Wijzigingen Officiële bron
Richtlijn voor strafvordering ArbeidsomstandighedenwetRichtlijn voor strafvordering Arbeidsomstandighedenwet

Deze richtlijn bevat het transactie- en rekwireerbeleid voor de strafrechtelijk te handhaven overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet), waaronder een aantal BRZO-feiten1.

De richtlijn is gewijzigd mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving op 1 januari 2013.

Er kunnen zich situaties voordoen waarin – ondanks het advies ‘dagvaarden’ in deze richtlijn – de voorkeur moet worden gegeven aan een OM-strafbeschikking (of, tot moment van vervallen van art. 74 Wetboek van Strafrecht (Sr), een transactie aanbieden). Zie ook de Aanwijzing OM-strafbeschikking.

Een transactie aanbieden is alleen mogelijk wanneer sprake is van een misdrijf in de zin van de Wet op de economische delicten (WED). De officier van justitie kan geen transactie aanbieden als sprake is van een overtreding; veel WED-delicten zijn overtredingen, zie onder 4.

Het aanbieden van een OM-strafbeschikking of een transactie kan bijvoorbeeld de voorkeur genieten indien het bedrijf verdere strafvervolging wil voorkomen en daarbij onomstotelijk duidelijk maakt dat de veiligheid in het bedrijf verbeterd is, alsmede dat voor uitkering aan slachtoffers of nabestaanden is c.q. zal worden zorg gedragen. Deze mogelijkheid kan worden geboden als een herhaling van de overtreding (OM-strafbeschikking) of het misdrijf (transactie) niet is te verwachten. Desondanks kan met het oog op de algemene preventie dagvaarding in zo’n geval toch de voorkeur verdienen. Dat is niet aan de orde als kan worden volstaan met een kennisgeving aan de producent van de machine die betrokken was bij het arbeidsongeval of de branchegenoten die eenzelfde machine in gebruik hebben of een machine waaraan vergelijkbare gebreken/gevaren kleven.

(In geval van een transactie: Als de hoogte van het transactievoorstel daar aanleiding toe geeft, dient gehandeld te worden conform de Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken.)

Ter terechtzitting zal de officier van justitie geen hogere boete eisen dan de sanctie van de strafbeschikking, tenzij de bestrafte geen inhoudelijke gronden aanvoert waarop zijn verzet is gebaseerd. Een dergelijke situatie kan voorkomen wanneer de bestrafte in het verzetschrift geen gronden heeft aangegeven en eveneens verstek laat gaan ter terechtzitting, dan wel verschijnt maar geen inhoudelijk verweer voert. In deze gevallen verdient het aanbeveling om net als bij een niet betaalde transactie een tot 20% hogere sanctie worden gevorderd.

Als de zaak ter terechtzitting is aangebracht na mislukte executie, wordt in beginsel een zwaardere sanctie geëist. Daarbij moet rekening worden gehouden met de reeds (gedeeltelijk) ten uitvoer gelegde sanctie.

(In geval van een transactie: Indien een aangeboden transactie niet is betaald, wordt het aangeboden bedrag, verhoogd met 20%, gevorderd ter terechtzitting.)

Onder recidive wordt in deze richtlijn verstaan: eenzelfde overtreding of overtreding van een soortgelijke verplichting van de Arbowet, gepleegd binnen vijf jaar na een eerdere veroordeling of opgelegde bestuurlijke sanctie, betaalde transactie of opgelegde (OM-)strafbeschikking.

De sancties bij overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artt. 6, eerste lid, eerste volzin, (bijvoorbeeld Besluit Risico Zware Ongevallen en Arbeidsomstandighedenbesluit en aanverwante regelingen) 28, zesde lid, 28a, zesde lid, 32 en – voor zover aangewezen als strafbare feiten – de artt. 6, eerste lid, tweede volzin, (bijvoorbeeld in Algemene Maatregelen van Bestuur aangewezen als strafbare feiten, zoals het Arbeidsomstandighedenbesluit) en 16, tiende lid van de Arbowet, zijn economische delicten als bedoeld in art. 1 onder 1°, juncto art. 2, juncto art. 6 lid 1 onder 1° en 3° WED.

Dit betekent:

De strafbare handelingen zijn:

De officier van justitie kan zo nodig de voorlopige voorzieningen genoemd in artt. 28 en 29 WED inzetten.

Een boetebedrag bedraagt ten minste 110% van een opgelegde of op te leggen bestuurlijke boete3. Zie voor de hoogte van de bestuurlijke boetes, de volgende sites:

1 Zie hierna onder 7.

2 De verhoging met 20% is alleen van toepassing in geval van een niet betaalde transactie. Zie hiervoor paragraaf 1.

1 Idem.

In verband met de bewijsbaarheid van het misdrijf en bij overtreding van art. 32 Arbowet is vervolging ter zake van de artt. 307 en/of 308 Sr een optie naast of in plaats van de vervolging ter zake van de Arbowet-bepaling. De maximale straf op deze feiten is een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren (art. 307 tweede lid, Sr roekeloosheid) respectievelijk twee jaren (art. 308, tweede lid, Sr roekeloosheid) of een geldboete van de vierde categorie.

Indien het financieel gewin door de overtreding of het misdrijf groter is dan de maximaal op te leggen geldboete(s), kan onverminderd het bepaalde in art. 23, lid 7 Sr, een geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie. In dit verband is van belang dat bij overtredingen of misdrijven van de Arbowet bedrijfseconomische gronden vaak een rol spelen in die zin dat wordt bespaard op noodzakelijke voorzieningen.

Bij het bepalen van economisch voordeel en de hoogte van de op te leggen of te vorderen boete moet rekening gehouden worden met de eventueel gelijktijdig gepleegde milieufeiten. Vooral de overtredingen van het BRZO gaan vaak gepaard met overtredingen van milieuvoorschriften.

Art. 7 WED noemt een aantal bijkomende straffen die gevorderd kunnen worden ter zitting. Onder andere de (voorwaardelijke) stillegging van een bedrijf en/of publicatie van het vonnis kunnen een preventieve werking hebben op de branchegenoten in een bepaalde sector.

Voorts kunnen de maatregelen genoemd in art. 8 WED tegelijk met andere straffen en maatregelen ter zitting worden gevorderd.

Gelet op art. 396 boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is sprake van een klein bedrijf, indien gemiddeld minder dan 50 personen in de rechtspersoon werkzaam zijn. Bij 50-250 werknemers is sprake van een middelgroot bedrijf, bij 250 werknemers en meer van een groot bedrijf.

Uitgangspunt voor de bepaling van de grootte c.q. omvang van een bedrijf is het aantal werknemers waarvan het handelsregisteruittreksel van de Kamer van Koophandel melding maakt. Gaat het om een filiaal of een nevenvestiging van een groot bedrijf of grote onderneming, dan is de indeling in bedrijfsgrootte afhankelijk van de vraag of de verwijtbaarheid van de gepleegde overtreding toe te rekenen is aan de bedrijfsleiding van het hoofd- of moederbedrijf of veel meer aan de bedrijfsleider / filiaalhouder / bedrijfsleiding van het filiaal c.q. nevenvestiging. In het laatste geval is de grootte van het filiaal / de nevenvestiging doorslaggevend voor de bepaling van de sanctie.

Indien sprake is van een illegaal bedrijf – dat niet of op een niet juiste wijze is ingeschreven in het handelsregister – dient op andere wijze de omvang van de onderneming aangetoond te worden. Bijvoorbeeld door het aantal aangetroffen werkende personen of gegevens uit een niet legale, zwarte boekhouding, bij een controle.

Deze richtlijn is uitsluitend geldig ten aanzien van strafbare feiten gepleegd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.