U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 25-11-2020.

Ministeriële regeling · BWBR0032452

Regeling normering topinkomens OCW-sectoren

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2012, nr. WJZ/353186 (10126), houdende verlaagde bezoldigingmaxima voor topfunctionarissen in het onderwijs en ter invoering van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector (Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren)Regeling normering topinkomens OCW-sectorenDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, 4.1, derde lid, 4.2, zevende lid, 5.1, eerste lid, en 5.2, eerste en tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector; de artikelen 5:14 en 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 3, tweede lid, onder g, van de Wet op het onderwijstoezicht; de artikelen 2 en 4 van de Experimentenwet onderwijs en artikel 6.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.Bussemaker.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,S.Dekker.

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling is van toepassing op rechtspersonen of instellingen waarop de wet van toepassing is, voor zover de minister de minister is wie het aangaat.

De artikelen 3 tot en met 3c zijn uitsluitend van toepassing op:

De verantwoordelijke vermeldt in het financieel verslaggevingsdocument de op grond van artikel 3 of 3a van toepassing zijnde klasse of het op grond van artikel 3b van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor het betreffende kalenderjaar, alsmede het aantal complexiteitspunten per criterium dat geldt voor de instelling in het betreffende jaar.

Vervallen

Vervallen

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de topfunctionarissen van de cultuurfondsen.

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de cultuurfondsen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan:

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

In de artikelen 7b tot en met 7k wordt onder instellingen verstaan: rechtspersonen op wie de wet van toepassing is en die niet vallen onder het toezicht van de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het Commissariaat voor de Media, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en voor zover de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de minister is wie het aangaat.

Voor instellingen in de sector primair onderwijs, alsmede de sector jeugd, onderwijs en zorg, worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector voortgezet onderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector middelbaar beroepsonderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector hoger onderwijs en studiefinanciering worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector onderzoek en wetenschapsbeleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector monumenten en archeologie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector erfgoed en kunsten worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector media en creatieve industrie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor instellingen in de sector emancipatie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

Voor de instellingen in de sector internationaal beleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:

De toezichthouders die in deze paragraaf zijn aangewezen beschikken niet over de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vervallen

Vervallen

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2013.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normering topinkomens OCW-sectoren.

Toepasselijkheid deel 1 of deel 2

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekeningen over het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast. Voor rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Deel 1. Criteria voor de vaststelling van de toepasselijke bezoldigingsklasse voor rechtspersonen of instellingen die beschikken over de gegevens tot en met t-4

1A. Driejaarsgemiddelde van de totale baten per kalenderjaar

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) het volgende aantal punten toe.

1B. Driejaarsgemiddelde van het aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten die op 1 oktober van het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) onderwijs volgden aan die instelling het volgende aantal bekostigde punten toe. Onder aantal bekostigde leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten wordt verstaan: leerlingen, deelnemers, vavo-studenten, mbo-studenten of ho-studenten waarvoor de rechtspersoon of instelling bekostiging ontvangt op grond van de onderwijswetten.

1C. Het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op 1 oktober in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het uit de tabel volgende aantal punten toe. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen is verschillend voor de verschillende onderwijssoorten of sectoren. Voor het bepalen van het aantal onderwijssoorten of sectoren geldt het volgende.

* Het gewogen aantal onderwijssoorten is het resultaat van de volgende berekening:

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1. primair onderwijs – onderwijssoort basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2. primair onderwijs – onderwijssoort speciaal basisonderwijs;

3. wec-onderwijs – onderwijssoort speciaal onderwijs;

4. wec-onderwijs – onderwijssoort voortgezet speciaal onderwijs;

5. voortgezet onderwijs – onderwijssoort praktijkonderwijs;

6. voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7. voortgezet onderwijs – onderwijssoort hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief International Baccalaureate middle years programme);

8. voortgezet onderwijs – onderwijssoort voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief International Baccalaureate diploma programme en European Secondary School);

9. voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1. middelbaar beroepsonderwijs – combinatie van sectoren;

2. middelbaar beroepsonderwijs – sector groen;

3. middelbaar beroepsonderwijs – sector techniek;

4. middelbaar beroepsonderwijs – sector zorg en welzijn;

5. middelbaar beroepsonderwijs – sector economie;

6. hoger beroepsonderwijs – sectoroverstijgend;

7. hoger beroepsonderwijs – sector onderwijs;

8. hoger beroepsonderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9. hoger beroepsonderwijs – sector techniek;

10. hoger beroepsonderwijs – sector gezondheidszorg;

11. hoger beroepsonderwijs – sector economie;

12. hoger beroepsonderwijs – sector gedrag en maatschappij;

13. hoger beroepsonderwijs – sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1. wetenschappelijk onderwijs – sectoroverstijgend;

2. wetenschappelijk onderwijs – sector onderwijs;

3. wetenschappelijk onderwijs – sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4. wetenschappelijk onderwijs – sector natuur;

5. wetenschappelijk onderwijs – sector techniek;

6. wetenschappelijk onderwijs – sector gezondheidszorg;

7. wetenschappelijk onderwijs – sector economie;

8. wetenschappelijk onderwijs – sector recht;

9. wetenschappelijk onderwijs – sector gedrag en maatschappij;

10. wetenschappelijk onderwijs – sector taal en cultuur.

Deel 2. Criteria voor de vaststelling van de toepasselijke bezoldigingsklasse voor rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de drie voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd. Bij de toepassing van de berekeningswijze onder 2A tot en met 2D worden de totale baten in het jaar van oprichting, fusie of splitsing telkens geëxtrapoleerd naar een geheel jaar.

2A. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het lopende jaar (gegevens t)

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

2B. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het voorafgaande jaar (gegevens t en t-1)

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

2C. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar (gegevens t, t-1 en t-2)

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

2D. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar (gegevens t-1, t-2 en t-3)

Indien een rechtspersoon of instelling in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van: