Ministeriële regeling · BWBR0032452
Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren
Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, 4.1, derde lid, 4.2, zevende lid, 5.1, eerste lid, en 5.2, eerste en tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector; de artikelen 5:14 en 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 3, tweede lid, onder g, van de Wet op het onderwijstoezicht; de artikelen 2 en 4 van de Experimentenwet onderwijs en artikel 6.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.Bussemaker.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,S.Dekker.In deze regeling wordt verstaan onder:
bezoldiging: de bezoldiging in de zin van artikel 1.1, onderdeel e, van de wet;
topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie: de topfunctionarissen van de instellingen onder de nummers 16 tot en met 19, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ en de nummers 1 en 2 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken’;
topfunctionarissen in het onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder de nummers 1 tot en met 9 en 16 tot en met 20, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ respectievelijk de nummers 1 tot en met 3 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken’;
topfunctionarissen in het primair onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder de nummers 1, 2 en 4 tot en met 6, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder de nummers 7 en 9, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
topfunctionarissen van de cultuurfondsen: de topfunctionarissen van de rechtspersonen onder nummer 23, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’, voor zover het betreft de rechtspersonen die zijn opgericht op grond van artikel 9 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
topfunctionarissen van hogescholen: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 20, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’, en nummer 3 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken’ met uitzondering van de instellingen, genoemd in de onderdelen a, b, h en i van de bijlage behorende bij artikel 1.8, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
wet:Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
Deze paragraaf is van toepassing op de topfunctionarissen in het onderwijs.
In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan:
- a.
€ 165.901 voor de topfunctionarissen in het primair onderwijs;
- b.
€ 184.448 voor de topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs;
- c.
€ 199.905 voor de topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie; en
- d.
€ 199.905 voor de topfunctionarissen van de hogescholen.
De gegevens, bedoeld in artikel 4.1 en 4.2 van de wet, worden aangeleverd door middel van het daartoe voorgeschreven e-formulier, tenzij zij reeds zijn aangeleverd door middel van de Elektronisch Financiële Jaarrekening.
De melding, bedoeld in artikel 5.2, eerste en tweede lid, van de wet, wordt gedaan door middel van het daartoe voorgeschreven e-formulier.
Deze paragraaf is van toepassing op de topfunctionarissen van de cultuurfondsen.
In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de cultuurfondsen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan:
- a.
€ 123.024 voor zover het betreft
- 1°.
het Fonds voor Cultuurparticipatie,
- 2°.
het Nederlands Letterenfonds, of
- 3°.
het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie; of
- 4°.
het Nederlands Fonds voor de Film; en
- 1°.
- b.
€ 147.629 voor zover het betreft
- 1°.
het Mondriaan Fonds, of
- 2°.
het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+.
- 1°.
De inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet en deze regeling, ten aanzien van de rechtspersonen, genoemd onder de nummers 1 tot en met 9 en 17, 18 en 20 in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ en de nummers 1 tot en met 3 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie’.
De toezichthouders, bedoeld in het eerste lid, beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
De inspecteur-generaal van het onderwijs is gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop hij toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.
De leden van het Commissariaat voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008 zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet ten aanzien van de rechtspersonen, genoemd onder de nummers 21 en 22 in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.
De toezichthouders, bedoeld in het eerste lid, beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.
De leden van het Commissariaat voor de Media zijn gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop het op grond van het eerste lid toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.
De Beschikking overgangsmaatregelen N.L.O.’s 1985 wordt ingetrokken.
Wijzigt de Regeling financiën hoger onderwijs.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2013.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren.