Ministeriële regeling · BWBR0034991

Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn van 14 maart 2014, kenmerk 328583-117560-VGP, houdende vaststelling van de Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen die in contact komen met levensmiddelen (Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen)Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelenDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 3, eerste lid, onderdeel a, 4, eerste lid, en 6a, tweede lid, van het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.I.Schippers

In deze regeling wordt verstaan onder het besluit: het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen.

Als materialen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van het besluit worden aangewezen:

Een materiaal, genoemd in artikel 2, is vervaardigd uit de voor dat materiaal in de bij deze regeling behorende bijlage aangegeven stoffen, welke voldoen aan de daarin voor die stoffen gestelde regels.

Bij de vervaardiging van verpakkingen en gebruiksartikelen mogen grond- en hulpstoffen voor zover ter zake van de aanwending daarvan in de bij deze regeling behorende bijlage regels zijn gesteld, niet op een andere wijze dan in die bijlage is aangegeven worden aangewend.

Verpakkingen en gebruiksartikelen, vervaardigd uit materiaal als bedoeld in artikel 2, mogen aan eet- en drinkwaren geen grotere hoeveelheden stoffen afgeven dan voor die stoffen is aangegeven in de bij deze regeling behorende bijlage.

Onze Minister stelt een commissie in voor de beoordeling van de veiligheid van voedselcontactmaterialen.

Ten aanzien van verpakkingen en gebruiksartikelen, bestaande uit materialen als bedoeld in artikel 2, gelden de onderzoekingsmethoden zoals opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2014.

Deze regeling wordt aangehaald als: Warenwetregeling verpakkingen en gebruiksartikelen.

In Verordening (EG) nr. 1935/20041 zijn algemene eisen gesteld waaraan alle verpakkingsmaterialen en gebruiksartikelen die in contact zijn of komen met levensmiddelen moeten voldoen.

Verordening (EG) nr. 2023/20062 is een verordening die van toepassing is op alle verpakkingsmaterialen en gebruiksartikelen en stelt eisen aan het vervaardigen van die producten.

In Verordening (EU) nr. 10/20113 zijn de eisen vastgelegd voor kunststof verpakkingen en gebruiksartikelen. In deze verordening is een lijst met toegestane stoffen voor het maken van de verpakking opgenomen. Echter de lijst met stoffen voor polymerisatiehulpstoffen is niet volledig. Daarom bevat hoofdstuk I van bijlage deel A van deze regeling een aanvullende lijst met stoffen die op nationaal niveau zijn toegelaten, resulterend in een complete lijst van toegestane stoffen voor het vervaardigen van kunststofmaterialen en artikelen.

De Commissie heeft daarnaast diverse verordeningen vastgesteld die gerelateerd zijn aan een bepaald product, zoals:

Materialen en voorwerpen dienen te voldoen aan de verordeningen die van toepassing zijn op het specifieke materiaal of voorwerp. Naast de verordeningen zijn er diverse richtlijnen gepubliceerd door de Raad of Commissie. Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in de betreffende hoofdstukken van bijlage deel A.

In bijlage deel A zijn regels opgenomen en eisen gesteld aan de volgende materialen:

In afwijking van paragraaf 0.2 (b) mogen de volgende stoffen worden gebruikt of aanwezig zijn mits het eindproduct voldoet aan artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1935/2004, en de totale migratielimiet of de specifieke migratielimiet niet wordt overschreden.

Stoffen die bij de vervaardiging van materialen en voorwerpen worden gebruikt, moeten van geschikte technische kwaliteit en zuiverheid zijn, en mogen niet in grotere hoeveelheden worden gebruikt dan voor de vervaardiging van het eindproduct strikt noodzakelijk is, gelet op het beoogde en te verwachten gebruik van de materialen en voorwerpen. De fabrikant moet de samenstelling van de stof kennen en deze op verzoek aan de bevoegde autoriteiten meedelen.

Stoffen die bij de vervaardiging van materialen en voorwerpen worden gebruikt, zijn onderworpen aan de volgende beperkingen en specificaties:

Migratie-eisen zijn gerelateerd aan het eindproduct. Indien het eindproduct is samengesteld uit meerdere materialen, inclusief kunststoffen, dan dient het eindproduct te voldoen aan elk van de specificaties en restricties die voor de afzonderlijke materialen zijn vastgelegd in de betreffende hoofdstukken.

Voor de in paragraaf 0.3, onderdelen a), e) en f) bedoelde stoffen die niet in de lijsten met stoffen in bijlage deel A, hoofdstukken I t/m XII zijn opgenomen, wordt de overeenstemming met artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EG) nr. 1935/2004 beoordeeld aan de hand van internationaal erkende wetenschappelijke beginselen voor risicobeoordeling.

Evaluatie gebaseerd op het TTC principe zoals beschreven in bijlage deel B hoofdstuk III is een geaccepteerde methode.

Definities met betrekking tot kunststoffen zijn opgenomen in Verordening (EU) nr. 10/2011. Definities opgenomen in de kunststofverordening kunnen ook van toepassing zijn op niet kunststofmaterialen. In deze paragraaf zijn algemeen toepasbare definities opgenomen voor niet-kunststofmaterialen. Specifieke definities zijn opgenomen in de hoofdstukken van de verschillende materialen in bijlage deel A.

De in paragraaf 0.9 bedoelde schriftelijke verklaring bevat de volgende gegevens:

Kunststoffen in contact met of bedoeld om in contact te komen met levensmiddelen zijn onderworpen aan de eisen vastgelegd in Verordening (EU) nr. 10/2011. In de lijsten met toegelaten stoffen in Verordening (EU) nr. 10/2011 zijn bepaalde groepen met stoffen nog niet opgenomen. Dit betreft met name stoffen die noodzakelijk zijn om een polymeerhars te maken. Zonder een uitputtende lijst te geven, kunnen dit zijn:

Genoemde stoffen zijn nodig om het polymeerhars te produceren en het zijn fysische, chemische en technische eigenschappen te geven. Daarnaast zijn stoffen nodig om het juiste medium te creëren waarin/waaronder de polymerisatie kan plaatsvinden. Dit betreft stoffen zoals b.v.:

Bovengenoemde groepen met stoffen worden samengevat als ‘polymerisatiehulpstoffen’.

Sommige stoffen van genoemde groepen zijn in de Verordening (EU) nr. 10/2011 opgenomen, maar de lijst van stoffen is (nog) incompleet. Autorisatie van aanvullende stoffen is de verantwoordelijkheid van de nationale overheid.

Stoffen die als additief zijn opgenomen in de lijst met stoffen die geautoriseerd zijn in Verordening (EU) nr. 10/2011 mogen ook worden gebruikt als polymerisatiehulpstof, waarbij de van toepassing zijnde beperkingen dienen te worden gerespecteerd.

NA Niet aantoonbaar met een methode met een detectiegrens van 0,05 mg/kg.

(1) De som van de migratie van alle stoffen gemarkeerd met (1) mag niet aantoonbaar zijn met een methode met een detectiegrens van 0,05 mg/kg.

(2) Aantonen van overeenstemming met de beperking middels het bepalen van het gehalte per oppervlak. Gehalte wordt uitgedrukt in mg/6 dm2 eindproduct (als NCO). QMA(T) mg/kg is de som van alle stoffen gemarkeerd met (2) en de isocyanaten opgenomen in Verordening (EU) nr. 10/2011, bijlage I, tabel 2, groep 17.

(3) De som van de migratie van alle stoffen gemarkeerd met (3) mag niet aantoonbaar zijn met een methode met een detectiegrens van 0,05 mg/kg. De som van de migratie van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en bewerkte levensmiddelen op basis van granen en babyvoeding als omschreven in verordening (EU) 609/2013 mag niet hoger zijn dan 0,01 mg/kg voedsel zoals geconsumeerd.

(4) Dit is een afbraakproduct en geen toegelaten uitgangsstof.

(5) Methanol is ook opgenomen als monomeer. De migratie dient te voldoen aan de huidige of toekomstige beperking die op Europees niveau is/wordt vastgesteld.

(6) De som van de migratie van alle stoffen gemarkeerd met (6) mag niet aantoonbaar zijn met een methode met een detectiegrens van 0,05 mg/kg.

(7) De som van de migratie van alle stoffen gemarkeerd met (7) mag niet aantoonbaar zijn met een methode met een detectiegrens van 0,05 mg/kg.

(8) De som van de migratie van alle stoffen gemarkeerd met (8) mag niet aantoonbaar zijn met een methode met een detectiegrens van 0,05 mg/kg.

(9) De SML geldt voor de som van dibutylftalaat (DBP), di-isobutylftalaat (DIBP), benzylbutylftalaat (BBP) en di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), uitgedrukt als DEHP-equivalenten met behulp van de volgende formule: DBP*5 + DIBP*4 + BBP *0,1 + DEHP*1.

In het kader van deze regeling wordt onder papier en karton verstaan alle cellulose gebaseerde vezelmaterialen die vanuit een suspensie gevormd zijn tot een samenhangend vel of baan, al dan niet met toevoeging van vul- en/of hulpstoffen, en daarvan vervaardigde verpakkingen en gebruiksartikelen.

In dit deel worden de eisen beschreven die gelden voor papier en karton dat is bestemd voor contact met eet- of drinkwaren bij temperaturen vanaf 80°C tot en met kooktemperatuur.

1 Met NA (niet aantoonbaar) wordt bedoeld een waarde van ten hoogste 0,01.

2 Voor praktische toepassing wordt aangenomen dat men voor een kind vijf wegwerpspenen per dag gebruikt. De specifieke migratielimiet per speen is derhalve een vijfde deel van de in de tabel vermelde waarde. Voor meermalig te gebruiken spenen en fopspenen is het in bijlage deel B, hoofdstuk I, onderdeel 4.2.1, onder 5, en onderdeel 4.2.2, onder 1, bepaalde ten aanzien van onderzoek van voorwerpen die bestemd zijn om meerdere malen met levensmiddelen in contact te komen van overeenkomstige toepassing.

3 SML voor de som van sym. dimethyldifenylthiuram-disulfide en di-N-pentamethyleenthiuram-tetrasulfide.

4 SML voor de som van tetraethylthiuramdisulfide, tetramethylthiuramdisulfide en tetramethylthiurammonosulfide

5 SML voor de som van zinkdibutyldithiocarbamaat, zinkdiethyldithiocarbamaat, zinkdimethyldithiocarbamaat, zinkethylfenyldithiocarbamaat en zinkpentamethyleendithiocarbamaat.

6 SML(T) voor zink = 5.

7 SML voor de som van de natriumzouten van alkyl(C8-C18)benzeensulfonaten, alkyl(C8-C18)sulfaten en alkyl(C8-C18)sulfonaten.

8 SML voor de som van bis(2-hydroxyethyl)ether en ethaandiol.

9 SML voor de som van dibutylftalaat (DBP), di-isobutylftalaat (DIBP), benzylbutylftalaat (BBP) en di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), uitgedrukt als DEHP-equivalenten met behulp van de volgende formule: DBP*5 + DIBP*4 + BBP *0,1 + DEHP*1.

Gebruiksartikelen mogen uitsluitend worden vervaardigd uit de hierna genoemde materialen:

In het kader van deze regeling wordt verstaan onder:

In het kader van deze regeling worden onder emails verstaan de door smelten of fritten verkregen glasachtige massa’s van een anorganische, in hoofdzaak oxidische samenstelling, die in een of meer lagen op voorwerpen van metaal worden aangebracht en door verhitting gefixeerd.

De bij de vervaardiging van emails toegepaste grond- en hulpstoffen moeten van een goede technische kwaliteit zijn. De hulpstoffen mogen niet in een grotere hoeveelheid worden gebruikt dan voor de vervaardiging van het eindproduct strikt noodzakelijk is.

Onder de werking van dit hoofdstuk vallen de door enigerlei bewerking met elkaar verbonden natuurlijke en synthetische textielvezels.

In het kader van deze regeling vallen de uit hout of kurk of op basis van hout of kurk vervaardigde verpakkingen en gebruiksartikelen.

In het kader van deze regeling wordt onder een deklaag verstaan een laag aangebracht op een reeds bestaand substraat, met uitzondering van folie van geregenereerde cellulose:

Voor de vervaardiging van deklagen mogen uitsluitend worden gebruikt:

Geen andere stoffen dan de hierboven genoemde, de daaruit gevormde materialen, alsmede eventuele ontledingsproducten daarvan, mogen in het eindproduct aanwezig zijn.

Hieronder worden in deze verstaan dispersies van macromoleculaire stoffen in water voor de vervaardiging waarvan uitsluitend de hieronder vermelde stoffen mogen worden gebruikt:

Hieronder worden in deze verstaan dispersies in water van paraffinen en wassen vermeld in Hoofdstuk II paragraaf 1.2.2 i. voor de vervaardiging waarvan uitsluitend de hieronder vermelde stoffen mogen worden gebruikt:

Hieronder worden in deze verstaan dispersies van macromoleculaire stoffen in een organische vloeistof of een mengsel van organische vloeistoffen voor de vervaardiging waarvan uitsluitend de hieronder vermelde stoffen mogen worden gebruikt:

polyvinylchloride, volgens Hoofdstuk I;

stoffen volgens Hoofdstuk IV, paragraaf 2.2 g.

Hieronder worden in deze verstaan oplossingen in water van macromoleculaire stoffen voor de vervaardiging waarvan uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van de hieronder vermelde stoffen:

Hieronder worden in deze verstaan oplossingen in een organisch oplosmiddel, of een mengsel van organische oplosmiddelen, van macromoleculaire stoffen voor de vervaardiging waarvan uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van de hieronder vermelde stoffen;

Hieronder worden in deze verstaan materialen op basis van wassen of macromoleculaire stoffen voor de vervaardiging waarvan uitsluitend de hieronder vermelde stoffen mogen worden gebruikt. Bij sommige stoffen is vermeld welk percentage (gewicht) zij ten hoogste van de deklaag mogen vormen.

Het gewicht van de opgebrachte laag mag in geval van continu contact tussen levensmiddel en verpakkingsmateriaal ten hoogste 50 g/m2 bedragen; in geval van discontinu contact evenwel ten hoogste 100 g/m2. Voor het verpakken van vette levensmiddelen zijn deze materialen slechts toegestaan mits het vetgehalte lager is dan 40% en tevens het contact tussen verpakkingsmateriaal en verpakte waar overwegend discontinu is.

Hieronder worden in deze verstaan de onder a. vermelde stoffen, waaraan al dan niet een of meer van de onder b. en c. genoemde stoffen mogen zijn toegevoegd.

Hieronder worden in deze verstaan lagen, door verdampen van metaal aangebracht op een reeds bestaand substraat, alsmede de deklagen volgens Hoofdstuk IV paragraaf 2 en 3.

Het product bestaande uit polytetrafluoretheen zoals genoemd onder 11.2.1.1a., alsmede het product bestaande uit een mengsel van dit polymeer en één of meer van de fluorpolymeren, zoals genoemd onder 11.2.1.1 b. en 11.2.1.1 c., welke producten vermengd mogen zijn met een of meer van de bindharsen genoemd onder 11.2.1.2.

Het onderhavige Hoofdstuk X Deklagen is bedoeld als een algemene regeling voor deklagen met uitzondering van deklagen voor folie van geregenereerde cellulose, waarvoor in Hoofdstuk VIII een specifieke regeling is opgenomen.

Voor zover in voorafgaande hoofdstukken reeds stoffen en materialen voor de vervaardiging van deklagen zijn geregeld, blijft het gebruik daarvan toegestaan.

Kleurstoffen en pigmenten is een algemene term voor alle stoffen die gebruikt worden om een kleur te geven aan een verpakkingsmateriaal of gebruiksartikel bedoeld voor contact met levensmiddelen, inclusief kunststoffen. Kleurstoffen en pigmenten kunnen op diverse manieren aan het materiaal zijn toegevoegd, bijvoorbeeld door mengen met het materiaal of door toepassing in een drukinkt.

De kleurstoffen kunnen worden gemengd met hulpstoffen om de technische verwerking mogelijk te maken of te verbeteren. De stoffen gebruikt als hulpstoffen dienen te voldoen aan artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1935/2004. Indien de kleurstoffen of pigmenten worden gemengd met basismaterialen of toegelaten hulpstoffen waarvoor (Europese) regelgeving voor voedselcontact is vastgesteld, dan dient het eindproduct te voldoen aan de daarin vastgestelde eisen.

Kleurstoffen en pigmenten kunnen, bijvoorbeeld door middel van een drukinkt, aan de buitenzijde van de verpakking zijn aangebracht. Indien, via overdracht, kleurstof van de buitenzijde kan overgaan naar de voedselcontactzijde, dan zijn onderstaande regels en eisen ook van toepassing op materialen die aan de buitenzijde zijn gekleurd.

Kleurstoffen en pigmenten voor het kleuren en bedrukken van verpakkingsmateriaal en gebruiksartikelen zijn toegelaten mits zij voldoen aan het gestelde in onderdeel 3 van dit hoofdstuk. Het eindproduct dient te voldoen aan de hieronder gestelde eisen en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1935/2004 en aan de eisen gesteld in onderdeel 4 van dit hoofdstuk.

De producten verkregen door een polyadditiereactie van epoxygroepen bevattende verbindingen met stoffen, die twee of meer actieve waterstofatomen per molecuul bevatten of deze tijdens de reactie kunnen vormen (verharders), of met condensatieproducten van polyolen en isocyanaten. Het polymere gedeelte van het eindproduct moet voor ten minste 50% uit epoxypolymeer bestaan.

Voor de vervaardiging en verwerking van epoxypolymeren mogen uitsluitend de hiervoor omschreven verbindingen en de hierna genoemde hulpstoffen worden gebruikt. Deze moeten van een goede technische kwaliteit zijn en mogen niet in grotere hoeveelheden worden gebruikt dan voor de vervaardiging van het eindproduct strikt noodzakelijk is.

Geen andere stoffen dan de hiervoor omschreven verbindingen, het door polyadditie respectievelijk polycondensatie daaruit verkregen product en de hulpstoffen opgenomen in Tabel XII-1, alsmede eventuele ontledingsproducten daarvan, mogen in het eindproduct aanwezig zijn:

Tabel XII-1 Hulpstoffen

(1) De som van de migratie van alle stoffen gemarkeerd met (1) mag niet hoger zijn dan 60 mg/kg.

(2) De SML geldt voor de som van dibutylftalaat (DBP), di-isobutylftalaat (DIBP), benzylbutylftalaat (BBP) en di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP), uitgedrukt als DEHP-equivalenten met behulp van de volgende formule: DBP*5 + DIBP*4 + BBP *0,1 + DEHP*1.

De materialen vervaardigd van epoxypolymeer, al dan niet voorzien van een deklaag, en de voor de vervaardiging van de epoxypolymere verpakkingen en gebruiksartikelen bedoelde hulpstoffen gaan, wanneer zij worden verkocht en de verkoop niet in de detailhandel plaatsvindt, vergezeld van een schriftelijke verklaring overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1935/2004 en paragraaf 0.9 van Hoofdstuk 0, bijlage deel A.

Een verpakking, respectievelijk gebruiksartikel, hierna te noemen ‘materiaal’, moet voldoen aan de eisen die gesteld zijn op grond van of krachtens het Warenwetbesluit verpakkingen en gebruiksartikelen.

De eisen betreffen met name:

Voor de bepaling van de specifieke migratie verdient een methode van onderzoek uitgevoerd in het levensmiddel zelf bovenal de voorkeur. Indien een dergelijk onderzoek om praktische redenen niet mogelijk is, kan gebruik worden gemaakt van een methode uitgevoerd in simulanten. Praktische redenen kunnen van analytische oorsprong zijn maar ook toepassing van het materiaal voor contact met een breed scala aan levensmiddelen kan een goede reden zijn voor het gebruik van simulanten.

Door de snelle ontwikkeling van nieuwe analytische technieken, ten aanzien van identificatie, selectiviteit en detectielimiet van specifieke stoffen, is het niet zinvol om gedetailleerde analysemethoden in deze regeling op te nemen. Iedere analysemethode mag worden toegepast om overeenstemming met de regelgeving aan te tonen mits de methode een, bij het relevante criterium voor de betreffende stof (selectiviteit, detectiegrens, nauwkeurigheid, etc.), passende bepalingskarakteristiek heeft. Analysemethoden die worden toegepast dienen adequaat te zijn gevalideerd zodat de betrouwbaarheid van de betreffende analysemethode kan worden aangetoond via ondersteunende documenten.

In Sectie 5 en 6 van dit hoofdstuk en in hoofdstuk II zijn enkele voorschriften opgenomen die nog steeds bruikbaar zijn. Andere voorschriften zijn opgenomen omdat zij verbonden zijn aan bepaalde eisen in deze regeling of het gevolg zijn van de implementatie van EU-richtlijnen. De betreffende voorschriften moeten als richtlijn worden gezien tenzij uitdrukkelijk vermeld bij de betreffende stof of bij het betreffende voorschrift.

De identificatie van het te onderzoeken materiaal is van belang voor het verdere onderzoek.

Analytische methoden zijn beschikbaar zoals infrarood spectrometrie, nuclear magnetic resonance (NMR), chromatografische technieken met specifieke detectiemethoden waarmee de identiteit van een materiaal kan worden vastgesteld. Afhankelijk van de complexiteit van het materiaal (bijvoorbeeld meerlaagsmateriaal) dient het onderzoek te worden aangepast.

Bij het onderzoek naar de samenstelling kan het essentieel zijn, of zal het onderzoek vereenvoudigen, als informatie wordt ingewonnen bij de producent van het materiaal. De verklaring van overeenkomst en de bewijsvoerende documenten kunnen daartoe worden geraadpleegd.

Voor het identificeren van additieven en reactie of ontledingsproducten kan het nodig zijn een extract te maken van het materiaal. Na concentratie van een extract en vervolgens het toepassen van een geschikte scheidings- en identificatietechniek kunnen de stoffen veelal worden geïdentificeerd, waarna kan worden bekeken of de stoffen op de betreffende positieve lijst van het materiaal voorkomt en of er restricties zijn opgenomen voor de betreffende stof.

In de literatuur zijn overzichten van chemische en fysische methoden beschikbaar, die voor de karakterisering van diverse soorten materialen kunnen worden toegepast.

De bepaling van stoffen waarvoor een maximaal residu in het eindmateriaal is vastgesteld kan worden uitgevoerd met een daartoe geschikte methode, mits de methode een, bij het relevante criterium voor de betreffende stof (selectiviteit, detectiegrens, nauwkeurigheid, etc.), passende bepalingskarakteristiek heeft.

Het Joint Research Centre (JRC)27 in Ispra, Italië heeft documenten opgesteld voor het valideren van analyse methoden. Bovendien verwijst de website van het JRC naar methoden ontwikkeld en gevalideerd door CEN (European Committee for Standardisation), Technical Committee 194. De richtlijnen kunnen worden toegepast voor de controle op residuen van stoffen in materialen.

Voor het onderzoek van kunststofmaterialen wordt verwezen naar de betreffende Verordening van de Europese Commissie (EU) nr. 10/2011. Voor stoffen die uitgesloten zijn van deze Europese verordening en die zijn opgenomen in hoofdstuk I gelden dezelfde regels ten aanzien van het aantonen van overeenstemming met eisen van deze regeling als voor de stoffen die op Europees niveau zijn geharmoniseerd en waarvoor de eisen zijn opgenomen in de Verordening (EU) nr. 10/2011. Regels en eisen vastgelegd in hoofdstuk 0 en hoofdstuk I van bijlage deel A dienen in acht te worden genomen.

Voor het onderzoek van materialen die niet of niet uitsluitend uit kunststof bestaan, gelden dezelfde regels ten aanzien van het aantonen van overeenstemming als voor kunststofmaterialen. De regels zijn opgenomen in de Verordening (EU) nr. 10/2011 tenzij anders vermeld in het hoofdstuk van het betreffende materiaal.

Bovendien gelden de volgende afwijkingen en toevoegingen ten aanzien van Verordening (EU) nr. 10/2011:

Het is gebleken dat het gebruik van de simulant D2 in migratieproeven om fysische of chemische redenen, die verband houden met de te volgen analysemethode of de stabiliteit van de stof, vaak niet mogelijk is. In dergelijke gevallen kan de in paragraaf 4.2.1 beschreven werkwijze voor vervangende migratieproeven worden toegepast. De verkregen resultaten kunnen voor de beoordeling van het materiaal worden gebruikt als aan de in die paragraaf gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Alternatieve proeven zoals beschreven in paragraaf 4.2.2 mogen worden toegepast om overeenstemming met de gestelde eisen aan te tonen.

Algemene instructies voor het uitvoeren van migratieproeven zijn vastgelegd in de Europese normen EN 1186-1* en EN 13130-1*. Alhoewel de methoden zijn bedoeld voor het onderzoek van plastics zijn ze ook toepasbaar op materialen die niet of niet uitsluitend uit kunststof bestaan.

De totale migratie is de som van alle niet vluchtige stoffen die door een verpakking of gebruiksartikel aan een simulant worden afgegeven. De totale migratie in simulanten wordt bepaald volgens de methoden beschreven in de EN 118630.

Indien een gemigreerde stof een reactie product vormt met de simulant en daardoor resulteert in een hoger of lager gewicht31, dan kan het migratieresidu worden gecorrigeerd voor het gewichtsverschil tussen de gemigreerde stof en het reactieproduct van de simulant.

NB Deze bepaling wordt uitsluitend uitgevoerd bij het onderzoek van papier of karton, dat niet van een deklaag op basis van een kunststof of van metaal is voorzien en voor zover het in contact zal komen met natte eet of drinkwaren.

Onderstaande methoden kunnen worden toegepast voor het onderzoek van kunststofmaterialen en niet-kunststofmaterialen.

Met kleurstoffen of pigmenten gekleurde verpakkingen of gebruiksartikelen mogen in de filtreerpapierproef geen kleurverschil ten opzichte van de blanco opleveren.

Breng in een exsiccator zoveel 3% azijnzuur, dat de bodem volledig bedekt is. Plaats de exsiccator in een ruimte met een temperatuur van 40 ± 2°C. Verzadig een strook filtreerpapier (voor kwalitatieve analyse, middelsnel) van 5 x 2 cm met 3% azijnzuur en leg het strookje op een vlak stuk verpakkingsmateriaal of gebruiksartikel van 9 x 6 cm. Bedek het strookje met een glasplaat van 9 x 6 cm en plaats hierop een gewicht van 0,1 kg. Breng op dezelfde wijze, als blanco, een met 3% azijnzuur bevochtigd strookje filtreerpapier tussen twee glasplaten en plaats beide pakketten 5 uur in de op temperatuur gebrachte exsiccator. Neem daarna beide strookjes filtreerpapier uit de exsiccator en droog ze bij ongeveer 40 °C. Er mag geen kleurverschil tussen beide stroken waarneembaar zijn. Indien geen vlak stuk verpakkingsmateriaal of gebruiksvoorwerp beschikbaar is, handelt men als volgt:

Breng een strook filtreerpapier van geschikte grootte (10 à 15 cm2), dat verzadigd is met 3% azijnzuur, op het oppervlak van het verpakkingsmateriaal of gebruiksvoorwerp. Leg er een stuk aluminiumfolie overheen zodanig, dat het aan alle zijden ongeveer 0,5 cm over het filtreerpapier uitsteekt. Kleef de aluminiumfolie vast met kleurloos plakband en handel verder als hiervoor beschreven.

Gebruik kleurloze arachide-olie, kokosolie, zonnebloemolie, olijfolie of Miglyol. Handel op dezelfde wijze als onder 5.3.6.2 is beschreven, met dien verstande dat het filtreerpapier wordt verzadigd met vet(simulant) en er geen vet(simulant) in de exsiccator behoeft te worden gebracht. Het drogen van de strookjes filtreerpapier na afloop van de contactperiode kan achterwege blijven.

(basisvoorschrift)

Resultaat van de driehoekstoets

CONCLUSIE:

Proeverformulier

NB: In de praktijk blijkt, dat ondanks zorgvuldige zuivering, DMSO van diverse leveranciers niet kan voldoen aan de bovengenoemde specificaties. Als kleine afwijkingen optreden, dient men in de verdere procedure daar rekening mee te houden.