Ministeriële regeling · BWBR0034893
Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving
Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 2, vierde lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport, de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector en de artikelen 70d, tweede lid, 93, 105 en 120b van de Woningwet;
Gezien de schriftelijke instemming van de inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport;
Besluit:
Dit besluit zal met de bijlage en de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
’s-Gravenhage4 maart 2014De Minister van Wonen en Rijksdienst,S.A.Blok.In dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
minister: Minister voor Wonen en Rijksdienst;
- b.
ministerie: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- c.
inspecteur-generaal: inspecteur-generaal Leefomgeving en Transport, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Instellingsbesluit Inspectie Leefomgeving en Transport;
- d.
d. herziene richtlijn energieprestatie gebouwen:richtlijn nr. 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking) (PbEU L153);
- e.
verordening bouwproducten:verordening nr. 305/2011/EU van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PbEU L88).
Aan de inspecteur-generaal wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de aan de minister toekomende bevoegdheid tot handhaving, bedoeld in de artikelen 5.4, 5.5 en 5.6 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector en de artikelen 70d, tweede lid, 105 en 120b van de Woningwet, voor zover het betreft werkzaamheden aangewezen in de bijlage bij dit besluit. Het mandaat en de machtiging betreffen niet de onderwerpen met betrekking tot welke ingevolge de artikelen 70d, eerste lid, en 71a, eerste lid, onderdeel b, van de Woningwet het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71 van die wet, met het toezicht is belast.
Aan de inspecteur-generaal wordt volmacht verleend voor het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
Het op grond van dit besluit verleende mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden als bedoeld in de bijlage bij dit besluit.
Aan de inspecteur-generaal wordt mandaat en machtiging verleend voor het behandelen van bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in artikel 2, waaronder begrepen het nemen van beslissingen op bezwaarschriften, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem krachtens mandaat is genomen.
Aan de inspecteur-generaal wordt tevens machtiging verleend voor het behandelen van beroepschriften en voor het voeren van verweer in de gevallen waarin (hoger) beroep is ingesteld tegen een beslissing op bezwaar als bedoeld in het eerste lid.
De inspecteur-generaal kan voor de in de artikelen 2 en 3 bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.
De inspecteur-generaal kan de volmacht, bedoeld in artikel 2, tweede lid, verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.
Het verlenen van volmacht, ondermandaat of machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk.
Een afschrift van een besluit inzake volmacht, ondermandaat en machtiging als bedoeld in het derde lid wordt gezonden aan de minister en aan degenen aan wie krachtens het besluit volmacht, ondermandaat of machtiging is verleend.
Het krachtens dit mandaat, volmacht en machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt:
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
namens deze:
(handtekening)
(naam functionaris)
(functie)
De ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport, met uitzondering van hen die meer in het bijzonder administratieve werkzaamheden uitoefenen, worden aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens:
- –
de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector;
- –
artikel 70c van de Woningwet, met uitzondering van de onderwerpen met betrekking tot welke ingevolge de artikelen 70d, eerste lid, en 71a, eerste lid, onderdeel b, van die wet het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71 van die wet, met het toezicht is belast; – artikel 120, tweede lid, van de Woningwet;
- –
de verordening bouwproducten;
- –
de herziene richtlijn energieprestatie gebouwen;
voor zover het betreft werkzaamheden aangewezen in de bijlage bij dit besluit.
De inspecteur-generaal is niet bevoegd om zelfstandig verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur, de Wet nationale ombudsman of de Wet bescherming persoonsgegevens, voor zover die verband houden met de uitvoering van de in de artikelen 2, 3 en 6 van dit besluit bedoelde taken namens de minister af te doen. Dergelijke zaken worden door de inspecteur-generaal inhoudelijk voorbereid en ter afdoening, door tussenkomst van de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie, aan de secretaris-generaal van het ministerie onderscheidenlijk de minister voorgelegd.
De inspecteur-generaal informeert de minister over zwaarwegende en politiek-bestuurlijk gevoelige omstandigheden en gebeurtenissen die betrekking hebben op de gemandateerde bevoegdheden.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op bevoegdheden die zijn verleend op basis van volmacht en machtiging.
Wijzigt het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2014.
Dit besluit heeft geen betrekking op de behandeling van gerechtelijke procedures inzake de aangelegenheden, bedoeld in de artikelen 2, 3 en 6, die op 1 januari 2014 aanhangig zijn.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit mandatering aan ILT van handhavingsbevoegdheden en aanwijzing toezichthouders op het terrein van BZK-wetgeving.
De werkzaamheden betreffen:
- –
Het houden van toezicht op de naleving van het verbod in artikel 120, tweede lid, van de Woningwet, betreffende: CE-markering en bijbehorende prestatieverklaringen zoals bedoeld in de verordening bouwproducten en het Besluit energieprestatie gebouwen, voor zover het gaat om:
- a.
de aanwezigheid van energielabels bij oplevering, verkoop en nieuwe verhuur van gebouwen;
- b.
de validatie van de erkende deskundige bij het energielabel voor woningen;
- c.
de verplichte keuring van airconditioningsystemen;
- d.
de zichtbaarheid van het energielabel in overheidsgebouwen en overige publiek toegankelijke gebouwen,
en het handhaven daarvan op grond van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 120b van de Woningwet;
- a.
- –
Het houden van toezicht op de taken die de toegelaten instellingen op basis van hoofdstuk 5, afdeling 3, van de Woningwet hebben, en de handhaving daarvan op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 70d, tweede lid, van de Woningwet door onder meer het geven van een aanwijzing aan individuele woningcorporaties en het opleggen van een last onder dwangsom op grond van artikel 105 van de Woningwet;
- –
Het houden van toezicht op de naleving en de handhaving daarvan op basis van de artikelen 5.4, 5.5 en 5.6 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector zoals bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d, onder 1, van bijlage 1 van die wet: De krachtens artikel 70, eerste lid, van de Woningwet toegelaten rechtspersonen.