Ministeriële regeling · BWBR0035248
Regeling houders van dieren
Gelet op richtlijn nr. 2007/43/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU L 182), verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002, tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, voor houders van productiedieren die gehouden worden voor de voedselproductie (PbEG 2002 L 31), verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005 L 3), verordening (EG) nr. 1099/2009: verordening (EG) Nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009 L 303), de artikelen 2.1, vierde lid, 2.5, eerste lid, 6.2, eerste lid, 6.3, tweede lid, 6.4, 7.1, 7.6, eerste en tweede lid, 10.1, derde lid, en 10.4 van de Wet dieren en de artikelen 1.22, tweede lid, 1.25, 2.52, derde lid, 2.54, vijfde lid, 2.55, derde lid, 2.63, eerste lid, 2.65, tweede lid, 2.69, tweede lid, 5.2, 6.2 en 6.3 van het Besluit houders van dieren;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage23 juni 2014De Staatssecretaris van Economische Zaken,S.A.M.DijksmaIn deze regeling wordt verstaan onder:
- –
besluit:Besluit houders van dieren;
- –
minister: Minister van Economische Zaken;
- –
recept: een recept als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit diergeneesmiddelen;
- –
richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182);
- –
verordening (EG) nr. 1/2005:verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3);
- –
verordening (EU) nr. 1308/2013: verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347);
- –
verordening (EG) nr. 617/2008: verordening (EG) nr. 617/2008 van de Commissie van 27 juni 2008 houdende bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat betreft de handelsnormen voor broedeieren en kuikens van pluimvee (PbEU 2008, L 168).
Onverminderd artikel 6.3, tweede lid, van de wet is de minister bevoegd uitvoering te geven aan een voorschrift van verordening (EG) nr. 1/2005, verordening (EG) nr. 1099/2009 en verordening (EG) nr. 617/2008, voor zover die verordening betrekking heeft op handelsnormen voor pluimveekuikens, waarin een tot de overheid behorend orgaan of een door de overheid aangesteld persoon de opdracht geeft, de keuze laat of als ontvanger van informatie aanwijst, indien die uitvoering niet bestaat uit het nemen van een besluit.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien in deze regeling anders is bepaald.
Als diersoorten en diercategorieën als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de diersoorten en diercategorieën, genoemd in bijlage 1.
Na de inwerkingtreding van artikel 2.1 is op de voorbereiding van de aanwijzing van diersoorten of diercategorieën op grond van artikel 2.2, eerste lid, van de wet, en op de voorbereiding van de intrekking van een aanwijzing, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Een aanvraag om een diersoort of diercategorie aan te wijzen of daarvan de aanwijzing in te trekken wordt ingediend bij de minister, en bevat, zo mogelijk onderbouwd door verwijzing naar wetenschappelijke bronnen, en met inachtneming van de criteria, genoemd in artikel 1.4 van het besluit, de motivering waaruit blijkt dat de diersoort wel, respectievelijk niet is te houden.
De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, bevat voorts in elk geval:
- a.
naam, adres, woonplaats, burgerservicenummer van de aanvrager, dan wel het inschrijvingsnummer van het handelsregister als de aanvrager een onderneming is, en het adres van de plaats waar de dieren gehouden worden als dat niet het woonadres van de aanvrager is;
- b.
de Nederlandse en de wetenschappelijke naam van de diersoort waarover een besluit wordt gevraagd;
- c.
de omschrijving van het belang dat de aanvrager heeft bij de aanwijzing van een diersoort of bij de intrekking van de aanwijzing.
Indien een aanvraag wordt ingediend voor de aanwijzing van een diersoort waarover reeds een besluit is genomen de soort niet aan te wijzen, wordt bij de aanvraag gemotiveerd en expliciet ingegaan op de gronden die hebben geleid tot het besluit om de soort niet aan te wijzen.
Van het verbod van artikel 2.2, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld
de categorieën houders van dieren genoemd in bijlage 2, voor de daarbij genoemde diersoorten en met inachtneming van de daarbij genoemde voorschriften.
De aanvraag van een ontheffing van het verbod van artikel 2.2, eerste lid, van de wet wordt met gebruikmaking van het daarvoor bestemde aanvraagformulier ingediend en bevat ten minste het volgende:
- a.
naam, adres, woonplaats, burgerservicenummer van de aanvrager dan wel het inschrijvingsnummer in het handelsregister als de aanvrager een onderneming is, en het adres van de plaats waar de dieren gehouden worden als dat niet het woonadres van de aanvrager is;
- b.
de soort en het aantal dieren waarvoor ontheffing wordt gevraagd;
- c.
een omschrijving van de beschikbare huisvesting en houderijomstandigheden, waarbij wordt aangeduid op welke wijze, gelet op de bekende eigenschappen van de soort, schade aan gezondheid en welzijn van het dier wordt voorkomen;
- d.
de voorgenomen wijze van verzorging;
- e.
de redenen waarom de ontheffing wordt gevraagd;
- f.
de omschrijving van het belang dat de aanvrager heeft bij de ontheffing.
Een houder van dieren die dieren houdt die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd, voert een administratie inzake iedere transactie met diergeneesmiddelen als bedoeld in de artikelen 2.13, 2.14 en 4.12 van de Regeling diergeneesmiddelen, in welke administratie de volgende documenten en gegevens zijn opgenomen:
- a.
voor zover een recept als bedoeld in artikel 5.13 van de Regeling diergeneesmiddelen is opgesteld, een gewaarmerkt afschrift van dat recept;
- b.
de facturen bij aankoop van diergeneesmiddelen;
- c.
een lijst met de data van de uitgevoerde behandelingen met diergeneesmiddelen en de nummers van deze diergeneesmiddelen, voor zover de behandelingen door de houder zijn uitgevoerd;
- d.
de identificatie van de behandelde dieren;
- e.
de vastgestelde wachttermijn, voor zover deze niet reeds op een recept als bedoeld in onderdeel a is vermeld;
- f.
de aantekeningen, bedoeld in artikel 5.3, van de Regeling diergeneeskundigen.
De houder van dieren, bedoeld in het eerste lid, kan de administratie, bedoeld in het eerste lid, doen uitvoeren in de door de dierenarts overeenkomstig artikel 5.16 van de Regeling diergeneesmiddelen en artikel 5.1 van de Regeling diergeneeskundigen te voeren administratie.
Een houder van dieren die dieren houdt die bestemd zijn voor de productie van levensmiddelen, voert een administratie inzake transacties met diervoeder met medicinale werking, in welke administratie de volgende gegevens zijn opgenomen:
- a.
een gewaarmerkt afschrift van een recept als bedoeld in artikel 7.12 van de Regeling diergeneesmiddelen en, voor zover dit niet reeds op dat afschrift is vermeld:
- b.
naam en hoeveelheid van het voorgeschreven diervoeder met medicinale werking;
- c.
de datum waarop het diervoeder met medicinale werking werd voorgeschreven;
- d.
de in acht te nemen wachttermijn.
De administratie, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, en de bescheiden die verband houden met de aantekeningen in de administratie, worden gedurende vijf jaar bewaard, gerekend vanaf de dagtekening van de stukken.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- –
kalf: rund dat bestemd is voor de productie van vlees en dat ouder is dan veertien dagen en niet ouder is dan twaalf maanden;
- –
konijn: konijn dat bestemd is voor de fokkerij of de productie van vlees;
- –
koppel: groep dieren met dezelfde gezondheidsstatus die in dezelfde stal of binnen dezelfde ruimte worden geplaatst of gehouden en die een epidemiologische eenheid vormen;
- –
rund: rund dat bestemd is voor de productie van melk of vlees, niet zijnde een kalf.
De melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid van het besluit wordt gedaan van de ontvangst van antimicrobiële diergeneesmiddelen ten behoeve van toepassing bij:
- a.
kippen of kalkoenen indien de houder van deze dieren 250 of meer kippen of kalkoenen houdt ten behoeve van de productie van vlees, consumptie-eieren of broedeieren;
- b.
runderen, indien de houder van deze dieren 5 of meer runderen houdt ten behoeve van de productie van melk of vlees;
- c.
kalveren, indien de houder van deze dieren 5 of meer kalveren houdt ten behoeve van de productie van vlees;
- d.
varkens, indien de houder van deze dieren 5 of meer varkens houdt ten behoeve van de productie van vlees;
- e.
konijnen, indien de houder van deze dieren 250 of meer konijnen houdt ten behoeve van de fokkerij of de productie van vlees.
Bij de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het besluit, worden de volgende gegevens verstrekt:
- a.
de naam, het adres en de woonplaats van de houder;
- b.
het UBN, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, van de houder;
- c.
de diersoort, diercategorie, subcategorie en leeftijdscategorie van de gehouden dieren;
- d.
het gemiddeld aantal dieren per diersoort, diercategorie, subcategorie en leeftijdscategorie dat per dag werd gehouden.
Het gemiddeld aantal dieren, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt:
- a.
indien het een houder van kippen, kalkoenen of kalveren, en de houder van kalveren een systeem toepast waarbij de kalveren tegelijk worden aangevoerd, opgefokt en afgevoerd, betreft, berekend over de periode vanaf het moment van aanvoer van een koppel dieren tot het moment van afvoer daarvan;
- b.
indien het een houder van runderen, varkens, konijnen of kalveren, en de houder van kalveren een systeem toepast waarbij kalveren van verschillende leeftijden worden gehouden die niet op hetzelfde moment worden afgevoerd, betreft, berekend over de periode van twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de melding wordt gedaan.
Indien de melding wordt gedaan ten aanzien van een diergeneesmiddel dat bij kippen of kalkoenen wordt toegepast, worden tevens de volgende gegevens verstrekt:
- a.
het registratienummer, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren;
- b.
de geboortedatum van het koppel waarbij het diergeneesmiddel is toegepast;
- c.
het nummer van de stal waarin het koppel wordt gehouden;
- d.
het aantal kuikens dat is opgezet in de stal waarin het koppel wordt gehouden.
De houder, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, doet de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het besluit na afvoer van ieder koppel dieren.
De houder, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel b, doet de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het besluit jaarlijks.
Een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan als bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van het besluit, worden opgesteld wanneer een houder van dieren:
- a.
250 of meer kippen of kalkoenen houdt ten behoeve van de productie van vlees, consumptie-eieren of broedeieren;
- b.
5 of meer runderen houdt ten behoeve van de productie van melk of vlees;
- c.
5 of meer kalveren houdt ten behoeve van de productie van vlees;
- d.
5 of meer varkens houdt ten behoeve van de productie van vlees;
- e.
250 of meer konijnen houdt ten behoeve van de fokkerij of de productie van vlees.
Een houder van dieren als bedoeld in het eerste lid, laat per diersoort één bedrijfsgezondheidsplan en één bedrijfsbehandelplan opstellen.
De houder, bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van het besluit, bewaart het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan, samen met het verslag, bedoeld in artikel 5.22, tweede lid, van de Regeling diergeneeskundigen, vijf jaar op zijn bedrijf.
Vervallen
Vervallen
Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de minister een besluit op een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 23, derde lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt de minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking.
Bij de aanvrager van een certificaat van goedkeuring voor een vervoermiddel als bedoeld in artikel 18, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 wordt een bedrag in rekening gebracht ter vergoeding van de kosten van de behandeling van die aanvraag, overeenkomstig de door de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994, vastgestelde tarieven met betrekking tot dierenvervoer.
Vervallen
Als officiële dierenartsen als bedoeld in artikel 21, eerste en tweede lid, en in bijlage II, onderdeel 7, van verordening (EG) nr. 1/2005 worden aangewezen de dierenartsen die zijn verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken.
Als bevoegde dierenartsen als bedoeld in bijlage I, hoofdstuk III, onderdeel 1.2, onder b, van verordening nr. 1/2005 worden aangewezen de dierenartsen die zijn verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische zaken.
Een door de Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, bedoeld in artikel 4z van de Wegenverkeerswet 1994, afgenomen examen wordt aangemerkt als een erkend examen als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 1/2005.
De Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is belast met het afgeven van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1/2005.
Bij de aanvrager van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van verordening (EG) 1/2005 wordt een bedrag in rekening gebracht ter vergoeding van de kosten van de behandeling van die aanvraag, overeenkomstig de door de Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, bedoeld in artikel 4z van de Wegenverkeerswet 1994, vastgestelde tarieven met betrekking tot dierenvervoer.
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12 van verordening (EG) nr. 1/2005.
De minister beoordeelt gidsen voor goede praktijken overeenkomstig artikel 13 van verordening (EG) nr. 1099/2009.
De minister maakt zijn oordeel bekend overeenkomstig artikel 3:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De minister keurt een opleidingsprogramma als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1099/2009 goed indien:
- a.
het programma is opgesteld en wordt uitgevoerd door een instelling die schriftelijk aantoont dat zij beschikt over een stelsel van integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op grond waarvan zeker is gesteld dat het onderricht onafhankelijk, toereikend en doelmatig wordt gegeven door voldoende deskundig personeel op het gebied van dieren en dierenwelzijn;
- b.
het opleidingsprogramma voorziet in voldoende theoretisch en praktisch onderricht voor het kunnen verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 en betreffende de onderwerpen in bijlage IV van die verordening voor alle betrokken diersoorten dan wel diercategorieën;
- c.
het opleidingsprogramma, onverminderd het bepaalde in onderdeel b, voorziet in opleidingsmodules voor onderscheiden activiteiten als bedoeld in onderdeel b, of voor specifieke diersoorten of diercategorieën.
Een kwaliteitssysteem dat is gecertificeerd op de norm ISO 9001:2008 voldoet in ieder geval aan het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.
Een examen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt afgenomen door een door de minister aangewezen instelling.
Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt uitsluitend indien de betreffende instelling:
- a.
schriftelijk aantoont dat zij beschikt over een stelsel van integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op grond waarvan zeker is gesteld dat examens op onafhankelijke wijze worden afgenomen;
- b.
beschikt over een reglement waarin onder meer is vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat wordt beoordeeld, wie gerechtigd is het examen bij te wonen en een regeling voor geschillen.
Een kwaliteitssysteem dat is gecertificeerd op de norm NEN 17024 (NEN-EN-ISO/IEC 17024:2009 of 17024:2012) voldoet in elk geval aan het vereiste, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
Het reglement, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoeft de goedkeuring van de minister.
De minister keurt het reglement, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, goed indien zeker is gesteld dat kennis en kunde voor het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 en de onderwerpen in bijlage IV van die verordening, voldoende en door personen met de daartoe benodigde expertise wordt getoetst en indien het voldoet aan de overige eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
Een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt verstrekt door de instelling, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, die het afsluitend examen heeft afgenomen indien het examen met voldoende resultaat is afgelegd.
Een getuigschrift van vakbekwaamheid wordt niet verstrekt indien niet is voldaan aan het vereiste, bedoeld in artikel 21, zesde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Een instelling die is aangewezen op grond van artikel 5.3, eerste lid, verstrekt voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Artikel 5.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van voorlopige getuigschriften als bedoeld in het eerste lid.
Aanvragen tot verstrekking van een getuigschrift als bedoeld in artikel 5.4 en 5.5 kunnen collectief namens betrokken personen door de werkgever van die personen worden gedaan en bevatten de namen, adressen en geboortegegevens van de betrokken personen, alsmede de overige gegevens, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Getuigschriften van vakbekwaamheid voor het doden van dieren die zijn verstrekt in de periode te rekenen vanaf 1 januari 2012 tot 1 juni 2013 door SVO Lobex BV te Houten, en certificaten van de cursus ‘Euthanasie van nertsen’ zijn gelijkgesteld aan getuigschriften van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 5.4.
Ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt door instellingen als bedoeld in artikel 5.3 in hun opleidingsprogramma voorzien in een verkorte cursus op basis waarvan door een instelling aangewezen op grond van artikel 5.5 aan hen een getuigschrift van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 5.4 kan worden verstrekt.
Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder bruto oppervlakte van de stal: binnenmaatse oppervlakte van de stal, voor zover het betreft het gedeelte van de stal, bestemd voor het houden van vleeskuikens.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 2.55, eerste lid, van het besluit, en de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, van het besluit, geschiedt aan de minister.
Voor de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
De kennisgeving gaat per stal vergezeld van de volgende gegevens:
- a.
het registratienummer, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren;
- b.
het relatienummer van de houder;
- c.
het stalnummer dat is bevestigd aan de buitenkant van de stal;
- d.
de adresgegevens van de stal;
- e.
de bruto oppervlakte van de stal in vierkante meters;
- f.
het bouwjaar van de stal en, indien van toepassing, het jaar waarin een grondige verbouwing met directe gevolgen voor het dierenwelzijn heeft plaatsgevonden.
De houder kan verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid achterwege laten, voor zover deze gegevens zijn opgenomen in een databank die ingevolge artikel 38hh, eerste lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren is aangewezen als databank waarin de registratie, bedoeld in artikel 38dd, eerste in samenhang met het tweede en derde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren plaatsvindt.
De kennisgeving, bedoeld in artikel 2.65, eerste lid, van het besluit, geschiedt aan de minister.
Voor de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
De kennisgeving gaat per stal vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 6.2, derde lid, onderdelen a, b, c en d.
Artikel 6.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De bezettingsdichtheid van een stal wordt berekend op basis van de bruikbare oppervlakte van de stal, gelijk aan de bruto oppervlakte van de stal.
Indien een stal is uitgerust met voersystemen waaronder de kuikens redelijkerwijs niet kunnen lopen of liggen wordt voor het bepalen van de bruikbare oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, een forfaitaire aftrek gehanteerd van 1,7% van de bruto oppervlakte van de stal.
De houder die een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 toepast, zorgt ervoor dat voor elk koppel in het slachthuis, of voor een voor de export bestemd koppel op het bedrijf ten hoogste vijf werkdagen voor het einde van de ronde, wordt vastgesteld in welke mate voetzoollaesies voorkomen.
Ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een aantal vleeskuikens van een koppel beoordeeld bij hoeveel dieren er
- a.
geen of een zeer kleine verkleuring zichtbaar is (klasse 0);
- b.
verkleuring maar geen diepe aantasting aanwezig is (klasse 1);
- c.
een laesie met aantasting van de opperhuid en onderhuidse ontsteking (klasse 2) aanwezig is.
De houder maakt afspraken met de exploitant van het slachthuis respectievelijk het bedrijf dat de vaststelling in de stal verricht, zodanig dat de vaststelling plaatsvindt:
- a.
bij het slachthuis:
- 1°.
door een daarvoor opgeleide medewerker, bij 100 kuikens van elk koppel, waarvan 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 30% van het koppel, en 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 60% van het koppel, met inachtneming van het protocol dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, dan wel:
- 2°.
met gebruikmaking van een digitaal meetsysteem bij ten minste 70% van alle kuikens van elk koppel, overeenkomstig het protocol, dat is opgenomen in bijlage 4;
- 1°.
- b.
in de stal: ten hoogste 5 werkdagen voordat de laatste vleeskuikens worden weggeladen, door een daarvoor opgeleide controleur, bij 100 kuikens van elk koppel met inachtneming van het protocol dat als bijlage 5 bij deze regeling is gevoegd.
De totaalscore voor het koppel wordt vastgesteld:
- a.
in geval van visuele meting in het slachthuis of het houderijbedrijf met gebruikmaking van de formule:
aantal punten = (aantal dieren klasse 0) x 0 + (aantal dieren klasse 1) x (0,5) + (aantal dieren klasse 2) x 2
- b.
bij meting door middel van een digitaal meetsysteem met de formule:
aantal punten = (percentage dieren klasse 0) x 0 + (percentage dieren klasse 1) x (0,5) + (percentage dieren klasse 2) x 2
De in het eerste lid bedoelde houder verstrekt per koppel de gegevens waaruit de score blijkt binnen 30 dagen na de vaststelling aan de minister. De artikelen 6.2, tweede lid, en 6.8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
De in het eerste lid bedoelde houder stelt na elk kalenderjaar een gemiddelde score voor het afgelopen jaar per stal vast op basis van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid.
Het in het derde lid, onderdeel a, onder 2°, bedoelde digitale meetsysteem voldoet aan de volgende eisen:
- a.
het systeem levert een betrouwbare indeling op van de voetzoollaesies in de in het tweede lid genoemde klassen en van de resultaten van de meting overeenkomstig de in het vierde lid, onderdeel b, genoemde formule;
- b.
het systeem kan ten behoeve van een betrouwbare indeling worden ingesteld op beoordeling van de poten van de koppels die onder hoogbroei en van de koppels die onder laagbroei zijn verwerkt;
- c.
het systeem kan op zodanige wijze worden ingesteld dat de beoordeling van ieder koppel afzonderlijk plaatsvindt;
- d.
de in onderdeel a bedoelde gegevens worden ten minste eenmaal per dag opgeleverd;
- e.
de beelden van de beoordeelde koppels kunnen worden bewaard.
Indien een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 wordt toegepast, is de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, niet hoger dan 80 punten.
Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 120 punten bedraagt,
- a.
stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de verstrekte gegevens betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waarvoor de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat in elk geval aan het einde van dat jaar wordt voldaan aan het eerste lid, en
- b.
verlaagt de houder uiterlijk met ingang van 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, en vervolgens ten minste gedurende het hele kalenderjaar, de bezettingsdichtheid in elke stal waar de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, tot ten hoogste 39 kg/m².
Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 80 punten bedraagt maar minder dan 120 punten, stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waar de gemiddelde score meer dan 80 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat binnen een jaar wordt voldaan aan het eerste lid.
Een verbeterplan wordt ingediend bij de minister. Artikel 6.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien naar het oordeel van de minister de uitvoering van het verbeterplan er in redelijkheid niet toe kan leiden dat binnen een kalenderjaar kan worden voldaan aan het eerste lid, dient de houder op verzoek van de minister binnen een maand na dat verzoek een aangepast verbeterplan in.
De houder voert het verbeterplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of in het derde lid, dan wel het aangepaste verbeterplan, bedoeld in het vijfde lid, zo spoedig mogelijk uit.
De houder bewaart bewijsstukken van de maatregelen die hij bij de uitvoering van het verbeterplan heeft genomen gedurende ten minste 5 jaar, gerekend vanaf de datering van die stukken.
Artikel 6.5 is ten aanzien van het kalenderjaar waarin de bezettingsdichtheid is verlaagd naar ten hoogste 39 kg/m2 van overeenkomstige toepassing op de houder, bedoeld in artikel 6.6, tweede lid.
Ten behoeve van het bepalen van de bezettingsdichtheid draagt de houder, bedoeld in de artikelen 6.2 en 6.3, er zorg voor dat per koppel de volgende gegevens worden verstrekt aan de minister:
- a.
het aantal binnengebrachte vleeskuikens, bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, onderdeel a, van het besluit;
- b.
de datum waarop de vleeskuikens die uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht, in de stal zijn geplaatst;
- c.
het aantal vleeskuikens dat uit de stal is verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht;
- d.
het levend gewicht van de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop zij worden geslacht;
- e.
de datum waarop de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, zijn geslacht;
- f.
het resterende aantal vleeskuikens, bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, onderdeel e, van het besluit.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt binnen 30 dagen nadat de laatste vleeskuikens van het betreffende koppel uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht.
De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren na de datum van de verstrekking bij de gegevens die op grond van artikel 2.52 van het besluit worden geregistreerd.
Artikel 6.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, van het besluit, indien dit certificaat betrekking heeft op:
- a.
een opleiding die voldoet aan één van de volgende kwalificaties:
- –
Dierverzorger hokdieren (crebocode 97702), alleen voor cohorten 2012-2014, of
- –
Dierenhouder hokdieren (crebocode 97712), voor cohorten 2012-2013 en daaropvolgende jaren;
- –
- b.
de certificeerbare eenheid ‘welzijn van vleeskuikens’;
- c.
Het certificaat houder van vleeskuikens (C0010 of K0602) als bedoeld in artikel 1 van de Regeling certificaten groen beroepsonderwijs of een diploma dat mede dat certificaat omvat.
De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de richtlijn nr. 2007/43/EG dat is afgegeven of erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de Europese Unie.
Naast de aspecten, genoemd in artikel 2.54, derde lid, van het besluit heeft de vleeskuikenhouder tevens kennis van:
- a.
contactdermatitis bij vleeskuikens, en
- b.
maatregelen die in het kader van de bedrijfsvoering kunnen worden genomen om het ontstaan van contactdermatitis te voorkomen dan wel tegen te gaan.
Ter verkrijging van een registratie als bedoeld in artikel 2.69, eerste lid, van het besluit doet een houder als bedoeld in artikel 2.69, eerste lid, van het besluit de melding, bedoeld in artikel 2 van de Regeling identificatie en registratie van dieren, met dien verstande dat hij daarbij de gegevens, bedoeld in onderdeel 1 van de bijlage bij Richtlijn 2002/4/EG, verstrekt ten behoeve van opname in het gecomputeriseerde gegevensbestand, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.
Een broederij registreert het aantal uitgekomen kuikens dat daadwerkelijk bestemd is om te worden gebruikt, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008:
- a.
in een databank die op grond van artikel 38hh van de Regeling identificatie en registratie van dieren door de minister is aangewezen als databank voor de registratie van die gegevens, of
- b.
bij de minister, voor zover voor de registratie van die gegevens geen aanwijzing als bedoeld in onderdeel a heeft plaatsgevonden.
De verzender van een partij kuikens registreert de gegevens die het begeleidende document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008, bevat overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b.
In afwijking van het tweede lid wordt de registratie, bedoeld in dat lid, bij ontvangst op een vermeerderingsbedrijf van kippen die worden gebruikt als moederdier, gedaan door de ontvanger van die kuikens.
Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden de artikelen 4, 5, 6, onderdeel b, en 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008 aangewezen.
Voor de registratie, bedoeld in artikel 2.76l, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is jaarlijks een bedrag verschuldigd van € 19,00.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, die erkenning van beroepskwalificaties aanvraagt.
Voor de aanmelding, bedoeld in art. 3.8, eerste lid, van het besluit is jaarlijks een bedrag verschuldigd van € 19,00.
Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder een hond inenten tegen de volgende ziekten:
- a.
Parvovirusinfectie;
- b.
de ziekte van Carré en
- c.
Hepatitis Contagiosia Canis.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, van de wet geschiedt de inenting overeenkomstig het derde tot en met vijfde lid.
Een hond wordt binnen 7 weken na de geboorte tegen de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde ziekten ingeënt, met dien verstande dat, in het geval van verkoop of aflevering, de hond uiterlijk 7 dagen vóór het moment van verkoop of aflevering wordt ingeënt.
Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder de inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.
Indien bij binnenkomst van een hond de vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is, laat de beheerder de hond binnen 5 werkdagen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten inenten.
Het eerste lid, onder c, is vanaf één jaar na inwerkingtreding van deze regeling van toepassing op honden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling in een inrichting worden gehouden en niet tegen de ziekte, bedoeld in het eerste lid onder c, zijn ingeënt.
Voor zover een kat in een inrichting verblijft, laat de beheerder een kat inenten tegen de volgende ziekten:
- a.
Panleucopenievirus en
- b.
Feline herpes- en calicivirus.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, van de wet, geschiedt de inenting overeenkomstig het derde tot en met vijfde lid.
Een kat wordt binnen 7 weken na de geboorte tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten ingeënt, met dien verstande dat, in het geval van verkoop of aflevering, de kat uiterlijk 7 dagen vóór het moment van verkoop of aflevering wordt ingeënt.
Voor zover de kat in een inrichting verblijft, laat de beheerder de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.
Indien bij binnenkomst van een kat de vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is, laat de beheerder de kat binnen 5 werkdagen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten inenten.
Het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b, van het besluit, is een door een dierenarts opgemaakt en schriftelijk afgegeven bewijs.
Het is het eerste lid bedoelde bewijs heeft betrekking op de inentingen die overeenkomstig de artikelen 8.3 en 8.4 hebben plaatsgevonden en bevat de volgende gegevens:
- –
naam en praktijkadres van de dierenarts;
- –
de inentingsdatum, het herhalingsinterval en voor zover dat van toepassing is de hiervan gemotiveerde afwijkingen;
- –
geslacht van het dier;
- –
kleur van het dier;
- –
voor zover bekend, ras van het dier;
- –
voor zover bekend, geboortedatum van het dier en
- –
indien aanwezig, het identificatienummer van de chip of de cijfer- en lettercode van de tatoeage.
Met het in het eerste lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een bewijs van inenting dat ingevolge het Honden- en kattenbesluit 1999 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven.
De volgende diergroepen, bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van het besluit, worden onderscheiden: hond en kat, overige zoogdieren, vogels, vissen en herpeten.
Als bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van het besluit wordt erkend:
- a.
een certificaat als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdelen b en d, van de Regeling certificaten groen beroepsonderwijs of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten;
- b.
een certificaat wettelijke beroepsvereisten gezelschapsdieren Besluit houders van dieren als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Regeling certificaten groen beroepsonderwijs, zoals deze regeling luidde op 31 augustus 2016, of een diploma dat mede dat certificaat omvat en dat voldoet aan de op grond van artikelen 7.2.4 en 7.2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificaties en beroepsvereisten;
- c.
ten aanzien van de diergroepen hond en kat, overige zoogdieren en vogels, de verleende graad Master op het gebied van de diergeneeskunde voor een opleiding in het wetenschappelijke onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft;
- d.
ten aanzien van de diergroepen hond en kat, overige zoogdieren en vogels, het getuigschrift waaruit blijkt dat het afsluitend examen van de opleiding diergeneeskunde, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, met goed gevolg is afgelegd.
De resultatenlijst behorend bij een diploma van het kwalificatiedossier Dierverzorging (Crebo 23214), bedoeld in bijlage 3 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2016, vermeldt de diergroep, bedoeld in artikel 8.6 van deze regeling, waarvoor het onderwijs is genoten.
De artikelen 8.8 tot en met 8.10 van deze regeling zijn van toepassing op de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot uitoefening van het gereglementeerde beroep beheerder van een inrichting als bedoeld in het besluit.
Artikel 8.12 van deze regeling is van toepassing op de verklaring, bedoeld in artikel 23 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en de controle, bedoeld in artikel 27 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld in het eerste lid wenst uit te oefenen.
Een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties wordt ingediend bij de minister.
Bij de aanvraag overlegt de aanvrager:
- a.
de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en
- b.
indien de aanvraag en de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen b en c, van de Algemene wet Erkenning EG-beroepskwalificaties in een andere dan de Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een door een beëdigde tolk of vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.
Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties een proeve van bekwaamheid moet afleggen:
- a.
wordt de aanvrager schriftelijk geïnformeerd over de vakken waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft, over de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen en over de kosten van de proeve;
- b.
wordt het resultaat van de proeve van bekwaamheid zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de aanvrager.
Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties een aanpassingsstage moet doorlopen, wordt de aanvrager schriftelijk medegedeeld:
- a.
de vakken waarop de aanpassingsstage betrekking heeft;
- b.
de duur van de aanpassingsstage;
- c.
in voorkomend geval de aanvullende opleiding die deel uitmaakt van de aanpassingsstage.
Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties verstrekt voorafgaand aan de eerste dienstverrichting aan de minister de volgende documenten:
- a.
de documenten, bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en
- b.
indien de documenten, bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid, onderdelen b, c en d, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in een andere dan de Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een door een beëdigde tolk of vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.
Indien na de controle, bedoeld in artikel 27 van de Algemene wet Erkenning EG-beroepskwalificaties, blijkt dat de beroepskwalificaties van dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet Erkenning EG-beroepskwalificaties wezenlijk verschillen van de vereiste opleiding voor de toegang tot uitoefening van het beroep beheerder van een inrichting, legt de dienstverrichter een proeve van bekwaamheid af.
De uitoefening van de sledehondensport is uitsluitend toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van honden, behorend tot de volgende rassen:
- a.
Alaskan Malamute,
- b.
Eskimohond,
- c.
Groenlandse hond,
- d.
Samojeed,
- e.
Siberian husky, mits bij de honden geen pijn of letsel wordt veroorzaakt en de gezondheid of het welzijn van de honden niet wordt benadeeld.
Als krachttoestel als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdeel c, van de wet is toegelaten een krachttoestel dat voldoet aan de volgende eisen:
- a.
het toestel is te stabiliseren tegen de achterhand van een staande of liggende koe;
- b.
het toestel beschikt over een flexibele tweedelige beugel die om de achterhand van de koe past;
- c.
de bevestiging van de stang aan de beugel maakt variatie in trekrichting mogelijk;
- d.
de lengte van de stang bedraagt 1,8 tot 2 meter;
- e.
de trekkracht van de stang is tijdelijk te verminderen zonder afkoppelen of afglijden van het toestel;
- f.
het toestel is eenvoudig te reinigen en te desinfecteren, en
- g.
het toestel bevat een trekkrachtindicator.
Het gebruik van het in het eerste lid bedoelde krachttoestel is uitsluitend toegestaan bij een niet vorderende partus bij een normale voorwaartse of achterwaartse ligging van het kalf, indien:
- a.
de koe niet eigenmachtig de geboorte kan voltooien, en
- b.
redelijkerwijs vaginale verlossing mogelijk is.
In afwijking van het eerste lid, is tot 1 januari 2025 een krachttoestel toegelaten dat voldoet aan de eisen, genoemd in onderdelen a tot en met f, indien deze is aangeschaft vóór 1 juli 2015.
Als voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet wordt aangewezen: artikel 18 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002, tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, voor houders van productiedieren die gehouden worden voor de voedselproductie (PbEG 2002 L 31).
Wijzigt de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.
Wijzigt de Regeling diergeneesmiddelen.
Wijzigt de Regeling dierlijke producten.
Wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.
Wijzigt de Tijdelijke vrijstellingsregeling enten AI-gevoelige vogels dierentuinen 2003.
De Vrijstellingsregeling dierenwelzijn wordt ingetrokken.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2014.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling houders van dieren.
Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren die gehouden kunnen worden zonder toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.
Wetenschappelijke naam (Wilson & Reeder, 2005) | Nederlandse naam |
Canis lupus familiaris | Huishond |
Felis catus | Huiskat |
Atelerix albiventris | Witbuikegel |
Capra aegragus | Bezoargeit |
Capra caucasica | Kaukasische toer |
Capra cylindricornis | Dagestaanse toer |
Capra falconeri | Schroefhoorngeit |
Capra ibex | Steenbok |
Capra nubiana | Nubische steenbok |
Capra pyrenaica | Spaanse steenbok |
Capra sibirica | Siberische steenbok |
Capra walie | Waliasteenbok |
Gerbillus amoenus | Dwergrenmuis |
Gerbillus aquilus | Swarthy gerbil |
Gerbillus cheesmani | Cheesman's gerbil |
Gerbillus garamantis | Noordafrikaanse renmuis |
Gerbillus gerbillus | Kleine Egyptische renmuis |
Gerbillus nanus | Algerijnse gerbil |
Gerbillus perpallidus | Pallid gerbil |
Gerbillus pyramidum | Grote Egyptische renmuis |
Lemniscomys barbarus | Zebragrasmuis |
Lemniscomys bellieri | Bellier’s grasmuis |
Lemniscomys griselda | Aalstreepgrasmuis |
Lemniscomys hoogstraali | Hoogstraal’s grasmuis |
Lemniscomys linulus | Senegal grasmuis |
Lemniscomys macculus | Buffoon grasmuis |
Lemniscomys mittendorfi | Mittendorf’s grasmuis |
Lemniscomys rosalia | Enkelstreepgrasmuis |
Lemniscomys roseveari | Rosevear’s grasmuis |
Lemniscomys striatus | Gestreepte grasmuis |
Lemniscomys zebra | Heuglin’s grasmuis |
Macropus (Macropus) giganteus | Oostelijke grijze reuzenkangoeroe |
Macropus (Notamacropus) parma | Parmawallabie |
Macropus (Osphranter) robustus | Bergkangoeroe |
Macropus (Notamacropus) rufogriseus | Bennettwallabie |
Oryctolagus cuniculus (domestic form) | Konijn |
Rattus norvegicus | Bruine rat |
Mus Musculus domesticus | Tamme muis |
Cavia porcellus | Cavia |
Mesocricetus auratus | Goudhamster |
Meriones (Pallasiomys) unguiculatus | Gerbil |
Neovision vision | Nerts |
Equus caballus (excluding Przewalskii) | Paard |
Equus asinus asinus | Ezel |
Sus scrofa (domestic form) | Varken |
Capra hircus (domestic form) | Geit |
Bos taurus (domestic form) | Rund |
Bubalus bubalis (domestic form) | waterbuffel |
Dama dama | Damhert |
Cervus elaphus | Middeneuropees edelhert |
Ovis aries | Schaap |
Diersoorten die zijn aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren, die gehouden kunnen worden met toepassing van soortspecifieke houderijvoorschriften.
Wetenschappelijke naam (Wilson & Reeder, 2005) | Nederlandse naam |
Callosciurus adamsi | Ear-spot eekhoorn |
Callosciurus albescens | Kloss eekhoorn |
Callosciurus baluensis | Kinabalu eekhoorn |
Callosciurus caniceps | Grijsbuikeekhoorn |
Callosciurus finlaysonii | Finlaysonklappereekhoorn |
Callosciurus inornatus | Inornate eekhoorn |
Callosciurus melanogaster | Mentawai eekhoorn |
Callosciurus nigrovittatus | Zwartgestreepte eekhoorn |
Callosciurus notatus | Zwartneusklappereekhoorn |
Callosciurus orestes | Borneo zwartgestreepte eekhoorn |
Callosciurus phayrei | Phayre's eekhoorn |
Callosciurus prevostii | Prevosts klapperrat |
Callosciurus pygerythrus | Irrawaddy eekhoorn |
Callosciurus quinquestriatus | Anderson's eekhoorn |
Equus burchelli | Steppezebra |
Equus ferus przewalskii | Przewalskipaard |
Equus grevyi | Grévyzebra |
Equus hemionus | Onager |
Equus hemionus khur | Indische wilde ezel |
Equus kiang | Kiang |
Equus zebra | Bergzebra |
Hystrix (Acanthion) brachyura | Maleis stekelvarken |
Hystrix (Hystrix) africaeaustralis | Zuid-Afrikaans stekelvarken |
Hystrix (Hystrix) cristata | Gewoon stekelvarken |
Hystrix (Thecurus) crassispinis | Borneostekelvarken |
Hystrix (Hystrix) indica | Witstaartstekelvarken |
Hystrix (Acanthion) javanica | Sunda stekelvarken |
Hystrix (Thecurus) pumila | Filipijns stekelvarken |
Hystrix (Thecurus) sumatrae | Sumatraans stekelvarken |
Macropus (Notamacropus) agilis | Zandwallabie |
Macropus (Osphranter) rufus | Rode reuzenkangoeroe |
Sciurus (Otosciurus) aberti | Witstaarteekhoorn |
Sciurus (Tenes) anomalus | Kaukasuseekhoorn |
Sciurus (Guerlinguetus) granatensis | Roodstaarteekhoorn |
Sciurus (Urosciurus) igniventris | Peruaanse witnekeekhoorn |
Sciurus (Sciurus) lis | Japanse eekhoorn |
Sciurus (Sciurus) variegatoides | Grote gevlekte boomeekhoorn |
Sciurus (Sciurus) vulgaris | Europese rode eekhoorn |
Sus ahoenobarbus | Palawan zwijn |
Sus barbatus | Baardzwijn |
Sus bucculentus | Vietnamees wrattenzwijn |
Sus cebifrons | Visayawrattenzwijn |
Sus celebensis | Celebeswrattenzwijn |
Sus oliveri | Oliver's wrattenzwijn |
Sus philippensis | Filipijns wrattenzwijn |
Sus salvanius | Dwergzwijn |
Sus scrofa | Wild zwijn |
Sus verrucosus | Javaans wrattenzwijn |
Categorie vrijgestelde houder | Soorten waarvoor vrijstelling geldt |
a. houders van zoogdieren | a. de zoogdieren die behoren tot de zoogdiersoorten of zoogdiercategorieën, die zijn opgenomen in bijlage 2 (tabel 3), voor zover die dieren aantoonbaar in Nederland werden gehouden op het tijdstip waarop het besluit dat de soort of categorie niet wordt aangewezen in werking getreden is, tot aan het overlijden van de dieren; b. de nakomelingen van de dieren bedoeld onder a, indien aannemelijk is dat die dieren van de nakomelingen drachtig waren op het onder a bedoelde tijdstip. Aan de vrijstelling is het voorschrift verbonden dat de houder zich registreert bij RVO.nl |
b. houders van zoogdieren | de zoogdiersoorten of zoogdier-categorieën die zijn opgenomen in tabel 4 |
c. exploitanten van dierentuinen | alle zoogdiersoorten |
d. opvangcentra, die voldoen aan het Protocol opvang verboden diersoorten, bedreigde uitheemse diersoorten en bedreigde inheemse diersoorten: | zoogdieren van soorten ten aanzien waarvan het besluit is genomen dat zij niet worden aangewezen of waarvan de aanwijzing is ingetrokken en zoogdieren van soorten als bedoeld in bijlage IIa bij het besluit |
e. houders van een instellings-vergunning als bedoeld in de artikelen 2 en 11a van de Wet op de dierproeven | proefdieren |
f. degene die een of meer exemplaren zoogdiersoorten vervoert van of naar een Nederlandse zee- of luchthaven, met inbegrip van een daarmee verband houdend verblijf in Nederland van ten hoogste 4 werkdagen | alle zoogdiersoorten |
g. dierenartsen in de uitoefening van hun praktijk, ten behoeve van diergeneeskundige behandeling | alle zoogdiersoorten |
Tabel 3
Diersoorten die niet worden aangewezen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren
Wetenschappelijke naam (Wilson & Reeder, 2005) | Nederlandse naam | Datum waarop het verbod in werking treedt |
Mazama americana | Rood spieshert | 1 april 2015 |
Mazama bororo | Klein rood spieshert | 1 april 2015 |
Mazama bricenii | Merioa spieshert | 1 april 2015 |
Mazama chunyi | Dwergspieshert | 1 april 2015 |
Mazama gouazoubira | Grijs spieshert | 1 april 2015 |
Mazama nana | Pygmeespieshert | 1 april 2015 |
Mazama pandora | Yucatan bruin spieshert | 1 april 2015 |
Mazama rufina | Bruin spieshert | 1 april 2015 |
Mazama temama | Centraal Amerikaans rood spieshert | 1 april 2015 |
Muntiacus atherodes | Gele borneomuntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus crinifrons | Zwarte muntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus feae | Tibetaanse muntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus gongshanensis | Gongshanmuntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus muntjak | Indische muntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus puhoatensis | Pu Hoat muntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus putaoensis | Bladmuntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus rooseveltorum | Yunnanmuntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus truongsonensis | Truongsonmuntjak | 1 april 2015 |
Muntiacus vuquangensis | Reuzemuntjak | 1 april 2015 |
Geslacht | Ondergeslacht | Soort | Nederlands |
Echinops | telfairi | Kleine egeltenrek | |
Hemicentetes | nigriceps | Zwartkoptenrek | |
Hemicentetes | semispinosus | Gestreepte tenrek | |
Setifer | setosus | Grote egeltenrek | |
Tenrec | ecaudatus | Gewone tenrek | |
Antilocapra | americana | Gaffelbok | |
Neotragus | pygmaeus | Dwergantilope | |
Alcelaphus | buselaphus | Hartenbeest | |
Connochaetes | gnou | Witstaartgnoe | |
Damaliscus | lunatus | Lierantilope | |
Aepyceros | melampus | Impala | |
Antidorcas | marsupialis | Springbok | |
Antilope | cervicapra | Indische antilope | |
Gazella | subgutturosa | Kropgazelle | |
Nanger | granti | Grantgazelle | |
Nanger | soemmerringii | Soemerringgazelle | |
Ourebia | ourebi | Oribi | |
Procapra | picticaudata | Tibetaanse gazelle | |
Saiga | tatarica | Saiga | |
Bison | bison | Bizon | |
Bison | bonasus | Wisent | |
Bos | grunniens | Jak (domestic form) | |
Syncerus | caffer | Afrikaanse buffel | |
Boselaphus | tragocamelus | Nijlgau | |
Taurotragus | derbianus | Reuzenelandantilope | |
Taurotragus | oryx | Elandantilope | |
Tetracerus | quadricornis | Vierhoornantilope | |
Tragelaphus | angasii | Nyala | |
Tragelaphus | buxtoni | Bergnyala | |
Tragelaphus | eurycerus | Bongo | |
Tragelaphus | imberbis | Kleine koedoe | |
Tragelaphus | scriptus | Bosbok | |
Tragelaphus | spekii | Sitatoenga | |
Tragelaphus | strepsiceros | Grote koedoe | |
Ammotragus | lervia | Manenschaap | |
Capra | falconeri | Schroefhoorngeit | |
Capra | ibex | Steenbok | |
Capra | nubiana | Nubische steenbok | |
Capra | pyrenaica | Spaanse steenbok | |
Capra | sibirica | Siberische steenbok | |
Capricornis | crispus | Japanse bosgems | |
Capricornis | sumatraensis | Sumatraanse bosgems | |
Hemitragus | jemlahicus | Himalayathargeit | |
Ovis | ammon | Wild schaap | |
Ovis | canadensis | Dikhoornschaap | |
Ovis | dalli | Dalls schaap | |
Pantholops | hodgsonii | Tibetaanse antilope | |
Pseudois | nayaur | Blauwschaap | |
Rupicapra | rupicapra | Gems | |
Addax | nasomaculatus | Addax | |
Hippotragus | equinus | Roanantilope | |
Hippotragus | niger | Sabelantilope | |
Oryx | beisa | Beisa | |
Oryx | dammah | Algazel | |
Oryx | gazella | Gemsbok | |
Oryx | leucoryx | Arabische oryx | |
Kobus | ellipsiprymnus | Waterbok | |
Redunca | fulvorufula | Bergrietbok | |
Redunca | redunca | Bohorrietbok | |
Camelus | bactrianus | Kameel | |
Camelus | dromedarius | Dromedaris | |
Lama | glama | Lama | |
Vicugna | pacos | Alpaca | |
Vicugna | vicugna | Vicuña | |
Alces | americanus | Amerikaanse eland | |
Blastocerus | dichotomus | Moerashert | |
Capreolus | capreolus | Ree | |
Odocoileus | hemionus | Muildierhert | |
Odocoileus | virginianus | Witstaarthert | |
Rangifer | tarandus | Rendier | |
Axis | axis | Axishert | |
Cervus | nippon | Sikahert | |
Elaphodus | cephalophus | Kuifhert | |
Elaphurus | davidianus | Pater-Davidshert | |
Muntiacus | muntjak | Indische muntjak | |
Hydropotes | inermis | Chinese waterree | |
Hylochoerus | meinertzhageni | Reuzenboszwijn | |
Phacochoerus | aethiopicus | Woestijnknobbelzwijn | |
Potamochoerus | porcus | Penseelzwijn | |
Sus | scrofa | Wild zwijn | |
Canis | adustus | Gestreepte jakhals | |
Canis | aureus | Gewone jakhals | |
Canis | mesomelas | Zadeljakhals | |
Nyctereutes | procyonoides | Wasbeerhond | |
Otocyon | megalotis | Grootoorvos | |
Vulpes | corsac | Steppevos | |
Vulpes | lagopus | Poolvos | |
Vulpes | rueppellii | Zandvos | |
Vulpes | vulpes | Vos | |
Vulpes | zerda | Woestijnvos | |
Felis | chaus | Moeraskat | |
Felis | margarita | Woestijnkat | |
Leptailurus | serval | Serval | |
Crossarchus | obscurus | Koesimanse | |
Cynictis | penicillata | Vosmangoest | |
Helogale | parvula | Dwergmangoest | |
Mungos | mungo | Zebramangoeste | |
Suricata | suricatta | Stokstaartje | |
Mephitis | mephitis | Gestreepte skunk | |
Aonyx | cinerea | Kleinklauwotter | |
Eira | barbara | Tayra | |
Galictis | vittata | Grote grison | |
Nasua | nasua | Rode neusbeer | |
Potos | flavus | Rolstaartbeer | |
Procyon | lotor | Wasbeer | |
Ursus | arctos | Bruine beer | |
Arctictis | binturong | Beermarter | |
Paradoxurus | hermaphroditus | Loewak | |
Civettictis | civetta | Afrikaanse civetkat | |
Genetta | genetta | Genetkat | |
Genetta | maculata | Roestgenet | |
Genetta | pardina | Pardin's genetkat | |
Genetta | thierryi | Hausagenet | |
Genetta | tigrina | Tijgergenet | |
Viverra | zibetha | Indische civetkat | |
Carollia | perspicillata | Brilbladneusvleermuis | |
Eidolon | helvum | Palmvleerhond | |
Hypsignathus | monstrosus | Hamerkopvleerhond | |
Pteropus | vampyrus | Kalong | |
Rousettus | Rousettus | aegyptiacus | Nijlroezet |
Dasypus | novemcinctus | Negenbandgordeldier | |
Chaetophractus | vellerosus | Klein behaard gordeldier | |
Chaetophractus | villosus | Bruinbehaard gordeldier | |
Euphractus | sexcinctus | Zesbandgordeldier | |
Tolypeutes | matacus | Kogelgordeldier | |
Didelphis | albiventris | Zuidamerikaanse opossum | |
Monodelphis | domestica | Kortstaartopossum | |
Macropus | Macropus | fuliginosus | Westelijke grijze reuzenkangoeroe |
Macropus | Macropus | giganteus | Oostelijke grijze reuzenkangoeroe |
Macropus | Notamacropus | agilis | Zandwallabie |
Macropus | Notamacropus | eugenii | Tammarwallabie |
Macropus | Notamacropus | parma | Parmawallabie |
Macropus | Notamacropus | rufogriseus | Bennettwallabie |
Macropus | Osphranter | robustus | Bergkangoeroe |
Macropus | Osphranter | rufus | Rode reuzenkangoeroe |
Thylogale | thetis | Roodhalspademelon | |
Wallabia | bicolor | Moeraswallabie | |
Dactylopsila | trivirgata | Gestreepte buideleekhoorn | |
Petaurus | breviceps | Suikereekhoorn | |
Ailurops | ursinus | Beer koeskoes | |
Bettongia | lesueur | Lesueurborstelstaartkangoeroerat | |
Bettongia | penicillata | Borstelstaartkangoeroerat | |
Atelerix | albiventris | Witbuikegel | |
Atelerix | frontalis | Zuid-Afrikaanse egel | |
Atelerix | sclateri | Somalische egel | |
Hemiechinus | auritus | Grootooregel | |
Procavia | capensis | Rotsklipdas | |
Lepus | Eulagos | europaeus | Europese haas |
Lepus | Lepus | timidus | Sneeuwhaas |
Equus | burchellii | Steppezebra | |
Equus | hemionus | Onager | |
Equus | kiang | Kiang | |
Tapirus | terrestris | Laaglandtapir | |
Bradypus | tridactylus | Drievingerige luiaard | |
Choloepus | didactylus | Tweevingerige luiaard | |
Calomyscus | bailwardi | Turkmeense muishamster | |
Cavia | aperea | Wilde cavia | |
Cavia | magna | Moerascavia | |
Dolichotis | patagonum | Mara | |
Dolichotis | salinicola | Kleine mara | |
Hydrochoeris | hydrochaeris | Capybara | |
Kerodon | rupestris | Rotsmoko | |
Chinchilla | lanigera | Chinchilla | |
Lagurus | lagurus | Steppelemming | |
Lasiopodomys | brandtii | Steppewoelmuis | |
Microtus | Alexandromys | fortis | Chinese woelmuis |
Microtus | Microtus | arvalis | Veldmuis |
Microtus | Microtus | guentheri | Mediterrane woelmuis |
Synaptomys | Mictomys | borealis | Moeras lemming |
Cricetulus | barabensis | Chinese dwerghamster | |
Phloeomys | pallidus | Nevelrat | |
Phodopus | campbelli | Campbells dwerghamster | |
Phodopus | roborovskii | Woestijndwerghamster | |
Phodopus | sungorus | Russische dwerghamster | |
Peromyscus | eremicus | Cactusmuis | |
Peromyscus | leucopus | Witvoetmuis | |
Peromyscus | polionotus | Strandmuis | |
Sigmodon | Sigmodon | hispidus | Katoenrat |
Dasyprocta | azarae | Azara’s agoeti | |
Dasyprocta | leporina | Goudhaas | |
Dasyprocta | prymnolopha | Zwartrugagoeti | |
Dasyprocta | punctata | Midden-Amerikaanse agoeti | |
Allactaga | Orientallactaga | sibirica | Siberische paardenspringmuis |
Allactaga | Scarturus | tetradactyla | Vierteenrenmuis |
Jaculus | jaculus | Kleine woestijnspringmuis | |
Jaculus | orientalis | Reuzenwoestijnspringmuis | |
Glis | glis | Relmuis | |
Graphiurus | Graphiurus | murinus | Afrikaanse dwergrelmuis |
Eliomys | melanurus | Woestijnslaapmuis | |
Hystrix | Hystrix | cristata | Gewoon stekelvarken |
Hystrix | Hystrix | indica | Witstaartstekelvarken |
Acomys | Acomys | cahirinus | Egyptische stekelmuis |
Acomys | Acomys | dimidiatus | Sinaïstekelmuis |
Acomys | Acomys | russatus | Gouden stekelmuis |
Acomys | Acomys | spinosissimus | Dwergstekelmuis |
Dipodillus | Petteromys | dasyurus | Wagnersgerbil |
Gerbillus | Gerbillus | cheesmani | Cheesman's gerbil |
Gerbillus | Gerbillus | gerbillus | Kleine Egyptische renmuis |
Gerbillus | Gerbillus | perpallidus | Bleke gerbil |
Gerbillus | Gerbillus | pyramidum | Grote Egyptische renmuis |
Gerbillus | Hendecapleura | nanus | Algerijnse gerbil |
Meriones | Pallasiomys | crassus | Sundevalls gerbil |
Meriones | Pallasiomys | shawi | Shawi gerbil |
Meriones | Pallasiomys | tristrami | Tristam’s gerbil |
Meriones | Parameriones | persicus | Perzische woestijnmuis |
Pachyuromys | duprasi | Vetstaartgerbil | |
Psammomys | obesus | Vette zandrat | |
Sekeetamys | calurus | Pluimstaartgerbil | |
Taterillus | harringtoni | Harrington’s gerbil | |
Apodemus | sylvaticus | Bosmuis | |
Arvicanthis | neumanni | Tanzaniaanse grasrat | |
Arvicanthis | niloticus | Koesoegrasrat | |
Lemniscomys | barbarus | Zebragrasmuis | |
Lemniscomys | striatus | Gestreepte grasmuis | |
Mastomys | natalensis | Veeltepelmuis | |
Micromys | minutus | Europese dwergmuis | |
Mus | Nannomys | minutoides | Afrikaanse dwergmuis |
Rattus | rattus | Zwarte rat | |
Rhabdomys | pumilio | Streepmuis | |
Thallomys | paedulcus | Acacia rat | |
Myocastor | coypus | Beverrat | |
Cricetomys | gambianus | Gambiahamsterrat | |
Octodon | degus | Degoe | |
Spalacopus | cyanus | Koeroero | |
Pedetes | capensis | Springhaas | |
Callosciurus | finlaysonii | Finlaysonklappereekhoorn | |
Callosciurus | notatus | Zwartneusklappereekhoorn | |
Callosciurus | prevostii | Driekleureekhoorn | |
Dremomys | pernyi | Perny eekhoorn | |
Funambulus | Prasadsciurus | pennantii | Vijfstrepige palmeekhoorn |
Tamiops | swinhoei | Chinese gestreepte boomeekhoorn | |
Tamiops | mcclellandii | Thaise dwergstreepeekhoorn | |
Sciurus | Sciurus | lis | Japanse eekhoorn |
Sciurus | Sciurus | variegatoides | Grote gevlekte boomeekhoorn |
Sciurus | Urosciurus | igniventris | Peruaanse witnekeekhoorn |
Tamiasciurus | hudsonicus | Hudson eekhoorn | |
Cynomys | Cynomys | ludovicianus | Zwartstaartprairiehond |
Cynomys | Leucocrossuromys | parvidens | Utahprairiehond |
Marmota | Marmota | marmota | Alpenmarmot |
Sciurotamias | Sciurotamias | davidianus | Chinese rotseekhoorn |
Spermophilus | Otospermophilus | variegatus | Amerikaanse rotseekhoorn |
Spermophilus | Spermophilus | richardsonii | Richardsongrondeekhoorn |
Tamias | Eutamias | sibiricus | Boeroendoek |
Tamias | Tamias | striatus | Chipmunk |
Tupaia | belangeri | Belangers toepaja | |
Tupaia | glis | Gewone toepaja | |
Suncus | murinus | Muskusspitsmuis |
- 1.
Deze monitoring wordt uitgevoerd in het slachthuis waar het koppel vleeskuikens of het grootste deel ervan wordt geslacht.
- 2.
De monitoring wordt uitgevoerd door hiervoor opgeleide slachthuismedewerkers, onder toezicht van de minister.
- 3.
100 vleeskuikens per koppel (per stal) worden beoordeeld, waarvan 50 kuikens rond de verwerking van 30% van het koppel, en 50 kuikens rond de verwerking van 60% van het koppel.
- 4.
Alleen de rechter poot van elk vleeskuiken van de steekproeven wordt beoordeeld. Hiervoor worden de te monitoren poten van de slachtlijn gehaald en verzameld.
- 5.
De medewerker baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart en stelt de totaalscore voor het koppel vast met gebruikmaking van de formule:
aantal punten=
(aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0,5 + (aantal dieren klasse 2)x2
- 6.
Deze gegevens worden door het slachthuis geregistreerd en doorgegeven aan de houder.
- 1.
In het slachthuis is een rapport aanwezig van een onafhankelijke kennisinstelling of instantie, waaruit blijkt dat het digitale meetsysteem zodanig werkt dat de scores een score oplevert die vergelijkbaar is met de score van een visuele beoordeling die aan de hand van de scorekaart is uitgevoerd. In het rapport is een beschrijving door de kennisinstelling of de instantie opgenomen van de wijze waarop dit is vastgesteld.
- 2.
Het camerasysteem meet ten minste 70% van de poten van elk koppel.
- 3.
De percentages per klasse en de eindscores worden minimaal 1 keer per werkdag door het systeem opgeleverd, door het slachthuis verwerkt en aan de pluimveeveehouder doorgegeven.
- 4.
Het slachthuis treft maatregelen om het digitale meetsysteem en de daarbij gebruikte software te beschermen tegen willekeurige wijzigingen.
- 5.
Het slachthuis zorgt ervoor dat het systeem zodanig wordt onderhouden dat het goed blijft functioneren. Indien het systeem gebreken of defecten vertoont meldt het slachthuis dit aan de leverancier of de fabrikant en de betrokken pluimveehouders.
- 1.
Deze monitoring wordt uitgevoerd op het bedrijf zelf, maximaal 5 dagen voordat het koppel wordt geslacht. Het betreft koppels die geëxporteerd worden en waar geen meting van voetzoollaesies plaatsvindt in het slachthuis van bestemming, of koppels die in kleine slachthuizen in Nederland worden geslacht.
- 2.
De opgeleide controleur, bedoeld in artikel 6.5 derde lid, onderdeel b, heeft in elk geval de Cursus monitoring voetzoollaesies of een gelijkwaardige cursus met goed gevolg afgesloten, en is geen werknemer van de pluimveehouder voor wie de beoordeling wordt uitgevoerd.
- 3.
Per stal worden 100 levende vleeskuikens beoordeeld, waarbij ten minste 4 steekproeven in de stal (bijvoorbeeld 4 keer 25 dieren) worden genomen, genomen op locaties verdeeld over de stal, minimaal 2 locaties tegen de muur en de overige locaties tussen voer- en drinklijnen in. Zie voorbeeld hieronder.
- 4.
De controleur maakt gebruik van extra verlichting (zoals een hoofdlamp) en van een vanghek om dubbele metingen te voorkomen. Hiervoor kan hij de kuikens merken met bv. watervaste stift (op de poot, of vleugels).
- 5.
Het schoonmaken van de poten met borstel en sop wordt afgeraden, na het afwrijven van de mest van de poot heeft men een redelijk beeld van de conditie van de poten.
- 6.
In de steekproeven wordt alleen de rechter poot van elk vleeskuiken beoordeeld.
- 7.
De controleur baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart.
- 8.
De controleur registreert het aantal vleeskuikens in de 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) en geeft dit door aan de houder, alsmede de totaalscore van het koppel.
- 9.
Deze wordt berekend met onderstaande formule: aantal punten=
(aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0.5 + (aantal dieren klasse 2)x2