Ministeriële regeling · BWBR0035367
Regeling gaskwaliteit
Gelet op de artikelen 11 en 12, derde lid, van de Gaswet;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage11 juli 2014De Minister van Economische Zaken,H.G.J.KampIn deze regeling wordt verstaan onder:
- –
calorische bovenwaarde: de hoeveelheid energie, uitgedrukt in megajoule (MJ), afgerond op drie cijfers achter de komma, die vrijkomt bij de volledige verbranding van 1 m3(n) gas in lucht, wanneer de na de verbranding aanwezige componenten tot de uitgangscondities van temperatuur en druk worden teruggebracht, zijnde 298,15 K en een absolute druk van 101,325 kPa (1,01325 bar) en waarbij de bij de verbranding gevormde waterdamp wordt gecondenseerd;
- –
- –
H-gas: gas van een kwaliteit als bedoeld in bijlage 1, 3 of 5;
- –
hogere koolwaterstoffen: koolwaterstoffen met meer dan één koolstofatoom per molecuul;
- –
HTL: gastransportnet met een operationele absolute druk van circa 45 bar of hoger;
- –
L-gas: gas van een kwaliteit als bedoeld in bijlage 5, bestemd voor export;
- –
m3(n): hoeveelheid gas die bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 kPa een volume inneemt van één m3;
- –
propaanequivalent: eenheid van het gehalte aan hogere koolwaterstoffen in gas, berekend als de som van de aandelen in mol% van de hogere koolwaterstoffen in gas, waarbij iedere hogere koolwaterstof een wegingsfactor krijgt van het aantal koolstofatomen in de betreffende hogere koolwaterstof minus één, gedeeld door twee;
- –
relatieve dichtheid: de dichtheid van een gas gedeeld door de dichtheid van droge lucht van de standaardsamenstelling bij normale condities, te weten een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,325 kPa;
- –
RNB-net: gastransportnet dat niet wordt beheerd door de netbeheerder van het landelijke gastransportnet;
- –
RTL: gastransportnet met een operationele absolute druk tussen 16 en 40,5 bar;
- –
Wobbe-index: de calorische bovenwaarde gedeeld door de vierkantswortel van de relatieve dichtheid.
H-gas voldoet bij invoeding op een aansluiting aan de in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen waarden.
G-gas voldoet bij invoeding op een aansluiting aan de in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen waarden.
H-gas voldoet bij aflevering op een aansluiting aan de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen waarden.
G-gas voldoet bij aflevering op een aansluiting aan de in bijlage 4 bij deze regeling opgenomen waarden.
H-gas en L-gas dat op een grenspunt via het landelijk gastransportnet wordt ingevoerd of uitgevoerd, voldoet op dat grenspunt aan de in bijlage 5 bij deze regeling opgenomen waarden.
Gas dat op het gastransportnet wordt ingevoed of het gastransportnet verlaat is H-gas, G-gas of L-gas.
Wijzigt de Wijzigingsregeling Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden gas (vaststelling van gassamenstelling).
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2014.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gaskwaliteit.
1De alarmerende werking van geodoriseerd gas dient te allen tijde adequaat te zijn.
Gaskwaliteit | Waarde | Eenheid | |
Wobbe-index | 49,9 – 55,7 | MJ/m3(n) | |
Waterdauwpunt | ≤ -8 | °C (bij 70 bar(a)) | |
Gascondensaat | ≤ 5 | mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk | |
Temperatuur | Gassysteem LNG, bedoeld in bijlage 8 | 0 – 40 | °C |
Rest Nederland | 5 – 30 | °C | |
Zuurstofgehalte | in RTL en RNB | ≤ 0,5 | mol% |
in HTL | ≤ 0,0005 | mol% | |
Koolstofdioxidegehalte | ≤ 2,5 | mol% | |
Koolstofmonoxide (CO) | ≤ 2900 | mg/m3(n) | |
Chloor op basis van organochloorverbindingen | ≤ 5 | mg Cl/m3(n) | |
Fluor op basis van organofluorverbindingen | ≤ 5 | mg F/m3(n) | |
Waterstofgehalte | ≤ 0,02 | mol% | |
Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm | ≤ 100 | mg/m3(n) | |
Pathogene microben | ≤ 500 | aantal /m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel | ≤ 5 | mg S/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen | ≤ 6 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte voor odorisatie | ≤ 30 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte na odorisatie | ≤ 41 | mg S/m3(n) | |
THT-gehalte (odorant) | in HTL: reukloos gas | 0 | mg THT/m3(n) |
in RTL: reukloos / ruikbaar1 gas | 0 / 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
in RNB: ruikbaar1 gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen | ≤ 0,1 | mg Si /m3 (n) |
1De Wobbe-index van het in te voeden gas dient gedurende ten minste 50% van de tijd boven de ondergrens te liggen. Er mag maximaal 200 keer per voortschrijdend jaar een uur zijn waarin een onderschrijding (een waarde onder de ondergrens) tussen de 0,2 en 0,3 MJ/m3 voorkomt, terwijl zo’n uur niet vaker dan 1 keer per 12 uren mag voorkomen. Er mag maximaal 10 keer per voortschrijdend jaar een uur zijn waarin een onderschrijding van meer dan 0,3 MJ/m3 voorkomt, terwijl zo’n uur niet vaker dan 1 keer per 60 uren mag voorkomen. De waarden voor de Wobbe-index zijn uurgemiddelden.
2Overschrijdingen (een waarde boven de bovengrens) zijn toegestaan als zij binnen een verdeling rond de grenswaarde liggen met een standaarddeviatie van maximaal 0,1 MJ/m3(n).
3Een andere invoedtemperatuur wordt geaccepteerd indien de invoeder aantoont dat de gebruikte materialen in de leidingen tegen de afwijkende temperatuur bestand is en het gas in de aansluitleiding van de invoeder zal opwarmen of afkoelen zodat het gas bij de afsluiter van het aansluitpunt met het net van de netbeheerder een temperatuur tussen de 5 en 20 °C heeft bereikt. Dit kan berekend worden met de methode uit het KIWA-rapport ‘Eisen aan Groen Gas invoedtemperatuur’ van 2 augustus 2012.
4De volgende restrictie geldt voor het gehalte koolstofdioxide (CO2) voor gassen die voor ten minste 99 mol% bestaan uit methaan, CO2, stikstof (N2) en zuurstof (O2) en voor meer dan 6 mol% uit CO2bestaan.
CO2-gehalte is maximaal het minimum van 10,32 – 0,72 * N2-gehalte – 0,87 * O2-gehalte, en 10,56 – 0,746 * N2-gehalte – 1,01 * O2-gehalte,
Waarin de gehalten zijn uitgedrukt in mol%
In RTL-leidingen die op grenspunten uitkomen mag gas maximaal 3% koolstofdioxide bevatten. Bij invoeding op aansluitingen waarvan het gas wordt gedistribueerd via gedeelten van het RNB-net waar grondwater in het gas terechtkomt, mag gas maximaal 3% koolstofdioxide bevatten.
5THT mag worden vervangen door een stof met een vergelijkbare alarmerende werking.
6Gas mag geen stoffen bevatten waardoor de ruikbaarheid van het odorant na odorisatie niet meer goed waarneembaar is of niet het juiste geurkenmerk waargenomen wordt.
Gas wordt in afwijking van deze bijlage op een RNB-net ingevoed indien dit zonder aanvullende inspanning van de beheerder van dit RNB-net leidt tot aflevering van G-gas dat voldoet aan de voorgeschreven kwaliteit op een aansluiting als bedoeld in bijlage 4.
Gaskwaliteit | Waarde | Eenheid | |
Wobbe-index | 43,46 – 44,411,2 | MJ/m3(n) | |
Gehalte hogere koolwaterstoffen | ≤ 5 | mol% propaanequivalent | |
Gascondensaat | ≤ 80 | mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk | |
Waterdauwpunt | in RTL en HTL | ≤ –8 | °C (bij 70 bar(a)) |
in RNB-net | ≤ –10 | °C (bij 8 bar(a)) | |
Temperatuur | in RTL en HTL | 5 – 30 | °C |
in RNB-net3 | 5 – 20 | °C | |
Zuurstofgehalte | in RTL en RNB-net | ≤ 0,5 | mol% |
in HTL | ≤ 0,0005 | mol% | |
Koolstofdioxidegehalte | in RTL en RNB-net | ≤10,34 | mol% |
in HTL | ≤ 3 | mol% | |
Waterstofgehalte | in RTL en HTL | ≤ 0,02 | mol% |
in RNB-net | ≤ 0,5 | mol% | |
Chloor op basis van organochloorverbindingen | ≤ 5 | mg Cl/m3(n) | |
Fluor op basis van organofluorverbindingen | ≤ 5 | mg F /m3(n) | |
Koolstofmonoxide (CO) | ≤ 2.900 | mg/m3(n) | |
Pathogene microben | ≤ 500 | aantal /m3(n) | |
Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm | ≤ 100 | mg/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel | ≤ 5 | mg S/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen | ≤ 6 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte | voor odorisatie | ||
Piekwaarde | ≤ 20 | mg S/m3(n) | |
Jaargemiddelde | ≤ 5,5 | mg S/m3(n) | |
na odorisatie | |||
Piekwaarde | ≤ 31 | mg S/m3(n) | |
Jaargemiddelde | ≤ 16,5 | mg S/m3(n) | |
THT-gehalte5 (odorant) | In HTL Flevoland, bedoeld in Bijlage 10, ruikbaar6 gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) |
in HTL: reukloos6 gas | 0 | ||
in RTL: ruikbaar6 gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
in RNB: ruikbaar6gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen | ≤ 0,1 | mg Si/m3 (n) |
1Voor zover de netbeheerder de aansluiting beheert.
Gaskwaliteit | Waarde | Eenheid | |
Wobbe-index | |||
Standaardbandbreedte | 47 – 55,7 | MJ/m3(n) | |
Afwijkende ondergrens (Wobbe-index) | |||
Gassysteem Delfzijl, bedoeld in bijlage 6 | 48,6 | MJ/m3(n) | |
Gassysteem Eemshaven, bedoeld in bijlage 6 | 47,2 | MJ/m3(n) | |
Gassysteem ZO Drenthe, bedoeld in bijlage 7 | 49 | MJ/m3(n) | |
Gassysteem GZI, bedoeld in bijlage 7 | 43,46 | MJ/m3(n) | |
Gassysteem IJmond, bedoeld in bijlage 9 | 49,3 | MJ/m3(n) | |
De provincie Limburg | 49 | MJ/m3(n) | |
De provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Groningen | 48,3 | MJ/m3(n) | |
Afwijkende bovengrens (Wobbe-index) | |||
Gassysteem Westgas/Waalhaven, bedoeld in bijlage 8 | 57,5 | MJ/m3(n) | |
Gassysteem Maasmond, bedoeld in bijlage 8 | 56 | MJ/m3(n) | |
Gassysteem LNG, bedoeld in bijlage 8 | 57,2 | MJ/m3(n) | |
Waterdauwpunt1 | Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 | ≤ –8 | °C (bij 25 bar(a)) |
Rest Nederland | ≤ –8 | °C (bij 70 bar(a)) | |
Gascondensaat1 | ≤ 5 | mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk | |
Temperatuur | Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 | 0 – 40 | °C |
Rest Nederland | 0 – 35 | °C | |
Zuurstofgehalte | Bij een gasopslaginstallatie in Grijpskerk in de gemeente Zuidhorn | ≤ 0,0005 | mol% daggemiddeld |
Bij andere gasopslaginstallaties | ≤ 0,0010 | mol% daggemiddeld | |
Rest Nederland | ≤ 0, 5 | mol% daggemiddeld | |
Koolstofmonoxide | Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 | ≤ 1,5 | mol% |
Rest Nederland | ≤ 2.900 | mg/m3(n) | |
Koolstofdioxidegehalte | Subsysteem Oude Pekela, bedoeld in bijlage 11 | ≤ 3,2 | mol% |
Rest Nederland | ≤ 2,5 | mol% | |
Waterstofgehalte | Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 | ≤ 40 | mol% |
Rest Nederland | ≤ 0,02 | mol% | |
Chloor op basis van organochloorverbindingen | ≤ 5 | mg Cl/m3(n) | |
Fluor op basis van organofluorverbindingen | ≤ 5 | mg F/m3(n) | |
Pathogene microben1 | ≤ 500 | aantal/m3(n) | |
Stofdeeltjes1 met een grootte boven de 5 μm in RTL en HTL | ≤ 100 | mg/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel | Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 | ≤ 10 | mg S/m3(n) |
Rest Nederland | ≤ 5 | mg S/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen | Raffinaderijgas-systeem, bedoeld in bijlage 8 | ≤ 10 | mg S/m3(n) |
Rest Nederland | ≤ 6 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte vóór odorisatie | ≤ 30 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte na odorisatie | ≤ 41 | mg S/m3(n) | |
THT-gehalte (odorant) | in HTL: reukloos gas | 0 | mg THT/m3(n) |
in RTL: reukloos / ruikbaar gas | 0 / 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
in RNB: ruikbaar gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen | ≤ 0,1 | mg Si/m3(n) |
Gaskwaliteit | Waarde | Eenheid | |
Wobbe-index1 | 43,46 – 44,41 | MJ/m3 (n) | |
Gehalte hogere koolwaterstoffen | ≤ 5 | mol% propaanequivalent | |
Tot 1 juli 2016: in uitzonderingssituaties 2 geldt geen beperking | |||
Waterdauwpunt3 | In RTL en HTL | ≤ –8 | °C (bij 70 bar(a)) |
In RNB | ≤–104 | °C (bij 8 bar(a)) | |
Gascondensaat3 | ≤ 80 | mg/m3 (n) bij –3 °C bij elke druk | |
Temperatuur | 0 – 35 | °C | |
Zuurstofgehalte | Bij een gasopslaginstallatie in Norg in de gemeente Noordenveld | ≤ 0,0005 | mol% daggemiddeld |
Bij andere gasopslaginstallaties | ≤ 0,0010 | mol% daggemiddeld | |
andere punten | ≤ 0,5 | mol% daggemiddeld | |
Koolstofdioxidegehalte | RTL en RNB-net | ≤ 10,35 | mol% |
HTL in de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland | ≤ 8 | mol% | |
HTL in de rest van Nederland | ≤ 3 | mol% | |
Waterstofgehalte | In RTL en HTL | ≤ 0,02 | mol% |
In RNB-net | ≤ 0,5 | mol% | |
Chloor op basis van organochloorverbindingen | ≤ 5 | mg Cl/m3(n) | |
Fluor op basis van organofluorverbindingen | ≤ 5 | mg F /m3(n) | |
Koolstofmonoxide (CO) | ≤ 2.900 | mg/m3(n) | |
Pathogene microben | ≤ 500 | aantal /m3(n) | |
Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm in RTL en HTL3 | ≤ 100 | mg/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel | ≤ 5 | mg S/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen | ≤ 6 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte | voor odorisatie | ||
Piekwaarde | ≤ 20 | mg S/m3(n) | |
Jaargemiddelde | ≤ 5,5 | mg S/m3(n) | |
na odorisatie | |||
Piekwaarde | ≤ 31 | mg S/m3(n) | |
Jaargemiddelde | ≤ 16,5 | mg S/m3(n) | |
THT-gehalte (odorant)6 | In HTL Flevoland, bedoeld in bijlage 10: ruikbaar gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) |
in HTL: reukloos gas | 0 | ||
in RTL: ruikbaar gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
in RNB-net: ruikbaar gas | 10 – 40 | mg THT/m3(n) | |
Siliciumgehalte op basis van siliciumhoudende verbindingen | ≤ 0,1 | mg Si /m3(n) | |
Leveringsdruk bij 25-mbar-aansluitingen (RNB-net) | 23,4 – 327 | mbar (o) |
1De Wobbe-index mag afwijken op basis van de toegestane variaties in de invoeding als opgenomen in voetnoten 1 en 2 bij bijlage 2.
2Uitzonderingssituaties betreffen niet normale bedrijfsvoering, zoals momenten waarop infrastructuur in onderhoud of kapot is of een andere onvoorziene omstandigheid zich voordoet.
3Voor zover de netbeheerder de aansluiting beheert.
4Met uitzondering van netten met een druk lager dan of gelijk aan 200 mbar(o).
5De volgende restrictie geldt voor het gehalte koolstofdioxide (CO2) als het gas voor ten minste 99 mol% bestaat uit methaan, koolstofdioxide, stikstof (N2) en zuurstof (O2) en voor meer dan 6 mol% uit CO2bestaan.
CO2-gehalte is maximaal het minimum van
10,32 – 0,72 * N2-gehalte – 0,87 * O2-gehalte, en
10,56 – 0,746 * N2-gehalte – 1,01 * O2-gehalte,
waarin de gehalten zijn uitgedrukt in mol%
6THT mag worden vervangen door een stof met een vergelijkbare alarmerende werking.
7Een leveringsdruk van 40 mbar (o) wordt toegestaan als de maximale incidentele druk (MIP) gemeten aan de uitgang van de gasmeterbeugel. De maximale werkdruk (MOP) is daarbij 32 mbar (o) van een 30 mbar (o) lage-druk-gasdistributienet.
Gaskwaliteit | Waarde | Eenheid | |
Wobbe-index | België | 44,9 – 46,9 | MJ/m3(n) |
Duitsland Zevenaar en Winterswijk | 45 – 46,8 | MJ/m3(n) | |
Duitsland overig | 42,7 – 46,8 | MJ/m3(n) | |
Zuurstofgehalte | ≤ 0,5 | mol% | |
Koolstofdioxide | ≤ 3 | mol% | |
Stofdeeltjes met een grootte boven de 5 μm | ≤ 100 | mg/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel | ≤ 5 | mg S/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen | ≤ 6 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte (exclusief odorant) | ≤ 20 | mg S/m3(n) | |
Odorant THT (indien geodoriseerd) | 10 – 40 | mg/m3(n) | |
Temperatuur | 0 – 40 | °C | |
Waterdauwpunt | ≤ –8 | °C (bij 70 bar(a) | |
Gascondensaat | ≤ 80 | mg/ m3 (n) bij –3°C bij elke druk |
Gaskwaliteit | Waarde | Eenheid | |
Wobbe-index | Zie onder tabel exportstations | MJ/m3(n) | |
Zuurstofgehalte | in RTL | ≤ 0,5 | mol% |
in HTL | ≤ 0,0010 | mol% daggemiddelde | |
Koolstofdioxide | ≤ 2,5 | mol% | |
Zwavelgehalte op basis van anorganisch gebonden zwavel | ≤ 5 | mg S/m3(n) | |
Zwavelgehalte op basis van alkylthiolen | ≤ 6 | mg S/m3(n) | |
Totaal zwavelgehalte (exclusief odorant) | ≤ 20 | mg S/m3(n) | |
Aflevertemperatuur | 5 – 40 | °C | |
Waterdauwpunt | ≤ –8 | °C (bij 70 bar(a) | |
Gascondensaat | ≤ 5 | mg/m3(n) bij –3°C bij elke druk |
Wobbe-index [MJ/m3 (n)] | |||
Land | Exportstations | minimaal | maximaal |
België | ’s Gravenvoeren en Obbicht | 49,8 | 55,7 |
België | Zelzate en Zandvliet | 49,2 | 55,7 |
Duitsland | Oude Statenzijl en Vlieghuis | 49 | 55,7 |
Duitsland | Bocholtz | 49,69 | 55,7 |
Verenigd Koninkrijk | Julianadorp (BBL) | 49,79 | 54,23 |