U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2017.

Ministeriële regeling · BWBR0032159

Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 16 oktober 2012, nr. CZ-3131585, houdende nieuwe eisen inzake de ambulancezorg (Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg)Regeling Tijdelijke wet ambulancezorgDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op de artikelen 3, 7, 10 en 11 van de Tijdelijke wet ambulancezorg;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.I.Schippers

In deze regeling wordt verstaan onder:

De Regionale Ambulancevoorziening is in Nederland gevestigd.

De Regionale Ambulancevoorziening verkeert in een dusdanig financiële staat dat deze de continuïteit van de ambulancezorg en het voldoen aan de in deze regeling gestelde eisen niet in gevaar brengt.

De Regionale Ambulancevoorziening voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en aan de door de beroepsgroep ontwikkelde richtlijnen en professionele standaarden, zoals vastgelegd in de landelijke richtlijnen voor de meldkamer en de ambulancezorg.

Voor zover de Regionale Ambulancevoorziening de ambulancezorg, dan wel een deel ervan, laat uitvoeren door een derde, zorgt de Regionale Ambulancevoorziening ervoor dat deze derde handelt volgens de eisen die voor de Regionale Ambulancevoorziening zijn gesteld.

De Regionale Ambulancevoorziening neemt deel aan het ROAZ en voert de adviezen van het ROAZ inzake het oplossen van knelpunten in de acute zorg uit, voor zover dit past binnen de (financiële) mogelijkheden en verantwoordelijkheden.

De Regionale Ambulancevoorziening is ingericht voor het leveren van doelmatige en doeltreffende ambulancezorg, waarbij de verantwoordelijkheidsverdeling bij alle processen is beschreven, inclusief de overleg- en besluitvormingsstructuur. In ieder geval is de Regionale Ambulancevoorziening bestuurlijk zodanig georganiseerd dat slagvaardige besluitvorming over de (daadwerkelijke) uitvoering van de ambulancezorg onder alle omstandigheden is gegarandeerd.

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem voor ambulancezorg.

De Regionale Ambulancevoorziening is verzekerd tegen risico’s verbonden aan ambulancezorg.

De Regionale Ambulancevoorziening beschikt over de benodigde informatievoorzieningen om te kunnen communiceren met andere Regionale Ambulancevoorzieningen en partners in de keten van zorg.

Indien sprake is van een bovenregionale meldkamer ambulancezorg worden afspraken gemaakt over het centrale aanspreekpunt voor de directeur publieke gezondheid en de directeur meldkamer.

De Regionale Ambulancevoorziening heeft een ambulancebijstandsplan, een actueel regionaal gewondenspreidingsplan en een slachtoffervolgsysteem.

De Regionale Ambulancevoorziening verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Degene die buitenlandvervoer wil verzorgen, voldoet aan de eisen van deze paragraaf.

De vervoerder hanteert sectorbreed vastgestelde inzetcriteria die bepalen welk niveau van zorg onder welke omstandigheden geldt als verantwoord buitenlandvervoer.

De vervoerder beschikt over kwalitatief deskundig personeel om verantwoord buitenlandvervoer te kunnen leveren. Hiervoor past de vervoerder in ieder geval een opleidings- en bekwaamheidsbeleid toe onder verantwoordelijkheid en toezicht van de medisch eindverantwoordelijke binnen de organisatie.

De vervoerder heeft een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem.

De vervoerder is verzekerd tegen risico’s verbonden aan het buitenlandvervoer.

De vervoerder verstrekt overige gegevens op verzoek van de minister.

Wijzigt het Besluit 1-1-2 alarmcentrales.

Wijzigt de PODACS-regeling.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Tijdelijke wet ambulancezorg in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Tijdelijke wet ambulancezorg.

Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2016

RIVM Briefrapport 2016-0093

Het RIVM heeft op basis van gegevens over het jaar 2015 berekend hoeveel ambulances er in Nederland nodig zijn. Hieruit blijkt dat er overdag op werkdagen 598 ambulances nodig zijn, tien meer dan uit de vorige doorrekening, over 2012. Ook is er een toename van het aantal benodigde ambulances in de avond en nacht en in het weekend. Zo zijn ‘s avonds op werkdagen 28 ambulances meer nodig dan in de vorige doorrekening. In het weekend varieert dit tussen 13 en 24, afhankelijk van de dag en het tijdstip.

De belangrijkste oorzaak voor het toegenomen aantal benodigde ambulances is de stijging van het aantal spoedeisende inzetten met 18,8 procent tussen 2012 en 2015. Dit komt neer op een jaarlijkse groei van gemiddeld 5,9 procent.

De groei van de spoedeisende ambulancezorg kan deels worden verklaard door demografische ontwikkelingen, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Een andere factor is dat mensen in 2015 vermoedelijk eerder en gemakkelijker een beroep doen op de ambulancezorg dan in 2012. Ook zijn meldkamers de afgelopen jaren overgegaan op andere systemen om 112-meldingen te behandelen en is er een nieuw protocol om ambulances sneller in te zetten.

De benodigde capaciteit van de ambulancezorg in Nederland wordt berekend met behulp van een zogeheten referentiekader. Dit kader definieert het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd, gegeven een aantal randvoorwaarden, zoals de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen.

In opdracht van het ministerie van VWS is het referentiekader van 2013 geactualiseerd met recente cijfers over de vraag naar en het aanbod van ambulances in Nederland. VWS bespreekt de uitkomsten met Ambulancezorg Nederland en Zorgverzekeraars Nederland, waarna de minister het referentiekader vaststelt.

Kernwoorden: ambulancezorg, referentiekader, spreiding en beschikbaarheid, capaciteitsmodel

Based on 2015-data, the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has recalculated the required number of ambulances for each region of the Netherlands. These calculations show that on weekdays during daytime hours, 598 ambulances are needed to meet the demand for ambulance services. That is 10 more ambulances than was calculated in the previous National Ambulance Plan, which was based on 2012-data. For the evening and nighttime, and for the weekends, the number of additional ambulances needed is even larger. On weekday evenings, 28 extra ambulances are needed, and for the weekends, this number varies between 13 and 24, depending on the day and hour.

This increase is attributable to the increased use of urgent ambulance services. The demand for urgent ambulance care increased by 18.8 percent in the period 2012-2015. This is an average increase of 5.9 percent per year. The rise in the demand for urgent care is partly due to demographic developments such as population growth and ageing. In addition, people seem more inclined to make use of ambulance care. The newly implemented dispatch systems in the emergency call centers and a new protocol for a faster dispatch of ambulances may have had an effect on this number.

The ambulance care capacity required in the Netherlands is calculated using a framework that generates the number of ambulances needed to deliver ambulance care in the Netherlands, provided several preconditions are met. These preconditions include the standard response time, which is the maximum time it may take an ambulance to arrive at the site.

The Ministry of Health, Welfare and Sport requested RIVM to update the National Ambulance Plan based on recent data concerning the demand for and provision of ambulance care in the Netherlands. The outcomes were previously discussed with Ambulance Care Netherlands and Health Insurers Netherlands. After publication, the Minister will officially adopt the National Ambulance Plan.

Keywords: ambulance services, EMS, capacity model.

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Het referentiekader wordt periodiek geactualiseerd. In 2016 is het referentiekader opnieuw doorgerekend op basis van productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2015. In deze actualisatie is gebruik gemaakt van dezelfde rekenmodellen als in de vorige doorrekening die in 2013 heeft plaatsgevonden. De doorrekening in 2013 was op basis van de productiecijfers van de ambulancezorg over het jaar 2012.

Ten opzichte van het referentiekader-2013 zijn twee uitgangspunten veranderd:

Productiestijging 2012–2015

In de periode 2012–2015 is de totale productie van de ambulancezorg met 12,5% toegenomen, overeenkomend met een stijging van 4,0% per jaar. De toename van het spoedvervoer, inzetten met A1- of A2-urgentie, is 18,8%. Het besteld vervoer is met 1,9% afgenomen. De stijging van 18,8% in 2012–2015 betekent een gemiddelde jaarlijkse groei van 5,9%. De groei van de spoedeisende ambulancezorg kan deels worden verklaard door demografische ontwikkelingen, zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Een andere factor is dat mensen in 2015 vermoedelijk eerder en gemakkelijker een beroep doen op de ambulancezorg dan in 2012. Ook zijn meldkamers de afgelopen jaren overgegaan op andere systemen om 112-meldingen te behandelen en is er een nieuw protocol voor het sneller inzetten van ambulances. Het nieuwe protocol moet leiden tot kortere responstijden van ambulances.

Grootste stijging in het aantal A1-inzetten

Van de spoedeisende ambulancezorg steeg het aantal inzetten met A1-urgentie het meest. In de periode 2012–2015 is het aantal inzetten met A1-urgentie met 21,8% toegenomen, wat een gemiddelde groei van 6,8% per jaar betekent. Het aantal inzetten met A2-urgentie steeg in deze periode met 13,3%, gemiddeld 4,3% per jaar. In 2015 bestond 48,7% van de totale productie uit A1-inzetten, 24,7% had A2-urgentie en 26,6% was besteld vervoer. In 2012 was 45,0% van het totaal aantal inzetten onder A1-urgentie uitgevoerd en bestond 30,5% van de productie uit besteld vervoer. Het aandeel A2-inzetten was met 24,6% ongeveer gelijk als in 2015.

Nadere selecties voor het referentiekader

Voor het referentiekader wordt een aantal ritten uit de ritstatistieken niet meegenomen als uitvloeisel van de uitgangspunten van het referentiekader. Zo worden inzetten van zogenaamde ‘rapid responders’, ambulances zonder mogelijkheid voor vervoer van de patiënt, waarbij er tevens een ambulance is ingezet voor vervoer van de patiënt, weggelaten. Ook ritten zonder tijdsregistratie en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol worden niet meegenomen. Door het weglaten van deze ritten en door de herverdeling van spoedritten zijn de cijfers in het referentiekader anders dan de productiecijfers die door Ambulancezorg Nederland zijn gepubliceerd.

Gemiddelde ritduur

In het referentiekader wordt voor de ritduur uitgegaan van de tijd die de ambulance bezig is met een inzet: de tijdsduur tussen het vertrek van de ambulance en het moment dat de inzet eindigt. Deze definitie omvat ook de tijd die de ambulance nodig heeft om na een inzet terug te keren naar de standplaats. De gemiddelde ritduur van A1-inzetten is in 2012–2015 op landelijk niveau met bijna een minuut toegenomen: van 61 minuten en 48 seconde in 2012 naar 62 minuten en 42 seconde in 2015. De gemiddelde ritduur voor A2-urgentie is met één minuut en 14 seconde afgenomen van 64 minuten en 18 seconde in 2012 naar 63 minuten en 6 seconde in 2015. De gemiddelde ritduur van het besteld vervoer is in deze periode vrijwel gelijk gebleven.

Referentiekader-2016

Het aantal inzetten samen met de gemiddelde ritduur bepalen het totaal aantal uren ambulancezorg. In het referentiekader wordt hiervoor het benodigd aantal ambulances berekend. Het resultaat is dat op werkdagen overdag (8–16 uur) er 598 ambulances nodig zijn. Dit zijn tien meer dan in het referentiekader-2013 was berekend. Op werkdagen in de nacht (0–8 uur) zijn er elf ambulances meer nodig, in de avonduren zijn er 28 ambulances meer nodig. In de weekenddagen varieert het aantal extra benodigde ambulances van 13 tot 24, afhankelijk van het tijdstip op de dag.

De stijging van het aantal benodigde ambulances op werkdagen buiten kantooruren is groter dan de stijging binnen kantooruren. Dit is een gevolg van de sterke toename van de vraag naar ambulancezorg buiten kantooruren. Het tijdsblok van 8–16 uur is vermoedelijk te smal om de drukste uren in de ambulancezorg te omvatten. De stijging van het aantal benodigde ambulances in het weekend is voor een belangrijk deel een gevolg van de toegenomen vraag naar spoedeisende ambulancezorg in het weekend. Opvallend is dat ook in de avonduren (16–24 uur) op zondagen een stijging van het aantal benodigde ambulances is te zien.

Discussiepunten

De toename van het aantal benodigde ambulances in het referentiekader-2016 verschilt per regio, per soort dag en per tijdsinterval (blokuur). Het extra aantal benodigde ambulances is voor sommige regio’s op werkdagen in de avonduren twee of soms drie, voor andere regio’s nul. Deze verschillen treden op ondanks het feit dat alle regio’s in de periode 2012–2015 een productiestijging hebben gehad. Er zijn twee verklaringen voor het feit dat niet in alle regio’s een stijging van de productie leidt tot meer benodigde ambulances: de toe- of afname van het besteld vervoer en de ontwikkeling van de gemiddelde ritduur.

In sommige regio’s is een sterke daling van het besteld vervoer geweest. In de berekening van de benodigde capaciteit kan dit leiden tot één tot twee minder ambulances voor het besteld vervoer. Alle regio’s hebben een stijging van het spoedvervoer gehad. Dit leidt tot één of twee extra benodigde ambulances. Bij regio’s met een daling van het besteld vervoer kan het netto resultaat van het referentiekader-2016 zijn dat er geen extra benodigde ambulances worden berekend.

De capaciteitsberekening van het referentiekader gaat uit van het totaal aantal uren ambulancezorg dat door een regio is geleverd. Een lagere gemiddelde ritduur in combinatie met een productiestijging kan resulteren in nul extra benodigde ambulances. Regio’s hebben de volgende verklaringen gegeven voor een lagere gemiddelde ritduur:

Aanbevelingen voor een volgende actualisatie

Er zijn aantal ontwikkelingen in de uitvoering van de ambulancezorg die aanleiding kunnen zijn voor een discussie over en eventuele herziening van een aantal aspecten van het referentiekader. De vraag kan bijvoorbeeld gesteld worden of de gegevensbewerking voor het referentiekader aangepast moet worden omdat in de praktijk het protocol Directe inzet ambulances wordt toegepast. Ook kan er een discussie worden gevoerd of de stijging van het aantal inzetten waarbij eerste hulp verleend wordt maar geen vervoer van de patiënt plaatsvindt, aanleiding is voor een aanpassing van de randvoorwaarden en uitgangspunten.

Het Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is een model voor de ambulancezorg waarin per regio in Nederland wordt vastgesteld hoeveel ambulances minimaal nodig zijn om aan de vraag naar ambulancezorg te voldoen. Daarbij wordt eveneens rekening gehouden met de capaciteit die nodig is om een voldoende geografische dekking te garanderen. Hiervoor is een geografische spreiding van standplaatsen gehanteerd waarmee in elke regio minstens 97% van de bevolking binnen 12 minuten rijtijd kan worden bereikt. In het referentiekader wordt aan de hand van vooraf gekozen uitgangspunten en randvoorwaarden modelmatig de benodigde spreiding en capaciteit berekend. De uitgangspunten en randvoorwaarden beschrijven een bepaald minimumniveau voor de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg. Het rekenmodel waarmee de benodigde capaciteit wordt berekend is hierop toegesneden. De berekeningen zijn gebaseerd op ritgegevens van de ambulancezorg in een basisjaar. De uitkomsten van het referentiekader vormen de basis voor het bekostigingsmodel voor de ambulancezorg dat door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wordt beheerd.

De minister van VWS stelt het referentiekader vast. Dat gebeurde voor het eerst in 2004, actualisaties volgden in 2008 en in 2013 (Ministerie van VWS, 2004; 2008; 2013). De eerste versie van het referentiekader is in 2004 opgesteld in het kader van het Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ, 2004). Daar ging een onderzoek naar spreiding en beschikbaarheid aan vooraf (Kommer et al., 2003). De actualisaties in 2008 en 2013 gingen gepaard met een periode van discussie over de randvoorwaarden en uitgangspunten en van uitkomsten van het rekenmodel. De discussie werd gevoerd in een expertteam, een overleg met vertegenwoordigers van de ambulancesector, zorgverzekeraars en het ministerie. Het RIVM ondersteunde de discussie met onderzoek en analyses en verzorgde de definitieve doorrekening van het referentiekader (Kommer en Zwakhals, 2009; 2013a). Naast deze rapportages van het referentiekader zijn de afgelopen jaren twee achtergrondrapporten gepubliceerd. In 2011 zijn de modellen van het referentiekader gedocumenteerd (Kommer en Zwakhals, 2011) en in 2013 is een rapportage uitgebracht waarin verschillende analyses van de ambulancezorg zijn gegeven en waarin een aantal modelvarianten is uitgewerkt (Kommer en Zwakhals, 2013). In het rapport uit 2013 is tevens een uitgebreid overzicht gegeven van de randvoorwaarden en uitgangspunten van het referentiekader.

Actualisatie van het referentiekader in 2016

In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM het referentiekader in 2016 geactualiseerd op basis van ritgegevens over het productiejaar 2015. Hierbij zijn het spreidings- en capaciteitsmodel dezelfde als in de doorrekening van 2013. De uitgangspunten en randvoorwaarden zijn ook gelijk gebleven, op twee uitgangspunten na. Ten eerste worden nu inzetten van de Nederlandse ambulancezorg in het buitenland wel meegenomen in de ritgegevens. In vorige versies van het referentiekader werden deze inzetten uit de selectie van ritten gefilterd. Ten tweede wordt nu gebruik gemaakt van een in 2016 geactualiseerd rijtijdenmodel. Met het nieuwe rijtijdenmodel worden verzorgingsgebieden van standplaatsen iets anders dan in 2013, toen de 2012-versie van het rijtijdenmodel werd gebruikt. Als gevolg van de andere verzorgingsgebieden is de herverdeling van spoedeisende inzetten anders dan in 2013.

Terminologie

In de toelichting op de bewerking van de ritgegevens voor de doorrekening van het referentiekader is het noodzakelijk om bepaalde kenmerken van de ambulancezorg en de geregistreerde ritgegevens te bespreken. De terminologie die in dit rapport wordt gehanteerd sluit aan bij het Uniform Begrippenkader Ambulancezorg van Ambulancezorg Nederland (AZN, 2013a).Voor de leesbaarheid wordt in enkele gevallen alternatieve terminologie gebruikt. Meestal wordt de term inzet gehanteerd voor een dienstverlening door een ambulance maar soms spreken we van een rit. In de meeste gevallen vindt er bij een inzet/rit daadwerkelijk vervoer van de patiënt plaats, dit zijn declarabele inzetten. In een aantal gevallen wordt ter plaatse eerste hulp verleend maar vindt geen vervoer van de patiënt plaats. Dit zijn EHGV-inzetten (Eerste hulp geen vervoer). In sommige gevallen wordt geen patiënt aangetroffen of wordt ter plaatse geconcludeerd dat hulpverlening niet noodzakelijk is. In die gevallen is er noch hulpverlening geweest noch vervoer. Dit zijn zogenaamde loze ritten. In al deze gevallen is de ambulance ter plaatse gekomen. Er zijn ook gevallen waarbij de inzet vroegtijdig wordt geannuleerd. Als de ambulance op het tijdstip van annulering al rijdt is er sprake van een afgebroken rit. Als het ambulanceteam wel een opdracht heeft gekregen, maar nog niet is uitgerukt, is er sprake van een geannuleerde rit. Inzetten van de ambulance hebben altijd een urgentiecodering. Voor spoedeisende inzetten is dit een A-urgentie. Bij levensbedreigende situaties wordt een inzet onder A1-urgentie uitgevoerd, anders is er A2-urgentie. Naast de spoedeisende inzetten zijn er ook planbare inzetten. Dit zijn inzetten waarbij een tijdstip wordt afgesproken voor het halen of brengen van een patiënt. Vaak wordt de patiënt van of naar een ziekenhuis of andere zorginstelling gebracht voor therapie of behandeling. Het planbare vervoer wordt soms ook besteld vervoer of B-vervoer genoemd.

De regio-indeling van het referentiekader wijkt af van de reguliere RAV-indeling omdat in het referentiekader de zogenaamde ‘eilandbenadering’ wordt gehanteerd. In deze benadering wordt de capaciteitsberekening voor de Waddeneilanden, voor Goeree-Overflakkee en voor de Zeeuwse (schier-)eilanden apart berekend. Ook wordt de capaciteitsberekening voor de regio’s Zaanstreek-Waterland en Amsterdam-Amstelland apart gedaan, waar deze twee regio’s organisatorisch één geheel vormen. In Bijlage 1 is een nummering gegeven van de regio’s zoals in het referentiekader gehanteerd. Deze nummering wordt in een aantal tabellen in dit rapport gehanteerd. Voor de productiecijfers, zoals gehanteerd in het sectorrapport Ambulances in zicht, hanteren we de term ‘RAV’, voor de indeling van het referentiekader hanteren we de term ‘regio’.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de productiecijfers van de Nederlandse ambulancezorg besproken. Paragraaf 2.1 geeft de cijfers zoals die in het sectorrapport Ambulances in zicht zijn gepubliceerd. De selecties die voor het referentiekader-2016 zijn gedaan worden in paragraaf 2.2 besproken. Paragraaf 2.3 presenteert de gemiddelde ritduur in 2015. Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader. De veranderde uitgangspunten en randvoorwaarden worden in paragraaf 3.1 besproken. Paragraaf 3.2 geeft de uitkomsten van de stapsgewijze actualisatie van het referentiekader en sluit af met de uitkomsten van het referentiekader-2016. Hoofdstuk 4 geeft de conclusies en geeft een discussie op de actualisatie van het referentiekader.

Cijfers over de vraag naar, het aanbod van en de prestaties in de ambulancezorg in Nederland wordt jaarlijks door Ambulancezorg Nederland (AZN) gepubliceerd in het sectorrapport Ambulances in zicht. Het RIVM verzorgt sinds 2008 de verzameling en analyse van de logistieke gegevens (Ambulancezorg Nederland, 2008; 2009; 2010; 2011; 2012; 2013; 2014; 2015; 2016). In de jaarlijkse cyclus wordt in januari begonnen met het verzamelen van ritgegevens. Meestal zijn de productie- en prestatiecijfers in juni vastgesteld. Voor deze vaststelling is er afstemming van de RIVM-analyses met de 24 Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV’s). Er wordt aan elke RAV goedkeuring gevraagd van de door het RIVM geanalyseerde productie- en prestatiecijfers.

In 2016 was meer tijd nodig voor het vaststellen van de ritgegevens omdat van een aantal regio’s de ritgegevens onvolledig of onjuist waren. Onder meer door de CAO-acties onder het ambulancepersoneel in 2015 waren van een aantal regio’s de ritgegevens niet volledig. Ook de invoering van nieuwe automatiseringssystemen in sommige regio’s leidde tot onjuiste of onvolledige datasets. Het oplossen van deze problemen nam tijd in beslag waardoor de doorrekening van het referentiekader later dan gepland is uitgevoerd.

In dit hoofdstuk worden in paragraaf 2.1 de productiecijfers van de ambulancezorg in 2015 besproken. Er is ook een vergelijking gemaakt met de cijfers over 2012. Als groeicijfers over het gebruik van ambulancezorg worden genoemd zijn deze gebaseerd op de productiecijfers in paragraaf 2.1. Voor toepassing in het referentiekader zijn in paragraaf 2.2 een aantal selecties uitgevoerd en bewerkingen gedaan. Onder andere worden spoedeisende inzetten herverdeeld naar dichtstbijzijnde standplaats. Ook hanteert het referentiekader een andere regio-indeling dan de algemeen gehanteerde RAV-indeling. Daarom zijn de cijfers die toegepast worden in het referentiekader minder geschikt voor het bespreken van de groei in het zorggebruik. De gemiddelde ritduur die in paragraaf 2.3 wordt gepresenteerd is een belangrijke parameter in het capaciteitsmodel van het referentiekader omdat deze mede bepalend is voor het totaal aantal uren geleverde ambulancezorg.

De ruwe rittendatabases die door de RAV’s worden geleverd bevatten meer dan alleen inzetten van de reguliere ambulancezorg. In sommige regio’s komen in de databases ook inzetten voor van huisartsen, huisartsenposten (HAP’s), thuiszorg, andere zorgverleners of inzetten van mobiele medische teams (MMT’s). Ook worden inzetten van andere vervoerders geregistreerd of inzetten in dienst van de GHOR. Voor de productiecijfers van de reguliere ambulancezorg worden dit soort inzetten uitgesloten. In totaal gaat het om de volgende uitsluitingen:

Voor de productiecijfers worden verder alleen inzetten geselecteerd die voortkomen uit een melding en waarbij de ambulance daadwerkelijk heeft gereden. Dat betekent dat de volgende inzetten worden uitgesloten:

En om dubbeltellingen te voorkomen worden de volgende inzetten uitgesloten:

Deze inzetten zijn overgedragen aan een andere meldkamer ambulancezorg. Een inzet wordt alleen meegeteld bij de RAV die de inzet heeft uitgevoerd.

Tabel 2.1 geeft een overzicht van de productiecijfers 2012 en 2015. Deze cijfers zijn (2012-data) of worden (2015-data) gepubliceerd in Ambulances in zicht (AZN, 2013; 2016). Er zijn twee verschillen met de cijfers in Ambulances in zicht. Het eerste betreft inzetten van de ambulancedienst Schiphol. In 2012 zijn die niet opgenomen in de productie van RAV Kennemerland, in 2015 wel. In Tabel 2.1 is hiervoor gecorrigeerd, de cijfers van RAV Kennemerland zijn in beide gevallen exclusief inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. De tweede correctie betreft inzetten van de zogenaamde ‘hulpambulance’2 in RAV Haaglanden. In 2012 waren inzetten van de hulpambulance niet in de ritstatistieken opgenomen, in 2015 wel. Het ging toen om 13.574 inzetten. De cijfers in Tabel 2.1 van RAV Haaglanden over 2012 zijn hiervoor gecorrigeerd.

In de periode 2012–2015 is de totale productie van de ambulancezorg met 12,5% toegenomen, overeenkomend met een stijging van 4,0% per jaar. Het spoedvervoer is toegenomen, het besteld vervoer afgenomen. In de periode 2012–2015 is het aantal inzetten met A1-urgentie met 21,8% toegenomen, wat een gemiddelde groei van 6,8% per jaar betekent. Het aantal inzetten met A2-urgentie steeg in deze periode met 13,3%, dat is gemiddeld 4,3% per jaar. De afname van het besteld vervoer was 1,9%, overeenkomend met een gemiddelde afname van -0,6% per jaar. In 2015 bestond 48,7% van de totale productie uit A1-inzetten, 24,7% had A2-urgentie en 26,6% was besteld vervoer. In 2012 was 45,0% van het totaal aantal inzetten onder A1-urgentie uitgevoerd en bestond 30,5% van de productie uit besteld vervoer. Het aandeel A2-inzetten was met 24,6% ongeveer gelijk als in 2015. De afname van het besteld vervoer is gepaard gegaan met een toename van het A1-vervoer.

De verandering van het aantal inzetten in de periode 2012–2015 verschilt tussen de regio’s en hangt af van de urgentie. De toename van het aantal A1-inzetten varieerde tussen 4,1 (Gooi- en Vechtstreek) en 100,4% (Drenthe). In dezelfde regio’s vonden de grootste veranderingen in het aantal A2-inzetten plaats. Drenthe had een daling van 31,1% van het aantal A2-inzetten, Gooi- en Vechtstreek had met 53,0% de hoogste groei. Dit wijst op een verschuiving in indicatie van A2 naar A1-urgentie (Drenthe) en andersom (Gooi- en Vechtstreek). In 11 regio’s was er een daling van het besteld vervoer, in 6 gevallen was er 10% of meer productievermindering. In 13 regio’s was er een stijging van het besteld vervoer. Deze stijging was tussen de 1 en 10%.

Kanttekening bij de productiecijfers-2015

De laatste jaren wordt door vrijwel alle meldkamers in Nederland gebruik gemaakt van het protocol Directe Inzet Ambulance (DIA). Hierbij wordt een ambulance-opdracht tot vertrek gegeven terwijl de uitvraag van de melding nog niet is voltooid. Er is dan een overlap tussen de meldtijd en de uitruk- en de rijtijd. Als de melding leidt tot een inzet wordt bij DIA een kortere responstijd gerealiseerd.

Bij DIA is de eerste opdrachtverlening onder A2-urgentie. Als de uitvraag van de melding is voltooid zijn er twee mogelijke situaties: (1) de inzet wordt vervolgd, hierbij kan de urgentie worden omgezet naar A1 of de inzet wordt onder A2-urgentie voortgezet, of (2) de inzet wordt afgebroken en de ambulance keert terug naar zijn stationeringsplaats (standplaats of ander vertrekpunt). Het DIA-protocol wordt pas sinds enkele jaren gehanteerd. Geconstateerd is dat er verschillen tussen de regio’s zijn in de manier waarop de afgebroken DIA-inzetten worden geregistreerd. In sommige regio’s worden onder DIA afgebroken inzetten met een aparte code geregistreerd. In andere regio’s worden deze niet onderscheiden van andersoortige (reguliere) afgebroken inzetten. Ook komt het voor dat een regio onder DIA afgebroken inzetten als geannuleerde inzet registreert.

In de selecties van de productiecijfers geldt dat afgebroken inzetten meegenomen worden in de productiecijfers, geannuleerde ritten niet. Door de diversiteit in registratie van afgebroken DIA-inzetten worden in sommige regio’s DIA-inzetten meegenomen in de productie, in andere regio’s niet. Door het ontbreken van landelijke uniformiteit zijn de productiecijfers over 2015 in Tabel 2.1 niet helemaal vergelijkbaar. Dat betekent ook dat de groeicijfers beïnvloed zijn door deze verschillen in registratiewijze.

Valideren van het afhaaladres

Verschillende analyses van de ritgegevens maken gebruik van het ‘afhaaladres’, de locatie waar de ambulance naar toe rijdt om hulp te verlenen. In spoedeisende gevallen is dit de plaats van het incident dat aanleiding geeft tot de ambulance inzet, bij besteld vervoer is dit de locatie waar de patiënt opgehaald wordt, het ziekenhuis, een andere zorginstelling of het woon- of verblijfadres van de patiënt. In de ritgegevens wordt het afhaaladres geregistreerd als een adres, inclusief een zespositie postcode (vier cijfers en twee letters). Het RIVM leidt hiervan een vierpositie postcode af. Ook wordt de vierpositie postcode gevalideerd, dat wil zeggen dat wordt nagegaan of het een bestaande en logische code is. In een aantal gevallen is de postcode niet valide, ofwel omdat een niet-bestaande zespositie postcode is vastgelegd, ofwel omdat een code oneigenlijk wordt gebruikt. Bijvoorbeeld worden de codes ‘9999’ of ‘1111’ vaak oneigenlijk gebruikt. In deze gevallen kan een analyse op basis van de vierpositie postcode van het afhaaladres tot onzuivere uitkomsten leiden. Het RIVM heeft zich ingespannen om een valide vierpositie postcode af te leiden, maar heeft niet altijd kunnen voorkomen dat er soms een onjuiste vierpositie postcode wordt afgeleid.

Er zijn ook inzetten waarbij het afhaaladres of de zespositie postcode niet is geregistreerd. In die gevallen is gekeken naar de plaats van het afhaaladres en is de centroïde van de plaatsnaam gehanteerd als vierpositie postcode van het afhaaladres. Als ook de plaatsnaam van het afhaaladres niet bekend was, is de centroïde van de uitvoerende RAV gebruikt als vierpositie postcode van het afhaaladres.

Van 96,9% van de inzetten in 2015 is de vierpositie postcode bepaald aan de hand van de zespositie postcode van het afhaaladres. Van 2,7% van de ritten is de centroïde van de plaatsnaam gehanteerd. In 0,4% van de gevallen was ook de plaatsnaam niet bekend en is de vierpositie postcode bepaald aan de hand van de centroïde van de RAV.

Tabel 2.1: Productiecijfers 2012 en 2015 naar urgentie in de periode 2012–2015 (bron: AZN 2012; 2016, cijfers bewerkt door RIVM).

1 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van RAV Kennemerland over 2015 verminderd met inzetten van ambulancedienst Schiphol (533 A1-inzetten, 175 A2-inzetten 9 B-ritten). In 2012 waren inzetten van de ambulancedienst van Schiphol niet meegenomen in de productie van RAV Kennemerland.

2 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van het B-vervoer van RAV Haaglanden in 2012 verhoogd met 13.574 inzetten van hulpambulances. In 2015 zijn inzetten van de hulpambulance al opgenomen in de productie van RAV Haaglanden.

Tabel 2.1 (vervolg): Productiecijfers 2012 en 2015 naar urgentie in de periode 2012–2015 (bron: AZN 2012; 2016., cijfers bewerkt door RIVM).

1 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van RAV Kennemerland over 2015 verminderd met inzetten van ambulancedienst Schiphol (533 A1-inzetten, 175 A2-inzetten 9 B-ritten). In 2012 waren inzetten van de ambulancedienst van Schiphol niet meegenomen in de productie van RAV Kennemerland.

2 : Voor de vergelijkbaarheid is de productie van het B-vervoer van RAV Haaglanden in 2012 verhoogd met 13.574 inzetten van hulpambulances. In 2015 zijn inzetten van de hulpambulance al opgenomen in de productie van RAV Haaglanden.

De cijfers die worden gehanteerd in het referentiekader wijken iets af van de productiecijfers in tabel 2.1 omdat er een aantal bewerkingen en aanvullende selecties worden gedaan. Deze bewerkingen zijn beschreven in Bijlage 1 van het RIVM rapport Referentiekader-2013 (Kommer en Zwakhals, 2013a). Ten opzichte van 2013 is voor de actualisatie in 2016 één bewerking bijgekomen. Inzetten in het buitenland worden nu niet uitgefilterd. In eerdere doorrekeningen van het referentiekader werden inzetten in het buitenland uit de rittenselectie verwijderd. Dat deze inzetten nu wel worden meegenomen heeft gevolgen voor grensregio’s. In het bijzonder voor Zeeland omdat bij het besteld vervoer in Zeeuws Vlaanderen een groot aantal patiënten van en naar Belgische ziekenhuizen wordt gebracht. In 2015 waren er 364 besteld vervoer inzetten van RAV Zeeland met afhaaladres in België. Een andere bewerking betreft inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. In de ritgegevens van 2012 waren deze inzetten niet aanwezig in de productie van RAV Kennemerland. In 2015 wel. In tabel 2.1 zijn de productiecijfers van RAV Kennemerland gecorrigeerd voor deze inzetten. Voor het referentiekader worden deze inzetten niet in de selectie meegenomen.

Ten opzichte van de productiecijfers in Tabel 2.1 worden voor het referentiekader de volgende inzetten uit de selectie verwijderd:

Naast het uitfilteren van deze inzetten is er een herverdeling van spoedritten:

Buitenlandritten in de herverdelingssystematiek

Inzetten in het buitenland betreffen inzetten door Nederlandse ambulances in België en Duitsland. Het gaat hierbij om 415 inzetten met B-urgentie en 57 inzetten met A-urgentie, het merendeel van deze inzetten is gedaan door de RAV’s Zeeland en Midden- en West Brabant. De 415 inzetten met B-urgentie zijn conform bovenstaande punt 4 toegewezen aan de uitvoerende RAV. Deze inzetten zijn ook meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur van het besteld vervoer, zie paragraaf 2.3. De herverdeling naar dichtstbijzijnde standplaats zoals in punt 4 beschreven was voor het spoedvervoer niet mogelijk omdat de afhaaladressen in het buitenland niet in de herverdelingsmethodiek zijn meegenomen. Daarom zijn de 57 inzetten met A-urgentie net als bij het B-vervoer aan de uitvoerende RAV toegedeeld. Deze inzetten zijn niet meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur van spoedeisende inzetten.

Ambulancedienst Schiphol en de herverdelingssystematiek

De productiecijfers van RAV Kennemerland over 2015 bevatten ook inzetten van de ambulancedienst van Schiphol. De cijfers van Tabel 2.1 zijn gecorrigeerd voor deze inzetten, maar in de landelijke database met ritgegevens kunnen deze inzetten niet worden onderscheiden. Daarom konden deze niet voorafgaand aan de herverdeling worden uitgefilterd maar moest dit na de herverdeling. In de herverdeling van de spoedritten worden inzetten van de ambulancedienst van Schiphol met A1- en A2-urgentie toegewezen aan de dichtstbijzijnde standplaats. De dichtstbijzijnde standplaats is de standplaats Aalsmeer, behorende bij de RAV Amsterdam-Amstelland. Na de herverdeling zijn de aan standplaats Aalsmeer toegedeelde ritten verminderd met de 708 spoedritten van de ambulancedienst Schiphol. Het B-vervoer wordt niet herverdeeld. Daarom is de productie B-vervoer van RAV Kennemerland verminderd met de negen B-ritten van de ambulancedienst van Schiphol.

Tabel 2.2 geeft de aantallen ritten die op grond van bovenstaande criteria 1–3 zijn uitgefilterd, zowel voor het jaar 2012 als voor 2015 (inclusief inzetten van de ambulancedienst van Schiphol). De cijfers uit 2012 zijn ontleend aan de rapportage van het referentiekader-2013 (Kommer en Zwakhals, 2013a). Kaart 2.1 geeft een overzicht van de verzorgingsgebieden van de standplaatsen in het referentiekader. Op basis van deze geografische gebiedsindeling zijn de spoedritten herverdeeld. De gebieden waar een herverdeling van het aantal inzetten plaatsvindt, zijn gegeven in Kaart 2.2. Tabel 2.3 geeft de herverdeelde ritten voor het spoedvervoer. Tabel 2.4 geeft een samenvatting van de herverdeling van de productiecijfers voor het referentiekader. Tabel 2.5 geeft de ritten voor het besteld vervoer. Tabel 2.6 geeft de productiecijfers zoals opgenomen in het referentiekader en een vergelijking met de productiecijfers van het referentiekader-2013.

Tabel 2.3 moet als volgt worden gelezen. De totale productie volgens Tabel 2.1, maar nu zonder de correctie voor de ambulancedienst van Schiphol, staat per RAV gegeven in de onderste rij. In de rijen daarboven staan de ritten die uit de selectie zijn verwijderd. In de rij ‘Buitenland’ zijn inzetten in het buitenland gegeven, deze doen niet mee in de herverdeling. De rij ‘Totaal in herverdeling’ geeft het aantal inzetten dat is gebruikt in de herverdelingssystematiek. Deze ritten zijn verdeeld volgens de cellen in de overige rijen. Bijvoorbeeld worden 429 inzetten van RAV Groningen aan Friesland toegedeeld (vaste land gebied) en 1.302 aan Drenthe. Op een soortgelijke manier ontvangt Groningen 299 inzetten van RAV Friesland en 1.783 inzetten van RAV Drenthe. De kolom ‘Totaal na herverdeling’ geeft het totaal aantal inzetten dat na herverdeling aan een regio wordt toegewezen. Voor de capaciteitsberekening worden daar inzetten in het buitenland bij opgeteld en inzetten van de ambulancedienst Schiphol afgetrokken. Dat brengt het totaal aantal spoedeisende inzetten in het referentiekader op 906.355.

Tabel 2.5 is makkelijker te lezen omdat hier alleen voor de regio’s met een eilandbenadering B-ritten worden herverdeeld. De onderste rij ‘Totale productie’ geeft de productie van het besteld vervoer volgens Tabel 2.1. Het aantal ritten zonder tijdsregistratie en het aantal B-ritten door de ambulancedienst Schiphol worden in mindering gebracht. Vervolgens worden voor de eilanden ritten toegewezen op basis van het afhaaladres. De kolom ‘Totaal in het referentiekader’ geeft het aantal B-ritten dat gebruikt is in het referentiekader.

Het aantal inzetten dat door de herverdeling van spoedritten tussen de regio’s plaatsvind kan afgelezen worden uit Tabel 2.3, in combinatie met het kaartbeeld van Kaart 2.2

Tabel 2.2: Overzicht van de uitgefilterde ritten in de selecties voor het referentiekader in 2012 en 2015(1).

1 : De productie 2012 is conform Tabel 2.1 en is exclusief de inzetten van de ambulancedienst van Schiphol en inclusief 13.574 inzetten van de hulpambulance van RAV Haaglanden.

2 : De productie 2015 is conform Tabel 2.1 en is exclusief inzetten van de ambulancedienst van Schiphol en inclusief inzetten van de hulpambulance van RAV Haaglanden.

Kaart 2.1: Verzorgingsgebieden van standplaatsen in het referentiekader.

Kaart 2.2: Verschil tussen RAV-regio’s en de gebieden die op basis van verzorgingsgebieden van standplaatsen een regio worden toegewezen.

Tabel 2.3: Herverdeling van spoedritten op basis van verzorgingsgebieden van de spreiding van het referentiekader: in de kolommen staan de cijfers van de RAV die de productie heeft verzorgd (Tabel 2.1, zonder correctie voor inzetten van ambulancedienst Schiphol), in de rijen zijn de ritten toegedeeld aan de regio in het capaciteitsmodel (zie paragraaf 2.2 voor toelichting op de berekeningswijze).

1 : AMS = Ambulancedienst Schiphol;

2 : Tijdreg= ritten uitgesloten omdat deze geen tijdsregistratie hadden;

3 : RR= ritten van rapid responder uitgesloten omdat er een vervolgauto was.

Tabel 2.3 (vervolg)

1 : AMS = Ambulancedienst Schiphol;

2 : Tijdreg= ritten uitgesloten omdat deze geen tijdsregistratie hadden;

3 : RR= ritten van rapid responder uitgesloten omdat er een vervolgauto was.

Tabel 2.4: Overzicht van de spoedritten per RAV na herverdeling voor het referentiekader.(1)

1 : Inzetten in het buitenland en inzetten van de ambulancedienst Schiphol doen niet mee in de herverdeling van ritten maar zijn wel opgenomen in de productie 2015 in de derde kolom. De totale productie in het referentiekader is opgebouwd uit de totale productie in 2015 verminderd met het aantal uitgefilterde ritten in kolom 4 en vermeerderd met het netto verschil van de herverdeling. Voor de RAV Amsterdam-Waterland moet dit nog worden verminderd met inzetten van de ambulancedienst Schiphol.

Tabel 2.5: Toedeling van besteld vervoer ritten op basis van uitvoerende RAV, met uitzondering van de eilanden en regio 11 (Zaanstreek-Waterland), waarvoor ritten zijn herverdeeld op basis van afhaaladres.

(1) : AMS = Ambulancedienst Schiphol

Tabel 2.5 (vervolg): Toedeling van besteld vervoer ritten

(1) : AMS = Ambulancedienst Schiphol

(2) : Totaal over alle RAV’s/regio’s.

Tabel 2.6: Productiecijfers 2012 en 2015 per RAV zoals gehanteerd in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg in 2013 en 2016.(1)

1 : In deze productiecijfers zijn zowel in 2012 als in 2015 de productie van hulpambulances in RAV Haaglanden meegenomen en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uitgesloten.

Tabel 2.6 (vervolg): Productiecijfers 2012 en 2015 per RAV zoals gehanteerd in het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg in 2013 en 2016 (1).

1 : In deze productiecijfers zijn zowel in 2012 als in 2015 de productie van hulpambulances in RAV Haaglanden meegenomen en inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uitgesloten.

In de capaciteitsberekening van het referentiekader wordt het aantal benodigde ambulances bepaald aan de hand van het aantal uren ambulancezorg dat is geleverd. Het aantal uren ambulancezorg wordt berekend door het aantal inzetten te vermenigvuldigen met een gemiddelde ritduur. Om een gemiddelde ritduur te bepalen is het noodzakelijk om eerst de ritduur van een inzet te definiëren.

De definitie die in de actualisatie-2016 is gehanteerd is dezelfde als in het referentiekader-2013 en is als volgt:

In de berekening van de gemiddelde ritduur worden, net als in de systematiek van 2013, extreme waarden niet meegenomen:

De gemiddelde ritduur wordt per regio (34 regio’s) en urgentietype (3 urgenties), per tijdsinterval van twee uur (12 blokuren) en soort dag (werkdag, zaterdag, zondag) berekend. In totaal is van 3.672 combinaties van regio-urgentie-blokuur-dagsoort de gemiddelde ritduur bepaald. In 214 gevallen is een gemiddelde ritduur van nul minuten berekend. In 210 gevallen is dit omdat er geen ritten zijn verreden in betreffend tijdsinterval. In vier gevallen was er één rit verzorgd, maar deze voldeed niet aan de criteria om te gebruiken voor de gemiddelde ritduur.

De 415 besteld vervoer inzetten in het buitenland in 2015 zijn integraal meegenomen in de berekening van de gemiddelde ritduur. In de berekening van de gemiddelde ritduur van het spoedvervoer zijn de 57 inzetten in het buitenland niet meegenomen omdat de ritduur wordt bepaald na herverdeling van ritten en de buitenlandritten niet zijn meegenomen in de herverdeling.

Figuur 2.1 geeft de (geaggregeerde) gemiddelde ritduren in 2012 en 2015 per RAV en per urgentieklasse.

Regionaal zijn er grote verschillen in de verandering van gemiddelde ritduur. Deze is voor A1-inzetten in bijna de helft van de regio’s toegenomen. Per regio varieert de verandering in gemiddelde ritduur tussen een toename van 5 minuten en 30 secondes tot een afname van ruim 5 minuten. Bij A2-inzetten zijn de verschillen nog groter. Daar varieert de verandering in gemiddelde ritduur tussen een toename van ruim 7 minuten tot een afname van ruim 7 minuten. In zeven van de tien regio’s was er een afname van de gemiddelde ritduur. Bij het vergelijken van de gemiddelde ritduur van het besteld vervoer valt op dat een groot aantal regio’s een relatief kleine verandering in gemiddelde ritduur laat zien. Enkele regio’s hebben echter wel een grote verandering, variërend van een toename van bijna 12 minuten tot een afname van ruim 35 minuten.

Figuur 2.2 geeft in een histogram de vergelijking tussen de ritduren in 2012 en 2015 op ritniveau. De toename van het aantal A1-inzetten in 2015 ten opzichte van 2012 is zichtbaar, evenals de lichte verschuiving naar een hogere ritduur. De toename in het aantal A2-inzetten is veel minder groot. De afname van de landelijke gemiddelde ritduur van A2-inzetten is veroorzaakt door een veel hoger aantal inzetten met een lage ritduur. Vermoedelijk is dit gerelateerd aan het aantal geannuleerde inzetten in het kader van DIA (zie paragraaf 2.1 voor een toelichting op het DIA-protocol). De histogrammen van het B-vervoer in 2012 en 2015 zijn opvallend bijna gelijk.

Figuur 2.1: Gemiddelde ritduur in 2012 en 2015 per regio en per urgentieklasse (minuten).

Figuur 2.2: Aantal inzetten naar ritduur in 2012 en 2015, per urgentieklasse (minuten).

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de actualisatie van het referentiekader-2016 gepresenteerd. In paragraaf 3.1 worden de uitgangspunten en randvoorwaarden genoemd die anders zijn dan in het referentiekader-2013. In paragraaf 3.2 wordt stapsgewijs het referentiekader geactualiseerd. Hiermee worden de effecten van de verschillende onderdelen van het capaciteitsmodel zichtbaar. Deze paragraaf sluit af met een tabel met de eindresultaten van de actualisatie.

Ten opzichte van het referentiekader-2013 zijn twee uitgangspunten veranderd:

Door het meenemen van inzetten in het buitenland heeft wordt de productie van bepaalde grensregio’s iets hoger dan de binnenlandse productie alleen. Door het gebruik van het nieuwe rijtijdenmodel verschillen de verzorgingsgebieden van standplaatsen iets ten opzichte van de 2013-doorrekening. Hierdoor is de herverdeling van spoedeisende inzetten iets anders dan in 2013. Deze herverdeling gebeurt als gevolg van het uitgangspunt dat een inzet door de dichtstbijzijnde standplaats wordt uitgevoerd.

Verder zijn, conform de afspraken met de opdrachtgever, alle andere uitgangspunten en randvoorwaarden gelijk gebleven aan het vorige referentiekader.

Het actualiseren van het referentiekader-2013 naar 2016 is in de volgende vier stappen uitgevoerd.

De effecten van deze stapsgewijze actualisatie op de landelijke uitkomsten van het referentiekader zijn gegeven in Tabel 3.1. De cijfers per regio zijn opgenomen in Bijlage 3. De uitkomsten van het referentiekader-2016 per regio zijn gegeven in Tabel 3.2. De verschillen ten opzichte van het referentiekader-2013 zijn gegeven in Tabel 3.3.

De tabellen 3.1, 3.2 en 3.3 geven ook het gewogen gemiddelde van het aantal ambulances. Dit is een maat voor het totaal aantal ambulances over alle dagsoorten en blokuren.

Tabel 3.1: Stapsgewijze actualisatie van het referentiekader-2013 met productiecijfers-2015: aantal benodigde ambulances en het verschil ten opzichte van het referentiekader-2013.

1 : Bij het actualiseren van het spoedvervoer zijn ook inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uit de productiestatistieken verwijderd.

2 : grd = gemiddelde ritduur

Tabel 3.2: Resultaten van de capaciteitsberekeningen van het referentiekader-2016: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok.

Tabel 3.3: Verschil tussen Referentiekader-2016 en -2013: aantal ambulances per dagsoort en tijdsblok (een lege cel betekent dat er geen verschil is).

De resultaten van de actualisatie van het referentiekader verschillen per regio en per dagsoort en dagdeel. Het meest opvallend is dat op landelijk niveau op werkdagen overdag (8–16 uur) het aantal extra benodigde ambulances het laagst is, namelijk 10. In de avond (16–24 uur) zijn er 28 meer ambulances nodig, in de nacht (0–8 uur) zijn er 11 meer nodig. De stijging van het aantal benodigde ambulances is voor de weekenddagen groter dan voor de werkdagen. Afhankelijk van de dag en het tijdsblok zijn in het weekend tussen 13 en 24 extra ambulances nodig. Op werkdagen overdag zijn er volgens de nieuwe berekeningen 598 ambulances nodig, in de avonduren 403 en in de nacht 292.

Er zijn 8 regio’s die volgens deze berekeningen geen extra ambulance nodig hebben: IJsselland, de Waddeneilanden, Schouwen-Duiveland en Tholen. Het hoogste aantal extra ambulances krijgen de regio’s Groningen, Friesland, Amsterdam-Amstelland, Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond, Zuid-Holland Zuid en Midden- en West-Brabant.

Conclusies

Het referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg is in 2016 geactualiseerd op basis van productiecijfers over 2015. Hierbij is het referentiekader ten opzichte van de eerdere doorrekening uit 2013 op twee punten aangepast:

In de periode 2012–2015 is de totale productie van de ambulancezorg met 12,5% toegenomen. De toename van het spoedvervoer, inzetten met A1- of A2-urgentie, is 18,8%. Het besteld vervoer is met 1,9% afgenomen. Voor het referentiekader wordt uitgegaan van iets lagere productieaantallen, omdat sommige soorten inzetten uit de productie worden gefilterd als gevolg van uitgangspunten van het referentiekader. Voor het referentiekader is uitgegaan van ruim 1,2 miljoen inzetten, een stijging van 12,3% ten opzichte van het referentiekader-2013. De grootste stijging was in het aantal A1-inzetten. Van deze inzetten was bovendien de gemiddelde ritduur in de periode 2012-2015 met bijna een minuut toegenomen. Dit leidt ertoe dat in 2015 meer uren ambulancezorg is geleverd dan in 2012.

Deze productiestijging in de Nederlandse ambulancezorg leidt er toe dat er nu op werkdagen overdag 598 ambulances nodig zijn. Dat zijn er tien meer ten opzichte van het referentiekader-2013. In de avond- en nachturen en in het weekend is het aantal extra benodigde ambulances tussen 11 en 28. De toename van het aantal benodigde ambulances in de avonduren en weekenddagen is groter dan op werkdagen overdag. De toename verschilt bovendien per regio. Een enkele regio krijgt geen extra ambulance erbij, andere regio’s krijgen voor werkdagen in de avonduren twee tot drie ambulances erbij. Deze verschillende aantallen extra benodigde ambulances worden verklaard door verschillen tussen de regio’s in de ontwikkeling van de productie en in de gemiddelde ritduur.

Discussie

De toename van het aantal benodigde ambulances in het referentiekader-2016 verschilt per regio, per soort dag en per tijdsinterval (blokuur). Sommige regio’s krijgen op werkdagen in de avonduren twee of soms drie ambulances erbij, andere regio’s geen. Deze verschillen treden op ondanks het feit dat alle regio’s in de periode 2012–2015 een productiestijging hebben gehad. Er zijn twee verklaringen voor het feit dat niet in alle regio’s een stijging van de productie leidt tot meer benodigde ambulances: de toe- of afname van het besteld vervoer en de ontwikkeling van de gemiddelde ritduur.

In sommige regio’s is een sterke daling van het besteld vervoer geweest. In de berekening van de benodigde capaciteit kan dit leiden tot één tot twee minder ambulances voor het besteld vervoer. Alle regio’s hebben een stijging van het spoedvervoer gehad. Dit leidt tot één of twee extra benodigde ambulances. Bij regio’s met een daling van het besteld vervoer kan het netto resultaat van het referentiekader-2016 zijn dat er geen extra benodigde ambulances worden berekend.

De capaciteitsberekening van het referentiekader gaat uit van het totaal aantal uren ambulancezorg dat door een regio is geleverd. Een lagere gemiddelde ritduur in combinatie met een productiestijging kan resulteren in nul extra benodigde ambulances. Regio’s hebben de volgende verklaringen gegeven voor een lagere gemiddelde ritduur:

Aanbevelingen voor een volgende actualisatie

Er zijn aantal ontwikkelingen in de uitvoering van de ambulancezorg die aanleiding kunnen zijn voor een discussie over en eventuele herziening van een aantal aspecten van het referentiekader. De vraag kan bijvoorbeeld gesteld worden of de gegevensbewerking voor het referentiekader aangepast moet worden omdat in de praktijk het protocol Directe inzet ambulances wordt toegepast. Ook kan er een discussie worden gevoerd of de stijging van het aantal EHGV-inzetten aanleiding moet zijn voor een aanpassing van de randvoorwaarden en uitgangspunten.

Ambulancezorg Nederland (2009). Ambulances in-zicht 2008. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2010). Ambulances in-zicht 2009. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2011). Ambulances in-zicht 2010. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2012). Ambulances in-zicht 2011. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2013). Ambulances in-zicht 2012. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2013a). Uniform begrippenkader ambulancezorg. Versie 3,0. Zwolle, 13 februari 2013.

Ambulancezorg Nederland (2014). Ambulances in-zicht 2013. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2015). Ambulances in-zicht 2014. Zwolle: AZN.

Ambulancezorg Nederland (2016). Ambulances in-zicht 2015. Zwolle: AZN. Nog te verschijnen.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2009). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2008. RIVM briefrapport 270192001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2011). Modellen referentiekader ambulancezorg 2008. RIVM rapport 270412001. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013). Modellen referentiekader ambulancezorg. RIVM rapport 270412002. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J. en S.L.N. Zwakhals (2013a). Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2013. RIVM briefrapport 270412003. Bilthoven: RIVM.

Kommer, G.J., A.A. van der Veen, W.F. Botter en I. Tan I. (2003). Ambulances binnen bereik – analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland. RIVM rapport 270556006. Bilthoven: RIVM.

Ministerie van VWS (2004).Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk CZ/EZ 2487006. Den Haag, 4 juni 2004.

Ministerie van VWS (2008). Herijking landelijk referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg. Kamerstuk 1CZ-EKZ-2854207. Den Haag, 5 juni 2008.

Ministerie van VWS (2013). Actualisatie referentiekader spreiding en beschikbaarheid. Kamerbrief 131849-106797-CZ. Den Haag, 16 juli 2013.

Project Versterking Ambulancezorg (PVAZ) (2004). Landelijk referentiekader spreiding- en beschikbaarheid – Een landelijk referentiekader als planningsgrondslag. Van Naem & Partners, 04.0177jk, eindrapport S&B II; Woerden.

ALS Advanced life support

AZN Ambulancezorg Nederland

DIA Directe inzet ambulance

EHGV Eerste hulp geen vervoer

GGD Gemeentelijke gezondheidsdienst

GHOR Geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio

HAP Huisartsenpost

KNRM Koninklijke Nederlandse reddingsmaatschappij

MICU Mobiele intensive care unit

MMT Mobiel medisch team

NZa Nederlandse Zorgautoriteit

OvDG Officier van dienst geneeskundig

PICU Pediatric intensive care unit

RAV Regionale ambulancevoorziening

RGF Regionaal geneeskundig functionaris

SAR Search and rescue

VWS (1) Volksgezondheid, welzijn en sport

(2) Voorwaardescheppend

De nummering van de regio’s in de eilandbenadering van het referentiekader en in de productiecijfers van Ambulances in zicht is gegeven in Tabel B1.1.

1 : Bij het actualiseren van het spoedvervoer zijn inzetten van de ambulancedienst van Schiphol ook uit de productiestatistieken wegelaten.

1 : Bij het actualiseren van het spoedvervoer zijn ook inzetten van de ambulancedienst van Schiphol uit de productiestatistieken wegelaten.

Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de RAV de juistheid van de gegevens bevestigt.

Bovenstaande gegevens dienen vergezeld te gaan van een verklaring waarmee het bestuur van de buitenlandvervoerder de juistheid van de gegevens bevestigt.