar 2013–2014).

De RMC-effectrapportage geeft invulling aan een wettelijke verplichting en maakt het werk van de 39 RMC-regio’s zichtbaar zodat het beleid zo nodig kan worden aangepast. Tevens kan de rapportage dienen als benchmark voor een individuele RMC-regio ten opzichte van de landelijke resultaten.

In de Wet educatie en beroepsonderwijs (artikel 8.3.2) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 118h) en de Wet op de expertisecentra (artikel 162b) staan de taken van de gemeenten en in het bijzonder de contactgemeenten bij het bestrijden van voortijdig schoolverlaten. In het zevende lid van voornoemde artikelen staat: ‘Burgemeester en wethouders van de contactgemeente stellen mede namens de andere gemeenten in de regio jaarlijkseen effectrapportagevast....’.

Deze wettelijke verplichting is nader ingevuld in artikel 36 van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten en prestatiesubsidie voor het voortgezet onderwijs. Met het invullen van het formulier in deze bijlage geeft de RMC-contactgemeente uitvoering aan deze wettelijke verplichting tot een jaarlijkse inhoudelijke verantwoording.

De RMC-effectrapportage wordt jaarlijks voor 1 december door alle RMC-coördinatoren ingevuld en ingediend bij DUO. In opdracht van het ministerie van OCW wordt daarna een samenvattende rapportage van alle RMC-effectrapportages gemaakt welke in het voorjaar beschikbaar komt. Op die manier wordt het werk van de 39 RMC-regio’s zichtbaar gemaakt. Wanneer daar aanleiding toe is, kan dit rapport een ander accent in de beleidsinzet van het ministerie van OCW bewerkstelligen of een voorgenomen beleidswijziging onderbouwen.

Deze RMC-effectrapportage dient daarnaast in zijn geheel als benchmark. De regionale score van de RMC-functie wordt op een breed palet van kwalitatieve aspecten vergeleken met de landelijke resultaten. Deze landelijke score staat in de samenvattende rapportage die het ministerie van OCW laat maken van alle RMC-effectrapportages. Bij bijeenkomsten van Ingrado of in een ander verband kunnen de resultaten worden besproken.

De RMC-functie is ingericht voor jongeren van 18 tot 23 jaar. Als in deze RMC-effectrapportage wordt gevraagd naar aantallen jongeren en aantallen meldingen, gaat het om ‘jongeren van 18 tot 23 jaar’, tenzij expliciet anders wordt vermeld. In de praktijk werken RMC-regio’s op allerlei manieren samen met de gemeentelijke leerplichtafdelingen. In deze RMC-effectrapportage wordt gevraagd naar de manier waarop u samenwerkt met de gemeentelijke leerplichtafdelingen. Een gedetailleerde inhoudelijke verantwoording van de inzet op de 18-minners is hier niet aan de orde, omdat er een jaarlijkse enquête voor alle gemeenten in Nederland naar de uitvoering van de Leerplichtwet bestaat.

Sinds de introductie van het onderwijsnummer in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs is het Basisregister Onderwijs (BRON) een betrouwbare dataset geworden voor het genereren van landelijke en regionale cijfers over het aantal voortijdig schoolverlaters. Sinds 2007 wordt BRON gebruikt voor het regionale en landelijke beeld van de bestrijding van de schooluitval. De aantallen voortijdig schoolverlaters worden, samen met diverse achtergrondkenmerken, beschikbaar gesteld door DUO. In de RMC-effectrapportage staat daarom sindsdien het verzamelen van deze basisinformatie niet meer centraal. In 2008 is het vragenformulier in deze zin aangepast en uitgebreid met vragen over de uitvoering van de regionale vsv-convenanten 2008–2011. De RMC-effectrapportage is daarmee een instrument geworden voor de RMC-regio’s om de doeltreffendheid en doelmatigheid van hun aanpak van voortijdig schoolverlaten te toetsen en onderling te vergelijken en om de voortgang te monitoren van de uitvoering van de vsv-convenanten 2008–2011.

Het formulier is nu wederom herzien met als doel een actualisering van de vraagstelling en een verbeterde opbouw van de vragen. Nog meer dan eerst staat de ervaring, de waarneming en de mening van de RMC-functionaris centraal.

In de RMC-effectrapportage staan vragen opgenomen over de wettelijke functies van de RMC-regio. Dit zijn de meld- en registratiefunctie en de doorverwijsfunctie. Deze functies zijn weergegeven in artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertise centra:

De opbouw van de vragen in de rapportage is als volgt:

Deze handleiding en het herziene formulier gelden voor het eerst voor de RMC-effectrapportage die wordt ingevuld in het najaar van 2014 met betrekking tot het studiejaar 2013-2014. Tot die tijd wordt gebruik gemaakt van het formulier zoals dat in de afgelopen jaren van kracht was.

DUO verwerkt de vragen in deze handleiding tot een digitaal, eenvoudig in te vullen formulier. DUO verstuurt deze digitale formulieren naar de betrokkenen rond 1 oktober en ontvangt de ingevulde formulieren voor 1 december weer retour. Na een technische controle op de invulling van de formulieren, wordt in opdracht van het ministerie van OCW de set met ingevulde formulieren verwerkt voor een samenvattende rapportage die ook een relatie kan leggen met de antwoorden uit eerdere jaren. Deze rapportage wordt door het ministerie van OCW naar de contactgemeenten gestuurd.

Een aantal van de RMC-regio’s is in subregio’s onderverdeeld. Hoewel deze rapportage in principe op de gehele regio is gericht, kan gekozen worden voor een aparte beantwoording door subregio’s. In dat geval verzamelt de RMC-coördinator van de gehele regio de deelrapportages en stuurt de gehele set in.

Bij het invullen van de ‘ervaringsvragen’ in deel 1 van de vragenlijst kan men ervoor kiezen deze te laten invullen door meerdere betrokken personen uit de regio en de scores op een RMC-bijeenkomst te bespreken. Dat geeft een grotere betrouwbaarheid bij de beantwoording van deze vragen.

Aan het eind van deze handleiding treft u een kort overzicht aan met relevante regelingen, definities en afkortingen. U vult het formulier in na afloop van het studiejaar en in elk geval vóór 1 december van het lopende kalenderjaar. Gevraagd wordt naar de gegevens over het aflopende of zojuist afgelopen studiejaar, hier verder aangeduid met ‘verslagperiode’. De financiële gegevens betreffen de budgetten van het lopende kalenderjaar.

Deze vraag wordt door elke RMC-regio ingevuld.

Op het titelblad vult u de naam van de RMC-regio in en de datum. De volgende vraag betreft de contactgegevens van de RMC-coördinator.

Vraag 1 heeft betrekking op de wettelijke taken van de RMC-contactgemeente van de RMC-regio zoals die in artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra benoemd zijn.

In vraag 1A wordt gevraagd naar de bestuurlijke overleggen die binnen de RMC-regio plaatsvinden. Hierbij dient u tevens in te gaan op de rol die de RMC-wethouder speelt in deze overleggen.

Bij vraag 1B geeft u aan of alle gemeenten in de RMC-regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke gemeenten niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn. Bij vraag 2 en 3 geeft u aan of alle vo-scholen en mbo-instellingen in de RMC-regio deelnemen aan het regionale netwerk. Als dit niet het geval is, geeft u aan welke scholen of instellingen niet deelnemen en wat de redenen daarvoor zijn.

Bij vraag 1B wordt gevraagd naar de reikwijdte en de kwaliteit van het beoogde regionale netwerk. Bij vraag 1E heeft u vrije ruimte om zo nodig uw antwoorden toe te lichten.

Bij vraag 1C wordt gevraagd naar de reikwijdte en de kwaliteit van het beoogde regionale netwerk. Bij vraag 1E heeft u vrije ruimte om zo nodig uw antwoorden toe te lichten.

1 Hoewel de kwalificatieplicht niet onder de wettelijke verplichting van de RMC-regio valt, vraagt het ministerie van OCW u deze vraag te beantwoorden vanwege de 13 miljoen euro voor de kwalificatieplicht die via de RMC beschikbaar is gesteld.

Met het regionale netwerk moet een aantal taken worden vervuld (zie vraag 1B). Naast het tot stand brengen van het regionale netwerk moeten er ook afspraken met elkaar worden gemaakt over de inzet en verantwoordelijkheid bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

In onderstaande tabel beschrijft u de knelpunten en belemmerende factoren alsook de succesfactoren die u ervaart bij het uitoefenen van de RMC-functie (in vergelijking met het vorige rapportagejaar). U kunt (enkele van) uw antwoorden op de vragen 1B tot en met 1D toelichten bij deze vraag. Ook kunt u hier aangeven aan welke ondersteuning van het vsv-accountmanagement van het ministerie van OCW u behoefte heeft. U heeft maximaal 200 woorden in elk tekstvak voor de beantwoording van deze open vraag.

Deze vraag betreft jongeren van 18 tot 23 jaar, conform de wettelijke opdracht van de RMC. Zoals in de inleiding aangegeven, moet de RMC-regio een aantal taken vervullen. Daaronder valt ook het organiseren en coördineren van registratie van voortijdig schoolverlaters.

In het verleden was het verzamelen van informatie over aantallen voortijdig schoolverlaters en hun achtergrondkenmerken een belangrijke taak van de RMC-regio. Met de inzet van BRON als basis voor het bepalen van het aantal voortijdig schoolverlaters heeft deze taak een andere invulling gekregen. Met de komst van BRON en het Digitaal Verzuimloket als instrumenten heeft de RMC-regio de verantwoordelijkheid voor de regionale informatievoorziening behouden. De RMC-regio behoort te stimuleren en te coördineren dat partners tijdig en accuraat BRON en het Digitaal Verzuimloket invullen en gebruiken. Daarnaast moet de RMC-regio gebruik maken van mogelijk andere nuttige informatiebronnen. Het doel hiervan is dat ‘iedere jongere in beeld is’.

Met ‘tijdig’ wordt in onderstaande vragen bedoeld dat de wettelijke termijnen of gemaakte afspraken worden nageleefd en de RMC-trajectbegeleiders geen hinder ondervinden bij hun werk door een trage aanlevering van informatie door scholen.

Een belangrijke taak van de RMC-functie is om individuele jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten terug te leiden naar school, werk of een combinatie daarvan.

Ook vraag 3 gaat over de jongeren van 18 tot 23 jaar in begeleidingstrajecten onder verantwoordelijkheid van de RMC-functie (dat wil zeggen begeleidingstrajecten die niet onder verantwoordelijkheid van het UWV, mbo-instellingen of andere organisaties staan). Dit sluit aan bij de wettelijke opdracht van de RMC-functie zoals genoemd in de inleiding van dit formulier. De trajectbegeleiding begint met contact zoeken met jongeren op basis van beschikbare informatie. Vervolgens kunnen er intakegesprekken plaatsvinden welke al dan niet leiden tot één of meerdere vervolggesprekken en daaraan gerelateerde activiteiten van RMC-trajectbegeleiders

Met deze vraag wil het ministerie van OCW een beeld krijgen van de omvang van het werk dat de RMC-functie op dit terrein verricht. Worden er voldoende jongeren bereikt en worden er voldoende trajecten met een goed resultaat afgesloten? Deze vraag dient hoofdzakelijk voor de onderlinge benchmark van RMC-regio’s en voor een beoordeling van het verloop van de inzet over de jaren heen. Daarnaast moet het inzicht geven in de ondersteunende taken die ten behoeve van de school worden verricht als bijdrage bij het voorkomen van uitval.

In tabel 3A.1 wordt gevraagd naar het aantal opgestarte trajecten met jongeren die in de verslagperiode voor het eerst in contact komen met de RMC. Het gaat hier expliciet om jongeren die naar aanleiding van de P-leveringen van DUO in beeld zijn gekomen. Trajecten die zijn gestart naar aanleiding van signalen via andere kanalen worden opgenomen in tabel 3A.2. Op deze manier wordt (het verloop van) het aantal trajecten in kaart gebracht dat curatief (na uitschrijving, tabel 3A.1) en preventief (voor uitschrijving, 3A.2) is ingezet. De drie percentages bij de vraag naar de tijdspanne tussen de vermelding in de P-leveringen van DUO en het intakegesprek, moeten gezamenlijk optellen tot 100%.

In tabel 3A.2 wordt gevraagd naar het aantal opgestarte trajecten met jongeren die in de verslagperiode voor het eerst in contact komen met de RMC. Het gaat hier expliciet om jongeren die naar aanleiding van signalen via andere kanalen dan de P-leveringen van DUO in beeld zijn gekomen. Het kan hier dus zowel gaan om jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling als jongeren die al uitgeschreven zijn. Hoewel dit buiten de wettelijke taak van de RMC-functie valt, moet deze vraag inzicht geven in de ondersteunende taken die ten behoeve van de school worden verricht als bijdrage bij het voorkomen van uitval. De drie percentages bij de vraag naar de tijdspanne tussen eerste signaal en het intakegesprek, moeten gezamenlijk optellen tot 100%.

In tabel 3B wordt gevraagd naar het aantal jongeren dat in het jaar voorafgaand aan het verslagjaar in begeleiding is genomen en van wie het traject gedurende het verslagjaar doorloopt.

In tabel 3C.1 wordt gevraagd naar het aantal ‘recidiverende’ voortijdig schoolverlaters. Dit zijn jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten (maar van wie het traject is afgerond voor de start van het verslagjaar). Het gaat hier niet om de jongeren die bedoeld worden bij de vraag over ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters. Het gaat hier expliciet om jongeren die in beeld zijn gekomen op basis van de P-leveringen van DUO. Trajecten die zijn gestart naar aanleiding van signalen via andere kanalen worden opgenomen in tabel 3C.2.

In tabel 3C.2 wordt gevraagd naar jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten (maar van wie het traject is afgerond voor de start van het verslagjaar). Het gaat hier niet om de jongeren die bedoeld worden bij de vraag over ‘continuerende’ voortijdig schoolverlaters. Het gaat hier expliciet om gevallen naar aanleiding van signalen anders dan de P-leveringen van DUO.

Tabel 3D vormt een weergave van alle begeleidingstrajecten en de beëindiging daarvan, per categorie voortijdig schoolverlater. De kolommen ‘Totaal aantal begeleidingstrajecten’ en ‘Aantal beëindigd’ worden automatisch ingevuld met de eerder gegeven informatie.

Tabel 3E gaat over het aantal afgeronde begeleidingstrajecten binnen het verslagjaar. Onder een begeleidingstraject wordt méér verstaan dan alleen een intakegesprek. Geef bij vraag 1 per waarde aan om hoeveel jongeren het gaat. Bij vraag 2 maakt u een keuze uit de keuzemogelijkheden.

In tabel 3F noteert u de bestemming van de jongeren na beëindiging van het begeleidingstraject.

Tabel 3G gaat over jongeren van 17 jaar oud die door de RMC-functie worden opgepakt. De RMC-functie is gericht op jongeren van 18 tot 23 jaar. Uit praktijk blijkt echter dat vaak ook jongeren die nog 17 jaar zijn maar binnen afzienbare tijd 18 jaar worden al door de RMC-functie in begeleiding worden genomen. Deze vraag brengt die jongeren in beeld.

In tabel 3H kunt u in algemene termen opmerkingen kwijt die specifiek zijn voor uw regio (bijvoorbeeld over de achtergrond van jongeren die in begeleiding komen, de trends in omvang van de doelgroep of een verschuiving in de bestemming van jongeren van wie het begeleidingstraject is afgerond).

Gemeenten kunnen diverse financiële bronnen (deels) bestemmen voor het begeleiden van jongeren tot 23 jaar zonder startkwalificatie. Daarnaast is in 2008 structureel 13 miljoen euro verdeeld over de 39 RMC-regio’s voor de uitvoering van de kwalificatieplicht voor jongeren van 16 en 17 jaar. Mogelijk heeft de RMC-functie deze middelen doorgegeven aan gemeenten, mogelijk heeft de RMC zelf de beschikking over dit budget gehouden.

In tabel 4A wordt gevraagd naar een indicatie van alle budgetten waarmee de RMC-functie wordt uitgevoerd in het lopende kalenderjaar.

In tabel 4B wordt gevraagd naar de besteding van het totale budget uit verschillende bronnen waar de RMC-functie over beschikt in het lopende kalenderjaar. Het gaat hier om een globale onderverdeling. Een beleidsmatige beoordeling van de besteding van de middelen volstaat bij de beantwoording van deze vraag. U kunt per categorie invullen hoeveel euro u besteedt, het percentage middelen volgt dan automatisch. Onder de tabel vindt u een toelichting op de gehanteerde begrippen en categorieën.

Let op: tot 2013 werd in de RMC-effectrapportage alleen gevraagd naar een onderverdeling van de Rijksmiddelen (RMC-budget en kwalificatiemiddelen) nu wordt gevraagd naar het totale budget waar de RMC-functie over beschikt, om zo inzichtelijk te maken hoeveel middelen aan de diverse activiteiten van de RMC-functie worden besteed.

In tabel 4C wordt ten eerste gevraagd naar het aantal fte’s van RMC-medewerkers. Vervolgens wordt bij punt 2 gevraagd naar het aantal fte’s aan RMC-medewerkers dat zich bezighoudt met het begeleiden van individuele jongeren. Begeleiding kan allerlei vormen hebben, van een telefoontje of mailtje tot een intensieve gesprekscyclus. Een fulltime medewerker die voor 70% trajectbegeleiding doet en voor 20% bezig is met preventieve projecten en 10% coördinatie, telt bij punt 2 voor 0,7 fte mee.

Naast het begeleiden van individuele jongeren heeft een RMC-regio ook projecten, zowel voor reeds uitgevallen jongeren als ter preventie van uitval. Het betreft alle werkzaamheden die direct of indirect gericht zijn op groepen jongeren, gefinancierd uit het totale budget waar de RMC-regio over beschikt. Punt 3 betreft de gezamenlijke inzet op preventieve projecten (gericht op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling, maar die dreigen uit tevallen) en de projecten voor reeds uitgevallen jongeren. Gevraagd wordt naar een inschatting van de fte-inzet per inhoudelijk type project. Een fulltime medewerker die voor 70% werkt voor individuele jongeren, 20% voor het uitvoeren van een verzuimproject en 10% in coördinatie, telt op dit punt in deze tabel mee voor 0,2 fte.

Bij vraag 5 wordt u gevraagd kort te reflecteren op de behaalde resultaten uit het vorige verslagjaar conform de OCW-cijfers voor de regio met betrekking tot de aanpak van vsv’ers. In artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs staan de taken van de contactgemeente van de RMC-regio. Het zevende lid van dit artikel stelt de verplichting om terug te kijken op behaalde resultaten in vergelijking met de streefcijfers.

Betrek in uw antwoord de behaalde resultaten in relatie tot de regionale streefcijfers en de landelijke normen op basis van de definitieve cijfers over het vorig schooljaar. Daarnaast wordt u gevraagd de uitvalpercentages op de verschillende onderdelen (mbo 1, mbo 2, mbo 3/4) te behandelen.

In onderstaande tabel kunt u optioneel twee “good practices” vermelden. U kunt hierbij denken aan voorbeelden over de door u gevoerde aanpak. Deze good practices kunnen worden opgenomen in de projectbank op www.aanvalopschooluitval.nl. OCW is met name geïnteresseerd in projecten met bijzondere samenwerkingspartners en/of met een nieuwe inhoudelijke invalshoek en/of een project dat grondig geëvalueerd is.

Tot de scholen op de onderscheiden sectoren kunnen worden gerekend:

Het begrip voortijdig schoolverlater is in het kader van de RMC-functie gedefinieerd als degene:

Voor de afbakening van het begrip voortijdig schoolverlater zijn daarmee de volgende vier elementen van belang:

Een schooljaar, ook wel genoemd studiejaar, is de periode van 1 augustus van een jaar t/m 31 juli van het volgende jaar.

Onder de opvatting van werk bij herplaatsing wordt omwille van eenduidigheid de CBS definitie voor werkzame beroepsbevolking gehanteerd. Conform deze definitie wordt de situatie bedoeld waarin de jongere 12 uur of meer per week betaald werk heeft.

Onder preventie verstaan we activiteiten bedoeld om schooluitval te voorkomen en die gericht zijn op jongeren die nog ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling maar die risico lopen uit te vallen.

Jongeren waarvan het begeleidingstraject het vorig verslagjaar nog niet was afgerond en dus ook dit verslag jaar nog in dit traject zaten.

Jongeren die in het verslagjaar zijn benaderd met de vraag of een begeleidingstraject nodig en/of gewenst was, en in eerdere verslagjaren ook in een begeleidingstraject hebben gezeten. Het gaat hier niet om de jongeren bedoeld bij de definitie ‘continuerende’ vsv’ers.

Bellingwedde, Stadskanaal, Veendam, Vlagtwedde, Pekela, Oldambt, Menterwolde.

Appingedam, Bedum, Delfzijl, Loppersum, Winsum, Eemsmond, De Marne.

Groningen, Grootegast, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Marum, Slochteren, Ten Boer, Zuidhorn.

Ameland, Boarnsterhim, Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Franekeradeel, Harlingen, Het Bildt, Kollumerland c.a., Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menameradiel, Schiermonnikoog, Terschelling, Vlieland.

De Friese Meren, Littenseradiel, Súdwest Fryslân.

Achtkarspelen, Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland, Tytjerksteradiel, Weststellingwerf.

Aa en Hunze, Assen, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo.

Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen.

Hoogeveen, Meppel, Westerveld, De Wolden.

Dalfsen, Hardenberg, Hattem, Heerde, Kampen, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland, Zwolle.

Apeldoorn, Brummen, Deventer, Epe, Lochem, Olst-Wijhe, Voorst, Zutphen.

Almelo, Borne, Dinkelland, Enschede, Haaksbergen, Hellendoorn, Hengelo(O), Hof van Twente, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen, Twenterand, Wierden.

Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doesburg, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk.

Arnhem, Beuningen, Druten, Duiven, Groesbeek, Heumen, Lingewaard, Millingen a.d. Rijn, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Ubbergen, Westervoort, Wijchen, Zevenaar.

Buren, Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Maasdriel, Neerijnen, Neder-Betuwe, Tiel, West Maas en Waal, Zaltbommel.

Amersfoort, Baarn, Barneveld, Bunschoten, Ede, Leusden, Nijkerk, Renswoude, Rhenen, Scherpenzeel, Soest, Veenendaal, Wageningen, Woudenberg.

Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek, Putten, Zeewolde.

Almere, Dronten, Lelystad, Noord-Oostpolder, Urk.

Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vianen, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist.

Blaricum, Bussum, Eemnes, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp, Wijdemeren.

Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam/Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad, Zeevang.

Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Koggenland, Opmeer, Stede Broec.

Den Helder, Harenkarspel, Hollands Kroon, Schagen, Texel, Zijpe.

Alkmaar, Bergen (NH), Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk,

Schermer.

Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede c.a., Heemskerk, Heemstede, Uitgeest, Velsen, Zandvoort.

Hillegom, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Kaag en Braassem, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten, Zoeterwoude.

Alphen aan den Rijn, Bergambacht, Boskoop, Gouda, Nieuwkoop, Schoonhoven, Vlist, Waddinxveen, Nederlek, Ouderkerk, Rijnwoude, Zuidplas, Bodegraven-Reeuwijk.

Delft,’s-Gravenhage, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland, Zoetermeer.

Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Dirksland, Goedereede, Hellevloetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Middelharnis, Oostflakkee, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Westvoorne.

Alblasserdam, Binnenmaas, Cromstrijen, Dordrecht, Giessenlanden, Gorinchem, Graafstroom, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik Ido Ambacht, Korendijk, Leerdam, Liesveld, Nieuw Lekkerland, Oud Beijerland, Papendrecht, Sliedrecht, Strijen, Zederik, Zwijndrecht.

Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen.

Middelburg, Veere, Vlissingen.

Hulst, Sluis, Terneuzen.

Aalburg, Alphen-Chaam, Baarle Nassau, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Drimmelen, Etten-Leur, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout, Roosendaal, Steenbergen, Rucphen, Werkendam, Woensdrecht, Woudrichem, Zundert.

Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, Waalwijk.

Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ’s-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Maasdonk, Mill en St. Hubert, Oss, Schijndel, St. Anthonis, St. Michielsgestel, St. Oedenrode, Uden, Veghel, Vught.

Asten, Bergeyk, Best, Bladel, Cranendonck, Deurne, Eersel, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Helmond, Laarbeek, Nuenen c.a., Oirschot, Reusel-De Mierden, Someren, Son en Breugel, Valkenswaard, Veldhoven, Waalre.

Beesel, Bergen, Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray, Weert.

Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Voerendaal.

Contactgegevens

Dit aanvraagformulier kunt u digitaal invullen via www.duo.nl/zakelijk en vervolgens printen ter ondertekening.

U dient dit aanvraagformulier uiterlijk 1 november 2012 zowel schriftelijk (in enkelvoud) als digitaal in te dienen op het volgende adres:

DUO

Afdeling MUO

Postbus 606

2700 ML Zoetermeer

De digitale versie kunt u mailen naar: muo@duo.nl.

A. Gevraagd subsidiebedrag

Wat is het totaalbedrag voor het schooljaar 2015–2016?

Een specificatie van de verwachte uitgaven dient u bij vraag 3 (Begroting) te geven,

B. Doelstelling kwalitatief (maximaal 200 woorden)

C. Doelstelling kwantitatief (maximaal 50 woorden)

D. Duur

Wat is de duur van de maatregel?

Onderwijsinstellingen en RMC-contactgemeenten werken in het verlengingsjaar 2015–2016 samen op basis van een samenwerkingsovereenkomst. Dit is een voorwaarde om de subsidie voor de uitvoering van het regionaal programma en de plusvoorzieningen te ontvangen. Een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst dient samen met het regionaal programma aan de Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te worden verzonden.

Aansluiting op regionale analyse 2012–2015

Zonder een scherp beeld van de situatie in de regio is het niet mogelijk effectieve maatregelen te nemen voor resultaat in 2016. Succesvol vsv-beleid is en blijft een kwestie van ‘sturen op cijfers’. Daarom heeft u eerder, al dan niet in afstemming met de convenantpartners, een regionale analyse voor de jaren 2012–2015 opgesteld en met uw vsv-accountmanager besproken. Voor het verlengingsjaar 2015–2016 hoeft u geen nieuwe regionale analyse op te stellen. U baseert uw voorstellen voor maatregelen vanzelfsprekend wel op de eerdere analyse van de vsv-problematiek en de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van uw regio. Uw vsv-accountmanager kan u hierbij ondersteunen.

U heeft het schriftelijk verslag van uw regionale analyse naar het onderzoeksbureau opgestuurd. Het onderzoeksbureau heeft dit verslag gebruikt voor de evaluatie van de subsidieregeling. Meer informatie over het onderzoek zal beschikbaar komen op de website www.aanvalopschooluitval.nl. Het verlengingsjaar 2015–2016 maakt geen onderdeel uit van deze evaluatie. Het onderzoeksbureau evalueert dus ook niet de maatregelen die uw regio in het schooljaar 2015–2016 neemt. Momenteel wordt bekeken hoe, met het oog op de toekomst, lering uit de regionale maatregelen kan worden getrokken.

Maatregelen

Bij de beantwoording van deze vraag dient u in te gaan op de maatregelen die in uw RMC-regio worden genomen. U bent vrij in het aantal maatregelen dat u opvoert. Daarbij geven we u in overweging dat het weinig effectief is om veel ‘kleine’ maatregelen zonder samenhang op te voeren of om uiteenlopende maatregelen te bundelen tot één ‘grote’ maatregel. Bepaal in overleg met uw vsv-accountmanager over hoeveel projecten u hier het totale subsidiebedrag verdeelt. Het aantal maatregelen hangt normaliter samen met het totaalbedrag van de beschikbare subsidie: grotere RMC-regio’s voeren naar verwachting meer maatregelen op dan kleinere RMC-regio’s.

U geeft per maatregel het totaalbedrag aan voor het schooljaar 2015–2016. De toegekende middelen worden uitgekeerd in december 2015. U bent zelf verantwoordelijk voor eventuele verschillen in de financiering en het uitgavenpatroon. Voor elke maatregel die uw RMC-regio wil nemen dient u de vragen A tot en met D te beantwoorden.

Let op: Minstens één van de maatregelen dient een plusvoorziening te omvatten, bestemd voor overbelaste jongeren. Deze maatregel moet als titel krijgen ‘Plusvoorziening, subtitel’, bijvoorbeeld ‘Plusvoorziening, Rebound mbo’. Het indicatieve bedrag voor de plusvoorziening in uw RMC-regio volgt uit de subsidieregeling in combinatie met informatie die u krijgt van uw vsv-accountmanager. Mocht uit uw analyse blijken dat er minder dan het indicatieve bedrag besteed moet worden aan de plusvoorziening om het vsv-resultaat te halen, dan mag het resterende budget ook voor andere maatregelen worden ingezet.

Begroting

Ten eerste specificeert u de kosten die u begroot voor de beheers- en coördinatiekosten. Hierin zijn opgenomen de overkoepelende beheers- en coördinatiekosten en de beheers- en coördinatiekosten van specifieke maatregelen. Uit artikel 9 van de subsidieregeling blijkt dat het deel van de subsidie dat bestemd is voor beheers- en coördinatiekosten van de contactschool niet hoger dan tien procent van de toegekende subsidie mag zijn met een maximum van € 150.000 per jaar.

Vervolgens specificeert u de verwachte kosten voor de maatregel(en) met de titel(s) ‘Plusvoorziening, subtitel’. Tot slot specificeert u de begrote kosten voor de overige maatregelen.

U geeft aan wat voor kosten u verwacht te maken. Dit kunnen personele of materiële kosten zijn.

Bij inzet van minder dan 75 procent van het budget dat indicatief beschikbaar is voor de plusvoorziening aan plusvoorzieningen dient u dit te motiveren in het tekstvak (maximaal 200 woorden).