Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 31 oktober 2012, houdende bepalingen voor een experiment met het oog op verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs door de invoering van prestatiebekostiging (Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs)Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijsWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 oktober 2012, nr. WJZ/447430 (10252), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Gelet op artikel 1.7a, eerste en tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 oktober 2012, nr. W05.12.0418/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 26 oktober 2012, nr. WJZ/450460 (10252), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage31 oktober 2012BeatrixDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,H.ZijlstraDe Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,M. J. M.Verhagende tweede november 2012De Minister van Veiligheid en Justitie,I. W.Opstelten

In dit besluit wordt verstaan onder:

Met het experiment wordt beoogd op basis van plannen van instellingen de prestaties van die instellingen door middel van bekostiging ten aanzien van de volgende aspecten te verhogen:

Het experiment duurt van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2017.

Met dit besluit wordt afgeweken van de artikelen 2.5 en 2.6 van de wet.

Het experiment wordt op basis van de volgende criteria geëvalueerd:

Aan dit besluit worden de volgende bijlagen toegevoegd:

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs

Op basis van het beoordelingskader zal de Reviewcommissie hoger onderwijs en onderzoek (RC) adviseren1 aan de staatssecretaris2 over:

Het gaat daarbij om de volgende vragen:

Zoals afgesproken in de hoofdlijnenakkoorden zullen de prestatieafspraken betrekking hebben op onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering van onderwijs en onderzoek, en valorisatie. De RC zal de voorstellen van de instellingen beoordelen in het licht van hun profiel, de prestaties die zij de afgelopen jaren gerealiseerd hebben en hun ambities voor de toekomst. Daarom wordt van de instellingen gevraagd om aanvullend op hun voorstellen voor de prestatieafspraak een beschrijving te geven van hun profiel, van de prestaties die zij de afgelopen jaren hebben gerealiseerd en van hun ambities voor de komende jaren. In de profielbeschrijving dienen instellingen aan te geven wat hun prioriteiten zijn ten aanzien van de profieldimensies onderwijs, onderzoek en valorisatie en op welke doelgroepen zij zich richten.

Het instellingsvoorstel moet de drie volgende elementen bevatten:

De instelling wordt ten eerste gevraagd het huidige instellingsprofiel te beschrijven, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de profieldimensies onderwijs, onderzoek en valorisatie. Het is aan de instelling om aan te geven welke dimensies men in welke mate relevant acht voor het instellingsprofiel.

De RC vraagt ten tweede aan de instelling om in het voorstel aan te geven welke strategische afwegingen ten grondslag liggen aan de in de profielbeschrijving en het voorstel voor de prestatieafspraak neergelegde keuzes. Desgewenst kan een instelling bestaande documenten benutten.

Ten derde wordt de instelling uitgenodigd om aan te geven welke aanscherpingen of wijzigingen men wil aanbrengen in het profiel van de instelling. De RC vraagt de instelling om aan te geven:

Het staat de instelling vrij om bij de drie hierboven aangegeven elementen van het instellingsvoorstel al dan niet gebruik te maken van indicatoren. Ter ondersteuning van de instellingen reikt de RC op haar website (www.rchoo.nl) een groslijst van indicatoren aan voor elk van de drie profieldimensies en voor de context van de instelling. Tevens is op de website van de RC relevante achtergrondinformatie voor de instellingen beschikbaar.

Ook kan de instelling zelf beslissen of men de door de RC aangereikte informatie wel of niet wil gebruiken en/of men eigen indicatoren wenst te hanteren. Uitgezonderd zijn de «verplichte indicatoren3 voor onderwijs (onderwijskwaliteit en studiesucces; voor de exacte definitie van deze indicatoren zie website RC) zoals vastgelegd in de hoofdlijnenakkoorden met de universiteiten en hogescholen en de daarbij afgesproken keuzevrijheden (zie ook paragraaf 3.2). Voor deze indicatoren geldt dat zij in elk voorstel aan de orde moeten komen. In het geval dat de instelling voor eigen indicatoren kiest, vraagt de RC een adequate beschrijving per indicator en een validering van de bijgeleverde empirische informatie.

De RC vraagt instellingen aan te geven hoe de relevante stakeholders (zoals bijvoorbeeld werkgevers, studenten, docenten en onderzoekers) zijn betrokken bij de besluitvorming over de prestatieafspraak.

De RC zal de voorstellen van de instellingen toetsen aan de volgende drie criteria:

Het derde criterium wordt uitsluitend betrokken bij de beoordeling ten behoeve van de toekenning van geld uit het selectieve budget. De wijze waarop de RC deze drie criteria zal hanteren, wordt in het beoordelingskader (paragraaf 3) nader uitgewerkt.

Bij profilering staat het eigen karakter en het ontwikkelingsperspectief van de individuele instelling voorop. Om daar recht aan te doen, beoordeelt de RC de voorstellen in de eerste plaats in het licht van de specifieke context en historie van de instelling. Centrale vragen zijn of de voorstellen voldoende ambitieus en haalbaar zijn en of ze aansluiten bij de gewenste ontwikkelingen op stelselniveau.

Daarbij is het voor de RC van belang om een beeld te hebben van de ontwikkeling van de instelling over de afgelopen periode (Welke stappen zijn de laatste jaren gezet? Tot welke resultaten heeft dit geleid? Welke lessen uit het verleden worden getrokken?) en van de specifieke omstandigheden die bij de beoordeling zouden moeten worden betrokken.

De RC zal zelf relevante contextuele informatie verzamelen, maar zij spoort de instellingen aan om hun context en historie nadrukkelijk in beeld te brengen.

In aanvulling op deze aandacht voor context en historie zal de RC bezien hoe de plannen van de instellingen zich verhouden tot de voornemens van vergelijkbare instellingen.

Instellingen kunnen daartoe ook zelf (nationale en/of internationale) relevante instellingen benoemen. Een voorwaarde hierbij is dat de betreffende universiteit of hogeschool ervoor zorgt dat betrouwbare data van de gekozen instellingen tijdig beschikbaar zijn voor de RC.

De instelling kan zelf bepalen op welke wijze zij het voorstel voor de prestatieafspraak wenst te presenteren. Er is geen verplicht format voor het opstellen van het voorstel. Een instelling kan daarbij gebruik maken van bestaande documenten of plannen. De RC gaat ervan uit dat de hier beschreven werkwijze en het beoordelingskader voldoende aanknopingspunten bieden voor de instelling om te bepalen of zij de door de RC gevraagde informatie heeft verschaft.

De RC stelt een maximum aan de omvang van het voorstel, namelijk 40 pagina’s inclusief eventuele bijlagen. Het staat de instelling natuurlijk vrij om een minder omvangrijk document aan te leveren.

Het beoordelingskader is samengesteld uit drie criteria die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt:

De RC zal zich een oordeel vormen over de instellingsvoorstellen aan de hand van deze drie criteria en zal dat oordeel tot uitdrukking brengen in drie daarop betrekking hebbende ordinale vijfpuntsschalen.

De RC zal haar beoordeling van de criteria uitvoeren op instellingsniveau. Omdat profilering echter soms juist ook op een lager aggregatieniveau plaatsvindt, wil de RC hier ruimte voor bieden. Als instellingen voorstellen en plannen concreet maken op het niveau van opleidingen, faculteiten, schools of sectoren zal de RC de betreffende informatie in haar oordeel betrekken.

Zoals in de inleiding aangegeven, zal de RC oordelen over de volgende twee vragen:

Bij beide oordelen zal de RC hetzelfde beoordelingskader hanteren, zij het dat er bij de eerste vraag geen beoordeling plaatsvindt op het derde criterium uitvoerbaarheid. Daarnaast zal de RC de drie criteria bij de twee oordelen verschillend wegen.

De RC zal bij haar oordeelsvorming over de prestatieafspraken tot een positief oordeel komen als op het eerste (ambitieniveau en realiteitsgehalte) en tweede (aansluiting bij gewenste stelselontwikkelingen) criterium ten minste een 3 wordt gescoord op de hierna te presenteren vijfpuntsschalen. Er vindt geen beoordeling plaats op het derde criterium (uitvoerbaarheid).

Daarnaast zal de RC tot een positief oordeel komen wanneer instellingen die een 2 scoren op het tweede criterium «aansluiting», dat kunnen compenseren met een score 4 of 5 op het eerste criterium «ambitie en realiteitsgehalte». Dit biedt ruimte aan instellingen die een brede en vergaande kwaliteitsverbetering als eerste prioriteit kiezen.

Bij de oordeelsvorming over een mogelijke toekenning uit het selectieve budget geldt dat de scores op elk van de drie criteria tenminste een 3 zullen moeten zijn. Daarnaast zal bij deze beoordeling het criterium «aansluiting bij gewenste ontwikkelingen op stelselniveau» relatief zwaar wegen. De RC hanteert daarbij de volgende verdeling:

Instellingen hoeven geen apart plan in te dienen voor het selectieve budget. Wel kan een instelling desgewenst zelf onder de aandacht brengen voor welke ambities of voornemens men in het bijzonder de middelen wil aanwenden. De RC zal adviseren hoe het selectieve budget wordt verdeeld over de voorstellen die aan de minimumvoorwaarden voldoen en die het beste scoren op de gewogen criteria.

Zoals in het hoofdlijnenakkoord met de hogescholen is afgesproken, is een deel van het selectieve budget ook beschikbaar voor instellingen die zich nadrukkelijk onderscheiden ten opzichte van andere instellingen in termen van ambitie of aanhoudend bewezen (onderwijs)kwaliteit. De RC vertaalt dat in een 5-score op het eerste criterium.

Bij de universiteiten zal de RC er nadrukkelijk op letten dat bij de beoordeling niet alleen de voorgenomen ambitie maar ook de past performance expliciet wordt meegenomen.

Daarbij blijft gelden dat er aanknopingspunten moeten zijn voor aansluiting bij de nagestreefde stelselontwikkelingen en dat sprake moet zijn van voldoende uitvoerbaarheid.

Bij haar advies over de hoogte van het toe te kennen bedrag zal de RC rekening houden met de omvang van de instelling (in termen van studentenaantallen), maar de kwaliteit van de voorstellen zal leidend zijn.

De instellingen die middelen krijgen uit het selectieve budget worden hiermee in staat gesteld de door hen voorgestelde plannen sneller uit te voeren en de gestelde ambities eerder te realiseren, te intensiveren of te verdiepen. Bij de midtermreview in 2014 zal een lichte toets plaatsvinden om te bepalen of de middelen effectief zijn ingezet en of de plannen van de grond zijn gekomen.

Ten minste de helft van het selectieve budget voor het hbo is beschikbaar voor inhoudelijke zwaartepuntvorming. Een cruciale conditie in dit verband is dat de selectieve middelen slechts beschikbaar komen wanneer de basiskwaliteit van alle bacheloropleidingen van de hogeschool volgens NVAO-oordelen op orde is.

Instellingen die aan de minimumeisen voldoen ontvangen een bijdrage uit het selectieve budget

Zoals in dit beoordelingskader is opgenomen, komen uitsluitend instellingen met een score van minimaal een drie op alle drie de beoordelingscriteria in aanmerking voor het selectieve budget. Alle instellingen die drie maal een score van drie hebben, kwalificeren zich, en zullen ook daadwerkelijk een bedrag ontvangen uit het selectieve budget. De relatieve omvang van het bedrag is hoger is voor de beste voorstellen. Er wordt dus gewerkt met een verdeelmodel.

In de hoofdlijnenakkoorden is afgesproken dat in het hbo tenminste 50% van het selectieve budget wordt afgezonderd voor zwaartepuntvorming). Zwaartepuntvorming kan in de vorm van Centres of Expertise, maar ook andere manieren van zwaartepuntvorming zijn mogelijk. Voor de Centres of Expertise is in principe een bedrag van € 1 mln per jaar beschikbaar (per Centre).

De andere 50% is bedoeld voor differentiatie van het onderwijs en wordt verdeeld zoals in het voorstel hierboven aangegeven. Gegeven de ingediende voorstellen kan de reviewcommissie in beperkte mate van die 50%–50%-verdeling afwijken.

Zoals in het beoordelingskader opgenomen gelden voor een Centre of Expertise in elk geval de volgende voorwaarden:

Gezien de korte termijn waarop de voorstellen moeten worden ingediend, kan een deel van de uitwerking in 2013 plaatsvinden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het maken van een business-plan, de concretisering van de private financiering en het opstellen van een begroting. Wel dient de instelling al in haar voorstel aannemelijk te maken dat het perspectief dusdanig is dat zij in 2013 aan deze voorwaarden kan voldoen.

De reviewcommissie zal een aantal experts vragen om, voortbouwend op de ervaringen van de commissie-Van Staalduinen, de voorgestelde Centres of Expertise te beoordelen. Daarbij gaat het om experts uit private en publieke sectoren. Deze experts maken een pre-advies voor de reviewcommissie. Zij geven daarbij ook aan wat per Centre aandachtspunten zijn die de instellingen in de loop van 2013 nog verder zullen moeten uitwerken.

Zoals ook in het beoordelingskader is aangegeven, geldt specifiek voor het hoger agrarisch onderwijs (hao) dat met de selectieve middelen verder inhoud wordt gegeven aan het vervolgtraject in het verlengde van het sectorplan hao.

Het verdeelmodel werkt met een verdeelsleutel voor de omvang van de instelling en weegfactoren voor de kwaliteit van het voorstel.

De verdeelsleutel voor de omvang van de instelling is gelijk aan de verdeelsleutel die bij de toerekening van de 5% voorwaardelijke financiering wordt gebruikt. Deze verdeelsleutel is gerelateerd aan de lump sum van de instellingen.

Het aandeel dat een instelling krijgt wordt eerst gerelateerd aan z’n omvang, vervolgens wordt er een weegfactor op alle bedragen gezet, zodat de instellingen met de beste voorstellen meer krijgen dan hun relatieve aandeel. De puntentelling door de reviewcommissie biedt de basis voor de weegfactoren. Elk voorstel krijgt van de reviewcommissie punten op de drie criteria uit het beoordelingskader (ambitie/realisme, aansluiting bij stelseldoelen en uitvoerbaarheid), waarbij het criterium «aansluiten bij stelseldoelen» dubbel telt. Alleen voorstellen met minimaal 3 x 3 komen in aanmerking voor het selectieve budget. Dan ligt het aantal punten dat behaald kan worden in de range tussen 12 punten (3 maal een score van 3, waarbij de tweede dubbel telt) en 20 punten (3 maal een score van 5, en de tweede telt dubbel). Om het aantal weegfactoren overzichtelijk te houden en de bedragen die instellingen uit het selectieve budget ontvangen (gecorrigeerd voor de omvang van de instelling) niet te sterk uiteen te laten lopen, wordt een driedeling gemaakt van deze scores en is er een weegfactor aan elke groep gekoppeld:

De beste voorstellen krijgen relatief gezien een substantieel hoger bedrag uit het selectieve budget dan de voorstellen uit de eerste groep (de factor 5 is 2½ maal de factor 2).

Hogescholen met 5 punten op «ambitie» zullen in ieder geval in de middelste categorie voor het selectieve budget worden opgenomen (als ook minimaal een 3 op de andere twee criteria is behaald).

In het beoordelingskader staat dat een voorwaarde voor toekenning van selectief budget voor hogescholen is dat de basiskwaliteit op orde moet zijn. Dit is als volgt geconcretiseerd: bij de hbo-opleidingen die onderdeel uitmaken van de voorstellen voor zwaartepuntvorming of differentiatie mag op het moment van tekenen van de prestatieafspraak geen sprake zijn van een «herstelperiode accreditatie» of een «toets nieuwe opleiding onder voorwaarden». Tevens mogen deze opleidingen door de inspectie niet als zeer zwak zijn aangemerkt.

Het criterium «ambitieniveau en realiteitsgehalte» wordt gedefinieerd als de mate waarin de instelling een verbetering van haar (activiteiten en) prestaties nastreeft, waarbij tegelijkertijd aannemelijk wordt gemaakt dat de ambitie te realiseren is. Van belang is dat er evenwicht is tussen de nagestreefde activiteiten en prestaties enerzijds en de kans op verwezenlijking daarvan anderzijds.

De RC zal geformuleerde ambities primair bezien in relatie tot de context en historie van de betreffende instelling. Zij zal in het recente verleden gemaakte strategische keuzes en gerealiseerde verbeteringen bij haar oordelen betrekken. Ook het handhaven van een al bestaand hoog prestatieniveau kan als ambitieus gelden. De RC spoort de instellingen aan om deze punten, waar relevant, in het voorstel onder de aandacht van de RC te brengen.

De voorstellen zullen in ieder geval een concrete beschrijving moeten bevatten van de voornemens en beoogde resultaten voor 2015, omdat de RC na 2015 haar eindadvies zal geven. Dit laat onverlet dat de instelling een ambitie voor de langere termijn kan formuleren.

De vrijheidsgraden voor de instelling bij het formuleren van haar ambities verschillen voor onderwijs, onderzoek en valorisatie. Hierna wordt nader op deze verschillen ingegaan.

Instellingen worden uitgenodigd om kort een algemene karakterisering van (hun benadering van) het onderwijs te geven om zo het profiel van de instelling op deze dimensie te kenschetsen. Daarbij geven instellingen aan hoe zij aandacht besteden aan intensivering van het onderwijs, verbetering van het rendement van hun opleidingen, het terugdringen van uitval en studie-switch, het tot stand brengen van een meer ambitieuze en minder vrijblijvende studiecultuur en het verbeteren van de docentkwaliteit.

Universiteiten worden opgeroepen in het verlengde van het rapport van de commissie-Veerman aan te geven in welke mate en op welke wijze zij aandacht besteden aan academische vorming. Daarnaast wordt hen gevraagd te beschrijven hoe zij meer differentiatie in het onderwijs zullen realiseren.

Ook hogescholen staan voor een tweeledige opdracht: én de kwaliteit van de bachelor-opleidingen omhoog brengen én meer differentiatie in het onderwijsaanbod bewerkstelligen. Daarbij hoort ook de versterking van het praktijkgericht onderzoek als kwaliteitsimpuls voor het onderwijs.

Voor «onderwijskwaliteit en studiesucces» zijn in de hoofdlijnenakkoorden afspraken gemaakt over indicatoren waarop instellingen ambities zullen formuleren: uitval, rendement, switch, docentkwaliteit, onderwijsintensiteit, kwaliteit of excellentie. Daarnaast zullen de voorstellen ook concrete doelstellingen bevatten met betrekking tot de indirecte kosten. Universiteiten en hogescholen hebben de vrijheid om bij enkele indicatoren eigen definities te hanteren, mits beargumenteerd en gevalideerd. Dit laat onverlet dat een instelling desgewenst aanvullende indicatoren in deze profieldimensie kan kiezen.

De RC onderkent overigens dat er een spanningsveld kan bestaan tussen de indicatoren onderling. Zo wordt in het hoofdlijnenakkoord met de HBO-raad gesteld dat de partijen zich bewust zijn van de spanning die bestaat tussen de noodzaak de bachelorstandaard te verhogen, terwijl de kwaliteit van de instroom onder druk staat en het studiesucces moet toenemen. Bij de beoordeling van de prestatieafspraken zal rekening worden gehouden met dit trilemma. In het hoofdlijnenakkoord met de VSNU is als randvoorwaarde opgenomen dat de verbetering van het rendement niet ten koste mag gaan van de kwaliteit en het eindniveau van de opleidingen. Een hoge ambitie op de ene indicator kan gepaard gaan met een minder hoge ambitie op een andere indicator. In de hoofdlijnenakkoorden is expliciet aangegeven dat instellingen op dit punt ruimte hebben om eigen keuzes te maken.

Tevens zal de RC rekening houden met het tijdstip waarop veranderende wet- en regelgeving met betrekking tot bijvoorbeeld selectie in het hoger onderwijs, toelatingsvoorwaarden mbo-hbo, doorstroom hbo-wo en vervroeging van de aanmelddatum operationeel is.

Voor excellentie in onderwijs zal de RC twee benaderingen hanteren. Ten eerste kan de instelling als indicator de deelnamepercentages van studenten aan excellentietrajecten gebruiken. Het kan daarbij gaan om al in het kader van het lopende Sirius Programma gehonoreerde of nog door de instelling te ontwikkelen trajecten. In het laatste geval dienen deze trajecten nadrukkelijk onderdeel te zijn van het instellingsvoorstel en is externe validering van het excellente karakter van het programma vereist om bij gebruik als indicator overtuigend te zijn. Daartoe moet een dergelijk te ontwikkelen excellentietraject uiterlijk in 2013 beoordeeld zijn door de commissie van leading experts van het Sirius Programma. De RC zal met deze commissie hier afspraken over maken.

Ten tweede wordt de instelling de mogelijkheid geboden te kiezen voor de twee andere voor onderwijskwaliteit benoemde indicatoren NSE-oordeel4 en goed/excellentscore NVAO.

Tot slot wordt hogescholen en universiteiten gevraagd aan te geven welke keuzes men heeft gemaakt. Zijn er delen van het onderwijsaanbod die de instelling wil afbouwen, bijstellen of uitbreiden?

Universiteiten en hogescholen zijn op verschillende manieren betrokken bij onderzoek. De RC probeert daarom recht te doen aan een breed scala van onderzoekstypen, van fundamenteel en toegepast tot praktijkgericht onderzoek. Waar bij de hogescholen het referentiekader veelal regionaal of nationaal van karakter is, is universitair onderzoek eerder gericht op kennisproductie en -verspreiding in een mondiaal wetenschappelijk verband.

Voor universitair onderzoek zijn meer, en meer robuuste, indicatoren beschikbaar dan voor het praktijkgericht onderzoek dat hogescholen uitvoeren. Indicatoren voor praktijkgericht onderzoek en valorisatie liggen bij hogescholen sterk in elkaars verlengde. Verbinding met de beroepspraktijk en terugkoppeling naar het onderwijs zijn algemeen erkende kernpunten. Via projecten als Evaluating Research in Context (ERiC, NWO5) is aan de ontwikkeling van indicatoren gewerkt en ook in het kader van de Validatiecommissie Kwaliteitszorg Onderzoek (VKO) krijgen specifieke indicatoren voor prestaties en impact van praktijkgericht onderzoek aandacht. Een selectie daaruit is bij wijze van voorbeeld in de groslijst van indicatoren op de website van de RC opgenomen.

Ook voor het onderzoek vraagt de RC om aan te geven welke onderdelen van het onderzoek de instelling wil afbouwen, uitbreiden of bijstellen.

Wat in termen van ambitieniveau in de profieldimensie «onderzoek» als een (sterke) verbetering kan gelden, hangt uiteraard af van het type instelling en de onderzoeksdoelstellingen, het disciplinaire specialisatieprofiel, en de uitgangssituatie van de instelling. In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap en in het hoofdlijnenakkoord is in dit licht aangegeven dat universiteiten hun wetenschappelijk profiel zullen versterken door zwaartepunten te vormen en door samen te werken.

In de hoofdlijnakkoorden is afgesproken om vóór 2015 te streven naar een breed gedragen set van valorisatie-indicatoren. Deze kan als basis dienen voor nadere afspraken over valorisatie na 2015. Bij de ontwikkeling van de set zijn de ministeries van OCW en EL&I, de VSNU, de HBO-raad, de KNAW en de Landelijke Commissie Valorisatie betrokken. De RC zal dit traject rond het ontwikkelen en testen van valorisatie-indicatoren nadrukkelijk volgen. Voor de komende prestatieafspraken vraagt de RC instellingen aan te geven wat hun ambities zijn op het gebied van valorisatie, zo mogelijk aan de hand van indicatoren.

De RC benadrukt opnieuw dat mogelijke verbeteringen in termen van valorisatie-activiteiten en prestaties sterk afhankelijk zijn van het type instelling en de doelstellingen, het disciplinaire specialisatieprofiel, en de uitgangssituatie van de instelling.

Wat betreft «valorisatie» zal de RC bij de beoordeling van de voorstellen voor de prestatieafspraken de in de hoofdlijnenakkoorden genoemde aandachtspunten betrekken. Bij de universiteiten gaat het daarbij om:

Bij de hogescholen gaat het erom:

De RC zal haar beoordeling op het criterium «ambitieniveau en realiteitsgehalte» tot uitdrukking brengen via een score op de volgende vijfpuntsschaal. Deze schaal zal de RC gebruiken voor een integraal oordeel over het ambitieniveau van het voorstel.

In diverse documenten (strategische agenda, hoofdlijnenakkoorden, Innovatiecontracten en «Human Capital Agenda’s» in de topsectoren, Masterplan Bèta en Technologie, sectorplannen, EU-programma’s «Horizon 2020» en «Erasmus for all») zijn wensen voor de toekomstige ontwikkeling van het hoger onderwijs, het onderzoek en de valorisatie vastgelegd. Deze documenten zijn in bijlage 1 samengevat. Deze vormen de basis voor het tweede criterium. De RC zal een oordeel geven over de mate waarin de voorstellen aansluiten bij twee hoofdprioriteiten: zwaartepuntvorming en differentiatie van het onderwijs. Met name voor zwaartepuntvorming is van belang dat door de instellingen wordt ingespeeld op de in bijlage 1 benoemde punten.

Zoals hiervoor aangegeven, zal de RC dit criterium relatief zwaar laten wegen bij de advisering over de eventuele toekenning van financiële middelen uit het selectieve budget.

Bij zwaartepuntvorming bij universiteiten gaat het om het creëren van focus en massa, een sterkere koppeling van onderwijs aan onderzoek, het behoud van eigen wetenschappelijke sterktes, het inspelen op de Innovatiecontracten en «Human Capital Agenda’s» in de topsectoren en op de nieuwe EU-programma’s aangaande onderwijs en onderzoek.

Differentiatie van het onderwijs richt zich bij de universiteiten op herordening van het onderwijsaanbod, verbreding van de bacheloropleidingen, samenwerkingsverbanden bij kleine opleidingen en excellentietrajecten. Deze differentiatie dient gekoppeld te zijn aan de versterking van de aansluiting van het opleidingenaanbod bij het profiel van de universiteit en bij de topsectoren. Herordening leidt nu al tot een sterkere verbinding van de masteropleidingen met onderzoekszwaartepunten. De vorming van landelijke master-programma’s kan hierbij zinvol zijn.

De voornemens ten aanzien van zwaartepuntvorming in onderwijs en onderzoek en differentiatie voor de periode 2013-2016 wegen relatief zwaar mee bij de toekenning voor extra middelen uit het selectieve budget. Deze middelen maken voor de universiteiten onderdeel uit van het onderwijsbudget. Maar bij de beoordeling van de voornemens van de universiteiten door de RC staat de integraliteit van onderwijs en onderzoek voorop.

De RC zal er nadrukkelijk op letten dat bij de beoordeling niet alleen de voorgenomen ambitie maar ook de past performance expliciet wordt meegenomen.

Elke hogeschool beschrijft welke stappen de afgelopen jaren zijn gezet op het gebied van zwaartepuntvorming of thematische profilering, differentiatie van het onderwijs, herordening van het opleidingenaanbod en aansluiting op de topsectoren. Tevens beschrijft de hogeschool welke resultaten daarmee bereikt zijn, wat de ambities voor de komende jaren zijn en welke maatregelen genomen worden om die ambities te realiseren. Daarbij wordt rekening gehouden met de sectorale verkenningen en afspraken die gemaakt zijn in het kader van sectorplannen.

Zwaartepuntvorming in de hbo-sector is gericht op de versterking van het praktijkgericht onderzoek via publiek-private samenwerking in combinatie met hoogwaardig onderwijsaanbod, en het inspelen op de «Human Capital Agenda’s» in de topsectoren en maatschappelijke uitdagingen.

Bij differentiatie in het hoger beroepsonderwijs gaat het om het aansluiten bij sectorale verkenningen en het realiseren van een profielbepalende differentiatie in onderwijsprogramma’s. Hierbij kan gedacht worden aan driejarige vwo-trajecten, meer excellentie (zie ook paragraaf 3.2), Associate-degree- en hbo-masterprogramma’s. De twee laatstgenoemde programma’s dienen nadrukkelijk afgestemd te zijn op de behoefte van werkenden en het bedrijfsleven. Ook dienen de masterprogramma’s te fungeren als doorstroomtraject voor bachelorstudenten, bijvoorbeeld voor studenten uit honoursclasses en de driejarige trajecten voor vwo’ers. Voor de Ad geldt dat het van belang is een relatie te leggen met de uitkomsten van de commissie Ad6 (uitrol succesvolle programma’s en top 25 vanuit werkveld).

Hogescholen hebben de mogelijkheid om een eigen tijdsvenster te hanteren dat aansluit bij hun ontwikkelingsproces. Op basis hiervan doet elke hogeschool concrete voorstellen voor de eigen profilering. Dit kan betrekking hebben op de ontwikkeling van inhoudelijke zwaartepunten, herijking van het onderwijsaanbod, excellentie en/of onderwijskundige differentiatie van het onderwijs voor de periode waarover prestatieafspraken worden gemaakt.

Daarbij is in het hoofdlijnenakkoord met de HBO-raad vastgesteld dat hogescholen over het algemeen een regionale functie vervullen, zeker waar het de bacheloropleidingen betreft. Om aan de lokale vraag van de arbeidsmarkt én van de studenten te voldoen, is voor de meeste hogescholen een breed, multisectoraal karakter dan ook het uitgangspunt. Tevens is afgesproken dat sectorale verkenningen een belangrijk instrument zijn voor herijking van het opleidingenaanbod.

De voornemens ten aanzien van zwaartepuntvorming en differentiatie voor de periode 2013–2016 wegen relatief zwaar mee bij de toekenning voor extra middelen uit het selectieve budget.

In het hoofdlijnenakkoord met de HBO-raad is daarnaast aangegeven dat het selectieve budget ook bedoeld is ter honorering van zeer hoge ambities en aanhoudend (bewezen) prestaties van hogescholen op het gebied van kwaliteit. Het laatste punt wordt door de RC gehonoreerd bij het eerste criterium (voorwaarde is een 5-score op het eerste criterium ambitie en realiteitsgehalte, zie paragraaf 3.2).

Tenminste de helft van het selectieve budget voor het hbo is beschikbaar voor zwaartepuntvorming. Het budget dat aan een Centre of Expertise (CoE) kan worden toegekend, is in beginsel gelijk aan het budget dat instellingen tijdens de vorige toekenningsronde voor Centres of Expertise konden krijgen (€ 1 miljoen per jaar voor een beperkt aantal jaren). Voor een CoE gelden in elk geval de voorwaarden dat het CoE past in het profiel van de instelling en dat er sprake is van co-financiering en publiek-private samenwerking. Gezien de korte termijn waarop de voorstellen moeten worden ingediend, zal een deel van de uitwerking in 2013 kunnen plaatsvinden (zie ook bijlage 1).

Specifiek voor het hoger agrarisch onderwijs (hao) geldt dat met de selectieve middelen verder inhoud wordt gegeven aan het vervolgtraject in het verlengde van het sectorplan hao.

De RC zal elk instellingsvoorstel beoordelen op:

Een belangrijk doel van profilering, zoals aan de orde gesteld in de genoemde beleidsdocumenten, is dat de individuele instelling, gegeven de context en historie van de instelling, scherpe keuzes maakt die de doelmatigheid en kwaliteit van het onderwijs en onderzoek kunnen verhogen. De RC zal in haar oordeelsvorming meewegen of een instelling concrete en zichtbare stappen zet zoals afbouw, concentratie of krachtenbundeling. De RC zal daarbij in ogenschouw nemen of voorstellen consequenties hebben voor andere instellingen en/of er overlap aanwezig is met het aanbod van veel andere instellingen.

De RC hecht grote waarde aan instellingsoverstijgende afspraken. Deze zal zij in het oordeel nadrukkelijk meenemen, mits zichtbaar gemaakt in de voorstellen van alle betrokken instellingen.

Daarnaast zal de RC rekening houden met het type instelling en haar context. Zo zal een monosectorale pabo minder vergaand kunnen aansluiten bij differentiatie en zwaartepuntvorming dan een brede grote hogeschool.

De RC zal haar beoordeling op het criterium «aansluiting bij nagestreefde ontwikkelingen op stelselniveau» tot uitdrukking brengen via de score op de volgende vijfpuntsschaal:

Het derde door de RC te hanteren criterium betreft de «uitvoerbaarheid» van een instellingsvoorstel. Dit criterium wordt uitsluitend betrokken bij de beoordeling ten behoeve van het selectieve budget.

Bij het criterium «uitvoerbaarheid» gaat het de RC erom in hoeverre de instelling in haar voorstel aannemelijk maakt dat zij het nagestreefde profiel kan realiseren. Daarom zou de instelling – beknopt, maar zo concreet mogelijk – dienen aan te geven hoe zij zich voorneemt de ambities waar te maken.

Daarbij is het onder meer van belang dat de instelling aandacht besteedt aan:

De RC zal hierbij bijzondere aandacht besteden aan de voornemens met betrekking tot zwaartepuntvorming en differentiatie.

De RC zal haar beoordeling op het criterium «uitvoerbaarheid» tot uitdrukking brengen via een score op de volgende vijfpuntsschaal:

Voor zwaartepuntvorming is het volgende van belang:

Dit voorjaar zullen de Human Capital Agenda’s (HCA’s) en de Innovatiecontracten (IC’s) voor de door het kabinet vastgestelde topsectoren7 beschikbaar komen. Het betreft de volgende sectoren:

In de HCA’s worden afspraken gemaakt over het verbeteren van de aansluiting – kwantitatief en kwalitatief – tussen het bedrijfsleven en de onderwijsinstellingen. De topsectoren stellen daarnaast een gezamenlijk Masterplan Bèta en Technologie op, dat de bestaande en nieuwe activiteiten rond dit thema verbindt.

De IC’s geven een overkoepelende strategie voor kennisontwikkeling en innovatie. De economische en maatschappelijke innovatiebehoeften in de betreffende sector vormen hierbij het uitgangspunt. Onderdeel van de IC’s zijn publiek-private samenwerkingsvormen en de vorming van Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI). Daarnaast wordt aandacht besteed aan sectordoorsnijdende thema’s, zoals biobased economy, nanotechnologie, sociale infrastructuur en ICT. Ook zullen de topsectoren inspelen op Europese thema’s en andere internationale netwerken.

De RC vraagt de instelling – afhankelijk van het profiel van de hogeschool of universiteit – in het voorstel in te gaan op éen of meer agenda’s en/of contracten. Gevraagd wordt concreet inzichtelijk te maken hoe de topsectoren terug te vinden zijn in het nagestreefde profiel van de instelling; bijvoorbeeld het stimuleren van de groei van het aantal studenten in voor topsectoren relevante opleidingen of het maken van keuzes ten aanzien van het onderwijs- en onderzoeksaanbod.

De negen topsectoren hebben gezamelijk het Masterplan Bèta en Technologie (MB&T) opgesteld. De langetermijnambitie (2025) is dat 40% van alle afgestudeerden een bèta- en technologische opleiding heeft genoten. Als onderdeel van deze ambitie stellen de topsectoren zich als doel om gedurende een langere periode minstens 40.000 bèta-technologische mensen per jaar extra aan te trekken door opleiding en zijinstroom.

Naast deze verhoging is ook een kwaliteitsslag nodig in het onderwijs en de beroepsbevolking. In het masterplan zijn vier inhoudelijke speerpunten geïdentificeerd voor het bepalen van concrete actiepunten:

Het MB&T is overkoepelend en aanvullend op de HCA’s van de topsectoren en vele bestaande programma’s. Het plan wordt gezamenlijk uitgevoerd door de topsectoren, het onderwijs en de overheid.

Inhoudelijke zwaartepuntvorming in het hbo is gericht op de versterking van het praktijkgericht onderzoek via publiek-private samenwerking en in combinatie met hoogwaardig onderwijsaanbod. Hierbij gaat het om de focus die hogescholen in een regionaal of thematisch samenwerkingsverband in het praktijkgerichte onderzoek aanbrengen, alsmede om de verbinding die met de regionale arbeidsmarkt wordt gelegd. Aan zwaartepuntvorming kan onder meer worden vormgegeven via Centres of Expertise (CoE). Het doel is ten minste één CoE tot stand te laten komen in de publieke sectoren «zorg» en «onderwijs» en één in elke topsector, mits daar behoefte aan blijkt uit de «Human Capital Agenda’s». Daarnaast is er ook buiten deze publieke en topsectoren ruimte voor CoE’s. Er zijn al CoE’s in de sectoren chemie, water, automotive, agrofood en tuinbouw & uitgangsmaterialen.

Voor een CoE gelden in elk geval de volgende voorwaarden:

Gezien de korte termijn waarop de voorstellen moeten worden ingediend, kan een deel van de uitwerking in 2013 plaatsvinden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het maken van een business-plan, de concretisering van de private financiering en het opstellen van een begroting. Wel dient de instelling al in haar voorstel aannemelijk te maken dat het perspectief dusdanig is dat zij in 2013 aan deze voorwaarden kan voldoen. Een positieve midtermreview is voorwaarde voor toekenning van de tweede tranche van twee jaar in 2015 en 2016.

De RC verwacht dat instellingen hun ambities mede zullen formuleren in het licht van de nieuwe EU-programma’s voor onderzoek8 («Horizon 2020») en onderwijs9 («Erasmus for all»). «Horizon 2020» is het EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie dat zal lopen van 2014 tot 2020 en dat alle bestaande EU-middelen voor onderzoek en innovatie bundelt. Daarbij gaat het onder meer om het kaderprogramma voor onderzoek, de innovatiegerelateerde maatregelen van het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie en het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie (EIT). In «Horizon 2020» worden middelen uitgetrokken voor onderzoek naar de grote maatschappelijke uitdagingen in Europa (de grand challenges):

De focus ligt sterk op excellentie in onderzoek, maar de middelen voor «Horizon 2020» zijn vooral ook bedoeld om nieuw gegenereerde kennis om te zetten in technologische doorbraken. Met het programma wordt een sterke impuls gegeven aan de European Research Council (ERC), het onderzoek inzake toekomstige en opkomende technologieën (Future and Emerging Technologies – de FET Flagship Initiatives), opleidings-, mobiliteits- en carrièreperspectieven voor jong talent (o.m. de Marie Curie-acties) en het EIT. Internationale samenwerking in onderzoek is daarbij essentieel. Netwerkvorming, publiek-private partnerschappen in onderzoek en openstelling van grootschalige onderzoeksinfrastructuur zullen daarom in «Horizon 2020» worden bevorderd.

Internationalisering is ook het doel van «Erasmus for All» (E4A). Dit nieuwe, zeven jaar durende programma van de Europese Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport, zal alle huidige EU- en internationale regelingen verenigen – en sterk verruimen – op het gebied van de bevordering van studeren in het buitenland door studenten in het hoger onderwijs en praktijkstagestudenten. Ook docenten, onderwijsinstellingen en ondernemingen kunnen een beroep doen op E4A. De RC is van mening dat zowel in «Horizon 2020» als «Erasmus 4 All» kansen liggen voor Nederlandse hogeronderwijsinstellingen.

In de strategische agenda en de hoofdlijnenakkoorden zijn in elk geval de volgende sectoren benoemd met afspraken of plannen die een rol kunnen spelen bij de herordening van het onderwijs- en/of onderzoekaanbod.

Wo:

Hbo:

De RC zal bij haar beoordeling aandacht schenken aan de wijze waarop een instelling eventuele concrete uitwerkingen voorstelt die aansluiten bij sectorplannen10. Plannen die al via een sectorcommissie of regieorgaan geïmplementeerd en gemonitoord worden hoeven niet uitgebreid terug te komen in de prestatieafspraken. De RC verwacht wel dat de instellingen met hun profilering aansluiten bij deze plannen. Ook kan het zijn dat de ambitie van de instelling verder reikt dan in het sectorplan is afgesproken door bijvoorbeeld een relatie te leggen met topsectoren of verdergaande samenwerkingsverbanden aan te gaan. Bij plannen of verkenningen waar (nog) geen beleidsreactie van de overheid beschikbaar is, is het niettemin denkbaar dat instellingen daarbij rekening houden.

Specifiek voor het kunstvakonderwijs geldt dat er in 2012 een inhoudelijke verdieping van het sectorplan beschikbaar komt. De instellingen moeten uitvoering geven aan deze verdieping in hun prestatieafspraken. De RC betrekt bij de beoordeling in hoeverre de instellingen aansluiten bij de inhoudelijke verdieping en het sectorplan.