Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de Officier van JustitieAanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de Officier van Justitie

Deze aanwijzing geeft richting aan de verwerking van politiegegevens. Hierin komt aan de orde in welke gevallen de officier van justitie concrete bemoeienis heeft bij de verwerking van politiegegevens die zijn of worden verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, op welke wijze dit dient te gebeuren en welke officieren van justitie hierbij in beginsel aanspreekpunt zijn.

De Wet politiegegevens1 (Wpg) is op 1 januari 2008 in werking getreden en is in de plaats gekomen van de voormalige Wet politieregisters. In de Wpg en de daarbij behorende algemene maatregelen van bestuur, het Besluit politiegegevens (Bpg) en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (Bpgbo), is geregeld hoe de politie (waaronder de Rijksrecherche), de Koninklijke marechaussee en de bijzondere opsporingsdiensten Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst,/Economische Controledienst (FIOD-ECD), de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISZW)-directie opsporing, de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-IOD) en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (VWA-IOD), dienen om te gaan met politiegegevens2. De stelt voorwaarden aan de opslag, verwerking3, beschikbaarstelling (binnen de politie en daarmee gelijkgestelden) en verstrekking (zowel aan derden als aan het buitenland) van politiegegevens, en voorziet in waarborgen voor de burger tegen ongerechtvaardigde inbreuken op zijn persoonlijke levenssfeer. Het Bpg en het Bpgbo regelen welke ambtenaren van politie geautoriseerd kunnen worden om bepaalde politiegegevens te verwerken.

Het uitgangspunt van de Wpg is dat politiegegevens slechts worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor de bij of krachtens de Wpg geformuleerde doeleinden, en voor zover zij rechtmatig zijn verkregen en, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn (art. 3 lid 1 en 2 Wpg). Daarnaast kunnen politiegegevens onder voorwaarden worden verwerkt voor een ander doel dan waarvoor de gegevens oorspronkelijk zijn verkregen.

De wet kent vijf specifieke verwerkingsdoeleinden:

Het verwerken van politiegegevens is een aangelegenheid van beheer, en niet van gezag. De Wpg richt zich dan ook voornamelijk tot ‘de verantwoordelijke’5. Dit laat onverlet dat de officier van justitie vanuit zijn wettelijk gezag over de opsporing van strafbare feiten (art. 148 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en art. 12 Politiewet 2012) zeggenschap heeft over het daadwerkelijke gebruik van de politiegegevens die zijn verwerkt ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Ook kunnen belangen van opsporing en vervolging richtinggevend zijn voor het beheer van politiegegevens.

Verwerkte politiegegevens kunnen zich tegelijkertijd bij de opsporingsinstanties6 en het OM bevinden. Op de politiegegevens die zich enkel bij de opsporingsinstanties bevinden is de Wpg van toepassing, op de gegevens die deel uitmaken van een lopend onderzoek of die in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg door het OM worden verwerkt7 zijn tevens de bepalingen van Sv en de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing (art. 1 onderdeel b Wjsg). Deze wetten kennen hun eigen, van elkaar verschillende verwerkingsregimes. Het bepaalde in de Wjsg en het Sv is relevant voor bepaalde verwerkingen die bij de opsporingsinstanties onder de Wpg plaatsvinden, waarmee in het voorkomende geval afstemming met het OM een vereiste is8 (zie paragrafen 8, 15 en 16).

Het OM draagt géén verantwoordelijkheid voor het naleven door de verantwoordelijke van de bij de Wpg gestelde voorschriften van terbeschikkingstelling en verstrekking.

Voor politiegegevens die met een art. 10 lid 1, onder a of art 12 lid 1 Wpg doel door de criminele inlichtingen (CI) worden verwerkt, gelden strenge wettelijke vereisten omdat de informatie niet altijd betrouwbaar is terwijl de risico’s en gevolgen van de verwerking groot kunnen zijn voor de personen die het betreft. De verantwoordelijke treft maatregelen opdat ook deze verwerkte politiegegevens juist en nauwkeurig zijn. Politiegegevens worden verbeterd, vernietigd of aangevuld indien deze onjuist of onvolledig zijn (art. 4 lid 1 Wpg) en dienen verwijderd te worden zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel van de verwerking, uiterlijk vijf respectievelijk tien jaar na de datum van de laatste verwerking (artt. 10 lid 6 en 12 lid 6 Wpg).

Uit de gezagsrelatie en de wetsgeschiedenis van de toenmalige Wet politieregisters vloeit voort dat het toezicht op de met een art. 10 lid 1, onder a of art. 12 lid 1 Wpg doel verwerkte gegevens een gezamenlijke aangelegenheid is van de verantwoordelijke en de officier van justitie. De daartoe door de hoofdofficier van justitie aangewezen CI-officier van justitie verricht periodieke controles op de CI-verwerkingen van politiegegevens (zie ZoOM). Daarmee neemt de CI-officier van justitie niet de taak en verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke over.

Politiegegevens worden slechts verwerkt door ambtenaren van politie9 die daartoe door de verantwoordelijke zijn geautoriseerd en voor zover de autorisatie strekt (art. 6 lid 2 Wpg)10. In het Bpg en het Bpgbo zijn nadere regels gesteld over de categorieën van personen die voor gegevensverwerkingen van respectievelijk informanten (art. 12 lid 1 Wpg), gegevensverwerking ernstige misdrijven (art. 10 lid 1, onder b Wpg), de CI-verwerking (art. 10 lid 1, onder a Wpg) en de RID-verwerking (art. 10 lid 1, onder c Wpg) geautoriseerd kunnen worden en de deskundigheidseisen die aan hen kunnen worden gesteld.

De categorieën van (politie)ambtenaren die in aanmerking kunnen komen voor deze autorisaties worden aangewezen met instemming van de CI-officier van justitie (art. 2:6 Bpg en art. 2 lid 2 Bpgbo).

Voor een goede invulling van de gezagsrol van de officier van justitie, voor de transparantie van de herkomst van politiegegevens bij doelafwijkende verwerking en ten behoeve van het duiden van politiegegevens in de bedrijfsprocessensystemen van de opsporingsinstanties is van groot belang dat duidelijk is met welk doel de politiegegevens zijn verwerkt. De wetgever heeft aangegeven dat de grens tussen een gegevensverwerking op basis van art. 8 en op basis van art. 9 Wpg niet zeer scherp valt af te bakenen11.

Van een art. 8 Wpg verwerking is in beginsel sprake als er geen BOB-bevoegdheden worden ingezet of de inzet van BOB-bevoegdheden beperkt blijft tot de artt. 126n tot en met 126nd Sv. Een art. 8 Wpg onderzoek dat aan deze criteria voldoet kan toch als art. 9 Wpg verwerking worden aangemerkt, bijvoorbeeld om reden van afscherming, bewaartermijn of de noodzaak van uitgebreidere zoekmogelijkheden.

Van een art. 9 Wpg verwerking is sprake als de inzet van BOB-bevoegdheden niet beperkt blijft tot de artt. 126n tot en met 126nd Sv. Daarnaast is van een gericht onderzoek in de zin van art. 9 Wpg sprake indien de verwerking betrekking heeft op12:

In geval van twijfel overlegt de teamleider van het onderzoek in beginsel met het in paragraaf 7 genoemde aanspreekpunt.

Als politiegegevens gericht worden verwerkt (zie paragraaf 6), moet het doel van dat onderzoek binnen een week na aanvang van de verwerking schriftelijk worden vastgelegd (art. 9 lid 2 Wpg). Een goede16 doelomschrijving is van belang omdat de verwerkte politiegegevens worden verwijderd (en vervolgens na vijf jaar vernietigd) zodra zij niet langer noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor zij zijn verwerkt (art. 9 lid 4 Wpg).

Vanuit zijn gezagsrol heeft de officier van justitie zeggenschap over het onderzoeksdoel. In het voorkomende geval vindt afstemming plaats tussen de bevoegd functionaris en de officier van justitie over de formulering van het onderzoeksdoel (zie paragraaf 8).

Eventuele capacitaire afwegingen van een stuurploeg die leiden tot een afbakening van een opsporingsonderzoek hebben in beginsel een tijdelijk karakter en zijn niet bepalend voor de formulering van het onderzoeksdoel in de zin van art. 9 lid 2 Wpg. Het onderzoeksdoel kan in de volgende gevallen bijvoorbeeld als volgt omschreven worden:

• Onderzoek naar aanleiding van een aangifte van een strafbaar feit

Bij (MRO-waardige) onderzoeken die aanvangen naar aanleiding van een aangifte zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk van de aangifte, een juridische kwalificatie daarvan, en een omschrijving als:

Hierbij is de zaaksofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Opsporingsonderzoek naar strafrechtelijk incident (geen aangifte) 19

Bij (MRO-waardige onderzoeken) die aanvangen naar aanleiding van een incident zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk van het incident, een juridische kwalificatie daarvan, en een omschrijving als:

Hierbij is de zaaksofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband20

Bij (MRO-waardige) opsporingsonderzoeken naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk, de personalia van de betrokken personen/benaming van het csv/registratief kenmerk van het criminele samenwerkingsverband, en een omschrijving als:

Hierbij is de zaaksofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Onderzoek naar vermogen veroordeelde, ook wel Strafrechtelijk Executie Onderzoek (SEO)21 genoemd

Bij een SEO22 zal het onderzoeksdoel bestaan uit een registratief kenmerk, de personalia van de verdachte(n), (een) parketnummer(s), de hoogte van de opgelegde alsmede de resterende betalingsverplichting(en) en een omschrijving als:

Hierbij is de zaaksofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Onderzoek naar haalbaarheid van een (tactisch) strafrechtelijk onderzoek (preweeg)

Bij onderzoeken gericht op de haalbaarheid van een strafrechtelijk onderzoek zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk, de personalia van de verdachte(n)/benaming van het csv/registratief kenmerk van het criminele samenwerkingsverband en/of registratief kenmerk van de aangifte of strafrechtelijk incident, en een omschrijving als:

Hierbij is de informatieofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Onderzoek ten behoeve van inzicht/overzicht in criminele samenwerkingsverbanden (csv’s) (voor zover dit niet plaatsvindt met art. 10 Wpg doel)

Bij een onderzoek naar inzicht/overzicht van csv’s zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk, de personalia van de verdachten/benaming van het csv/registratief kenmerk van het criminele samenwerkingsverband, een juridische kwalificatie van de vermoedelijk door het verband gepleegde misdrijven, en een omschrijving als:

Hierbij is de informatieofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Verkennend onderzoek24

Bij een verkennend onderzoek zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk, een aanduiding/beschrijving van de te onderzoeken sector in de samenleving, en een omschrijving als:

Hierbij is de informatieofficier van justitie in beginsel aanspreekpunt.

• Een onderzoek voor de aanpak van een veelpleger

Bij een onderzoek naar de aanpak van een veelpleger zal het onderzoeksdoel veelal bestaan uit een registratief kenmerk, de personalia van de betrokkene(n), een duiding van het kader waarbinnen de persoonsgerichte aanpak moet gaan plaatsvinden (bijvoorbeeld Top 600), en een omschrijving als:

Hierbij is de doelgroepenofficier van justitie /officier van justitie veiligheidshuizen in beginsel aanspreekpunt.

Hoewel de Wpg de doelbinding voorop stelt bij de verwerking van politiegegevens, is doelafwijkende verwerking van politiegegevens onder voorwaarden mogelijk. De doelafwijkende verwerking kan op twee manieren geïnitieerd worden. In de eerste plaats kan het initiatief daarvoor uitgaan van de opsporingsambtenaar die de betreffende gegevens verwerkt (actief). Deze kan de gegevens beschikbaar stellen voor een verdere verwerking met een ander doel25. In de tweede plaats kunnen geautoriseerde, belanghebbende opsporingsambtenaren zelf het initiatief nemen en zoeken naar gegevens die elders binnen de opsporingsinstanties worden verwerkt (passief). De Wpg kent (limitatief) twee verschillende vormen van doorzoeken van politiegegevens: geautomatiseerd vergelijken en in combinatie verwerken (zie paragraaf 9).

In beide situaties worden de met een art. 9 of art. 10 Wpg doel verwerkte gegevens pas na instemming van een daartoe aangewezen bevoegd functionaris26 binnen de opsporingsinstanties ter beschikking gesteld voor verdere verwerking met een ander doeleinde (art. 9 lid 3 of 10 lid 5 Wpg). Het uitgangspunt van de Wpg is dat politiegegevens ter beschikking worden gesteld aan ambtenaren van politie en daarmee gelijkgestelden, voor zover zij deze behoeven voor de uitvoering van hun taak (art. 15 lid 1 Wpg).

Uit de gezagsrelatie tussen het OM en de opsporingsinstanties vloeit voort dat de bevoegde functionaris (namens de korpschef) zijn taak uitoefent in nauw overleg met de officier van justitie. Hierbij hebben de bevoegde functionaris en de officier van justitie ieder een eigen verantwoordelijkheid. Hieronder wordt kort ingegaan op het afwegingskader van de bevoegd functionaris en van de officier van justitie.

De bevoegd functionaris beoordeelt:

Daarnaast beoordeelt de bevoegd functionaris:

De officier van justitie stemt in beginsel in met de beschikbaarstelling tenzij de belangen van opsporing en vervolging zich daartegen verzetten. Desgewenst worden nadere afspraken gemaakt tussen de betrokken politieambtenaren over het onder beperkende voorwaarden gebruik maken van de politiegegevens. Indien de officier van justitie zich, gelet op de belangen van opsporing en vervolging, niet kan vinden in de beschikbaarstelling van de betreffende politiegegevens, deelt hij dit zo spoedig mogelijk mee. Belangen van opsporing en vervolging kunnen ook betrekking hebben op een nieuwe verwerking ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, bijvoorbeeld als de bevoegd functionaris een evident verkeerde afweging maakt met betrekking tot noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

Vorenstaande laat onverlet dat de officier van justitie ten aanzien van de politiegegevens die zijn verkregen met behulp van de opsporingsbevoegdheden vermeld in art. 125n lid 1 Sv of art. 126cc lid 1 Sv te allen tijden bevoegd is te bepalen of deze ter beschikking worden gesteld. Ten aanzien van deze politiegegevens dient de officier van justitie te bepalen of gegevens verwerkt mogen worden in een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend, of mogen worden verwerkt voor een doeleinde als genoemd in art. 10 lid 1, onder a en b Wpg (art. 126dd lid 1 Sv).

De officier van justitie kan zijn instemming mondeling geven. Voor de politiegegevens die worden verwerkt met een art. 9 Wpg doel wordt in beginsel verwezen naar de betreffende officier van justitie die als aanspreekpunt is genoemd in paragraaf 7. Voor gegevens die zijn verwerkt met een art. 10 lid 1, onder a of met een art. 10 lid 1, onder b Wpg doel zijn respectievelijk de CI-officier van justitie en de officier van justitie belast met mensenhandel en -smokkel of de officier van justitie belast met terrorisme het aanspreekpunt.

In bijzondere gevallen kan het bevoegde gezag27 in de zin van de Politiewet 2012 opdracht geven om ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in art. 9 lid 1 Wpg, of een verwerking als omschreven in art. 10 lid 1 Wpg, op grond van de artt. 8, 9 of 10 Wpg verwerkte politiegegevens in combinatie met elkaar te verwerken om vast te stellen of er verbanden bestaan tussen de gegevens (art. 11 lid 4 Wpg).

Deze verwerkingsmogelijkheid is gebonden aan strikte criteria. Dit blijkt uit de vereisten ‘in bijzondere gevallen’ en ’in opdracht van’. Hieronder wordt ingegaan op de zoekvormen geautomatiseerd vergelijken en in combinatie verwerken, en wordt aangegeven wat ‘bijzondere gevallen’ zijn en welke toetsing de officier van justitie doet voorafgaand aan het geven van een opdracht tot gecombineerd verwerken.

De Wpg kent (limitatief) twee verschillende vormen van doorzoeken van politiegegevens: geautomatiseerd vergelijken (art. 8 lid 2, 11 lid 1, 11 lid 2 en 12 lid 4 Wpg) en in combinatie verwerken (art. 8 lid 3 en 11 lid 4)28. Alleen bij de gecombineerde verwerking in de zin van art. 11 lid 4 Wpg heeft de officier van justitie een rol.

Noch in de Wpg, noch in de Kamerstukken is in een technische omschrijving het verschil tussen geautomatiseerd vergelijken en gecombineerd verwerken benoemd en is toegelicht wat het verschil betekent voor de politiepraktijk. Op basis van de abstractere omschrijvingen in de Kamerstukken29 gaat deze aanwijzing uit van de volgende definities.

Het zoeken met een complex en/of uitgebreid profiel met indicatoren of kenmerken dat is verkregen met een gecombineerde verwerking dient weer gezien te worden als een geautomatiseerde vergelijking. Omdat het zoeken met gemeenschappelijke kenmerken een grote inbreuk op de privacy kan opleveren en deze verwerking daarmee snel valt onder de verwerkingsdoeleinden van art. 9 en 10 Wpg, daaruit veelal nog grotere inbreuken op de privacy voortvloeien en gelet op de mogelijke strafprocessuele consequenties die daar weer uit kunnen voortvloeien (begin van verdenking), ligt het mede gezien art. 148 lid 2 Sv in de rede dat een dergelijke geautomatiseerde vergelijking eveneens plaatsvindt in overleg met de officier van justitie.

Van een bijzonder geval is sprake bij a) een ‘dringend maatschappelijk belang’ en indien tevens b) voldaan is aan het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit.

Een aanvraag tot gecombineerd verwerken wordt schriftelijk gedaan en dient te zijn voorzien van een inhoudelijke motivering. Een aanvraag tot gecombineerd verwerken dient in ieder geval de volgende vragen te beantwoorden:

De officier van justitie legt zijn beslissing c.q. opdracht tot gecombineerde verwerking schriftelijk vast. Voor de politiegegevens die worden verwerkt met een art. 9 Wpg doel wordt in beginsel verwezen naar de betreffende officier van justitie die als aanspreekpunt is genoemd in paragraaf 7. Voor de onderzoeken met een art. 10 lid 1, onder a Wpg doel is dit de CI-officier van justitie, voor onderzoeken met een art. 10 lid 1, onder b Wpg doel de officier van justitie belast met mensenhandel en -smokkel of officier van justitie belast met terrorisme.

De opdracht maakt geen deel uit van een eventueel BOB-dossier. Het is ingevolge art. 32 lid 1 onder d Wpg en art. 6:4 lid 2 Bpg aan de verantwoordelijke om opdrachten tot gecombineerde verwerkingen schriftelijk vast te doen leggen.

Politiegegevens die zijn verwerkt overeenkomstig art. 8, 9 en 10 Wpg, kunnen ter ondersteuning van de politietaak onder meer verder verwerkt worden voor zover deze relevant zijn voor het ophelderen van strafbare feiten die nog niet herleid konden worden tot een verdachte (art. 13 lid 1 onder b Wpg). De betreffende politiegegevens worden landelijk raadpleegbaar gesteld.

Hoewel de verantwoordelijke bepaalt welke gegevens in aanmerking komen voor verdere verwerking in de zin van art. 13 Wpg, brengen de belangen van opsporing en vervolging mee dat van de niet opgeloste misdrijven waarbij het onderzoek niet wordt voortgezet, alle onderzoeksgegevens beschikbaar blijven tot er nieuwe aanknopingspunten worden gevonden.

De politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 9 Wpg doel, en waarbij dit doel (zie paragraaf 7) niet is gerealiseerd, vervalt de verwerkingsnoodzaak na verjaring van het ‘zwaarste’ feit met de hoogste strafbedreiging (art. 70 Sr).

In bijzondere gevallen kan de officier van justitie opdracht geven om eerdere op grond van de art. 8, 9 of 10 Wpg verwerkte politiegegevens die verwijderd maar nog niet vernietigd zijn33, ter beschikking te stellen voor hernieuwde verwerking voor zover dat noodzakelijk is voor een doel als genoemd in art. 9 of 10 (art. 14 lid 3 Wpg).

‘Bijzondere gevallen’ wordt op dezelfde manier uitgelegd als bij gecombineerde verwerking (zie paragraaf 9.2). Hieronder wordt aangegeven hoe het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit uit ‘bijzondere gevallen’ in de zin van art. 14 lid 3 Wpg wordt uitgelegd en welke toetsing de officier van justitie doet voorafgaand aan het geven van een opdracht tot hernieuwd verwerken.

Het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit vergt een zorgvuldige afweging tussen het belang dat met de raadpleging van de verwijderde maar nog niet vernietigde gegevens is gediend en het belang van de personen van wie de gegevens kunnen worden betrokken in dit onderzoek. Er is onder andere voldaan aan dit vereiste als:

Een aanvraag tot hernieuwde verwerking wordt schriftelijk gedaan en dient te zijn voorzien van een inhoudelijke motivering. Een aanvraag tot hernieuwde verwerking dient in ieder geval de volgende vragen te beantwoorden:

Het geven van een opdracht tot hernieuwde verwerking omvat tevens instemming tot de doelafwijkende verwerking daarvan (zie paragraaf 9). Daar het hier gaat om oudere, op grond van de artt. 9 of 10 Wpg verwerkte politiegegevens waarvan de noodzaak tot verwerking niet langer bestaat, ligt het niet voor de hand dat er belangen van opsporing en vervolging zijn die zich tegen een hernieuwde verwerking verzetten35. Het is aan de zaaksofficier van justitie die de opdracht tot hernieuwde verwerking geeft om, eventueel naar aanleiding van de in de aanvraag verstrekte gegevens, bij de officier van justitie in de oude zaak of, als deze niet meer voor het betreffende OM-onderdeel werkzaam is, bij de rechercheofficier van justitie of bij de CI-officier van justitie, de officier van justitie belast met mensenhandel en -smokkel of de officier van justitie belast met terrorisme navraag te doen naar eventuele opsporings- en vervolgingsbelangen die zich tegen beschikbaarstelling verzetten.

De officier van justitie legt zijn beslissing c.q. opdracht tot hernieuwde verwerking schriftelijk vast. De hernieuwde verwerking kan slechts door daartoe geautoriseerden, die zijn belast met taken op het gebied van de coördinatie van het informatieproces, worden gedaan. Derhalve is de informatieofficier van justitie bij concrete strafrechtelijke onderzoeken het aangewezen aanspreekpunt. De informatieofficier van justitie en de zaaksofficier van justitie overleggen over de noodzaak van de hernieuwde verwerking. Voor het zoeken naar verwijderde politiegegevens die met een art. 10 lid 1, onder a Wpg doel zijn verwerkt is de CI-officier van justitie aanspreekpunt, voor het zoeken naar verwijderde gegevens die met een art. 10 lid 1, onder b Wpg doel zijn verwerkt respectievelijk de officier van justitie belast met mensenhandel en -smokkel of officier van justitie belast met terrorisme.

De opdracht tot hernieuwde verwerking maakt geen deel uit van een eventueel BOB-dossier. Het is ingevolge art. 32 lid 1 onder e Wpg en art. 6:4 lid 3 Bpg aan de verantwoordelijke om opdrachten tot gecombineerde verwerkingen schriftelijk vast te doen leggen.

De verantwoordelijke kan in bijzondere gevallen, indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak, de terbeschikkingstelling van politiegegevens weigeren dan wel beperkende voorwaarden stellen aan de verdere verwerking (art. 15 lid 2 Wpg). Hierbij wordt gebruik gemaakt van codes36.

Tot het weigeren van terbeschikkingstelling of stellen van beperkende voorwaarden aan de verdere verwerking van politiegegevens mag niet lichtvaardig worden overgegaan. Dat belemmert de gegevensuitwisseling met andere opsporingsonderzoeken en ondergraaft het uitgangspunt van de wet – verplichting terbeschikkingstelling van politiegegevens door de verantwoordelijke (art. 15 lid 1 Wpg). Art. 2:13 lid 1 Bpg geeft een limitatieve opsomming van de bijzondere gevallen waarin de terbeschikkingstelling van politiegegevens geweigerd kan worden of waarin beperkende voorwaarden gesteld kunnen worden aan de verdere verwerking37.

Onder de in art. 2:13 Bpg limitatief opgesomde gevallen vallen ook de politiegegevens uit die onderzoeken die door het College van procureurs-generaal als embargo-onderzoek zijn aangemerkt. Dit betreft onderzoeken:

De communicatie met het College van procureurs-generaal verloopt via de hoofdofficier van justitie. Aanmeldingen vinden mede vanwege de urgentie telefonisch en schriftelijk (met het daarvoor beschikbare meldingsformulier, zie ZoOM) plaats.

De noodzaak voor afscherming kan gedurende het onderzoek wijzigen. De embargo-status heeft daarom een dynamisch karakter. De codering dient te worden aangepast op het moment dat de noodzaak tot afscherming ontstaat of verdwijnt, bijvoorbeeld door:

Eventuele wijzingen met betrekking tot de embargo-status van het onderzoek dienen zo spoedig mogelijk bij het College gemeld te worden. Ook de codering dient zo spoedig mogelijk te worden aangepast.

Politiegegevens moeten verstrekt worden38 aan leden van het OM voor zover zij deze behoeven in verband met hun gezag of zeggenschap over de politie of over andere personen of instanties die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast, of voor de uitvoering van andere hun bij of krachtens de wet opgedragen taken, zoals de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen (art. 16 lid 1 onder b Wpg)39,40, behoudens embargo zaken (zie paragraaf 12).

De benodigde politiegegevens kunnen zijn verwerkt in informatieproducten op strategisch, tactisch en operationeel niveau. De informatieofficier van justitie geeft richting aan en oefent gezag uit over de onderdelen van politie en opsporingsdiensten die belast zijn met het informatieproces ter ondersteuning van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. De CI-officier van justitie vervult deze taak ten aanzien van ambtenaren van politie die werkzaam zijn bij een eenheid die is belast met de verwerking van politiegegevens als bedoeld in art. 10 lid 1, onder a of b Wpg. Teneinde de samenhang in het informatieproces te bewaken, vervullen de informatieofficier van justitie en de CI-officier van justitie hun functie in onderling overleg.

Politiegegevens kunnen, voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland (met uitzondering van de BES-eilanden) of in het desbetreffende buitenland, worden verstrekt aan de autoriteiten in een land binnen het Koninkrijk (inclusief de BES-eilanden) of een ander land die in het kader van de uitoefening van de politietaak hieraan behoefte heeft (art. 17 lid 3 Wpg). De bedoelde verstrekking van politiegegevens kan plaatsvinden op verzoek (passief) van de autoriteit van een land binnen het Koninkrijk of buitenland (met een rechtshulpverzoek) of op eigen initiatief (actief) ter voorkoming van een ernstig misdrijf of de voorkoming van een ernstig gevaar voor de openbare orde. De verstrekking van informatie die niet is vergaard in het kader van een desbetreffend rechtshulpverzoek, is een doelafwijkende verwerking (zie paragraaf 8).

De artt. 552i t/m 552q Sv en de Aanwijzing inzake de informatie-uitwisseling in het kader van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (552i Sv) (2008A024) zijn van toepassing op inkomende rechtshulpverzoeken. Hoofdregel is dat de politie onder eindverantwoordelijkheid van het OM zelfstandig bevoegd is uitvoering te geven aan rechtshulpverzoeken waarmee uitsluitend om inlichtingen zoals politiegegevens wordt gevraagd, en voor het verkrijgen daarvan geen bijzondere bevoegdheden tot opsporing nodig zijn (geweest) (art. 552i lid 2 Sv). Deze zelfstandige bevoegdheid laat onverlet de voorschriften uit de Wpg en het Bpg41.

Binnen de Europese Unie wordt aan personen en instanties belast met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten op gelijke voet politiegegevens verstrekt zoals aan Nederlandse politieambtenaren politiegegevens ter beschikking worden gesteld42. Aan deze verplichting hoeft niet te worden voldaan, of deze kan aan beperkende voorwaarden worden onderworpen, indien deze verstrekking:

De officier van justitie dient, mede vanwege zijn verantwoordelijkheid voor alle vormen van internationale rechtshulp alert te zijn op de relevantie van de onder zijn gezag verwerkte politiegegevens voor EU personen en instanties belast met de voorkoming en opsporing van strafbare feiten. Hij dient de bevoegde functionarissen bij de politie erop te wijzen dat uitgangspunt is dat politiegegevens die relevant zijn voor de voorkoming en opsporing van strafbare feiten in andere EU-landen uit eigener beweging ter beschikking worden gesteld, met name aan Europol (art. 17 lid 4 Wpg en 5:5 Bpg) en Eurojust43.

Verstrekkingen, ook binnen het Koninkrijk, vinden plaats door tussenkomst van de Internationale Rechtshulp Centra (IRC's), het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) of een andere door de Minister goedgekeurde weg, en dienen (ook) overeenkomstig art. 552i lid 3 Sv geregistreerd te worden in het Landelijk Uniform Registratiesysteem Internationale rechtshulp in Strafzaken (LURIS)44. Verstrekkingen aan Europol vinden plaats door tussenkomst van de Dienst Landelijke Informatie Organisatie (DLIO) van de Landelijke Eenheid van het Korps Nationale Politie (art. 5:5 lid 2 Bpg). De IRC-officier controleert de verstrekkingen periodiek.

In paragraaf 3 van de Wpg en in paragraaf 4 Bpg zijn de (structurele) verstrekkingsmogelijkheden van politiegegevens aan anderen dan de opsporingsinstanties geregeld. Voor zover in deze paragrafen niet in verstrekking aan personen of instanties wordt voorzien, kan de verantwoordelijke45, voor zover aan formele voorwaarden wordt voldaan, ingevolge art. 19 (incidentele gevallen) en art. 20 Wpg (structureel) politiegegevens verstrekken aan deze personen en instanties. Het verstrekken van politiegegevens moet worden gezien als een doelafwijkende verwerking. Dit betekent dat verstrekking niet mogelijk is als een van de weigeringsgronden uit art. 2:13 Bpg zich voordoet of niet voldaan is aan een ander formeel vereiste (zie paragraaf 8). Verstrekking aan een derde kan plaatsvinden op verzoek van deze of uit eigen initiatief van de verantwoordelijke.

Politiegegevens mogen slechts worden verstrekt indien is voldaan aan een aantal vereisten: de Wpg is van toepassing, voor bepaalde doeleinden, met een zwaarwegend algemeen belang, indien noodzakelijk, en, voor zover de betreffende politiegegevens zijn verwerkt in het kader van strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie46,47.

Alvorens tot verstrekking op basis van de Wpg over te kunnen gaan, dient de verantwoordelijke zich ervan te vergewissen of er een strafrechtelijk onderzoek gaande is en/of de politiegegevens door het OM in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg zijn verwerkt, waarmee de belangen van opsporing en vervolging in het geding zijn. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door raadpleging van het ‘zicht-op-zaken’ registratiesysteem Betere Opsporing door Sturing op Zaken (BOSZ). In geval van twijfel of indien blijkt dat een verzoek om verstrekking ook is gericht aan het OM, dient afstemming plaats te vinden alvorens tot verstrekking over te gaan. Door afstemming wordt mede voorkomen dat personen of instanties gaan ‘shoppen’.

Politiegegevens worden verwerkt in het kader van de uitoefening van de politietaken, voor zover dat noodzakelijk is voor de bij of krachtens de Wpg geformuleerde doeleinden (zie paragraaf 2). Verstrekking van politiegegevens door de verantwoordelijke aan een derde kan alleen plaatsvinden voor zover dit in het belang is van de politietaak. Het doel van de verstrekking dient overeen te stemmen of verenigbaar te zijn met (art. 19 en art 20 lid 1 Wpg):

Bij het begrip ‘zwaarwegend algemeen belang’ moet gedacht worden aan de belangen genoemd in art. 8 lid 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), te weten: het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van een land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen48, bijvoorbeeld bij:

Bij het begrip ‘noodzakelijk’ moet gedacht worden aan een belangenafweging tussen het zwaarwegend algemeen belang dat gediend wordt met de verstrekking van de gegevens, het belang van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben en de belangen van opsporing en vervolging. Bij deze belangenafweging worden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit betrokken:

Verstrekkingen in het kader van art. 19 en 20 Wpg vinden plaats in overeenstemming met het bevoegde gezag in de zin van de Politiewet 2012. In deze aanwijzing wordt invulling gegeven aan het te voeren beleid inzake het instemmen met verstrekkingen op grond van de artt. 19 en 20 Wpg, zodat de ambtenaar van de politie vooraf inzicht heeft in het daaromtrent te voeren beleid51.

Indien het gaat om een incidentele verstrekking, beslist de verantwoordelijke per verstrekking of deze noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, en of het doel overeenstemt of verenigbaar is met de hiervoor genoemde doeleinden.

Bij verstrekking van politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 8 of 13 Wpg doel is in de systematiek van de Wpg, uitgezonderd de overeenstemming bij verstrekkingen in het kader van art. 19 en 20 Wpg, dat geen inhoudelijke rol voor de officier van justitie is weggelegd. Gezien de aard van de politiegegevens die zijn verwerkt met een art. 8 of 13 Wpg doel, kan de (hoofd)officier van justitie volstaan met het geven van instemming voor verstrekking in het kader van art. 19 Wpg, tenzij:

Bij de verstrekking van politiegegevens die gericht zijn verwerkt met een art. 9 en 10 Wpg doel, is in de regel een grotere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aan de orde. Voor deze gegevens geldt per definitie art. 4:5 Bpg en de toets door de bevoegd functionaris en officier van justitie bij deze doelafwijkende verwerking. (zie paragraaf 8). De (hoofd)officier van justitie toets een dergelijke voorgenomen beslissing van de verantwoordelijke integraal aan doeleinden, zwaarwegend algemeen belang, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de (hoofd)officier van justitie niet instemt met de verstrekking van de betreffende politiegegevens, deelt hij dit zo spoedig mogelijk mee. Van deze beslissing wordt door de opsporingsinstanties aantekening gemaakt.

Indien het gaat om een structurele verstrekking van politiegegevens heeft de verantwoordelijke voorafgaand daaraan beslist of deze noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, en of het doel overeenstemt of verenigbaar is met hiervoor genoemde doeleinden. Deze beslissing wordt vastgelegd in een besluit. Het zogenoemde art. 20 besluit biedt een juridisch kader waarbinnen in individuele gevallen verstrekkingen kunnen plaatsvinden. Uit het besluit dient te blijken (art. 20 lid 2 Wpg):

De (hoofd)officier van justitie toetst, voor zover de te verstrekken politiegegevens zijn verwerkt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, gezien het voorgenomen structurele karakter van de verstrekkingen, of het juridisch verstrekkingskader in het art. 20 besluit voldoet aan de vereisten die de Wpg daaraan stelt en zijn instemming kan dragen. Desgewenst worden eventuele aanvullende afspraken gemaakt over:

Omdat het verstrekkingskader in het art. 20 besluit is getoetst, eventuele aanvullende afspraken zijn gemaakt en de (hoofd)officier zijn instemming heeft verleend, kan de verantwoordelijke vervolgens binnen dat kader zonder instemming van de (hoofd)officier in het individuele geval overgaan tot verstrekking.

Indien het samenwerkingsverband wordt vastgelegd in een convenant, dient uit het convenant te blijken dat de hoofdofficier van justitie heeft ingestemd met het besluit.

Jaarlijks wordt door de verantwoordelijke een jaarverslag opgesteld voor het periodieke overleg tussen de verantwoordelijke en het bevoegde gezag met een overzicht van de art. 20 besluiten en samenwerkingsverbanden, en het binnen dat kader gedane verstrekkingen52. Het verdient aanbeveling dit jaarverslag gelijktijdig te bespreken met het verslag van de privacyfunctionaris (art. 34 lid 3 Wpg), mede om te bezien of, en in hoeverre de gemaakte verstrekkingsafspraken voldoen en of het aantal in het kader van een art. 20 besluit gedane verstrekkingen het desbetreffende besluit langer rechtvaardigen.

Tevens is aan te bevelen dat zowel binnen de opsporingsinstanties als binnen het OM kenbaar wordt gemaakt aan welke ambtenaren van politie, officieren van justitie en medewerkers bij het betreffende OM onderdeel mandaat is verleend en derhalve als aanspreekpunt dienen.

Een ieder kan schriftelijk verzoeken of er, en zo ja welke politiegegevens over hem of haar verwerking ondergaan en in welke gevallen deze gegevens de afgelopen 4 jaar verstrekt zijn (art. 25 lid 1 Wpg). Het inzagerecht is niet absoluut. De verantwoordelijke kan gevolg geven aan het verzoek (art. 25 lid 1 Wpg) dan wel het verzoek afwijzen (art. 27 lid 1 Wpg) indien het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van:

Het is mede aan het OM om de belangen van opsporing en vervolging te beoordelen.

Voor zover de betreffende politiegegevens door het OM zijn verkregen in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek of onderzoek dat in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg door het OM is verwerkt, zijn art. 30 e.v. Sv voor de verdachte en art. 51b Sv voor het slachtoffer, en de Wjsg (artt. 39 e, f en i Wjsg) voor de gewezen verdachte of veroordeelde eveneens van toepassing (zie paragraaf 3). Verzoeken om kennisneming, die ook aan het OM zijn gericht, worden daarom in ieder geval afgestemd met het OM54. Voor wat betreft politiegegevens die ten behoeve van een lopend strafrechtelijk onderzoek met een art. 9 Wpg doel worden verwerkt, is de zaaksofficier van justitie het aanspreekpunt. De privacymedewerker van het betreffende OM-onderdeel is aanspreekpunt voor de Wjsg-gevallen.

Uit de systematiek van de Wpg vloeit voort dat de verantwoordelijke zijn beslissing neemt in afstemming met de bevoegd functionaris. De bevoegd functionaris raadpleegt de officier van justitie. Voor de politiegegevens die anders dan in de hiervoor genoemde situaties ten behoeve van een art. 9 doel zijn of worden verwerkt, neemt de bevoegd functionaris contact op met de betreffende officier van justitie die als aanspreekpunt is genoemd in paragraaf 7. Voor gegevens die zijn verwerkt met een art. 10 lid 1, onder a Wpg doel neemt de bevoegd functionaris contact op met de CI-officier van justitie, voor gegevens die zijn verwerkt met een art. 10 lid 1, onder b doel met de officier van justitie belast met mensenhandel en -smokkel dan wel de officier van justitie belast met terrorisme.

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.