Ministeriële regeling · BWBR0034548
Regeling vermindering verhuurderheffing 2014
Gelet op de artikelen 1.12, tweede lid, 1.13, eerste lid, en 1.14, tweede en vijfde lid, van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage18 december 2013De Minister voor Wonen en Rijksdienst,S.A.BlokIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
belastingplichtige: belastingplichtige als bedoeld in artikel 1.4 van de wet;
- b.
omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
- c.
Vrijstellingsbesluit DAEB: besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;
- d.
De aanmelding van een voorgenomen investering bevat ten minste:
- a.
een aanduiding van de voorgenomen investering;
- b.
een aanduiding van de postcodes, de adressen, dan wel de kadastrale aanduidingen van de objecten ten aanzien waarvan de voorgenomen investering wordt verricht;
- c.
een reële raming van de investeringskosten per huurwoning van de voorgenomen investering, en
- d.
indien van toepassing: een opgave van de datum waarop het bevoegd gezag de ten behoeve van een voorgenomen investering afgegeven omgevingsvergunning heeft verstrekt of schriftelijk kenbaar heeft gemaakt die vergunning te zullen verstrekken;
- e.
indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 8°, van de wet betreft: een energie-index met een opnamedatum die op het tijdstip van aanmelding van de voorgenomen investering niet ouder is dan 6 maanden, alsmede de verwachte energie-index na realisatie van de investering.
De belastingplichtige verklaart dat de voorgenomen investering betrekking heeft op een of meerdere huurwoningen.
De energie-index, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, is vastgesteld en afgegeven op de wijze, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Regeling energieprestatie gebouwen.
Indien de belastingplichtige voor een huurwoning een aangemelde voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 8°, van de wet, intrekt en voor die huurwoning binnen vijf werkdagen een nieuwe aanmelding voor een voorgenomen investering doet, kan hij eenmalig de bij de nieuwe aanmelding de energie-index overleggen die hij bij de ingetrokken voorgenomen investering heeft overlegd.
De aanmelding van een gerealiseerde investering bevat ten minste:
- a.
een aanduiding van de gerealiseerde investering;
- b.
een aanduiding van de postcodes en de adressen ten aanzien waarvan de gerealiseerde investering is verricht;
- c.
de vergunning indien de investering vergunningplichtig is;
- d.
indien sprake is van de bouw van huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet: een verhuurderverklaring waaruit blijkt dat de huurprijs lager is en zal zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag;
- e.
indien sprake is van verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen die gerealiseerd is na 31 december 2017: een verhuurderverklaring waaruit blijkt dat de huurprijs lager is en zal zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag;
- f.
de datum waarop de investering is gerealiseerd;
- g.
de gerealiseerde investeringskosten per huurwoning;
- h.
indien sprake is van verduurzaming als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 8°, van de wet: een energie-index die is vastgesteld en afgegeven nadat de investering is voltooid.
Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De aanvraag van een verklaring als bedoeld in artikel 1.6, tweede lid, onderdeel c, van de wet bevat ten minste:
- a.
een aanduiding van de postcode en het adres van de woningen waarvan de belastingplichtige de eigendom verwerft en waarvoor de vrijstelling wordt aangevraagd;
- b.
een verklaring van de toegelaten instelling die de woning in eigendom verwerft dat de aankoop onderdeel uitmaakt van een plan dat beoogt uitvoering te geven aan een activiteit in het kader van stedelijke vernieuwing als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, en
- c.
de datum van de eigendomsoverdracht van de woning aan de toegelaten instelling.
De aanvraag van een verklaring als bedoeld in artikel 1.6, vierde lid, onderdeel c, van de wet bevat ten minste:
- a.
een aanduiding van de postcodes dan wel de adressen van de woningen ten aanzien waarvan de vrijstelling wordt aangevraagd;
- b.
de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.6, vierde lid, onderdeel a, van de wet voor die woningen, en
- c.
de datum waarop de woningen zijn gerealiseerd.
De compensatie bedraagt maximaal € 15 miljoen per belastingplichtige per jaar.
Indien het bedrag, genoemd in het eerste lid, varieert gedurende de periode waarin aan de belastingplichtige de activiteiten, bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, van de wet zijn opgedragen, wordt dit jaarbedrag berekend als het gemiddelde van de jaarlijkse compensatiebedragen die naar verwachting gedurende die periode zullen worden toegekend.
De belastingplichtige administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het Vrijstellingsbesluit DAEB, verbonden met de gerealiseerde investeringen op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de heffingsvermindering.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vermindering verhuurderheffing 2014.